Zaterdagavondverhaal - Geen andere goden, deel-2
Transcript
Goedenavond luisteraars, oud en jong, allen hartelijk welkom op deze zaterdagavond bij het voorlezen van het verhaal. Met vanavond het tweede deel van het boekje Geen Andere Goden. En boven het hoofdstuk waar we mee beginnen vanavond staat geschreven Toch Gered. Er keert in storm en ontij een Hollandse logger huiswaarts terug van de haringvangst. Aart, de knecht, staat op de uitkijk. De felle wind giert hem om de oren. Plotseling ziet hij een boot drijven. Hij kijkt en richt de kijker op de boot.
Er is een kind in. Hij roept snel de schipper. Een drijvende boot met een kind erin, roept hij boven de storm uit. En weer brult die stem. Ik geloof dat het dood is, schipper Parvliet. komt haastig naar boven en kijkt en antwoordt op de laatste schreeuw van zijn knecht. Dat is nog lang niet zeker, Aart. Hoe krijgen we die boot te pakken? Dat is wat anders, zegt de schepper. Mag ik het proberen, schepper, zegt Aart. Kijk, gaat hij in één adem voort. Ik bind een lijn om het lichaam en dan zal ik proberen in de boot te springen. Maar dan moet jij proberen zo kort mogelijk langs de boot te vaderschippen. Maar voorzichtig, want bij de minste aanvaring slaat die kleine boot om.
Parvliet prijst zich in zijn hart gelukkig met zo'n dappere knecht en geeft zijn toestemming. Maar dat ging niet zo gemakkelijk. Aart waagt de sprong en... Ja, hij is in de boot. Vlug pakt hij het geheel verstijfde... en verkleumde kind op in zijn armen en tracht zo vlug mogelijk weer aan boord te komen. Baas, trekken nu! Toe, trek nou!
Parvliet trekt uit alle macht. En ja, het mag gelukken. Drijfnat komt aard met zijn last aan boord en geeft het kind over aan de schipper. Dan varen ze voort naar de Hollandse kusten. Even later... zoekt een Engelse vrachtvader naar de boot en ontdekt haar.
Omgeslagen. De schipper stelt dadelijk een onderzoek in naar de levensgeesten bij het kind. In de kajuit maakt hij de lippen van Elsje nat met warme koffie en trekt haar de natte kleertjes uit en wikkelt haar in een warme wolle deken. Telkens kijkt hij of er nog geen teken van leven gezien wordt.
Opeens! Een roep aan de trap. Baas, leeft het meisje nog? Aart had geen rust. Hij moest het weten. Ja, jong, het leeft, want het hartje klopt nog. En het sloeg daar zo even de oogjes op. Dan daalt Aart de trap af. Even kijken. O, baas, wat een lief kindje is dat. De tranen springen Aart in de ogen. Gelukkig, baas. Gelukkig dat we het mochten redden.
Maar hoe zou zo'n klein kind nu alleen in die boot komen, snap jij dat? Nee, zegt Parvliet, dat begrijp ik ook niet. Aart, maak ook jij nu een schouw een beetje dunne pap, want mogelijk wil het kindje zo wel een beetje voedsel hebben. Wie weet, hoelang de stakker al rondgedreven heeft. Het kind nam gretig het voedsel op en al ging de verpleging van die twee, Er wat vreemd naartoe, het ging nou toch. Was mevrouw maar hier, aard, zegt de schipper. Die heeft van dergelijke dingen meer verstand dan wij.
Je vrouw, schipper, maar jullie hebben toch nooit zelf kinderen gehad? Ja, dat is wel zo, maar ze is toch handig in die dingen, aard. Intussen sliep Elsje heerlijk in en toen de logger in de haven van Zeedorp binnenvoer, sliep ze nog. Vrouw Parvliet stond aan de haven, want vooral na zo'n storm stonden de vrouwen graag te kijken of het schip van man of vader nog niet in zicht was. Vrouw Parvliet was blij haar man weer in welstand terug te zien. Wat ben ik bang geweest deze reis, man, zei vrouw Parvliet. Het was ook zo'n weer. Maar man, wat heb je daar nu in die deken?
