Richteren 8: 22 - 35; Het einde van de richter Gideon
Transcript
♪ Gezang
Anze, hulp is in de naam des Heeren die hemel en aarde geschapen heeft. Die trouwe houdt en eeuwig leeft en die nooit laat varen enig werk dat zijn hand begon. Amen. Genade zij u en vrede van hem die is, die was en die komen zal. En van de zeven geesten die voor zijn troon zijn. En van Jezus Christus die de getrouwe getuige is. de eerstgeboren uit de doden en de overste van alle koningen der aarde. Amen.
Gemeente, we zetten u vanavond ons samen zijn voort en doen dat met het zingen uit Psalm 84, vers 5. O God, die ons ten schilde zijt en ons voor alle ram bevrijdt, aanschouwt toch uw gezalfde Koning. En wat er volgt, het is Psalm 84, vers 5.
♪ Gezang
beleiden vanavond in gemeenschap met de kerk van alle tijden en plaatsen ons algemeen ongetwijfeld christelijk geloof. We doen dat met de woorden van de twaalf artikelen en zingen daarna Psalm 74 vers 12. Gij evenwel, gij blijft dezelfde, o Heere, gij zijt vanouds mijn toeverlaat, mijn koning. En wat er volgt in Psalm 74 vers 12.
En een iedere van u die spreken met mij in zijn of haar hart. Al dus, ik geloof in God de Vader, de Almachtige Schepper des hemels en der aarde. En in Jezus Christus, zijn enige geboren Zoon, onze Heere. Die ontvangen is van de Heilige Geest. Geboren uit de maagd Maria. Die geleden heeft onder Pontius Pilatus. Is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaan ter helle. Ten derde dagen wederom opgestaan van de doden. Opgevaren ten hemel. Zitten de terechterhand gods des almachtigen vaders. Van waar hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden. Ik geloof in de heilige geest. Ik geloof een heilige algemene christelijke kerk. De gemeenschap der heiligen. Vergeving der zonden. Wederopstanding des vleeses. En een eeuwig leven. Amen. Gemeente
♪ Gezang
laten we nu met elkaar bidden. Aan de opening van het woord. En van onze harten door de heilige geest. Laten wij bidden. Heere we mogen deze avond bij elkaar komen. En alleen wanneer u erbij bent. Dan is het niet koud of leeg. Maar dan wordt het warm en vol.
Alleen als u erbij bent. Dat is niet automatisch. Nee niet vanzelfsprekend. Als wij zouden denken dat het er maar zomaar is. Ja, dan vergissen we ons. Maar als we nou om verlegen zijn. Heere, dan zult u toch niet achter willen blijven. Mozes was er om verlegen.
Toen u tegen Mozes zei. Ik ga niet meer met je mee. En ook niet meer met dit hardnekkige volk. Ik zal wat een engel sturen die met u meegaat. Toen was het al dat Mozes tegen u zei. Indien uw aangezicht niet met ons meegaat.
Doe ons dan van hier niet optrekken. Waarop u hem antwoordde. Zou dan mijn aangezicht met u mee moeten gaan. Om u gerust te stellen. Heere laat het zo bij ons allemaal mogen zijn. Dat uw geest er ook bij mag zijn. Want anders dan wordt het niet wat.
En dan is het een klinkende schel. Een klinkend metaal. Dan zijn er wel de woorden. Maar er is geen inhoud. Och kom gij dan toch. En scheurt u de hemel. O daalt u tot ons af. Opent u de harten. O wilt u er woning maken.
O kom gij zo in ons midden. En zeg tot onze ziel. Ik ben uw heil alleen. Heere laten wij zo vanavond bij elkaar mogen zijn. En wilt gij dan ook zo door de rijen gaan. En harten aanraken. Harten die van nature. Zo hard kunnen zijn.
Onbewogen. Niet te verbreken. Tenzij dat u dat doet. En daar wilt u uw woord voor gebruiken. En wanneer de geest daarbij komt. O dan gaan er grote en wonderlijke dingen gebeuren. Heer wilt u zo dan bij ons zijn. En wilt ge ons ook onderwijzen.
En ook leren uit uw woord. Leren wie dat u bent. En ook wat een mens is en wat een mens blijft. Maar dan ook dat tegenover uw taaie geduld. En u weet ook wel wat er van uw maaksel is te wachten. En u weet ook hoe dat wij zijn. Ieder hoofd voor hoofd en hart voor hart.
Gekend ons door en door. Ach wilt u zo nabij uw knecht zijn. Maar ook allen die zijn gekomen. En laat het zo goed mogen zijn hier in de kerk. Dat we mogen zeggen werkelijk de Heer heeft ons willen helpen. Ja tot hiertoe heeft hij ons geholpen.
En nog is het dat hij ons helpt. En dat hij ruimte maakt. Ja dat u in het midden bent. En dat dit huis is een huis van u. Hoe u er later ervaren mogen worden. Dat u de levende God bent. En dat u aanwezig bent.
Ten midden van alle chaos in de wereld. Alles wat er aan de hand is. De kerkverlating die wij zien. De secularisatie. Maar ook dat uw geboden aan de kant worden gelegd. En dat er allerlei aanvallen op uw volk Israël worden gedaan. En dat niet alleen in ons land, maar ook daar buiten.
De benauwde situatie in Oekraïne. En een niet minder benauwde situatie in het Midden-Oosten. En dat niet alleen rondom Israël. Maar ook de oorlog tussen Amerika en Iran. En wat er ook momenteel gebeurt in Saudi-Arabië. De aanvallen van de Houthis. Maar ook wat er in Afrika gebeurt.
En de dreiging in het Verde Oosten. En dan mogen wij nog in vrijheid leven. En wij vernemen nog niet iets van oorlogsgeweld. Ja, we horen ervan en kunnen het lezen. Maar we mogen nog in veiligheid en in vrijheid samenkomen. Ach, wat is dat een groot voorrecht.
En dat uw woord nog verkondigd mag worden. En dat er niets ons in de weg wordt gelegd. En zo is het nog de welaangename dag. Het is nog de tijd der zaligheid. En het is nog dat u tot ons komt. En dat u zegt, verhuid u toch niet.
O, ik ben het u, mijn vriendschap, weet. O, Heer, gedenk zo aan allen. Wil gij zijn met hen die ziek zijn. Gedenk u aan hen die chronisch ziek zijn. Zou u willen zijn met allen. Die niet meer weten hoe dat het moet. Die ter neer geslagen zijn.
