PrekenHHG Ouddorp

Jesaja 55: 1; De nodiging tot het heil

09:30 uurOchtenddienstDs. D. Zoet105 min
Nog niet gestart Kanttekeningen 2

Transcript

♪ Gezang

Onze hulp en onze enige verwachting is in de naam des Heeren. Die de hemel en de aarde geschapen heeft. Die trouwen houdt en eeuwig leeft. En die nooit zal laten varen de werken. Zijn er handen. Amen. Genade zij u en vrede. Van hem die is en die was. En die komen zal. En van de zeven geesten die voor zijn troon zijn. En van Jezus Christus. Die de getrouwe getuige is. De eerstgeborene uit de doden. En de overste van al de koningen. Der aarde. Amen.

Gemeente wij willen deze dienst voortzetten met het zingen van. Het bekende vers, Psalm 81, het twaalfde vers opent. Uwe mond eist van mij vrijmoedig. Op mijn trouwverbond al wat u ontbreekt schenk ik. Zo gij het smeekt, mild en overvloedig. 81, het twaalfde vers. Gemeente,

♪ Gezang

wij stellen ons vanmorgen eerst onder de tucht van de heilige wet des Heeren. Toen sprak God al deze woorden, zeggende, Ik ben de Heere uw God, die u uit Egypteland uit het diensthuis uitgeleid hebt. Gij zult geen andere gode voor mijn aangezicht hebben. Gij zult u geen gesneden beeld, nog enige gelijkenis maken van hetgeen dat boven in de hemel is. Nog van hetgeen dat onder op de aarde is. Nog van hetgeen dat in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen. Nog hen dienen, want ik de Heere uw God ben een ijveren God. Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen. Aan het derde en aan het vierde lid dergenen die mij haten. En door barmhartigheid aan duizenden. dergenen die mij liefhebben en mijn geboden onderhouden. Gij zult de naam des Heeren uws Gods niet ijdelijk gebruiken, want de Heere zal niet ons schuldig houden die zijn naam ijdelijk gebruikt.

Gedenk de Sabbatdag dat gedien heiligt. Zes dagen zult ge arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de Sabbat des Heeren uws Gods. Dan zult gij geen werk doen, gij, nog uw zoon, nog uw dochter, nog uw dienstknecht, nog uw dienstmaagd, nog uw vij, nog uw vreemdeling die in uw poorten is. Want in zes dagen heeft de Heere de hemel en de aarde gemaakt, de zee en alles wat daarin is. En hij rustte ten zevende dagen. Daarom zegende de Heere de Sabbatdag en heiligde denzelfde. Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat u de Heere, uw God, geeft. Gij zult niet doodslaan, gij zult niet echtbreken, gij zult niet stelen, gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste. Gij zult niet begeren uw naaste huis, gij zult niet begeren uw naaste vrouw.

nog zijn dienstknecht, nog zijn dienstmaagd, nog zijn os, nog zijn ezel, nog iets dat uw naasten is. Voor de schriftlezing willen we gemeente Gods heilig en ontvelbaar woord in de profetieën van Jezaja openen. En wij lezen daaruit hoofdstuk 55, Jezaja 5 en 50.

Komt tot de wateren en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet. Ja, komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk. Waarom weegt gij die de geld uit voor hetgeen dat geen brood is en uw arbeid voor hetgeen dat niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar mij en eet het goede. En laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen. Neigt uw oor en komt tot mij. Hoort en uw ziel zal leven. Want ik zal met u een eeuwig verbond maken. En u geven de gewisse weldadigheden Davids. Zie ik heb hem tot een getuige der volken gegeven. Een vorst en gebieden der volken. Zie gij zult een volk roepen dat gij niet kende. Ten het volk dat u niet kende. Zal tot u lopen om des Heeren uws Gods wil. En om des heiligen Israëls wil.

Want hij heeft u verheerlijkt. Zoekt den Heere terwijl hij te vinden is. Roept hem aan terwijl hij nabij is. De goddelozen verlaten zijn weg. En de ongerechtige man zijn gedachten. En hij bekeerde zich tot de Heere. Zo zal hij zich zijner ontfermen en tot onze God, want hij vergeeft menigvuldiglijk. Want mijn gedachten zijn niet jullie de gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, spreekt de Heere. Want gelijk de hemelen hoger zijn dan de aarde, al zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen en mijn gedachten dan jullie der gedachten. Wat gelijk de regen en de sneeuw van de hemel nederdaalt. En derwaarts niet wederkeert maar doorvochtig de aarde. En maakt dat zij voortbrengen en uitspruiten. En zaad geven de zaaier en brood de eter. Al zo zal mijn woord dat uit mijn mond uitgaat ook zijn.

Het zal niet ledig tot mij wederkeren maar het zal doen. Hetgeen dat mij behaagt en het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe ik het zend. Want in blijdschap zult gij niet een uitrekken en met vrede voortgeleid worden. De bergen en de heuvelen zullen geschal maken met vrolijk gezang voor uw aangezicht. En alle bomen des velds zullen de handen samen klappen. Voor een doorn zal een dennenboom opgaan voor een distel. Zal een mittenboom opgaan en het zal de Heere wijzen tot een naam. Tot een eeuwig teken dat niet uitgeroeid zal worden.

Wij willen de Heere gaan vragen, gemeente, om een verbeurde, een onverdiende. Maar zo onmisbare zegen en in de voorbeide en dankzegging. Willen wij allereerst mevrouw K. Ineke Grinwis van de Langedijk 3. Gedenken die opgenomen is op de IC in het ziekenhuis te Dirksland. Wij willen dankzegging doen met een drietal echtparen. Dat mocht Gedenken, een huwelijksjubileum, het echtpaar J. Kleppertanus, Diepedors 18, afgelopen woensdag 14 oktober mochten zij Gedenken 50 jaar te zijn getrouwd. Het echtpaar A. van Waarde, Troosteenkreek 11. Gisteren mochten zij gedenken veertig jaar te zijn getrouwd. En het echtpaar K.C. Grinwis Ademans Steenkreek IX. Die eveneens gisteren ook mochten gedenken veertig jaar in de echt te zijn verbonden. Laten wij bidden.