Wel... Ik heb dit keer eens wat voor je meegebracht. En hij gaf haar Elsje over. Wat is dat nu? Zeg eens, hoe kom je eraan? In enkele woorden vertelde de schipper zijn wedervaren. En mochten wij dat lieve kind nu houden? Vroeg vrouw Parvliet en ze drukte het kind tegen zich aan, alsof het van haarzelf was.
Zou je dat wel willen, vrouw? Vroeg de schipper. Nou en of, dat weet je wel. Je begrijpt wel dat ik het moet aangeven bij onze burgemeester en als het opgevraagd wordt, dan moeten we natuurlijk weer afstaan aan de rechtmatige eigenaars. Ik geloof dat het een kindje van rijke ouders is, zei de schipper weer, want de kleertjes wijzen het uit. Ik zal ze straks meebrengen als ik van de burgemeester terugkom. We moeten die kleertjes bewaren, zei vrouw Parvliet. Je kunt nooit weten als er navraag naar gedaan wordt. Later bleek dat ze gemerkt waren met de letters E.O. De burgemeester had aan Parvliet de verzekering gegeven dat hij het kind voorlopig mocht behouden als er niemand om kwam. En er kwam niemand om. Want de arme moeder wist niet beter of het kind was omgekomen. Even als de kapitein had ze in Engeland aangifte gedaan.
Maar ze vonden het daar niet nodig het in de koranten te vermelden. Het kind was verdronken. De omgeslagen boot, die bewees dat. Bij Parvliet. De wending die de komst van het meisje en het gezin van Parvliet teweeg bracht, was groot. Wat waren die beiden verblijkt met het kind? Maar er waren ook moeilijkheden. Elsje kende geen Hollands. Het meisje groeide voorspoedig op en weldra sprak ze de taal van haar pleegouders gemakkelijk. Elsje Parvliet, zoals ze door iedereen werd genoemd, was op school een goede leerling. Jannie van het Hof was haar vriendinnetje en die speelde graag met Elsje. En het was een wonder zoals die twee zo geheel van karakter verschillende kinderen, met elkaar omgingen. Jannie teer en stil en Elsje luidruchtig en druk.
Jannie gevoelde wel dat het bij Elsje thuis anders was dan bij haar thuis. Bij haar werd nooit een godse woord gelezen en Jannie's ouders gingen nooit naar de kerk. Hoe ouder ze werd, zoveel te meer gevoelde Jannie dit verschil. Het gebeurde wel dat ze Elsje wat vroeg voor school ging afhalen. om nog even Parvliet uit de Bijbel te horen lezen. Want kon die man toch ernstig bidden en droeg er Elsje op, maar ook Jannie, en vroeg voor hen om een nieuw hartje aan de Heere. Wel draagde Jannie ook zondags met Elsje mee naar de kerk, waardoor Parvliet wel eens een preek gelezen werd. Jannie kon het nog niet zo begrijpen, maar ze zat toch stil. En dan dacht ik te luisteren. Parvriet en zijn vrouw hadden dat ook opgemerkt. Jannie is zo anders dan Elsje, zeiden ze dan.
Vrouw Parvriet had die twee eens gehoord toen ze met elkaar aan het praten waren. Vraag jij nooit om een nieuw hartje aan de Heere. Je kunt toch zo niet sterven en ik ben soms zo bang om te sterven, zei Jannie. Maar Elsje antwoordde, wij zijn nog veel te jong om te sterven. De jong, zei Jannie, en Jan Bosman uit de vijfde klas dan, die is toch ook gestorven? Ja, maar die was ook al zo lang ziek geweest, wierp Elsje dan weer tegen. En toen vrouw Parvriet dat aan haar man vertelde, zei deze, laten we heel voorzichtig zijn, vrouw, vooral met kinderen. We kijken het maar af en wachten af wat de Heere nog wil doen.
