Zaterdagavondverhaal - De twee boeren
Transcript
Goedenavond luisteraars, fijn dat we weer een nieuw lees-luisterseizoen op de zaterdagavond mochten ingaan. Met enige weemoed denken wij aan degenen die ons in de tussentijd zijn ontvallen en van wie we weten dat zij altijd trouwde verhalen beluisterden. De Heere gedenken de achtergebleven betrekkingen en zij hen nabij.
Het verhaal voor vanavond draagt de titel De twee boeren. Het was een prachtige stille zomeravond. Vriendelijk wierp de ondergaande zon haar purperend schijnsel van de diepblauwe hemel, die zich straks met een vaal grijze sluier zou bedekken, en vergulde de roestige weerhaan van de oude dorpsstoren veel schoner dan het schilder het ooit had kunnen doen.
Enkele lichtstralen gleden over het rimpelige water van het beekje, dat zich als een zilveren lint door de sierlijk groene weiden slingerde en werden in duizendvoudige flikkering teruggekaatst. Een enkele straal dwaalde af. en vond zijn weg naar het raam van een boerenhoeve en speelde met de blonde haarlokken van een drietal meisjes die met de overige huisgenoten rondom de welvoorziene maaltijd hadden plaatsgenomen. De boer vouwde zijn grote handen en enkele minuten lang heerste er een plechtige stilte. Ouders, dienstbaren en kinderen smeekten de Heere om zijn onmisbare zegen over de gaven die hij hun ruimschoots had toebedeeld. Of Derksen, de huisvader, echter in de juiste stemming was om in het gebed voor Gods heilig aangezicht te verschijnen, betwijfel ik wel. Het gezicht van de bidder vertoonde niet de minste blijmoedigheid. Veel eer was er op zijn trekken een zekere mate van bozaardigheid te lezen.
En waar er vrevel in het hart is, kan men al heel slecht zijn ziel tot de liefderijke, maar ook rechtvaardige God verheffen. Mientje, de oudste dochter, een gezonde blozende deerne, plaatste de pot met dampende soep op de tafel en even later lieten allen zich hun lievelingskost goed smaken. Alleen de boer zelf bleef bewegenloos zitten en liet het bord onaangeroerd. Dat was helemaal tegen zijn gewoonte. Luisterde hij wellicht naar de wind? die de takken van de grauwachtige wilgen onder melodieus gefluister samenboog, of tuurde hij naar Ginse Hofstede, het ooievaarsnest, waar alles de stempel van welvaart droeg.
Boer Derksen zag of hoorde eigenlijk niets. Hij was in deze ogenblikken onverschillig voor alles om zich heen. En hoe meer hij pijnste, des te onvriendelijker werd zijn blik. Het lange zwijgen begon eindelijk Geert, de knecht, te vervelen. De boer schijnt vanavond geen trek te hebben, begon hij binnensmond, met de vinger op het bord van zijn baas wijzend. De kinderen keken tersluiks naar het gezicht van hun vader. en ook moeder wachtte wat haar echtgenoot zou antwoorden. Het
is geen wonder dat ik een slechte zin heb, zei hij op grommende toon. Ik heb woorden gehad met buurman Meijer over de dikke eik, die zoals je weet precies op de grensscheiding van onze landerijen staat. Een mooie boom, merkte Geert op, zijn lepel aan zijn mond brengend.
Ja, een pronkstuk, zoals er maar zelden één voorkomt, antwoordde Derksen. Meer dan eens heb ik in de laatste dagen mijn armen om de forse stam heen geslagen en bij mezelf gezegd dat het eindelijk tijd werd de oude reus neer te vellen. De brede kruin die zich zo beschermend over een deel van ons beider bezittingen uitbreidt, zal een flinke wintervoorraad brandhout opleveren, terwijl de stam wel door Damstra, de wagenmaker, voor een flink bedrag van mij zal worden gekocht.
Maar ik begrijp niet hoe jij over die boom ruzie met onze buurman hebt kunnen krijgen, sprak zijn vrouw, hem vragend aanziend. We zijn sinds jaren de beste vrienden met elkaar geweest en zouden dan nu in vijandschap gaan leven? De vriendschapsband tussen onze gezinnen is voorgoed verbroken, bromde Derksen. Toen ik zo straks naar huis terugkeerde, zag ik boer Meijer om de eik lopen en nauwkeurig de grensscheiding opnemen, alsof hij berekende wat hem nog van het zijne toekwam.