Ewig levende God in de hemel allerhoogste majesteit. Die het waard bent om van ieder mens gevreesd, geëerd. Geloofd, geprijzen en gediend te worden. Wij zijn in uw dienst samengekomen. In uw huis vergaderd. In uw naam samengebracht. Onder dit dak. Rondom uw woord en uw eeuwig blijvend getuigenis. En Heere, dat is er een teken van dat u tot ons wilt komen. Dat u tot ons wilt spreken. En dat u ook op deze aan u gewijde en geheiligde dag. Uw woorden aan ons wilt meegeven. Als woorden van de zaligheid. Als woorden van het eeuwige leven. O Heere geef dan dat ook vandaag uw woord. In betoning van geest en kracht mag zijn. En dat het gezaaid zal worden als het zaad van de wedergeboorte. Opdat doden zullen leven. Opdat verdorven levens worden vernieuwd. Door het zaad van uw getuigenis.

Maar Heere, uw woord is ook een spijs en een drank. Waarbij u dorstige zielen wilt laven en hongerige zielen wilt voeden. En we smijken mag ook dat vanmorgen. Rijk gebeuren. En bijzonder als we een uitnodiging zullen meekrijgen. Van u de koning der koningen. En van de eeuwig levende God. O Heere dan bidden we dat die uitnodiging. In de dadelijkheid ook zal worden opgevolgd. Dat die uitnodiging ook. In de dadelijkheid zal worden beantwoord. Doordat u ons de kracht geeft om er genadig op in te gaan. Om die uitnodiging te aanvaarden. En om te komen, om te kopen, om te eten en om te drinken. O Heere, wil u dat geven. En wil daartoe met de krachtige werking van uw geest in ons midden zijn, in ons midden werken. En wil u zo gedenken aan een ieder thuis met ons verbonden zijnde.

Vanuit het ziekenhuis, het verpleeghuis. Heere, vanuit zoveel verschillende plaatsen. Wellicht of die later de dienst nog zullen terugluisteren. Maar wil ons in bijzonder ook hier vanmorgen een God van nabij zijn. En wilt u overkomen. Kent u, Heere, ons hart. Dan weet u van ons leven af. Dan is er niets voor u bedekt en verborgen. En dan smijken we, Heere. Dat het tot een goede, een gezegende ontmoeting mag komen. Met uzelf in het gewaad van uw woord. Tot ons afdalende en tot ons overkomende. O Heere, dat we daar naar uit mogen zien. Naar uw overkomst, naar uw inkomst. Dat we daar verlegen om zullen zijn, hoe jong of oud we ook wezen. Heere, dat we mogen opzien tot u en zeggen. Ik heb mijn mond wijd open gedaan tot u, Heere. In de wetenschap dat u beloofd hebt, ik zal hem vervullen.

Overvul dan mijn hart en leven. Vervul de gemeente. Vervul ons allen, Heere. Op een milde en overvloedige wijze. Opdat onze harten en monden. Zullen overlopen van uw eer. En gij aan uw eer zult komen. Heere we dragen onze oud gemeente hartelijk aan u op. En we denken daarbij allereerst ook aan de zieken. Met name Ineke Grinwis. Heere u weet ook van de ernstvolle omstandigheden. Wees haar nabij en goed spaar haar leven. En schenkt u dat ze ook door deze stormen heen. Mag zien op hem die de stormen wil bedaren. En dat ze met de discipelen in verwondering mag uitroepen. Wie is toch deze? Dat ook de wind en de zee hem gehoorzaam zijn. Opdat ze voor hem mag knielen. En voor hem mag vallen. En buigen in het stof. Wil u zijn met alle andere zieken.

U weet de kwalen die we omdragen. Soms al zo lange tijd. Chronisch zieken. Gehandicapten. De ernstige zieken. Heere zij die de gevreesde ziekte hebben. Zoals we dat noemen. Waar er behandeling is. Of geen behandeling. Onze tijden zijn in.

♪ Gezang

♪ Gezang

Er zijn er zoveel Heere die verliezen hebben geleden. Van zeer nabij of van wat verder weg. Troost u in al die omstandigheden. Waar het graf nooit zegt het is genoeg. O Heere daar wilt u toch. Ook in die moeilijke omstandigheden van gemis. Van verdriet, van pijn, van rouw. Met uw genade nabij zijn. Juist wanneer we het van u leerden verwachten. Heere, we mogen u ook dankzeggen met een drietal echtparen. De echtparen Kleppertanus van Waardetroost en Grinwis Aleman. De eerste hebt u geschonken, vijftig jaren. En de twee echtparen die we daarna noemden, hebt u geschonken, veertig jaren. Van huwelijks leven. Wat een periode ligt er achter hen Heere. Maar het is een zucht geweest. Het is maar even geweest. Hoewel er ook veel is gebeurd. In al die achterliggende jaren. Hoewel ze veel van u hebben gekregen.

Maar er ook roepstemmen liggen. O Heere mag het in hun hart maar leven. Dat zij al verheven majesteit. Wil ik gedenken uw weldadigheid in bijzonder ook vandaag. In uw heilige woning gelijk uw naam is grote koning. En wat we zojuist hoorden dat het mag leven. Ik zal met mijn ganse hart uw eer vermelden Heere. Uw dank bewijzen. Ja want om die ware dankbaarheid komt u. Bij alle zegeningen die u schenkt. Heere, mag de verwachting ook voor de toekomst de hoop op u alleen gevestigd zijn. U die die nimmer beschamende rotsteen bent, wiens werk volkomen is. En wilt u zo met hen optrekken, ja met ons allen, Heere. Hoe onze weg ook is, hoe ons levenspad er tot hiertoe ook uit heeft gezien. Weest u onze leidsman, in bijzonder ook van jongeren. De leidsman van de jeugd, van de kinderen.

Want Heere, als u ons leidt, dan zullen we niet verdwalen. Als u ons leidt, dan zullen we ook goed aankomen. Maar als wij ons laten leiden door de boze. Als wij ons laten leiden door onszelf. O Heere, dan gaan we verkeerde wegen. En dan zullen dat blijken te zijn paden van de dood. Die uitlopen op de eeuwige dood. En daarom wilt gij ons allen leiden. Door uw woord en door uw heilige geest. En maak ons daartoe ook vanmorgen in de prediking. Door dat woord en door uw geest. Uw wegen bekend. En leer ons uw paden. Wil de boze weren. En ons een goede ongestoorde dienst bereiden. Waarvan de uitgangen mogen strekken tot uw eer. Maar ook tot heil of meerder heil van onze onsterfelijke zielen. Hoor en verhoor ons, o koning der koningen. Als wij zo aanbidden voor uw troon.