Gedenk aan die psychische noodkennen. Die niet meer weten hoe dat ze voor of achteruit moeten. Die zich in vertwijfeling afvragen. Waar is God? Ik heb al zo lang tot hem geroepen. Dat hij mij zal verlossen uit deze nood. En mij uit die duisternis zal trekken tot zijn wonderbare licht. En het blijft nog even zo donker.
Dat u zwijgt. En dat u zo'n lange tijd zwijgt. Er zijn psalmen die spreken ervan. Waarom zwijgt u toch? En waarom is het Heer de God dat u van verre staat? En waarom is het dat u zich niet bekam uit. Omdatgene dat ons overkomt. Or zijn die weten van diep leiden.
En die zich dus in vertwijfeling afvragen. Waar bent u toch. Waar is God mijn maker op wie ik bouwde. En aan wie ik mijn zaak vertrouwde. Ach Heere maar toon uzelf toch. En scheur gij de donkere hemel. En daal gij af met uw licht. In uw licht zien we het licht. Heere wilt u zijn met hen die oud van dagen zijn geworden.
Of die moeten beleiden. Ja wij worden ouderen. En we hebben te maken met de mankementen van het ouder worden. En dat wij richting de dood gaan. En daar willen we vaak liever niet aan denken. Als voor een andere. Maar wij komen allen aan de beurt. Het gaat niet van het rijtje af.
Al ontferm u al God. En maak u ons iedere beruid. Om u te kunnen en te mogen ontmoeten. En dan is dat toch ook een verlangen. Bij hen die me mogen kennen. Wanneer zal ik u mogen zien. En wanneer mag ik zien uw aangezicht geprijzen.
Wanneer zal die dag aanbreken. Dat de schaduwen vliegen. En dat de Heer Jezus Christus komt. Springende op de bergen. En huppelende over de heuvelen. En dat hij alles meeneemt. En dat hij zegt zie hier ben ik. En mijn loon is bij mij. Om aan een ieder te vergelden. Naar dat hij heeft mogen doen.
Heere wat gij zou tonen dat u er bent. Al was het dat maar alleen. Dat er een eenzame aangevochten ziel is. Die straks de kerk verlaat en die moet zeggen. Nu weet ik het toch weer. Dat God er is. En dat hij leeft.
En dat ik tot hem mag roepen. En dat hij wil antwoorden. Al is het dat hij het nu nog niet doet. Maar dat hij hoort en dat hij op zijn tijd zal antwoorden. O Heer, gedank ons zo allen met elkaar. Ook als er kinderen in de kerk zijn. En er zijn kinderen.
Zou u ook dat het hart van elk kind willen spreken. Het is de beste tijd. Het is een heerlijke tijd. Om een kind te mogen zijn. Eigenlijk nog nauwelijks zorgen te kennen. Of het moet zijn dat kinderen het aflezen op het gezicht van hun ouders. Of dat ze het meemaken in de huiselijke situatie. Hoe bedreigend dat die kan zijn.
Ach wilt u die kinderen gedenken. En wilt u wonen in de harten van al die kinderen. Gedenken die jeugd, de katten gezanden. O gedank zo in iedere tocht. En dat naar de rijkdom van uw oneindige genade. Heere wij bidden u dat in Jezus naam. En vergeef ons. Al onze misdaad in. Maar zie ons aan in het bloed. Van hem. Die dood is geweest en die leeft. Tot in alle eeuwigheid. Uit genade alleen. Amen.
Gemeente de schrift lees je. En die kunt u vanavond vinden in het oude testament. In het boek Richteren. Hoofdstuk 8. En we beginnen daar te lezen bij vers 13. En lezen door tot het einde van het hoofdstuk. Richteren 8. Te beginnen bij vers 13. Tot en met vers 35.
En ondervraagde hem, die schreef hem op, de oversten van Sukkot en hun oudsten, zeven en zeventig mannen. Toen kwam hij tot de lieden van Sukkot en zeide, zie daar Zeba en Zalmuna, van de welke gij mij smadelijk verweten hebt, zeggende is de handpalm van Zeba en Zalmuna alrede in uw hand, dat wij uw mannen die moeder zijn brood zouden geven.
En hij nam de oudsten van die stad en doornen der woestijn en distels. En deed het de lieden van Sukkot door dezelfde verstaan. En de toren van Pnu al wierp hij af en doodde de lieden der staat. Daarna zeide hij tot Zeba en Zalmuna. Wat waren het voor mannen die gij te Tabor doodsloegt? En zij zeiden, gelijk gij. Al zo waren zij enelei van gedaante als koningszonen.
Toen zeide hij, het waren mijn broeders. De zonen van mijn moeder, zo waarlijk als de Heer er leeft, zo ge hen had laten leven, ik zou jullie er niet doden. En hij zei tot Jeter, zijn eerstgeborene, sta op, dood hen. Maar de jongeling trok zijn zwaard niet uit, want hij vreesde, terwijl hij nog een jongeling was.
Toen zeiden Zeba en Zalmuna, sta gij op en val op ons aan, want naar dat de man is, zo is zijn macht. Zo stond Gideon op en doodde Zeba en Zalmuna en nam de maantjes die aan de halzen van hun kemels waren. Toen zeiden de mannen van Israël tot Gideon, Heers over ons, zo gij als uw zoon en uw zoonzoon, dewelge ons van der midden je niet een hand verlost hebt. Maar Gideon zeide tot hem, Ik zal over u niet heersen, ook zal mijn zoon over u niet heersen, de Heere zal over u heersen.
Voort zei de Gideon tot hem, een begering zal ik van u begeren. Geeft mij maar een ijgelijke voorhoofd siersel van zijn roof. Want ze hadden gouden voorhoofd sierselen gehad, terwijl ze Ismaëlieten waren. En ze zeiden, wij zullen ze gaarne geven. En ze spreiden hun kleed uit en wierpen erop een ijgelijke voorhoofd siersel van zijn roof. En het gewicht der gouden voorootsieselen die hij begeerd had. Was duizenden zevenhonderd sikkelen goud. Zonder de maantjes en ketenen en purperen klederen. Die de koningen der Midianieten aangehad hadden. En zonder de halsbanden die aan de halzen van hun kemels geweest waren.