Goedenavond, buurman. zei ik. Me denkt dat de oude reus daar al lang genoeg heeft gestaan. Hij bederft de bodem maar en het is daarom maar beter dat ik hem laat kappen. Baas Damstra heeft een stevige eik nodig en kan dus goed de stam gebruiken, terwijl de takken ons in de winter menig vuurtje zal opleveren.
Maar buurman zette een gezicht zo zwart als de nacht. en sloeg zijn handen vol verbazing samen. Wat zeg je daar? riep hij vol verwondering uit. Heb ik dat goed gehoord? Jij zou die boom willen vellen, maar wie geeft jou daar het recht toe? Vraagt de oude Hanstra en hij zal getuigen dat een van mijn familieleden ruim vijftig jaar geleden de eik heeft geplant. Zijn wortels beslaan voor meer dan de helft mijn bouwgrond.
De boom staat op mijn eigendom en er is niemand die mij het recht om hem om te houden kan betwisten, riep ik hem tegen. Je zult het wel laten, je aan de eik te vergrijpen, bolderde hij. Ik doe van mijn erfgoed geen afstand. En als de Heere van de justitie komen, zul jij vreemd op je neus kijken. Als ze jou kort en goed aan je verstand zullen brengen, dat jij niet de minste aanspraak op jouw vermeend recht kan maken.
Ik lach om jouw bedreigingen, zei ik neidig. Jij zou zeker wel willen dat ik heel mijn boerderij aan jou afstond. Het lust me niet voor jou weg te kruipen. Die boom wordt gekapt. En verder mag jij doen wat je wilt. De politie heeft een lange arm, lachte de valsaard. Pas op wat je doet. Ik wilde die dwaas niet langer aanhoren en ging weg. Zo waard ik Derksen heet, zal niemand mij beletten mijn plan uit te voeren. Ik krijg hem wel, wacht maar. De
boer zweeg. en trommelde verdrietig met zijn vingers op de rand van de tafel. Het is een lastig geval, meende Geert, en als het mij aanging, dan zou ik de zaak in der minne proberen te schikken, voordat jij maar schade dan voordeel van die ruzie hebt.
De boerin, een knappe en zachtmoedige vrouw, knikte instemmend met haar hoofd. en wierp een verdrietige blik op haar man. Zotte praat, beet de boer zijn knecht toe. Wanneer ik van mijn ijs afstand zou doen, dan zou de eigenaar van het ooieversnest zeker denken dat hij ons de wet kan stellen. Laat hem eens aan die boom komen.
De maaltijd was intussen afgelopen en na gedankt te hebben zocht ieder zijn bed op. om in een verkwikkende slaap nieuwe krachten te vinden voor de arbeid die hun morgen weer wachtte. De boerin borg de schotels weg en nam toen naast haar man plaats.
Zeg man, begon ze op zachte toon, laat je toch niet door drift tot een onverstandige daad vervoeren. Een waarachtige christen moet ootmoedig zijn. nederig en goedertieren en dient geen wraakzucht in het hart te voeden. De Heere vermaand ons zelfs, hebt uw vijanden lief, doet wel degene die u haten en bidt voor degene die uw geweld aandoen. Je hebt vandaag al wel heel slecht deze les opgevolgd, man. Moet ik je herinneren dat de vrucht des geestes is,
Liefde, vrede, zachtmoedigheid, geduld. Jij hebt goed praten, antwoordde Derksen, het hoofd beschaamd afwendend. Moet ik me dan alles maar laten welgevallen, en dat om die trotsa niet te benadelen. Ik zal hem wel weten te vinden. Kalm toch, man, vermaande de vrouw. We zullen de rust opzoeken. en wil hem bidden dat de Heere jou betere gedachten zal geven. Dit wil ik je echter nog vragen. Waar moest het met ons heen, als de Heere God ook eens was als wij zondige mensen? Wat zou er van ons worden, als Hij niet barmhartig was en genadig? Hij is goedertieren over de ondankbaren en bozen. Handel dan als zijn kind. En verzoen je met onze buurman?
Dat nooit, mompelde Derksen. En de moeder zuchtte zwaar en met een beklemd hart zocht ze hun bed op. Boer Derksen kon de slaap niet vatten. De vrede daarbinnen was verwoest. Onstuimig jaagde hem het bloed door de aderen. En in zijn gedachten zag hij de reusachtige eik die hem... Hem alleen toekwam. Buiten was het donker en stil. In het beekje hoorde men nu en dan het somber en eentonige kwaak van de kikvorsen. Een blauwachtige damp zweefde over de velden en de laatste schemering verdween in die nevel. Aan de donkere hemel fonkelden de sterren met heldere glans. terwijl de koele nachtwind met de bladeren van de eik speelde, die er onbewust van was dat hij voortaan de scheidsmuur tussen beide gezinnen zou vormen.