Hebben u niets te bieden dan zonde en schuld. Maar zie op ons neder in gena. En wilt u geven dat uw werk. In het midden van de gemeente en in het leven. Ook van uw kinderen in het bijzonder. Zal in het leven behouden blijven. Tot in lengte van jaren. Verhoor ons uit genade. Om Christus wil. Amen.

Gemeente, wij maken u bekend dat er deze week in verband met de herfstvakantie geen categorisaties zullen zijn. Dat woensdag 21 oktober er weer jongvolwassenkring gehouden zal worden aanvang om half acht. En dat de collecten in deze dienst voor pastoraat, kerkvolgdij en de aflossing van de schuld op de kerk zullen zijn. En dat ze van harte... In uw milddadigheid worden aanbevolen. Wij gaan zingen uit Psalm 63. Het eerste. O God gezeid, mijn tolverlaat. Mijn God, u zoek ik met verlangen. Zo ras wij het morgenlicht ontvangen. Bij het krieken van de dagenraad. De tweede vers. Ik heb u voorwaar in het heiligdom voorheen beschouwd. Met vrolijke ogen. En ook het derde dan zou ik. Voor uw goddelijk oog, uw deugden, al mijn leven prijzen. Psalm 63, 1, 2 en 3.

♪ Gezang

Jongens en meisjes, je krijgt een uitnodiging mee. Van een klasgenootje om de verjaardag te vieren. Dan neem je die uitnodiging mee naar huis. En je laat hem zien, waarschijnlijk als eerste aan je moeder. Ik heb een uitnodiging, ik mag op het feestje komen van die of van die.

Dan kun je daar uiteraard twee dingen mee doen. Je gaat naar dat feestje, je gaat op die uitnodiging in of niet. Dat laatste natuurlijk doe je niet. Want als je kunt, dan zul je er zijn. Want nu, we krijgen vanmorgen ook een uitnodiging hier in de kerk mee.

Niet van een klasgenoot, niet van een mens. Maar een uitnodiging van God. En die uitnodiging die hebt u allemaal bij u. Die staat zwart op wit. Die kunt u terugvinden in de Bijbel. Het is een uitnodiging van God. Een uitnodiging tot zijn heil.

En het is van twee en één. Of u gaat op de uitnodiging in en jij of niet. En dat is de klem die ook vanmorgen vanuit de prediking tot ons komt. Nu is de Heere nog te vinden, vers 6. Nu is de Heere nog nabij.

En daarom moeten we hem nu zoeken. En daarom moeten we hem nu aanroepen. U vindt de tekstwoorden en de uitnodiging die u meekrijgt vanmorgen. In het u voorgelezen schriftgedeelte, Jezaja 55, het eerste vers. Dat we samen nog een keer zullen lezen dat vers. O alle gij dorstigen, kom tot de wateren. En gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet. Ja, komt, koopt zonder prijs, zonder geld en zonder prijs wijn en melk. We schrijven boven de preek de nodiging tot het heil. En sta met zere hulp en onder de inwachting van zijn geest stil bij drie gedachten. Het adres voor die nodiging. Allereerst en tweede de inhoud van die nodiging. En ten derde de belofte in die nodiging. De nodiging tot het heil. Het adres voor die nodiging. De inhoud van die nodiging. En de belofte in die nodiging.

Eerst het adres. Geliefde gemeente. Jongens en meisjes, jeugd. In het oosten is water van groot belang. Van levensbelang. Als je iets nodig hebt, dan is het wel dat. Wij weten niet goed wat dorst is, wat echte dorst is. Maar een oosteling wel. En zeker in de tijd van de Bijbel. Denk maar aan het volk van Israël. Wat veertig jaren door de woestijn gezworven heeft.

En zo vaak moest klagen, er is geen water. Moeten we hier sterven van de dorst? Voor zo'n dorstende die de dood voor ogen heeft, is een beker water, een glas water, meer waard dan het fijnste goud op deze aarde. Het is de profeet Jezaja, jong en oud, die van dit beeld van dorst gebruik maakt.

In onze tekst om aan te geven dat hij het nu gaat hebben over iets. Wat we allemaal niet kunnen missen. Wat van levensbelang voor ons is. O alle gij dorstigen. Zo staat er in onze tekst, dat is het adres. Voor de nodiging. In onze vertalingen staat het in het meervoud. Maar oorspronkelijk staat het in het enkelvoud. O alle, gij dorstige.

Daarmee wil de profeet Jezaja niet aangeven dat het maar een enkel mens is die dorst heeft. Maar hij wil ermee aangeven, ieder mens afzonderlijk wordt hier aangesproken. Elk mens heeft dorst. Dat is allereerst en het wordt ook aangegeven in het enkelvoud om het persoonlijke te benadrukken.

We worden persoonlijk aangesproken, we worden persoonlijk uitgenodigd, gemeente. De Heere die handelt nooit in het algemeen, maar de Heere handelt altijd zeer persoonlijk. U kent die uitdrukking wel, het is een persoonlijke zaak. Nou dat blijkt ook uit onze tekst. In deze maatschappij telt een enkeling een mens alleen vaak niet. Maar bij de Heere wel.

De enkeling wordt hier aangesproken. Hij heeft elke dorstige op het oog. Hij laat merken, geliefden, ik weet daarvan af. Al weet niemand van uw dorst en van jouw dorst. Hoe intens je dorst. God weet er wel van af. En ge weet hoe wel het waar is dat er staat in de kanttekening. Bij alle gij dorstigen dat het gaat om degene die dorsten naar de gerechtigheid. Die zeer verlangen daarnaar gevoelende hun zonden en hun ellenden. Moet ik toch ook zeggen vanmorgen. Wij zijn allemaal mensen met dorst. Er is niemand die niet dorstig is.

Maar het is wel een levensgroot verschil waar we naar dorsten. Naar het goede of naar het verkeerde, naar het zondige. En van nature is het dat laatste. Dan dorsten wij naar de zonde wateren. Als de heilige geest ons eerlijk maakt, dan zullen we dat zien.