En Gideon maakte daarvan een eefot. En stelde die in zijn stad de overa. En gans Israël hoereerde al daar dezelfde na. En het werd Gideon en zijn huis tot een valstrik. Al zo werden de Midianiten ten onder gebracht. Voor het aangezicht der kinderen Israëls. En hieven hun hoofd niet meer op. En het land was stil veertig jaar in de dagen van Gideon. En Jerubaal de zoon van Joas ging heen en woonde in zijn huis.
Gideon nu had zeventig zonen. Die uit zijn heup voortgekomen waren. Want hij had vele vrouwen. En zijn bijwijf, de welke te Sichem was, die baarde hem ook een zoon. En hij noemde zijn naam Abimelech. En Gideon, de zoon van Joas, stierf in goede ouderdom. En hij werd begraven in het graf van zijn vader Joas, de overaad des Abies Reeds. En het geschiedde. Als Gideon gestorven was, dat de kinderen Israël zich omkeerden en de baals nagoe reden. En ze stelden zich baal bij Riet tot een god.
En de kinderen Israëls dachten niet aan de Heere, hun God, die hen gered had van de hand van al hun vijanden van rondom. En ze deden geen weldadigheid bij het huis van Jerubaal, dat is Gideon, naar al het goede dat hij bij Israël gedaan had. Tot zover.
En wij staan vanavond stil bij het gedeelte vanaf vers 22. En ik lees u nog een keer wat er in vers 22 staat. En wat er dan ook verder. Het zal gaan over het einde van de Richter Gideon. In de eerste plaats zijn ootmoed. Ten tweede zijn dwaasheid. Ten derde zijn sterven. En ten vierde zijn roem.
Dus nogmaals, het gaat over het einde van de Richter Gideon. Ten eerste zijn ootmoed. Ten tweede... Zijn dwaasheid. Ten derde. Zijn sterven. En ten vierde. Zijn room. We gaan nu met elkaar eerst zingen. Psalm 115. De versen 1, 2 en 3. En ik mag u nog meedelen dat de collecten als volgt zijn. De eerste is voor de diakonie. De tweede voor de kerkvolgdij. En de derde voor het verenigingsgebouw Eben Haezer. Alle drie collecten worden van harte bij u allen aanbevolen. En dan gaan we zingen op Psalm 115 vers 1. Niet ons, o Heere, niet ons. Uw naam alleen zij om uw trouw en goedertieren heen al eer en roem gegeven.
Twee, nochtans is God het doel van onze lof. Hij onze God, hij woont in het hemelhof en doet al zijn behagen. En drie, ze hebben wel een mond toch die niet spreekt, wat ogen toch waar aan het gezicht ontbreekt. En wat er volgt, het is 1, 2 en 3 van Psalm 115.
♪ Gezang
Amint Gideon is een bekende rechter. Dat weet eigenlijk bijna iedereen die iets wat thuis is in de Bijbel. En dat Gideon een leger had van maar 300 man. En daarmee moest hij een oppermachtige vijand tegemoet. Maar Heere God gaf het. Dat dat leger in de handen van Gideon is gevallen.
Op de vlucht is geslagen. En dat zij elkaar hebben uitgemoord. Want het zwaard van de ene Midianiet. Dat raakte dat van de andere Midianiet. Er was paniek uitgebroken. En dan die driehonderd man. Ze hoefden alleen maar een kruik een kapot te slaan. Met fakkels te zwaaien.
En dat de bazuinen te blazen. Ze hoefden eigenlijk het zwaard niet eens te hanteren. Het Midianitische leger dat moest vluchten. En een gedeelte dat stak de Jordaan over naar het oosten. En Gideon heeft het achterna gejaagd. En heeft ook de koningen van Midian in de handen gekregen.
Dat zijn die koningen Zeba en Zalmina. En dan komt hij terug. En dan is de strijd gedaan. En dan is de verlossing een feit. En dan breekt eigenlijk het einde van de geschiedenis van Gideon aan. En we hebben dat gelezen ook hoe dat dan het afloopt.
Dat met de dood van Gideon het volk weer tot afgoederij vervalt. En dat ze Gideon vergeten. Dat ze de Heere God vergeten. En dan lijkt het wel of dat het allemaal... En niets heeft gedaan. Dat is toch waarig. En eigenlijk als je heel het boek richteren doorneemt. Is dat wel het repeterende patroon. Het
volk dat vervalt in Afgoderijn. Ze worden een tijd lang door hun vijanden. Leuke mogendheid onderdrukt. Ze roepen tot God. Hij stuurt de richter om hen te verlossen. Die verlossing die komt. Het volk is daar even blij mee. Maar de richter die. Sterkt. En het volk valt zo weer terug.
Daar gaat echt geen lange tijd overheen. En zo gebeurt dat iedere keer. Dan zou je toch moe van worden. Dan zou je toch zeggen. Met dat volk daar is. Niets mee te beginnen. Het is eigenlijk zinloos. Om daar nog energie aan te spanderen.
Je zou er echt zo het bijltje bij neergaan. En dat de Heerde God dan zoveel geduld heeft. En dat hij steeds weer tot dat zalde volk. En altijd weer bemoeienissen met hun heegd. Dat is toch wonderlijk. En men denkt dat is ook wel een van de centrale elementen uit de boodschap van de boekrechter.
Dat er van dit volk totaal niets is te verwachten. En dat ze steeds ook weer de afgoden gaan dienen. Maar dat de heer het niet moe wordt. Om hen achterna te komen. En te roepen tot bekering. Dat hij met zijn straffen komt. Maar dat hij ook ten uiteinde verlossing zendt. Elke keer opnieuw.
Het is een patroon dat we natuurlijk eigenlijk wel door het hele oude testament heen zien. Maar mij dun bij de richteren wel heel erg nadrukkelijk. We gaan vanavond na. Hoe dat er met Gideon is gegaan. Nadat hij die klinkende overwinning heeft mogen behalen door de Midianite. En dat heel Israël ervan overtuigd is.
Gideon is echt een richter door God gestuurd. Er hoeft helemaal niemand meer te twijfelen aan zijn roeping. Er waren er wel geweest. Die zeiden ja die Gideon dat kan er wel wat zijn. Maar het valt tot te bezien. Of dat hij echt ook die toningen van de Midianieten in zijn handen krijgt. Het is wel gebeurd. En Gideon toont die ook.
En Gideon veldt zelf het van is. En voert het ook uit. Over die koningen. Door hen zelf te doden. Nou dan is het volk er echt helemaal van overtuigd. Weer de God heeft grote dingen bij ons gedaan. Die zijn wij verblijfd. Hij heeft ons een rechter gezonden.