Het was vooral de katechisatie waar Jannie zo graag heen ging. Oudeling Schuurman uit de naburige gemeente kwam de kinderen katechiseren. Hij wees hen met ernst op het ene nodige tot zaligheid. En zo was het dan weer dinsdagmiddag geworden, de laatste katechisatieles voor de vakantie.
Oudeling Schuurman was die middag ernstig in het vermalen en kon die middag maar niet van die kinderen afkomen. Kinderen, zei hij, probeer toch je knieën te buigen voor de Heere en vraag hem of hij je bekeren wil, zoals hij al zijn volk bekeert. Wat zou het toch zijn als er eens eentje was, die na de vakantie niet meer was, voor wie het sterven zou worden? En zo maakte deze eenvoudige man zich vrij van de kinderen, die hem waren toebetrouwd. Of zij het verstaan hebben, dat zal de eeuwigheid openbaren. Maar Jannie van het Hof kon deze woorden niet meer kwijtraken en ging diep onder de indruk naar huis. Elsje begreep daar niets van en Jannie wilde ook niet meer met haar spelen. Waarom dan niet? vroeg Elsje haar. Mijn handje doet zozeer, was het antwoord. Ze was de vorige dag gevallen en had daarbij een kleemontje opgelopen.
Dat scheen nogal pijn te doen. Zou je daaraan kunnen sterven? vroeg Jannie haar. Bijna helemaal mal, Jannie. Daar hoef je toch niet bang voor te zijn, hoor, zei Elsje luchtig. Maar Jannie was er wel bang voor. Elsje vertelde thuis wat er gebeurd was en ook wat Schuurman op de kategorisatie gezegd had. Nou, zei Elsje, ik vind dat Jannie toch wel heel erg kinderachtig is. om van zo'n wondje bang te zijn om dood te gaan. Nee, Elsje, zei Parvliet, dat is niet kinderachtig van Jannie. Wij moesten allen meer leven bij de kortstondigheid van het leven. Dan zouden wij niet zo dartel en onbedacht daarheen springen. De volgende morgen schrok Elsje wel heel erg, toen ze hoorde dat Jannie ernstig ziek was en koorts had. De dokter... constateerde een ernstige infectie. Jannie had het voor zichzelf zo benauwd en ze werd door haar vader en moeder niet begrepen.
Ik begrijp er niets van, zei Van't Hof. Zo'n kind heeft toch zoveel kwaad niet gedaan om daar zo over te huilen? Maar Jannie wist dat zelf wel beter. Zal ik eens vragen of Parvliet iets bij je wil komen? Jannie vroeg haar moeder. O nee, moeder. Nee, maar wat is dat nu toch? Anders ben je zo graag bij die mensen. Ja, maar nu niet, zei Jannie. Ik kan Parvliet niet ontmoeten en... O, moeder, ik kan ook de Heere niet ontmoeten.
Jannie streef een strijd die vlees en bloed niet kunnen verstaan en ook voor haar vader en moeder onverstaanbaar is. Maar in de woning van Parvliet, daar lag een man te worstelen. Om het behoud van een kind, ja wat meer is, of het de Heere behagen mocht genade te bewijzen aan dat zieke meisje.
Het was middernacht en het werd niet beter met Jannie. Moeder, moeder, riep ze, hoor eens. Vrouw Van Hof stond dadelijk bij haar bed. Moet je wat drinken, Jannie? Nee, moeder, ik durf het haast niet te vragen. Och, lieve kind, zeg het gerust. Moeder wil alles voor je doen.
Zou je dan Parvliet willen roepen? En nou is je ook. Maar kind, weet je dan niet dat het nacht is? Zouden we nu maar niet wachten tot morgenochtend? O nee, moeder, nu, nu moet Parvliet komen. En hoewel Van't Hof nooit bij Parvliet kwam, de reden laat zich wel denken, trok hij nu zijn jas aan en ging hem roepen.