Die verloren zoon uit de gelijkenis, die dorste, die verlangde naar een leven los van vader, naar het geluk van de wereld. Die rijke man uit een andere gelijkenis dorste naar geld en naar goed. En die vrouw uit Johannes 4 bij de Jacobsbron, die dorste naar het geluk van de ware liefde. En in haar dorst viel ze steeds voor de verkeerde man. En nu was ze met iemand samen met wie ze niet was getrouwd, Herodes, dorste naar eer en macht.

En zo is het met ons ook, wij dorsten allemaal naar de zonde, naar het verkeerde. En dan is het net als met het zoute zeewater. Hoe meer je daarvan gaat drinken, hoe groter je dorst wordt. Maar zo iemand die drinkt zich wel doodgemeente.

En zo is het ook met iemand die drinkt van de zouten. Die voor hem misschien of haar wel zijn de zoete wateren van de zonde. Je drinkt je er voor eeuwig stuk en dood aan. Je gaat je eeuwige ondergang tegemoet. En dat blijkt ook heel duidelijk uit de tweede vers. Waarom weegt gij de geld uit voor hetgeen geen brood is. En uw arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan. De Heere waarschuwt ons dat al die dingen die wij doen. En die wij hebben ons nooit kunnen verzadigen. Waar wij ons druk om maken. Waar wij op gericht zijn.

En waarom kunnen die dingen ons dan niet vervullen en verzadigen. Omdat ze ten diepste gemeente onze hartje niet kunnen vervullen. Er is een groot gat in ons hart geslagen door de zondeval. Doordat wij God hebben verworpen. Is er een enorme grote leegte gekomen in ons aller bestaan. En waar je ook mee probeert om die leegte op te vullen. Nooit zal dat lukken.

Nooit zul je het ware geluk of de ware blijdschap vinden dan bij God. Bij God alleen. Al die dingen waar we van nature achterna rennen. Wat we najagen. Waar we naar verlangen brengen ons geen echt geluk. En geen bestendige blijvende diepe vrede. En daarom komt God vanmorgen tot zulke mensen als wij zijn.

En roept hij ons gemeente door middel van deze nodiging. Komt hij tot een ieder onze afzonderlijk dorstige. Hij roept jou omdat hij ziet. Dat jij die leegte van binnen zoekt op te vullen. Met je vrienden, met wereldse muziek. Met je smartphone, met kleding, met stoer gedrag. Vul het maar in. Wat het ook is. Hij zegt tegen jou die leegte. Kan ik alleen vervullen.

En als we dan luisteren naar wat God zegt in onze tekst. Dan moet je ook altijd luisteren naar wat hij niet zegt gemeente. Dat is belangrijk om op te merken. Wat zegt hij niet? Hij zegt niet in onze tekst. U mag alleen maar komen als u de ware dorst hebt.

Hij zegt niet ik. Ik nodig alleen maar mensen uit die overtuigd zijn van zonde. Van hun ongeloof. Ik nodig hen alleen maar uit om tot mij te komen. Of mensen die eerst zichzelf hebben opgeknapt, hun leven op de rit hebben. Een en ander hebben gereformeerd, hervormd, opgeruimd. Die eerst aan een bepaald aantal voorwaarden voldoen.

Mensen die oprecht zijn bijvoorbeeld, die nodig ik. O wie zo de tekst opvalt die verstaat niets van het heilig evangelie van Gods vrije genade. Want er staat alle gij dorstige. Dat zijn mensen met die oprechte zielendorst. Waar de kanttekening op wijst. Maar dat zijn ook mensen die dorsten naar de zonde.

Alle dorstigen zonder onderscheid worden geroepen met 2 Henry in zijn Bijbelverklaring. Hij zegt, godsdienaren hebben een algemeen aanbod van verlossing te brengen aan allen. Misschien denkt u maar, mijn leven is zo zondig dominee, mijn hart is zo boos. Ik geloof nooit dat iemand zoals ik welkom ben.

Luister dan eens. Luister dan eens, want hij roept ook u jou bij. U jouw naam die geschreven staat in vers 7 van Jezaja 55. Lees maar mee. De goddelozen verlaten zijn weg. En de ongerechtige man zijn gedachten. En hij bekeerde zich tot een Heere. Zo zal hij zich zijden ontfermen. En tot ons een God. Want hij vergeeft menigvuldiglijk. Wat een wonder. De Heere roept goddeloze mensen. Dorstigen die boos en goddeloos zijn. En leven ongerechtige, boze, verkeerde gedachten hebben. Die daarmee vervuld zijn. Die worden ook geroepen.

En die roepgemeente die tot ons komt. Die is heel ernstig. We worden opgewekt door middel van dat woordje O. En in het Hebraeus is dat een uitroep. Dat woordje O. Eén van ernst en twee van gunning. Eerst dat ernst. Dat het een woord is wat wijst op ernst. Het woordje in het Hebraeus. Het oorspronkelijk woord wat er staat. Ook vaak gebruikt. Als het gaat over leed, over ellende.

Jezaja gebruikt datzelfde woordje. Ook in hoofdstuk 1 vers 4. Dat woordje wat hier met o vertaald wordt. Wordt daar met we vertaald. Daar staat we het zondige volk. Het volk van zware ongerechtigheid. Het zaad van de boosdoeners. De verdervende kinderen. Ze hebben de Heere verlaten. Ze hebben de heilige. Israëls gelastend. Ze hebben zich vervreemd. Wij konden achterwaarts wee.

En hier oog. Dat geeft dus de ernst aan. De Heere willen ons laten merken. En horen vanmorgen. Het gaat niet om zomaar iets kleins. Iets gerings. Waar je schouder ophalend naar kunt luisteren. Waar je even onder zit. In de kerk. En straks ga je de kerk weer uit en spoel je alles weg met de koffie, limonade, de thee.

Wat je daarna weer makkelijk kunt vergeten en achter je kunt laten, naast je kunt neerleggen. Nee, dat woordje o, dat wil ons stilzetten. O, o, alle gij dorstigen. Die oren heeft die horen. Maar er zit ook dat andere element in, dat wat ik ook noemde, gunning.

De Heere laat door dat woordje al doorklinken. Gemeente dat hij het meent. Het is hem ernst maar hij meent het dus ook vanuit de gunning. Als u of jij de zaligheid nog mist. Onbekeerd bent. Dan denk je vaak dat het aan God ligt waar of niet.