Die ons heeft willen verlossen. Vanuit de verdrukking door de medianite. Trouwens een verdrukking die ook vooral daarin bestond. Dat jarenlang wanneer de oogst op het land stond. En de Israëlieten waren bijna zo ver om die binnen te halen. Dan kwamen de Midianieten. En ze vernielden de complete oogst. Als ze roofden die. En namen die mee naar hun eigen land. Ja zodanig dat Israël. In bittere armoede en honger terecht was gekomen.
Maar ze zijn verlast. En dan willen ze Gideon koning maken. Ja al die andere volken die hebben natuurlijk koningen. De Midianiten hadden koningen. En bij een koning hoort eigenlijk ook erg opvolging. Dat wanneer een koning sterft. Dat zijn zoon dan koning gaat worden in zijn plaats.
En in Israël vindt men dat moeten wij ook hebben. Het zie je ook later in het boek 1 samen wel gebeuren. Dat men ook een koning wil hebben. En dan krijgen ze ook een koning. Dat is koning Saul. Maar hier is het zover nog niet.
En nu willen ze dan wel dat Gideon koning over hen zal gaan worden. Dan moet je toch wel stevig in de schoenen staan. Om niet vatbaar te zijn. Voor de loftuitingen die je worden toegedicht. En dat hebben ze natuurlijk gedaan tegenover Gideon. U bent wel een bijzonder mens.
En de Heer heeft door u wel hele grote dingen gedaan. En daar zijn we nu ook echt achter gekomen. En als we al twijfels erover hadden. Dan zijn die twijfels helemaal ook weggenomen. Kijk eens aan wat grote dingen dat Gideon voor ons heeft mogen doen.
Gideon moet koning worden. En Gideon zegt nee. Nee zegt hij. Hij zegt ik zal over u niet heersen. En ook niet dat straks mijn zoon over u zal heersen. De Heere. Hij zal over u heersen. Hij zal koning zijn. Hij was al koning. Hij is ook koning. En hij blijft ook koning. En Gideon is bescheiden.
Oudmoedig. Gideon erkent. Ik heb het niet gedaan. Het is niet mijn verdienst. En ga het ook maar na toen Gideon geroepen werd. Gideon was toch enkel een beetje een angsthaas. Want Gideon was bezig om koren te dossen in een wijnpersbak. Hij deed het alles in het geheim.
En wanneer hij dan tot de rechter wordt geroepen. Dan moet hij een einde maken aan de baal godsdienst. Nou in zijn eigen woonplaats. Dan is het niet over de dag. Maar dat hij dus nachts op uit gaat. Om het beeld van baal omver te trekken.
Gideon is wel wat bangelijk. En Gideon heeft ook gevraagd. Ach Heere ik heb zo'n zwak geloof. Geeft u mij een teken. Dat ik zeker mag weten dat. U mij ook wilt helpen om de overwinning op de Midianieten te behalen. En dan komt er dat teken van die schapenvacht. Die de ene morgen vol is van douw. Zodat u er een schaal water uit kunt passen. En er is helemaal geen douw op het land. En de andere ochtend precies andersom. Dat was Gideon ook. En dat is Gideon niet vergeten.
Daar is hij niet bovenuit gegroeid. En Gideon is zich wel ter tegen dus bewust. Dat wat ik ben. Dat ben ik door de genade gods. Zoals een Paulus dat later ook zegt. Die nooit natuurlijk heeft kunnen vergeten. Waar dat hij vandaan kwam. Hoe dat hij de gemeente van Christus vervolgd houdt. Maar dat toch de Heer hem te sterk is geworden. En dat mag hij beleiden. Door de genade van God ben ik wat ik ben.
En van mezelf heb ik geen verdiensten. En zo lag dat ook bij Gideon. Hij ging niet roemen. Want datgene wat hij had mogen krijgen. Hij wees van zichzelf af. En zo moet het toch ook zijn. Net als bij een jihadist de toberen. Ze kwamen bij hem. U bent zeker de Messias.
Het was ook al zoveel eeuwen. Dat er geen profeet was opgestaan in die tijd. En dan komt daar Johannes de Doper. En dan zeggen de mensen. Ja u bent zeker de Messias. En wanneer ze dat hem voorleggen. Dan zegt Johannes. Nee die ben ik niet.
Die na mij komt. Die is de Messias. Ik ben slechts degene die voor hem uitgaat. En wanneer hij komt. Ik ben het dan niet eenswaardig. Dat ik mij zal bukken. En dat ik de riem van zijn schoen zal losmaken. Dat was de gestalte van Johannes. En dat terecht. Hij was de Messias niet. En hij wilde ook niet. Dat men hem tot Messias zou kronen. Wel en zo is het ook hier bij Gideon.
En die ootmoedige gestalte. Het siert hem. Dat siert ook u. En mij. Om nederig. Ootmoedig te zijn. En datgene wat je bent. En dat wat je hebben mag. Daar niet trots mee te worden. En je op een voetstuk te laten hijsen. Maar nederig te zijn. Wie ben ik toch.
Dat de Heere naar mij het willen omzien. Het is enkel genade. Het is alleen maar genade. Dat ik zalig mag worden. En zo is het bij een Gideon. De heer is koning. Hij alleen heeft het voor het zeggen. En dat geldt nu toch ook.
Nou ja het kan zijn dat u zegt we leven in een hele andere taart. En als je zo om je heen kijkt. Ja dan moet je eigenlijk zeggen wat zie ik nou van dat koningschap. Van de Heere. Er zijn er zoveel vandaag de dag. Die doen de Bijbel niet meer open. En als ze weten wat er in het woord van God staat.
En dan trekken ze zich daar helemaal niet van aan. En Gods goede geboden worden aan de kant gelegd. Die hoeven niet meer worden te gehoorzaamd. En ja we leven dan toch in een hele andere tijd. En de dingen die in de Babel staan. Dat moet je ook anders interpreteren.
Nee dat hoeft allemaal niet meer zoals dat vroeger gebeurde. Of we doen de Babel helemaal dicht. En we hoeven ons er helemaal niet meer om te bekammeren. Want de Babel is toch maar een menselijk boek. En ik kan zelf wel bepalen wat goed en wat kwaad is. En ik kan zelf wel even kijken. Ja, wat voor keuzes dat ik moet maken. Daar heb ik het eerder niet voor nodig.