Bij Meijer had de ruzie niet weinig opschudding teweeggebracht. De boerin van het ooievaarsnest, die soms erg driftig kon worden, was bij het vernemen van hetgeen buiten was voorgevallen, buiten zichzelf van woede. Ze hadden het al lang voorspeld, dat volk was niet te vertrouwen. Nooit wilden ze meer omgaan met Derksen en zijn vrouw hebben.
Gelddieven waren het, in plaats van stille, vrome mensen, zoals ze zich voordeden. Deze redenering was koren op de molen van Boer Meijer. En zo sloop ook hier een slang in de woning die het huiselijk genot door zijn giftige adem bezoedelde. De vrolijkheid week uit de harten, boze gedachten woelden door het hoofd en hielden de beide echtgenoten zelfs de eerste uren wakker. pas toen de nacht echt was aangebroken sluimerden boormeier en zijn vrouw al brommend in om bij het aanbreken van den morgen al even onver genoeg te ontwaken er
waren verscheidene weken voorbijgegaan de vijand van de zielen had het vuur van twist en tweedracht tussen de beide buren nog feller aangeblazen en meer en meer ontwikkelde zich het zaad van de boosheid in de harten. Boer Meijer, die op luide toon had gezworen zich door geen kinderachtige vrees te laten beheersen, draalde toch met het volvoeren van zijn voornemen om zich langs de gerechtelijke weg, op de gehate buurman te wreken en ook derksen had de zaak verder laten rusten diens geweten had hem reeds dikwijls beschuldigd dat zijn handelwijze jegens de naaste verre van goed was toch was het niet tot een beleiden van schuld gekomen nog jaagde de woeste hartstocht hem van binnen En somber en onheilspellend was het in de diepte van zijn ziel, waar niets schijnen moest dan de weerspiegelingen van Gods heerlijke hemel.
Echter, in plaats van bloemen schoten er doornen op en distelen in plaats van geurige knoppen. Kalm en blijmoedig vervolgde vrouw Derksen haar levensweg. En in stilte smeekten zij de Heere, die licht schept in de duisternis, dat hij alle schaduwen mocht wegnemen, opdat waar als voorheen de zon des vredes haar gouden stralen op beider pad zou kunnen werpen. Ze poogden de vredebreuk te herstellen, maar het was vruchteloos.
Nooit sprak haar man een enkel woord met zijn vroegere vriend en meier en dienstvrouw ontweken zichtbaar het gezelschap van de buren, zodat enige toenadering van hun kant volstrekt ondenkbaar was. De kinderen uit beide gezinnen stoorden zich niet aan de ruzie die de harten van hun ouders van elkaar afkerig had gemaakt. Ze speelden als voorheen in liefde en eensgezindheid en waren samen blij en gelukkig. Zo genoten zij een zegen die de Heere inhoudt waar wrok en vrevel in plaats van vergevensgezindheid in de ziel woont. Wat bekommerden de kleinen zich om de oude eik. Bij dit vrolijk spel werd er soms iets in het hart van Boer Derksen wakker geschud, wat, naar hij meende, al voorgoed bij hem was ingesluimerd. De wrok bekoelde langzamerhand, terwijl hij leerde beseffen hoe hij zichzelf door zijn ontevreden stemming niets dan
schade berokkende. Zachtjes aan leerde hij luisteren naar de dominee, die tot nog toen steeds te vergeefs getracht had door zijn bemiddeling de ruzie te beslechten. De dienaar des Heeren rekende het tot zijn plicht met alle kracht alles te bestrijden wat met de goddelijke eis in tegenspraak was, en al stuitte hij in het eerst op allerlei tegenkanting, toch ging hij voort de Heere te smeken dat hij alle zondige verontschuldigingen mocht wegnemen die hem telkens te gemoet werden gevoerd wanneer hij aandrong op een onderling verkeer met de naasten in vrede en zachtmoedigheid
Wanneer hij de tijd geschikt achtte, zinspeelde hij ernstig op een verzoening met de naaste, die met ons in oneenigheid leeft. Krachtig sprak hij dan van de liefde die langmoedig is en goede tieren, die niet afgunstig is en niet lichtvaardig handelt, zichzelf niet zoekt, niet verbitterd wordt en geen kwaad denkt, zich niet verblijt in de ongerechtigheid. maar in de waarheid en alle dingen bedekt, gelooft, hoopt en verdraagt.