Dat het zijn schuld is. Maar hier hoort u en jij vanmorgen in deze uitnodiging doorklinken. Dat het hem ernst is in zijn gewilligheid. En dat hij zeer genegen is om alles aan u, jou te schenken wat ons ontbreekt. Wanneer de zon daar komt tot de wateren en gehoor geeft aan de nodiging. Dan is hij gewillig te schenken wat hij belooft.

Wanneer ik hem mijn nood beleid en hem smeek om dat levende water. Dan is hij zeer gewillig om mij dat te schenken. Als u zegt maar het kan niet voor mij. Ik ben het zo onwaardig. Dan is het waar. U bent het ook geheel en al onwaardig. Maar toch roept hij met een bewogen hart. O, o.

En dat roept hij ons dus persoonlijk allemaal toe. Dorstig in het enkelvoud. O, hoeven niet te twijfelen aan de gezindheid van zijn hartgemeente. Onze tekst is er een duidelijk bewijs van. En als u er toch aan twijfelt, dan komt dat niet voort uit de Bijbel. En dan komt die twijfel ook niet voort uit God.

Maar als u er toch aan twijfelt, dan komt die twijfel voort uit uw, uit jouw hart. Uit onszelf, uit ons ongeloof. Dan is dat van de duivel. Je moet denken aan die geschiedenis in Johannes 4. De vrouw bij de Jacobsbron. Jezus had zo'n dorst. Het was midden op de dag heet. En hij vroeg aan die vrouw, geef mij te drinken.

En toen ontspon zich daar een gesprek over water, over levend water. En dan zegt de Heere Jezus in Johannes 4, het tiende vers, indien gij de gaven van God kende en wie hij is die tot u zegt, geef mij te drinken, zo zoud gij van hem begeerd hebben, vrouw, en hij zal u levend water gegeven hebben.

En dat is nog steeds zo. Ook voor nu. Ook voor u. Als u dit water van hem begeert oprecht, dan... Dan zal hij het u geven. Als u het van mij zal begeren, zegt Jezus, dan zou ik u levend water schenken. Vandaar dat woordje o, zijn bereidwilligheid, zijn gunning.

En als je dan ziet wie je bent geweest en nog bent tegenover hem vol ongeloof, niet echt dorstend naar het goede, dat verzadigt. Ja, wat dan, zegt iemand. Wat dan, dominee? Nou, dan mag je dat tegen hem zeggen. Want hij wil schenken alles wat ons ontbreekt. Mild en overvloedig, zo gij het smeekt.

Het adres. De tweede, de inhoud. Hoewel gij dorstigen, kom tot de wateren. En gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet. Zonder prijs, zonder geld, wijn en melk. We zeiden het woordje dorstige staat in het enkelvoud in de grondtaal. Maar het woordje komt met een t erachter. Dat laat zien dat dat in het meervoud staat. Gericht op meer mensen dan de enkeling. En ook het woordje koopt staat er. Met een t erachter.

Klopt dat dan wel zegt iemand als je begint in het enkelvoud. Je gaat dan vervolgens als het gaat om het werkwoord verder in het meervoud. Ja wij zouden zeggen dat klopt niet. Taalkundig gezien. Maar hier klopt het wel gemeente. Want God maakt daarmee duidelijk hoewel hij iedere dorstige apart.

Persoonlijk aanspreekt in het enkelvoud. Weet hij tegelijkertijd dat er niet maar één dorstige is in Ouddorp. U kunt denken dat het wel zo is dat er niemand zo ellendig is als u. Dat er niemand zo dorstig is en verlangend is dan jij bent. Niemand zo schuldig en verloren.

Ik kan soms denken als de Heer met zijn overtuigingen komt. Ontdekkende genade schenkt. Dat er niemand zo diep gezonken is. En zo onrein is dan u dan jij bent. De Heere maakt duidelijk, u bent niet de enige, er zijn er meer. En daarom staat dat woordje komt in het meervoud geschreven in onze tekst.

De Heere wil er duidelijk mee maken dat het niet zo is alsof het maar voor één enkel iemand zou zijn. Alsof het maar voor één mogelijk is. Alsof het nog maar voor één iemand zou wezen. Dat u of jij dan wel eens de laatste zou kunnen zijn voor wie het is. Of dat je zelfs te laat komt en bent.

Nee, heel vers 1 staat vervolgens in het meervoud. Kijk, elke dorstige wordt persoonlijk apart geroepen. Nogmaals, het is een persoonlijke zaak. Iedere dorstige wordt apart aangesproken. De Heere komt tot u, jou, hoogst persoonlijk met zijn uitnodiging. Maar voor al diegenen die vanmorgen de nodiging krijgen, geldt het. Komt toch allemaal tot de wateren.

Niemand uitgezonderd. Komt. Het Hebraeus, de grondtaal van het Oude Testament, bestaat onze tekst allemaal uit korte kleine stukjes. En daarmee wordt duidelijk, het is geen lange preek geweest. Het beeld waar we aan moeten denken, jongelui, jeugd, kinderen, dat is van een waterverkoper. Die had je in het oosten, in het oude oosten, die door de straten van de steden liepen. En die mensen die riepen, de dorstigen tot de water.

Zoals nu ook soms mensen nog waren verkopen op een markt en zeggen, kom, je moet hier zijn. Zo klinkt die stem van die waterverkoper. O, alle gij dorstige, komt deze kant op. Zo wil die waterverkoper duidelijk maken. En zo maakt God vanmorgen duidelijk.

Want je hoort in onze tekst iets kloppen. Het hart van God dat bewogen is. Want hij weet hoe dorstig mensen over de aarde gaan. Omdat die dorst al zo oud is als de val in het paradijs. Toen al zocht hij in bewogenheid Adam en Eva op toen zij dorstend zochten naar datgene wat ze kwijt waren geraakt. Wat ze verloren hadden. Het

is alsof we de Heer Jezus horen en ontmoeten in deze tekst. Die het Nieuwe Testament vermoeiden en belasten nodig en zegt, komt herwaarts tot mij. Hierheen, alle gei die vermoeid en belast zijn en ik zal u rust geven. Hij is de enige weg waarover en de enige deur waardoor wij tot God kunnen komen.