Dat is wel de tijd waarin wij leven. Zelfstandigheid. Individualiteit. Best een hoge dunk van eigen inzichten. We zijn volwassen geworden. En we zijn in een stadium beland. Dat we eigenlijk het alles kunnen maken. En heel de wereld ligt aan onze voeten. Technologie heeft ons heel wat gebruikt.
Hoogmoed. Eigendunk. Waar is het dan van belang? Toch in te zien dat er één koning is. En dat alle knie zich eenmaal voor hem zal buigen. De Heere alleen is koning. Is hij ook uw koning? Is hij ook al jouw koning? Ja, zegt u natuurlijk. Het feit alleen al dat ik op woensdagavond in de kerk ben. Het laat al zien dat ik herken dat de Heer koning is.
Ja, nee, goed, prima. Maar is daarmee dan alles gezegd? Hoe ligt het in uw binnensteen? Gelooft u van ganser harte? Of is het alleen maar het verstand? De traditie? Een overtuiging? Een bepaald besef? Een berekening? En meer dan dat is het niet. Zit u zelf nog op de troon?
Is het eigen ik nog altijd niet ontroond? Kijk, we kunnen gemakkelijk zeggen. Natuurlijk, de Heer regeert. Beeft gevolg en eert hem. Maar beleef ik dat ook zo? Is dat ook de erkenning diep in mijn binnensteen? Andere zoek jezelf. Of het ook werkelijk zo is.
En of u ook iets van die oud maakt. Van die nederigheid mag kennen. Niet ons. Niet ons. Maar uw naam alleen. Zijn al de ere toegebracht. Later ontspiekerden aan de houding van een Gideon. Maar Gideon is geen volmaakt mens. En dat laat het volgende ook zien. En dat brengt me dan bij de tweede gedachte. En ik noem die zijn dwaasheid. Nou die dwaasheid van hem die zie je vooral in vers 27.
Maar dat vergt toch wel even een klein stukje uitleg. Wat is het namelijk dat Gideon nu doet? Hij zegt tegen de mannen die samen met hem hebben gevochten. Ik zou graag willen dat jullie van de buit die je van de Midianieten hebt gerookt.
Een voorhoofds sieraad aan mij gaat afstaan. Nou, maar dat willen ze wel doen. En er wordt een kleed op de grond gelegd. En ze werpen daar allemaal een sieraad op. Dat ze hebben geroofd van de vijand. En dat wordt gewogen. En dan is het een gewicht van 1700 sikken goud.
Wat is dat voor een gewicht? Nou verklaarders zeggen. Je moet er vanuit gaan dat het dan gaat om ongeveer 20 kilo goud. Dat is best veel. Dat is van hele grote waarde. Ze geven dat aan Gideon. Wat gaat Gideon daarmee doen? Hij maakt er een eefvot van.
Ja dat is natuurlijk de vraag. Wat is een eefvot? Nou dan moeten we naar Exodus 28 toe. Want daar wordt beschreven. Waar dat die eefvot van is gemaakt. En wat die eefvot nu in feite is. Het is een onderdeel. Van de priesterkleding. Ja de priesterkleding bestond uit verschillende onderdelen. En een daarvan was een soort schort.
Dat de priester droeg. De hoge priesterik. En dat was een schort met schouderbanden. En meer naar beneden. Richting de middel was er een riem. Om zo met die schouderbanden. De eefhot vast te hechten op het lichaam. En die eefhot. Een soort schort dus.
Ja was gemaakt van fijn linnen. En er was goud in verwerkt. En de kleuren hemelsblauw. Purperen. Dat is paars en scharlaken, donkerrood. Dat zag er heel kostbaar uit. En de waarde ervan was natuurlijk heel hoog. Die schouderbanden, op elk van die banden werd een edelsteen bevestigd. En
elke edelsteen stonden zes namen van de stammen van Israël opgeschreven. Dus zes op de ene schouder en zes op de andere schouder. Twee edelstenen. Die waren weer gehecht in een gouden omhulsel. En dan zo vastgemaakt. En die schouderband. De egel. Anderdeel dus van de hoge priesterlijke kleding.
Tot zover daar niets mis mee. Nu is het ook zo dat in de tijd van David. En ik dacht dat het was met de verwoesting van Ziklag. Dat David op dat moment. Ze gaat sterken in de Heere zijn God. Maar dan ook aan de Heere vraagt, wat moet ik doen?
Maar voordat hij die vraag stelt, dan zegt hij, haal mij de eefot. En met die eefot wordt dan de naam van de Heere aangeroepen. Wordt hem om antwoord gevraagd. Is dat dan ook zo'n christerschort? Of is het toch een ander kostbaar voorwerp? Dat kennelijk in de dienst van de tabernaken en de tempel werd gebruikt. Om de naam van de Heer de aan te dopen.
Maar vooral ook om een godspraak te vragen. Hoe het ook zijn. Wanneer Gideon hier de efot maakt. Het is een voorwerp. Ontleend uit de dienst van de Heer de God. Maar wat wil Gideon dan toch? Wel Gideon plaatst dit in zijn geboorteplaats overal.
En hij bedoelt het als een herinnering aan de overwinning die geboekt is op de medianieten. En hij ziet het als een middel dat het volk daardoor de Heere zal aanbidden. En hem zal danken voor de vele weldaden die God hun gegeven heeft. Maar het pakt anders uit.
Want wat staat er in vers 27? Gans Israël... Hoe moet je dat dan zien? Dan ga ik even de vergelijking maken met de koper en slang. De kinderen weten wel dat de koper en slang. Werd door Mozes in de woestijn gemaakt. Op een tang bevestigd. Die werd hoog opgeheven. En iedereen die opkeek naar de koper en slang.
En door een slang gebeten was. Werd dan genezen. Wonderlijke zaak. Een koperen voorwerp. En ieder die er naar keek. Was genezen van de slangenbeet. De heer Jezus. Spreekt ook over de koperen slang. En hij zegt. Zoals Mozes de koperen slang verhoogde in de woestijn. Zo moet de zoon des mensen worden verhoogd. Hij bedoelt op het kruis. En ieder die in geloof opkijkt naar hem.
Ontvangt vergeving. Die koperen slang is bewaard gebleven. Eeuwenlang. Tot in de tijd van de godvrezende koning Heskia. Nou dan ben je echt eeuwen later. En wat gebeurt er dan? Dan gaat men met die koperen slang afgoederij bedrijven. Men gaat die koperenslang vereren alsof dat een godheid is.