Ieder die zegt God lief te hebben, verzekerde hij met de woorden van de apostel, en zijn broeder haat, is een leugenaar. terwijl de Heere uitdrukkelijk heeft verzekerd, hieraan zal ik erkennen of gij mijn discipelen zijt, zo gij liefde hebt onder elkander. Boer Meijer, die bepaald niet tot de beste kerkgangers behoorde, verheugde zich telkens wanneer hij zulke ernstige vermaningen vernam. Hij wierp dan steelsgewijze een blik naar de bank waarin zijn buurman zat, En dacht in stilte, dat is een goede bestraffing voor zulke bedriegers als de familie Derksen, die deze woorden wel eens ernstig ter harte mogen nemen. Hoe verdorven en diepzondig is toch ons allerhard. De splinter in het oog van de naaste bemerken we terstond, terwijl we blind zijn voor de balk in het eigen oog. Derksen keerde langzamerhand tot zichzelf in en begon te gevoelen dat hij verkeerd gehandeld had.
Zijn geweten was wakker geschud en het gebeurde kwam hem telkens beschuldigend voor de aandacht. Eindelijk overwon de stem die hem tot zijn heil waarschuwde toen zijn vrouw op zekere morgen las Zo gij, Heere. de ongerechtigheden gadeslaat Heere wie zal bestaan dat woord trof hem en werd gedurende dien dag een stem des Heeren tot zijn hart om hem te wijzen op de grootheid van zijn schuld Vrouw Derksen bemerkte dat er iets in het binnenste van haar man omging en vurig bad zij dat alle boosheid uit zijn hart mocht weggenomen worden. Zo kwam eindelijk de avond die aan zoveelen de langbegeerde rust bracht. Nog was de vrede tussen de beide buren niet hersteld.
Als de Heere met ons deed, Naar onze overtredingen, fluisterde de moeder haar echtgenoot in het oor. Waar moest het dan met jou en mij, ja met ons allen heen? Weersta dan niet langer de roepstem van de levende. Verzoen je toch met mij er?
Derksen antwoordde niet. Hij zuchtte diep. Zag zijn vrouw nadenkend in het vriendelijke gezicht en stond op. Er was een besluit bij hem gereipt. Een goede gedachte rees bij hem op. Hij sloeg de weg naar het ooievaarsnest in, vast besloten een einde aan de ruzie te maken.
Boer Meijer zag hem aankomen. Het schijnt dat zijn kwaad geweten hem geen rust gunt. Bronde hij in zichzelf. Gelukkig dat ik door geen zorg gekweld word. Na de sombere blik te oordelen die hij om zich heen wierp, bleek hij wel duidelijk door wraak en vrevel bezield te zijn, en hoe dichter Derksen naderde, hoe heviger de oude vijandschap het hoofd opstak. Om zijn gedachten te verbergen, blies hij schijnbaar achterloos de blauwe rookwolkjes uit zijn pijp omhoog.
Goedenavond, klonk het hem opeens in het oor. Meijer bromde een enkel onverstaanbaar woord en scheen niet van zins zich nog met zijn vroegere vriend in te laten. Buurman! Begon Derksen na enige ogenblikken van pijnlijk zwijgen. Ik ben gekomen om jou een voorstel te doen. Mij? Vroeg Meijers het bars. Ja, jou. We zouden de eik moeten laten kappen en het hout delen. De ogen van Boer Meijers schoten vuur. De blikse mag die boom delen, barstte hij los. Maakt als jij op mijn gezicht komt.
Derksen, verschrikt door zo'n begroeting, trok een nijdig gezicht en verliet het erf, kwaad op zichzelf dat hij de dwaasheid had begaan zijn buurman de hand ter verzoening te willen rijken. Hij had er geen gedachten van dat de Heere zelf hen weer verenigen zou.
Twee weken waren voorbij gegaan. Het was thans een prachtige dag in de maand juli. In het zweet huns aanschijns hadden de dorpelingen hun brood gezocht en gegeten. Vermoeid van de arbeid wandelden ze langzaam naar huis om in de kalmte van de stille avond de lieflijke rust te genieten. Maar niet zoet, niet bevredigend voor het hart, was dat ernstige en geheimzinnige zwijgen in de natuur om hen heen. Het was of alles wachtte op de dingen die komen zullen en een niet te verklaren onrust deed mijnigeen met zekere angst zijn woning opzoeken. Hoe loom was de tred zelfs van het levenslustige speelzieke kind. De warmte was drukkend. In een nevel gehuld zonk de zon achter de kimmen die zich geel Akelig geel hadden gekleurd. De planten bogen het matte hoofd en de bladeren hingen verdorrend naar beneden.