Hij is die rotsteen die gespleten is. De geopende fontein. Tegen de zonde, tegen de onreinheid. En dan roept hij ons toe, o luister, o, o, o. O, dorstig mens, kom tot mij. Zo iemand dorst heeft, die komen tot mij. En drink, Johannes 7, vers 37.

Al onze dorst in ons leven moet ons dus tot hem uitdrijven. En bij hem brengen, die verzadiging schenkt. Dat is wat gemeente. Een nodiging om tot hem te komen. Een nodiging van hem, niet van mij, maar van hem. Om bij hem alleen al uw heil te zoeken.

Bij hem die ervoor in de wereld is gekomen. Om zondaren te ontvangen. Het water dat hij biedt, dat is levens, dat is zielsnoodzakelijk. En daarom, als u mist wat hij heeft, dan mist u alles. Maar als u bezit wat hij heeft, dan heb je, dan bezit je alles.

Wat een nodiging, een rijke nodiging. Misschien ook wel een vreemde nodiging, als we ook letten op dat volgende stukje. Gij die geen geld hebt. Ik weet, dat is ook een adres waar ik behandel dat bij onze tweede gedachte. De inhoud van de nodiging.

Gij die geen geld hebt. Dat klopt niet volgens onze logica. Dat mensen die geen geld hebben worden genodigd, uitgenodigd om te kopen. En toch gebeurt het hier in onze tekst. Nee, niet omdat je bij God kunt afbetalen hoor. Of omdat je bij God een bepaalde regeling kunt treffen. Nee, nee.

Geen geld hebben dat wil zeggen dat je helemaal niks hebt om God aan te bieden. Geen geld hebben, dat wil zeggen ik heb alleen maar schuld. Ik ben bankroet, failliet. Ik sta diep in het rood. En die mensen worden uitgenodigd om te kopen en om daartoe te komen.

En als je meent zelf nog iets te hebben of meent zelf iets te zijn, dan heb je nog teveel. En dan wil de Heer dat ook vanmorgen door middel van zijn woord en door de kracht van zijn geest u, jou afhandig maken. Als je meent nog rijk en verrijk te zijn, geen ding gebrek te hebben. De Heilige Geest wil ons ontdekken aan onze nameloos diepe armoede en ellende.

Je ermee bekend maken dat je het moet gaan zeggen, o God, ik heb niks dan schuld. Ik heb geen goede wil, ik heb geen oprechte verlangens, ik heb geen goede voornemens, geen juiste gestalte, geen oprechte begeerte. Ik heb niks, ik ben niks, ik ben ongeschikt om te komen en te kopen.

Kijk, als je dat bepraat, dan kun je er nog een heel eind mee weg. Maar als je het gaat beleven, gemeente, dat je alles kwijt bent en niks bent en dan toch welkom bent en dan toch genodigd wordt. Dan wordt het zo'n onmogelijkheid.

Want jongens en meisjes, je gaat toch niet iets kopen terwijl je geen geld hebt. Als je op een markt komt en je ziet iets moois liggen en je zegt tegen die verkoper, dat wil ik hebben. Dan vraagt die verkoper, heb je geld bij je?

En als je het niet hebt, dan zegt hij, nou dan moet je eerst gaan halen. Want je kan natuurlijk niks kopen, niet iets kopen als je geen geld hebt. Maar vanmorgen hoor je in de kerk dat het zo gaat. Op de markt van vrije genade.

Op een gewone markt zeggen we niet doen. Maar op de markt van vrije genade zeggen we juist wel. Want in de tekst staat dat wie geen geld heeft moet toch komen om te kopen. Hoe kan het? Alleen door Christus. Want geliefde gemeente, Jezaja 55 gaat Jezaja 53 vooraf.

En u weet toch wel waar het daarover gaat. Het gaat over die lijdende knecht. Des Heere over de diepe weg van zijn lijden en sterven. Over zijn dorst, over de prijs die hij betaalde. De schuld die hij op zich nam. De krankheden die hij op zich wilde laden.

En zo heeft hij verdiend, betaald, verworven. Wat hij nu wil uitdelen en wegschenken. Dus het is zonder prijs en zonder geld omdat er betaald is. Omdat de zonen gods de prijs, de bloedprijs van zijn leven heeft neergelegd, betaald aan de vader. En daarom is het om niet uit vrije genade,

zonder uw betaalpenningen, zonder jouw geld en zonder prijs, gratis. Zo wil de Heer aan alles missende zondaren zijn heil uitdelen. Niet dat u met iets van uw kant en dat God dan van zijn kant met zijn heil komt. Zo niet, zo nooit. Zo wordt nooit de koop gesloten op de markt van vrije genade.

Het is voor zondaren gratis te verkrijgen. Omdat het voor Christus niet gratis was. Hij heeft er de hoogste prijs voor moeten betalen. Hij heeft alles voor de zijnen voldaan. Waarom? Omdat het voor hen onbetaalbaar was. En wie zich nu op hem mag verlaten. Op deze Zoon van God.

Door genade. Door het werk van de Heilige Geest. Je verlaten op het land van God alleen steunen op hem. In al je nood en al je dood met al je onwaardigheid. Vloekwaardigheid, doenwaardigheid, helwaardigheid, verlorenheid. Met al je schuld en al je ellendigheid om te komen. Die zal kopen om

te drinken en om te eten. Apart dat er staat komt koopt. Kijk als er zo staat komt en krijg het. Komt en ontvang het. Dan zou je het kunnen begrijpen als het gratis is. Maar er staat hier wel het woordje kopen. En kopen daar is toch altijd een prijs aan verbonden. Waarom staat dat er dan zo?

Dan kan je dat toch geen kopen noemen. Nou hier wel. Want gemeente. Het geeft aan dat een zondaar die komt tot hem. In het wettige bezit. Ervan wordt gesteld. Het woordje kopen geeft aan. Dat er niet wordt gesjoemeld om zo te zeggen geestelijk. En er wordt geestelijk wat gesjoemeld in onze dagen. Maar je komt er op een wettige wijze aan.

Alsof je er zelf voor hebt betaald. Alsof je zelf. In eigen persoon zoals de katechisme zegt. Alle schuld hebt voldaan. Komt. Koopt. En dan staat er in die nodiging, de inhoud ervan ook, eet. En dat is misschien een beetje vreemd, want het gaat elke keer over water. En straks zullen we ook nog zien dat het gaat over wijn en over melk.