En wanneer Ischia dat merkt, dan vernieuwt hij de koperenslang. Die koperenslang die oorspronkelijk bedoeld was. Als een middel om daarmee god te dienen. Met een voorwerp. Men ging dat voorwerp aanbidden. En dat is ook wat hier gebeurt. Met de allerbeste bedoelingen. Maakte Gideon de eehoot.
Maar het volk dat richtte zich op die eehoot zelf. En ging dat gouden voorwerp aan Bede. Als was het een god. En dan ben je weer helemaal terug. Bij de dienst aan de afgouden. Dan wordt ook het werkwoord hoereren gebruikt. Israël hoereren. Al daar dezelfde na.
En je ziet het ook nog een keer staan in vers 33. Dat Israël de baalt na Horede. En dat is een uitdrukking die kom je veel vaker in de Bijbel tegen. Dat betekent bij mijn dreef afgoderij. En de Heer kan afgoderij niet dulden.
Afgoderij is voor hem. Als een vrouw die overigens baal bedrijft. Of een man die oomtugt pleegt. En vandaar het werkwoord Horede. En dan weten we ook onmiddellijk dat de Heer dat hoog opneemt. En dan is het niet alleen. Dat de Israëlieten daarmee schuld op zich laden.
Maar ook staat er. Het werd Gideon in zijn huis tot een valsterik. En dat betekent. Dat het Gideon ook werd aangerekend. Gideon is in deze onvoorzichtig geweest. Gideon wist wel dat het volk. Wilde heel graag een God hebben die ze konden zien. En dat is eigenlijk heel dat oude testament door steeds zo geweest. Wij willen een God aanbidden maar die moeten we kunnen zien.
Terwijl onze God zich niet laat zien. En we willen ook graag wat kunnen zien natuurlijk. Je komt in de kerk. Ja, wat is er nou eigenlijk te zien? Uiteindelijk, waar draait het om in de kerk? Het is toch het woord van God dat verkondigd mag worden.
Het gaat toch om die boodschap? Het gaat niet om dat we iets spectaculairs te zien krijgen. Maar altijd weer die verzoeking. Ik wil graag wat kunnen zien. Want als ik het zie. Ja dan geloof ik het. Net als Thomas natuurlijk. Alleen als ik het teken zie.
In de handen en de voeten van Jezus. Dan zal ik geloven. Eerder ga ik niet geloven. Het zit er zo diep in. Ik moet het kunnen zien. Geef me maar een bewijs. Dan zal ik het kunnen geloven. Maar de Heere God vraagt. Om hem op zijn woord te geloven.
Echt op zijn woord en belofte alleen. En dat ligt ons ergens niet zo. Ik wil graag wat in de handen hebben. Dat ik kan bekijken. Dat ik kan betasten. Een afgod die ik zelfs kan kussen. Dat vind ik fijn. Dat is aangenaam. Daar word ik door gekoesterd.
En dan een god aanbidden. Die zich niet laat zien. Die in de donkerheid woont. In de hoogte. In het heiligdom. Maar die ook wil wonen. Door zijn woord en geest. In het hart van een ellendige. Van iemand die voor zijn woord beegt. Hoe het ook zijn.
Dit alles is Gideon tot een valstrik dus geworden. En dan gaat het bergafwaarts. En ja, je zou eigenlijk wensen dat het niet in de Bijbel hoefde te staan. Wat er met Gideon is gebeurd. Je zou eigenlijk willen dat alleen de grote daden worden genoemd. En die dingen die eigenlijk niet zo fijn zijn. Ja, dat die niet genoemd hoeven te worden. Maar de Bijbel schetst ons een heerlijk beeld van wat de mens is. En wat er zelfs ook overblaart van diegenen die een richter zijn geweest. Of een apostel. Een discipel.
De zonden van Paulus. Maar ook die van Peter is. Maar ook wat er na een bekering is gebeurd, die worden in de Bijbel niet vertoezoogd. Ze worden ook niet groter gemaakt dan dat ze zijn. Maar het wordt ons wel getekend. Wat is de mens ook na ontvangen genade?
En dan kom ik aan het derde punt en dat is het sterven van Gideon. Maar dan lees je dus ook dat hij zeventig zonen had. En dat komt omdat hij had heel veel vrouwen. Hij wordt ons eigenlijk zomaar meegedeeld. Er staat niet bij dat dat niet goed zou zijn. Maar de teneuren van heel het woord van God is toch wel heel duidelijk. Dat vele vrouwen te bezitten is niet goed.
Jezus zegt in zijn dagen dat is toch zo vanaf het begin niet geweest. Maar zo dat iedere man zijn eigen vrouw heeft en elke vrouw haar eigen man. En niet dat een man meerdere vrouwen heeft. Of nog een vrouw erop na houdt. En dan lezen we ook nog. Dat hij naast zijn vele vrouwen een bijwijf had. En die woonde in Sichem.
Er wordt wel verondersteld dat deze bijvrouw een Canaanitische zou zijn. En zij heeft bij Gideon een zoon. En hij noemt zijn naam Abimelech. Dat is de enige zoon die hier in dit hoofdstuk van Gideon met name wordt genoemd. Als u het volgende hoofdstuk doorleest.
Dan leest u wat voor verschrikkelijke dingen dat Abimelech heeft gedaan. Die heeft namelijk na de dood van Gideon. Toch wel jammer gevonden dat zijn vader zich geen koning had laten maken. En toen heeft Abimelech gezegd maar ik ga wel koning worden. En toen heeft hij al zijn broers.
Vermoord. Zeventig. Allemaal op één na vermoord. Het is gruwelijk. Wat er in het volgende hoofdstuk gebeurt. Ja, maar dat kun je Gideon niet aanrekenen. Hij had wel vele vrouwen. En bij al die vrouwen zeer veel zonen. En je ziet wat er gebeurde in het gezin van Jacob.
Twee vrouwen. En later in feite nog twee erbij. De zonen die eruit voortkomen. De concurrentie tussen Rachel en Leah. Soms moeten wij als mensen van de 21e eeuw erom glimlachen. Maar het is natuurlijk ten diepste diep droevig. Hoe dat het er in het gezin van Jacob aan toeging.
Wat een ellende. Is het dat deze dingen over de families brengen. En dan is het dat Gideon sterft. En dan staat er hij sterft in goede ouderdom. Want ondanks alles wat hij was. Ondanks het feit dat hij natuurlijk ook een kind van zijn tijd was.