Dromend ritselde een hete ademtocht door het groen. De bloemen geurden niet meer en flats en slap hing de schone roos aan haar steel. Het gezang van de vogels was verstomd. Ze klemden zich in doodse rust op de takken. De koeien wachelden door de weiden en strekten zich vervolgens vermoeid in het gras uit. Het leven was hun bijna last.
Er is zon weer op handen, zei de eigenaar van het ooievaarsnest, die pijnzend naar de lucht staarde. Hij scheen het goed gezien te hebben, want opeens blies er een koeltje en donkere wolken begonnen zich te vertonen. hun bochtige koppen werden al zwarter en zwarter een lichte wind gierde over de wegen en straten en voerde het stof al dwarrend omhoog alles hijgde de verkwikking tegen die de Heere zou zenden intusschen spreidde zich een vale sluier over de aarde uit en hulde de omtrek zich in een grauw schaduwkleed de nacht viel in en al de dorpelingen hadden hun bed opgezocht om de moede leden door een aangename rust te verkwikken de bladeren van de bomen suisden onder de regendruppels die er vielen en een doffe weergalm van het onweer dat in de verte dreunde werd vernomen dan woestbarst als op
een wenk des Heeren de storm los En akelig huilt hij om de hofsteden, zo eenzaam te midden van de landerijen gelegen. Door alle reten en kieren heen baant hij zich een weg en werkt onder grommend geluid alles omver wat zijn kracht niet kan weerstaan. De bomen buigen zich voor zijn woest geweld en bladeren en takken vliegen her en derwaarts. Snel jagen de donkere wolken langs de hemel en alles zucht en kraakt.
De beide buren liggen in een geruste slaap. Maar een hevige donderslag schudt hen in één keer klaar wakker. Een felle bliksemstraal flikkert en doet al de huisgenoten huiveren. Deuren en vensters rammelen. Het knittert en klappert alsof ze uit hun hengst worden gelicht. De regen stort in stromen neer en met vreselijk gedruis wordt het water tegen de ruiten aangezwiept. Overal worden de slapenden door het angstwekkend jagen van de storm gewekt en diep verslagen zitten ze met bevreesde harten in het vertrek bij elkaar. Het werd noodweer. Een zee van vuur scheen de omtrek te bedekken en voor de tekenen van z'n Heere macht en majesteit werden de beide buren bevreesd.
Eensklaps schoot een hevige bliksemstraal neer. Een ratelende slag volgde. Alles dreunde, alles schokte en dodelijk verschrikt sloeg Boer Meijer z'n handen boven het hoofd samen. Wees ons genadig, stamelde vrouw Derksen op dit ogenblik. En angstig sloeg zij haar armen om haar beide kinderen, die zich bevend tegen de moeder aandrongen.
Meijer bleef als aan de grond genageld in zijn huiskamer staan. Dat is ingeslagen, zei hij met trillende stem. Pedegil sprong zijn vrouw op. Ze vliegt naar de wieg. waar haar zuigeling onbewust van het dreigend gevaar ligt te sluimeren, grijpt haar kind in de armen en snilt, als door boven menselijke kracht bezield, uit haar woning. En buiten is het donker, een ravenzwarte nacht. Een zware stortregen stroomt naar beneden. Margrethe! roept haar man ontzet, maar zijn roepen wordt niet gehoord. er is slechts één stem verneembaar die van het onweer en die brult zoo luid dat alles verstomt vrouw meyer is in de duisternis verdwenen met één sprong staat ze buiten het erf Ze snelt voort, de vuurstralen wijzen haar de weg. Ze waant zich bedreigd door de vlammen. Ginst ligt de boerderij van boer Derksen. De plaats is bereikt en in doodsangst bonst haar hand op de deur.
Brand, gilt ze, brand! Akelig en hol weer klinkt haar geroep. Derksen vliegt naar de deur en schuift de grendel weg. Wat is er? roept hij luid. Een vrouw met een kind op de arm staat voor hem. Ze wijst op een flikkerend schijnsel in zuidelijke richting. Daar, daar, brengt ze met moeite uit. Het vuur heeft ons getroffen.