En dat eet je toch niet. Je eet toch geen water en je eet geen melk, maar dat drink je toch. En toch staat hier, komt, koopt en eet. Waarom? Waarom? Nou, dat staat er niet voor niets. Het woord in het Hebreus dat voor kopen wordt gebruikt in onze vertaling, wordt bijna altijd gebruikt in omstandigheden van het kopen van koren, van brood. Dat woordje kopen, dat ziet op brood.

En dat laat ons zien dat Christus niet alleen is het water des levens, maar dat hij ook is het brood des levens. Het tarwegraan van God, hemelsbrood, dat uit de hemel is nedergedaald. En je ziet dus dat heel die tekst die nodiging vol is van Christus.

Hij laafde dorst, hij stilde honger. Toen ik enkele weken geleden over deze woorden sprak in een voorbereidingsdienst op het heilig avondmaal, haalde ik aan wat er staat in het avondmaals formulier, dat Christus de oorzaak van onze eeuwige honger en kommer, namelijk de zonde, heeft weggenomen.

Wat is dat groot, hè? Zondaren zouden, ook Gods kinderen, zouden eeuwig moeten hongeren. En eeuwig moeten verkommeren. Maar de oorzaak daarvan hun zonde heeft hij weggenomen. Hij neemt de dorst weg. Hij neemt de honger weg. Hij laaft. Hij verzadigt. Hij vult. En dat belooft hij.

O alle gij dorstigen. Afzonderlijk worden ze aangesproken. En gezamenlijk worden ze geroepen om te komen tot de wateren. En gij die geen geld hebt. Ze worden geroepen om te komen, om te kopen, om te eten, om te drinken. Wijn, melk, brood, spijzen. Zonder geld, zonder melk.

Voor wie het niet is, voor mensen die nog wat hebben. Ik moet u duidelijk maken, gemeente, dat als u nog iets wilt meenemen, u niet bij de Heere welkom bent. Hoort u dat? Dan bent u niet welkom bij hen. Meen niet dat het met uw bidden wat moet worden.

Of dat jij met jou zoeken of wat dan ook wat moet zijn. Dat je eerst iets moet hebben gehaald, bereikt. Dat je voor God iets zou moeten wezen. Wie zo komt nogmaals is bij hem niet welkom. Kan bij hem niet terecht. Wordt doorverwezen, weggestuurd.

Want hij maakt ons duidelijk. Het is zonder prijs, zonder geld, zonder onze verdiensten. Maria heeft er in haar lofzang van gezongen. Hoor maar, rijken heeft hij ledig weggezonden. Armen met goederen vervuld. Want die rijken die missen niks en die hebben alles. Daar kan hij niks aan kwijt.

En daarom zijn er armen in ons midden. Die zo arm zijn dat ze zelfs van hun armoede niks kunnen maken. Van die ellendigen in ons midden. Die ook van hun ellende niks kunnen maken. Zulke allesmissende, hongerige, dorstige zielen. Allesmissende zondaren. En vraag het maar aan hem. Neem mij alles af wat

mij in de weg staat, Heere. Maak me wat ik niet ben en ook niet wil zijn. Arm, behoeftig, ellendig, jammerlijk, naakt. Schenk mij armmakende, maar ook Gods kinderen mogen vragen. Schenk mij armhoudende genade. Als je dat bidt, dan vraag je, zei ik zojuist, om iets wat je niet wilt hebben en niet wilt zijn. Dan bid je tegen jezelf in.

Maar doe het maar. Want het tekst van vanmorgen wil geestelijk leiding geven aan zondaren. Als er maar honger is, geliefden. Dan wordt zelfs het kleinste kruimeltje niet veracht. Toch? Met Johenry. Ik noem hem nog één keer. Hij zegt zo kostelijk, zo duidelijk. Waar God genade geeft, daar verwekt hij eerst de dorst ernaar.

En waar hij dorst geeft, daar schenkt hij ook genade. En dan tot slot, de belofte in die vervullinggemeente. Want er ligt een rijke belofte in onze tekst. Het is geen loze uitnodiging. Loos wil zeggen leeg. Het is een gevulde nodiging. Want er zit de belofte in van eten, van drinken, van overvloed. De belofte zit erin, u hoeft niks mee te brengen. De belofte ligt erin, de Heer zorgt voor alles. Hij is een allesvervullend God in Christus door de Heilige Geest.

Alles is van Hem. Hij maakt arm. Hij ontdekt. Hij doet hongeren en dorsten. Dat is ook van Hem. En hij vervult. En hij verkwikt. En hij spijzigt en laaf de ziel tot het eeuwige leven. Dat is de belofte in deze tekst. Niet u eerst iets en dan God ook wat. Maar God alles. Het

verlossingswerk is van het prilste begin tot het einde toe. Zijn werk een eenzijdig godswerk. Weet je wat dat betekent? Gemeent, ontdekkend. Maar daar valt u dus geheel buiten. Doet u niet mee. Het is niets uit ons en niets van ons. Maar alles van en uit hem. En dat belooft hij in de tekst.

Water, dat kunnen we begrijpen voor dorstige. Dat hebben we al gezien. Maar die waterverkoper die daar loopt en roept. O alle gij dorstige komt. O komt. Die zegt, ik heb nog meer. Ik heb ook wijn en ik heb ook melk. Waarom staat dat erbij, zegt iemand? Nou, wijn, ik zal daar kort op wijzen.

Psalm 104 verwijst daarna. Dat is iets wat een mens blij maakt. Nee, daar moet je nooit te veel van nemen. Hier wordt geen dronkenschap gepromoot. Daar is de Bijbel duidelijk over. Ze waarschuwt ons tegen overmatig drankgebruik. Als Paulus schrijft aan Timotheus dan is het een weinig wijns.

Maar hier wordt dit beeld gebruikt. Wijn genoemd als iets wat de Heere aan dorstigen belooft. Om te laten zien deze genade gaven verheugt het hart. Wat ik schenk maakt blij. En jongelui jeugd dat laat ons zien. Kinderen gemeente dat wat God schenkt. Dat dat.