Zoals een Jacob dat ook was. Zoals David dat ook was. En zoals Salomo zeker dat ook was. Met zijn honden en vrouwen. Was Gideon dat ook. En dan toch een kind van God. Hoe weet ik dat? Toen hij toch geroepen werd. Geen strijbare hulp.
Ga heen Gideon. In deze uw kracht. De Heer is met u. Dat is ook gebleken. Nee we hoeven niet van Gideon te denken. Zal hij nou een soort van dubieuze post zijn. Dat je moet veronderstellen. Gideon is toch niet een godzalig mens geweest.
Nee over de zaligheid van Gideon hoeven we niet twijfels te hebben. Hij wordt ook met ere genoemd in Hebreeën 11. Maar dat mag ook hier blijken als er staat dat hij sterft in goede ouderdom. Hoe oud is dat? Tachtig jaar? Negentig? Of kun je het ook al zeggen bij zeventig?
Vijftig? Tertig? Nee, dat is geen goede ouderdom. Gemeente, het gaat er niet om. Of dat hij echt zo oud heeft mogen worden. Hij sterft in een goede ouderdom. Dat betekent. Hij sterft met ere. Hij mag weten dat de ere zijn deel is. Hij wordt ook met ere begraven.
Het gaat er niet om. Dat wanneer iemand oud mag zijn geworden. Dat je dan dus een goede ouderdom hebt bereikt. Het kan zijn dat iemand nog jong is. Maar de ere kent. En dan door hem wordt weggenomen. Dat hij sterft in een goede ouderdom.
Dat is wonderlijk. Maar zo is het toch. Dit leven is tijdelijk. Dit leven kent zijn moeite en zijn verdriet. Dit leven dat wordt gestempeld door de zonde. Door het ongeloof, door het harde hart. Als je toch iets van het leven van de Heerde mag kennen. Dan moet je toch beleiden. Ach, wat is toch de mens.
En niet omdat je ziet wat er om je heen gebeurt. Maar omdat je merkt wie en wat je zelf bent. Nog weer die woorden van Paulus. Door de genade gods. Ben ik. Wat ik ben. Maar ook dat andere wat hij zegt. Ik ellendig mens.
Wie zal mij verlossen. Uit het lichaam deze staats. Ik sprak eens een keer iemand. Die was de honderd al gepasseerd. Ik keek er naar uit. Om afgelost te mogen worden. En toen maakte hij de opmerking. Misschien vindt de Heerde mij nog niet goed genoeg.
Om mij weg te nemen en tot hem te nemen. Het is alsof hij zei. Ik heb de goede ouderdom nog niet bereikt. Want dat is het moment. Dat de Heerde zegt. Kom. Ga je gezegende met vaders. Beërft het koninkrijk dat u is weggelegd. Al voor de grondlegging der wereld.
Het doet me ook denken naar wat er van Job staat. En zeker Job was, dacht ik, 140 jaar oud toen hij stierf. Maar dan staat er hij sterft. Oud. En der dagen zat. En bij die uitdrukking der dagen zat. Dan zou je kunnen denken. Hij is wel een beetje levensmoe.
Hij is het eigenlijk wel een beetje zat. In het woordje zat. Betekent het dus. Vol. Het is genoeg. Zoals Jacob zegt. Als hij een bericht krijgt. Dat Jozef nog leeft in Egypte. Het is genoeg. Ik zal naar Egypte gaan. En ik zal Jozef zien.
Voordat ik sterf. Vol. Genoeg. En dan misschien wel in de aftakeling. En de moeite en de problemen van het ouder worden. Dat je vaker bij de huisarts komt. Dat je voor een behandeling naar het ziekenhuis gaat. Dat je wellicht ernstig ziek wordt. En dan het verlangen. Mag ik heen gaan.
Om u eeuwig te mogen grootmaken. Gemeente laat ons ook zien de dood komt. Bent u bereid? Ja, dat is nogal een vraag. En die vraag mag ik nog stellen. Die vraag moet ik u ook stellen. Bent u bereid? Bent u daar klaar voor.
Mag u weten. Na dit leven is mij. De zaligheid bereid. Als zegt u. Ja maar dat durf ik zo nog niet te zeggen. Dan moet u toch wel haast maken. En aan blijven houden bij hem. Heer dan mag ik het weten. Dat ik de uwe ben.
Mag ik het weten. Dat u al mijn zonden. Achter u hebt geworpen. En dat u mij gewassen hebt. In het bloed van uw zoon. En dan kom ik tot het laatste. De Rom van Gideon. En dan leest u zo de laatste versen. En dan zegt u natuurlijk. Nou, daar is eigenlijk helemaal geen Rom.
En daar hebt u gelijk in. Want zodra dat Gideon gestorven en begraven is. Dan keren de Israëlieten zich om. Dat staat al letterlijk. Ze draaien zich om. Ze komen als het ware bij het graf van Gideon vandaan. Dan hebben ze achter hun. Ze keren zich om.
En ze gaan onmiddellijk de baals dienen. En stellen zich baalberiet tot hun god. En denken niet meer aan de Heere hun god. Die hen had gered van de hand van al hun vijanden van rondom. Aan god wordt niet gedacht. Hem vergeet men. En Gideon.
Aan hem wordt ook niet meer gedacht. Sterker nog. Aan zijn huisgezin wordt geen weldatigheid gedaan. En wat dadigheid dat betekent vriendelijkheid. Vriendschap. Dat zij in ere worden gehouden. Niet zo dat alles. Alsof dat Gideon vergeten is. Alsof dat Gideon er nu niet meer is.
Men zijn kinderen met vijandschap kan begevenen. En dat al het goede. Dat Gideon dat mogen doen. Het deed me denken naar wat er in het boek Prediker staat. Prediker is van Salomo. En Salomo zegt in Prediker 9 vers 15. Dat er ooit ergens een stad was. En die werd belegerd.
En men kon zichzelf niet bevrijden. Maar toen vond men. Een arme wijze man in die stad. En die verloste. De stad door zijn wijsheid. En dan staat erachter. Maar geen man. Gedacht. Aan die arme man. Kortom daar heeft iemand. Verlossing teweeg mogen brengen.
En degene die dat gedaan heeft. Wordt vergeten. Wat hier met Gideon gebeurde. Is dat ook niet wat met Christus gebeurde. Is gekomen tot het zijne. Hij verlos de mensen. Van kwalen, van ziekten en noem maar op. Maar hij werd veracht. Bespot. Gespuugd. Terwijl men de wonderen voor hun ogen zag gebeuren.