Dat is de laatste kreet van de angstige moeder. Ze dringt de woonkamer binnen, waggelt en zingt op hetzelfde ogenblik machteloos ineen. Die blik van nameloze ontroering, die kreet die uit de geprangde borst ontsnapt, geeft Derksen zijn bezinning terug. Hij heeft de vertwijfeling van de vrouw gezien en zo snel als zijn voeten hem kunnen dragen, begeeft hij zich naar haar hofstede, niets anders vermoedende dan dat de bliksem de boerderij heeft getroffen.
Een kwartier van de grootste onzekerheid voor de zijnen verliep. Toen keerde hij terug. Het bulderend geluid van de donderen was langzamerhand verminderd. In de verte hoorde men het dof gerommel nog, maar al zachter en zachter. Vragend zag vrouw Derksen haar man aan. En ook Margrethe, die door de liefderijke zorg van haar buurvrouw uit haar verdoving was gewekt, wierp een smekende blik op hem.
Stel je gerust, begon Derksen, er is geen brand bij jullie, alles is onbeschadigd. Goddank, stamelde vrouw Meyer, en haar bevende hand drukte die van haar vroegere vriendin. Bij het aanbreken van de morgen stond Derksen op. De zon strooide haar goud over de ontwakende aarde en een verkwikkende balsumgeur stroomde hem tegemoet. De lucht weer galmde van het gejubel van de vogels en duizenden dauwdruppels glinsterden op, de halmen en het wiegelende gras. De bloemen in de tuin ontplooiden hun kelken en plengden de zoetste geur als een offer aan de Heere, die zegend ook in de storm.
Alles scheen door een nieuw leven bezield. De hele schepping was verkwikt. Het oog van de boer dwaalde over de akkers. Hij liep een paar stappen verder en ineens... Een koude rilling voeren door de leden. De oude eik, die hun vrede zo lang had verstoord, lag daar door de bliksem getroffen. De helft van de takken en van de stam op zijn akker, de andere helft op buurmansgrond. Dat
is de stem des Heeren, fluisterde Derksen. God. heeft gesproken. Toen vouwde hij zijn handen en een verzuchting om verzoening voor al zijn schuld ging naar boven. Boermeijer naderde van de andere kant de plaats waar de takken heinde en ver verspreid lagen. De Heere heeft ons pleit beslecht, riep Derksen uit. Ik wil niets van de boom hebben. Hij is helemaal voor jou.
De eigenaar van het ooievaarsnest bleef met een bleek gezicht als vastgenageld staan. Ik heb me vreselijk bezondigd, stamelde hij. God had mij moeten straffen, maar ik ben gespaard. Ik zal van het hout niets nemen. nu werd er een strijd gestreden wie de bomels zijn eigendom mocht aanmerken dit gesprek werd echter in liefde gevoerd en het einde ervan was dat de leden van beide gezinnen gezamenlijk aan het werk togen om de oude reus kort en klein te maken damstra de wagenmaker heeft zich van een anderen stam moeten voorzien Het hout van de prachtige eik werd bij het aanbreken van de winter onder de armen van het dorp verdeeld. De Heere zelf had de ruzie beslecht. Gelukkig zij die acht geven als zijn stem wordt gehoord. Diep bewogen sloten de beide gezinnen het verbond des vredes. En de Heere brachten hen nader bijeen.
Alle wrok was verdwenen. En samen mocht men in waarheid zingen. Waar liefde woont, gebiedt de Heere de zegen. Daar woont hij zelf. Daar wordt zijn heil verkregen. En het leven tot in eeuwigheid. En hiermee, luisteraars, eindigt dit verhaal. Een verhaal. waarvan we de inhoud kunnen samenvatten met de woorden van het vierde vers van de berijmde Psalm 72. Daar twist en wrok verdwijnt, zal alles door de vrede bloeien. Dat geven de Heere ook onder ons, in het groot zowel als in het klein.
We wensen u nog een goede voortzetting van deze avond. en voor morgen een gezegende zondag. Er zal nog voor u gezongen worden, hoe kan het anders na zo'n verhaal? Psalm 133, alle drie de versen. Psalm 133, vers 1. Aai ziet, hoe goed, hoe liefelijk is het, dat zonen van hetzelfde huis als broeders samenwonen. Vers 2, die liefdegeur moet elk tot liefde lopen. En de derde vers, waar liefde woont, gebiedt de Heer de zegen. Psalm 133, de versen 1, 2 en 3.
♪ Gezang