Wat was die Jannie toch een wonderlijk kind. altijd al geweest. Als hij ze eens ergens mee naartoe wilde nemen, waar een ander kind blij om zou zijn, dan wilde zij juist niet. En zo stond even later Parfleet aan het bed van Jannie. Jannie, waarom moest u nu komen? vroeg hij. En Jannie greep zijn hand en zei, ik wilde u nog bedanken, dat u mij altijd zo getrouw hebt gewaarschuwd. En wilt u dat schuurman ook doen van mij?
Nu ga ik sterven. En ik was zo bang om te sterven, want ik had zoveel zonden, en die waren als een berg zo groot, ja, tot aan de hemel toe. Ik had de Heere al zo vaak gevraagd om een nieuw hart, en of hij mijn schoot en zonden wilde wegnemen, maar het gebeurde niet.
O Parvliet, en toen dacht ik... Dat het niet meer kon. Maar toen sprak de Heer deze woorden in mijn hart. Kom dan en laat ons tezamen richten. Al waren uw zonden als scharlaken. Ze zullen worden als sneeuw. Al waren ze rood als karmoezijn. Ze zullen worden als witte bol.
Toen kwam een stille vrede in mijn hart. Ik heb nooit begrepen. Maar nu versta ik er iets van, waarom de Heere Jezus in een beestenstool geboren moest worden, waarom Hij moest lijden en sterven. Het was voor mijn, ja, voor mijn zonden. Toen werd het stil. Ze kon niet meer. Maar ook voor Parvliet was het teveel.
Had de Heere dan toch willen luisteren naar zijn smeekbeden? En mocht hij dit nu nog horen uit deze kindermond? Ja, de Heer is een wonderdoend God. En waar genade valt, daar valt ze eeuwig vrij. En Jannie heeft echt kinderlijk afscheid genomen van Elsje. En ook haar gewezen op de noodzakelijkheid toch de Heer te zoeken. Voor Elsje was dat ook te veel. Ze stond daar maar te huilen en ze besefte wel dat Jannie iets had. Wat zij miste, en dat was een uur om nooit, nooit te vergeten.
Of het bij Elsje nog iets uitwerkte? Ach, als de Heere niet meekomt in de roepstemmen, dan werkt een mens weer overal overheen. Toch was het een groot gemis dat ze zo plotseling haar vriendinnetje moest missen, want Janny is gestorven. Slechts één dag heeft het nog geduurd. waarin ze bewusteloos neerlag, en toen ze na enkele dagen begraven werd, stonden de kinderen daar aan haar graf.
Oudeling Schuurman wees op de kortstondigheid van het leven, maar ook op de noodzakelijkheid van waarachtige bekering. Er ging een roepstem uit van dit graf, maar ook een sprake, dat de Heere leeft en nog werkt. Met zijn geest, niet ons kind. Het leven in Zeedorp ging weer zijn gewone gang en Elsje was een vreugde in het huis van Parvliet. Vooral als Parvliet met zijn logger dagenlang wegbleef. Op een avond dat Parvliet met zijn vrouw samen zat te praten, zei hij opeens, ik heb nooit spijt gehad dat we Elsje als ons kind hebben aangenomen. Maar ik zat zo te denken, ze is nu twaalf jaar. Zouden we haar nu niet eens moeten zeggen dat ze ons eigen kind niet is?
Ja, eigenlijk wel, zei vrouw Parvliet. Maar je moet het heel voorzichtig aanleggen hoor man. Op een keer begon Parvliet. Zeg Elsje, hoelang denk jij dat we je nu al kennen? Elsje begon te lachen. Natuurlijk vanaf mijn geboorte af, zei ze. Nee, beste kind, dat is niet zo, zei Parvliet. Je begint nu wat ouder te worden en nu mag je wel weten hoe en wanneer je bij ons gekomen bent.