Heeft men hem gehaald. Verwenst. En verworpen. Gedeon en type. Van de Heer Jezus Christus. En toch. Zo blijft het niet. Want Christus ontvangt toch de rom. De eer. De aanbidding. Het geloof. Het bewijs op de Pinksterdag. Dat er 3000 bekennen. We hebben de Christus gekreuzigd.
Mannen en broeders wat moeten wij doen? Bekeer u. En in ieder geval die worden gedoopt. In de naam van de Heer Jezus Christus. En daar vinden de grote wonderen van God plaats. Christus. Die roomloos dier. Men spotte met hem. Men wilde hem niet.
Toch sterft hij met room. Als hij uitroept het is volbracht. Als hij triomferend sterft. En daarmee al het voorspel geeft. Want dat is al opstaan uit de doden. Maar nog eenmaal terug naar Gideon. Geen roem. Hij wilde geen koning worden. De Heer is uw koning. En dan na zijn dood. Wordt hij vergeten.
U weet dat Calvin toen hij stierf. Bepaalde. Dat niemand zou weten waar hij begraven zou worden. Hij wenste niet. Dat hij in zijn dood zou worden geëerd. Want alle roem. Is uitgesloten. Maar dan denk ik ook nog een keer aan Johannes de Tauperen. Die ze gevraagd hebben. Bent u de Messias?
Nee, zegt hij. En dan op een dag ziet hij de Heer Jezus komen. En wat zegt hij? Zie, het lam God. Dat de zonde der wereld wegneemt. Johannes was ervan overtuigd. Ik ben het niet. En geen enkele dienaar van de Heer kan een Messias zijn. En ik weet het, er worden wel eens mensen op hun voetstuk geplaatst.
En de zuinderen laten dat ook toe. Maar er is geen robinemens. Ouddorp, u weet toch wel dat er ooit een dominee van u vertrok. Die in zijn afscheid zei. U mag mij vergeten. U mag mij echt helemaal vergeten. Als u mij niet vergeet. De boodschap die ik u gebracht heb.
En inderdaad, het gaat niet. Aan de dienaar van God die het evangelie brengt. Want die roem. Die verdwijnt. En vele dienaren van de Heere zijn al lang en breed vergeten. Maar de vrucht van hun arbeid. Zal door de Heere worden. Binnengebracht. Is er een handvol koren.
Op het gebergte. Maar een handvol. De vrucht daarvan zal ruizen. Als op de Libanon. En dan zo van je af te wijzen. Niet ons. Niet mij. Niet u. Maar hem alleen. Zij al de ere. En dan nog eens. Ziet. Het lam God. U moet niet bij mij zijn.
Zoals professor Wisse dat zei tegen iemand. Die zei dominee. Top zo met mijn zonden. Dat is een goede vraag. Je zou willen dat. Je dat vaker zou horen. Maar wat voor antwoord gaf Wisse. Hij zei. Dan moet u niet bij mij zijn. Dat is toch hard.
Dat is toch niet pastoraal. Het was het terechte antwoord. Want kennelijk was het dat Wisse vermoedde. Dat de persoon die dit zou zijn. Heel veel van hem verwachtte. En vandaar dat antwoord. Moet u niet bij mij zijn. Maar dan moet u bij hem zijn. Die de zonde der wereld.
Onze Heer Jezus Christus. Amen. Gemeente we gaan zingen uit Psalm 102 vers 6. Ik zie een rouw en ongenuchten al mijn dagen mij ontvluchten. Als een schaduw die verdwijnt. En wat er volgt het is Psalm 102 vers 6. Gemeente
♪ Gezang
laten wij danken en bidden. Och Heere dank u wel voor dat blijde evangelie. Dat u nou bemoeienissen wilt hebben met mensen. Die telkens weer van u afdwalen. Die altijd weer een andere weg kiezen. En dat u nou ook zo bemoeienissen blijft houden. Bij degene die u kennen mogen.
Als het goed ligt dan hebben die toch niet een hoge dunk van zichzelf. Die moeten toch eerlijk beluiden. Het is er niet veel beter op geworden. Als toen dat de Heer mij in het eerste riep. Het is in feite alleen maar minder geworden.
Goede dat ik wil doen. Dat doe ik niet. En het verkeerde dat ik niet wil doen. Dat doe ik toch. En zo gaat het keer op keer. En o Heere dat u het dan niet boe houdt. Om met zo'n volk om te blijven gaan.
O Heere gij zijt die goede. En genadige. En liefdevolle God. Vol van weldadigheid. En die nog steeds uw gunsten wil betonen. En die uw zoon gegeven hebt. Want niemand kan en zal zichzelf gaan zalig maken. En ook niet de anderen. Want er is geen schepsel toe bekwaam.
Maar het is het lam God. Het is de zoon van u. Het is de middelaar tussen God en mensen. Het is de zaligmaker der wereld. Door wie alleen. We behouden kunnen. Mogen. En moeten worden. Heer, zo mocht de boodschap deze avond uitgaan. Zeg het u wat goed was.
Neemt u weg dat wat niet goed was. Maar dat het toch zo mogen zijn. Dat we beleiden. We zijn gewezen. Daarop dat we het niet. Van enig mens hebben te verwachten. Ook niet van de vrome mens. Maar slechts van hem. Die de volkomen zaligmaker.
En verlosser is van zondag. Gedenk aan ons in genade. Ga gij met een ieder van ons mee. Behoed u ons ieder in de nacht. En zout u de gemeente. We willen samenbrengen de komende zondag. We schuilen ook in het midden. En help u uw dienaren.
Om het woord van u. Met vreugde. Te mogen brengen. O ontferm u genadig. Over ons allen. En dat om Jezus wil alleen. Amen. Gemeente, wij zingen tot slot op Psalm 147, vers 3. Zeer groot is onze Heere vol krachten, onpelbaar diep zijn Gods gedachten. Daar zijn verstand nooit af te meten, verovertreft al wat wij weten. En wat er volgt, het is 147, vers 3.
♪ Gezang
Gemeente, gaat u dan heen in vrede, dragende met u de zegen des Heeren, die we in zijn naam. Op u mogen leggen. De Heere zegene u en hebben goede u. De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig. De Heere verheffe Zijn aangezicht over u. En geven u vrede.
♪ Gezang