Zo groot van waarde is het. Leven met de Heere is geen naarleven. Is geen droefgeestig leven. Is geen armzalig leven. Het is niet armzalig, ellendig, wanneer je de zonde loslaat. En de wereld verlaat. En je oude natuur gaat doden. En door genade de Heere mag gaan volgen.

Dat is geen naarleven. In tegendeel, het genadeleven maakt blij en vrolijk in God. In het hooglied staat er, uw uitnemende liefde is beter dan de wijn. Met andere woorden, de vreugde van u en met u gaat alles te boven. En de vreugde zonder u en buiten u, dat heeft geen enkele waarde. In de prediker vergelijkt Salem hoog. Het lachen van een zot bij het geluid van de doornen onder een pot.

Je ziet als het ware die pot hangen en daaronder een vuurtje van doornentakken. En je hoort dat geluid knappen van dat vuur, van die doornen in het vuur. En spoedig dan zijn die doornen, die zijn tot as geworden. Er is niks meer van over, het geluid sterft weg. Dat is het lachen van een zot. Het lachen van een onbekeerde. Het lachen van een wereldling. Dat is niet blijvend. Dat is maar eventjes. Het knapt en het is weg.

Maar de vreugde van God is een eeuwige vreugde. Wijn. Ik wil u vrolijk maken. Dat u zich gaat verheugen in mij. In uw heiland. En melk. Waarschijnlijk is dat de dadelmelk geweest die overvloedig was in Israël en die zeer gezond was. Je mag ook denken aan het beeld van een klein kind wat bij moeder drinkt. Een baby, jongens en meisjes, kan nog geen warm eten, geen aardappels en geen groenten gebruiken. Dat kan het niet verteren. Dat drinkt melk.

En dan zegt de Heer, vanmorgen is er zo'n kleintje in de genade. Zo'n zuigeling in ons midden. Wat nog geen vaste spijsvoedsel kan verdragen. Alleen maar melk, nou dat is er bij mij. Ik heb melkspijs voor de kleintjes in de genade. Kom maar.

En weet je wat dan zo bijzonder is? In onze tekst staat het al drie keer toe. Komt. Komt. Komt, komt, een drievoudige oproep, een drievoudige uitnodiging. De Vader zegt het, de Zoon zegt het en de Heilige Geest zegt het. Komt, komt, komt. Wat

een oproep om te ontvangen uit genade, om niet. Alles wat hij heeft verworven tegen die dure prijs. Van zijn bloed. Hij belooft water. Hij belooft wijn. Hij belooft melk. Hij maakt duidelijk. Ik verrijk. En ik versterk. En hij wil laten zien met al deze goederen. Er wordt verwezen in de kanttekening naar vergeving der zondige rechtigheid. Die ons om niet en zonder enige verdiensten onderzijds van God in Christus gegeven wordt. In zijn lijks de gaven van de heilige geest. En uiteindelijk het eeuwige leven waartoe wij door het geloof moeten komen.

Hij laat zien in die woorden van onze tekst. Alles wat ik heb, alles wat ik geef. is zo rijk en zo vol, daar valt al het andere bij in het niet. Dat ga je dan ook door genade, schade en drek achten. En zo staat hij voor u.

En zo nodigt hij ons, gemeente. Ik heb werkelijk, zegt hij, iets wat verzadigt en wat laaft... en wat de wereld en geen enkel mens je nooit kan en zal geven. Want er is niemand die je schuld wegneemt, hoor. En er is niemand die jouw zonden uitdelgt, hoor. Maar ik wel.

Ik kan en zal rust geven, vrede en verzadiging. Er is water, wijn en melk in mijn handen. De nodiging gaat uit, luister. Kom toch, o alle geitdorstigen. U die geen geld hebt, jij die alles mist. Komt, koopt, eet en drinkt. Op de markt van vrije genade is alles om niet. Worden al de goederen van het genadeverbond.

Weggeschonken aan degene. Die niks meer zijn en niks meer hebben. Komt dan. En leg die nodiging niet naast je neer. Verwerp hem niet. En al degene die tot hem zijn gekomen. En telkens weer komen door het geloof. Die beleiden de dood in mij.

Leef in hem. Alles wat ik mis is in hem. Dat volkgeliefdenbeleid bij u. Heere is de levensbron. Het zijn al die mensen. U ook al en jij ook al. Die gelijk een het dorst naar de water stromen. Zo met hele ziel. En alles wat in hen is. Dorsten naar God. En naar zijn heil. En de belofte van het evangelie is.

Zij, zij zullen verzadigd worden. Want zalig zijn zij, die hongeren en dorsten na de gerechtigheid. Hij zegt, ze zullen verzadigd worden. Om mij en door mij. Amen. 42 gaan we zingen, gemeente het eerste en vijfde vers. 42, de versen 1 en 5. Laat

♪ Gezang

ons danken. O volzalige, allesvervullende God. In Christus voor dorstigen voor ellendigen. We komen tot u. En we danken u dat u dit woord heel persoonlijk deze nodiging bij ons bracht. En nou is er een levensgroot gevaar, Heere. Dat we die nodiging zullen vergeten. Dat we die nodiging niet zullen opvolgen.

Dat zit in ons. Dat is onze natuur. Dat is onze zonde. En nu bidden we. Waar u toch een allesvervullend God bent. Dat u ook voor de vervulling van uw woord. Voor de zegen over uw woord zult instaan. Naar uw eigen belofte. Het zal doen. Hetgeen mij behaagt en dan mogen het u behagen, Heere. Om ons tot u te brengen. En ons weg te halen. Waar we het van nature zoeken. Wil zo uw woord zegenen en onze dank voor wat u gaf aanvaarden.

Het verkeerde verzoenen. En de napredeker voor ons allen en in ons allen zijn. Breng vanavond opnieuw samen. O Heere. Bij u is de levensbron. Verhoor ons. Om Christus willen. Amen. Onze slotsanggemeente die vindt u in psalm 36. En daarvan het tweede vers. Psalm 36 het tweede vers. Uw goedheid. Heere is hemelhoog. En wat daar volgt.

♪ Gezang

Gemeente ga heen in vrede. En ontvangt met een biddend hart. De zegen des Heeren. De genade van onze Heere Jezus Christus. En de liefde gods des vaders. En de troostvolle gemeenschap van de Heilige Geest. Zij met u allen. Amen.

♪ Gezang