Ben ik dan niet uw eigen kind? vroeg Elsje diep ontroerd en teleurgesteld. Elsje, we houden evenveel van je alsof je ons eigen kind was. Maar, en toen begon Parvliet het gebeurde te vertellen. Vrouw Parvliet ging naar het oude kabinet en kwam terug met een pakje dat ze op tafel opende en zei, en hier zijn de kleertjes die je aan had toen je bij ons kwam.
Elsje werd rood van ontroering en zei, is er dan nooit een onderzoek naar me ingesteld? Parvliet zei. We hebben nooit iets vernomen. Dan zijn mijn ouders zeker op zee verdronken, zei Elsje. Waarschijnlijk wel, zei Parvliet. Elsje barstte in snikken uit en viel haar pleegouders om de hals en kuste hen en zei, O, wat bent u dan toch altijd lief voor me geweest? En zo werden de banden versterkt door familieomstandigheden. kwam er een wending in het leven van Parvliet. De ouders van zijn vrouw waren gestorven en nu viel hun het huis ten deel. En daar Parvliet al wat ouder begon te worden, besloot hij om de zeevaar wel te zeggen en te verhuizen naar Graafstad. Ten meer trok hem dit aan, omdat daar een leraar was, die het woord van God nog zuiver verkondigde.
herenigd. Het gezin Parvliet gevoelde zich spoedig thuis in Graafstad. Er woonden er daar nog van des Heeren volk, die elkander nogal eens opzochten en dan spraken over de wegen des Heeren. En al zo was er een band met en onder elkaar. Vooral bij Bakker Henstra, die alles voor Gods volk over had, kwamen ze veel bijeen. Nu woonden buiten Graafstad boer Beekman en zijn vrouw, mensen die wel wat godsdienstig waren, maar zich verre hielden van het gezelschap der oprechte vromen. En juffrouw Beekman had één zuster, die haar eenmaal per jaar kwam opzoeken en dan gewoonlijk een zondag overbleef. Ze gingen dan gezamenlijk ter kerk en weer huiswaarts, maar niemand kende die vrouw, die bij de Beekmans logeerde. Juffrouw Beekman Deste beter, en ze ontving haar zuster dan ook altijd met veel liefde en toewijding. Op een keer dat de zuster van juffrouw Beekman weer over was en ze smorgens uit de kerk naar huis liepen, zei haar zuster tot juffrouw Beekman, O, wat heb ik vanmorgen
toch aangenaam mogen luisteren. Ja, antwoordde juffrouw Beekman, we hebben hier een goede dominee. Maar het gesprek flotte niet zo best, want de een bezat. Wat de ander miste. Ik zou zo graag die dominee eens ontmoeten en willen spreken, zei haar zuster. Zouden we vanavond na de dienst er eens heen gaan?
Je kunt doen wat je wilt, maar ik ga niet mee, zei juffrouw Beekman. Anders komen wij er ook niet, dus nu ga ik er ook niet heen. En bovendien, ik heb wel eens gehoord dat de dominee na de dienst veel bij bakker Henstra komt. En dan komen er nog meer, dat noemen ze dan gezelschap. Het hart van haar zuster begon te verlangen om die mensen eens te mogen ontmoeten en stilzuchte zij. O Heere, mocht het eens zijn van uwentwegen.
Juffrouw Beekman, die bemerkte hoe graag haar zuster daarheen ging, wilde haar dat niet onthouden, want in haar leven was er al zoveel teleurstelling geweest. Nu, weet je wat, we gaan dan vanavond eens naar Bakkerhenstra. Ze wist niet wat daar openbaar zou komen. Ze werd naar Hartelijk ontvangen. Ze waren de eerste, maar weldra was de kamer geheel gevuld. Parflet met zijn vrouw en Elsje waren er ook. Er werd gesproken over de prediking die deze dag beluisterd was. en over de gangen en wegen des Heeren met zijn volk in het moeitevolle leven, maar de dominee had die vreemdelingen ook opgemerkt, en op de vraag van hem maakte ze zich bekend als mevrouw Oldhoff.
Een diepe lijden deed haar ouder schijnen dan ze was. In de voorbijgegaande jaren was God haar te sterk geworden en ze had gedachten stil en gerust leven te leiden in Holland. Maar de Heere gaf haar geen rust en ontdekte haar aan haar verloren staat.
Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. O, wat was ze schandelijk afgeweken van de Heere. En mevrouw, hebt u ook nog mogen luisteren vandaag? vroeg de dominee. Het was een ogenblik stil in de kamer. Toen verwaardigde de Heere haar de mond te openen en haar hart te ontsluiten en vanaf het begin begon ze haar weg te vertellen.
Wat kwam toen uit, dat de Heere het verlorene en het weggedrevene zoekt. Niets hield ze achter, ook niet de door haar zelf gekozen wegen en de waarschuwingen die de Heere haar gaf. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. Ze kwam ook te vertellen hoe ze haar man en kind verloren had. Toen steeg de spanning ten top. Bij wie? Wel, bij Parvriet en zijn vrouw natuurlijk. Het duizelde voor hun ogen. Zo, zou het dan mogelijk kunnen zijn dat... Hij kon bijna niet meer denken.
Mevrouw, riep hij uit, is dat al lang geleden? Juist twaalf jaar, meneer, antwoordde mevrouw Oldhoff. Maar werd er dan nooit een onderzoek ingesteld naar uw kind? Nee, meneer, want de boot werd toch omgeslagen en de zee teruggevonden? En toen kon Parvliet zich niet meer inhouden en riep, O, mevrouw, uw kind leeft. Ik heb het zelf gered. En op haar kleertje stonden de letters E.O. En hier is uw kind, zei vrouw Parvliet, die wenende Elsje bij haar moeder bracht.
Wat een ontmoeting van moeder en kind! Het is niet in woorden uit te drukken. Allen waren zeer verwonderd en ontroerd. Toen vertelde Parvliet de hele geschiedenis van de redding. En de dominee zei... We moesten samen maar eens zingen. Heilig zijn, o God, uw wegen. Niemand spreekt uw hoogheid tegen. Wie, wie is een God als gij? Groot van macht en heerschappij? Ja, gij zijt die God die de horen, wonderen doet of wonderen horen. Gij hebt uw roem alom groot gemaakt. bij het heidendom. Velen konden het slechts stamelend zingen, maar de Heere kregen de eer en de dominee sloot de avond met een ernstig dankgebed. Mevrouw Oldhoff ging met haar goedvinden niet met haar zuster mee terug, maar bleef bij Parvliet voorlopig in huis. Veel was er nog te vertellen en te regelen. Er was ook droefheid, daar er banden verbroken moesten worden.
Elsje kon nu niet langer bij haar pleegouders blijven. Dit scheiden zou voor beiden zeer zwaar vallen, maar het werd enigszins verzacht door de wonderlijke blijken van zeer een goedheid en ook omdat mevrouw Oldhof besloot in Graafstad te gaan wonen. Zo kon Elsje haar geliefde pleegouders nog veel bezoeken en dat er nadien... nog veel over die wonderlijke wegen gesproken is, laat zich begrijpen. De Heere zei alleen de eer. God is het verbroken hart, het verprijzelt en het bedrukt gemoed, de alle tijd, nabij en goed, in tegenheid en smart. Veel wederwaardigheden, veel rampen zijn het vrome lot. Maar uit die allen redt hem God. Hij is zijn heil alleen. En
hiermee eindigt het verhaal. Geen andere goden. We willen ook naar deze psalm gaan luisteren. Het is psalm 34, het negende vers. En we luisteren ook naar het tiende en het elfde vers. Psalm 34, vers 9. 10 en 11 Dank u hartelijk voor het luisteren. Wens u een goede nachtrust en voor morgen God zegen over de verkondiging van zijn woord.
♪ Gezang