Matthéüs 13: 31 en 32; De gelijkenis van het mosterdzaad
Transcript
♪ Gezang
Onze hulp en onze enige verwachting is in de naam des Heeren. Die de hemel en de aarde geschapen heeft. Die trouwen houdt en eeuwig leeft. En die nooit zal laten varen de werken zijn er handen. Amen. Genade zij u en vrede van hem die is en die was. En die komen zal. En van de zeven geesten die voor zijn troon zijn. En van Jezus Christus. Die de getrouwe getuige is. De eerstgeborene uit de doden. En de overste van al de koningen. Der aarde. Amen.
Er zon of maan bij het nageslacht en licht zal wezen en op en onder gaan. En wat daar volgt in het derde vers van Psalm 72. Deze
♪ Gezang
avond openen wij Gods heilig en onfeilbaar woord in het evangelie naar Mattheüs het dertiende hoofdstuk. En daaruit zal worden gelezen van af vers 24 tot en met 35. Eerst doen wij beleidenis van het algemeen ongetwijfeld christelijk geloof met de woorden van de twaalf artikelen. En in ieder van u die spreken in zijn of in haar hart, al dus. Ik geloof in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde. En in Jezus Christus, zijn enig geboren Zoon, onze Heere. die ontvangen is van de Heilige Geest, geboren uit de maagd Maria, die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle, ten derde dagen wederom opgestaan van de doden, opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand gods des almachtigen vaders. Van waar hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden.
Ik geloof in de heilige geest. Ik geloof een heilige algemene christelijke kerk. De gemeenschap der heiligen. Vergeving der zonden. Bij de opstanding des vleesses en een eeuwig leven. Matthijs 13 te beginnen bij vers 24. Een andere gelijkenis heeft hij hen voorgesteld, zeggende, het koninkrijk der hemelen is gelijk een mens die goed zaad zaaide in zijn akker. En als de mensen sliepen kwam zijn vijand en zaaide onkruid midden in de tarwe en ging weg. Toen het u tot onkruid opgeschoten was en vrucht voortbracht, toen openbaarde zich ook het onkruid. En de dienstknechten van de heer des huizes gingen en zeiden tot hem, Heere, hebt gij niet goed zaad in uw akker gezaaid? Vanwaar heeft hij dan dit onkruid? En hij zeide tot hen, Een vijandig mens heeft dat gedaan. En de dienstknechten zeiden tot hem, Wilt gij dan dat wij heengaan en dat zelven vergaderen?
Maar hij zeide, Nee, opdat gij het onkruid vergaderende, Ook mogelijk met hetzelfde de tarwe niet uittrekt. Laat ze beide tezamen opwassen tot de oogst. En in de tijd van de oogst zal ik tot de maaiers zeggen... vergaat het eerst het omkruid en bindt het in busselen... om hetzelfde te verbranden. Maar breng de tarwe tezamen in mijn schuur. Een andere gelijkenis heeft hij hun voorgesteld, zeggende... Het koninkrijk der hemelen is gelijk het most het zaad. Het welk een mens heeft genomen en in zijn akker gezaaid. Het welk wel het minste is onder al de zaden. Maar wanneer het opgewassen is, dan is het het meeste van de moeskruiden. En het wordt een boom. Al zo dat de vogelen des hemels komen en nestelen in zijn takken. Een andere gelijkenis sprak hij tot hen, zeggende, het koninkrijk der hemelen is gelijk een zuurdecem welke een vrouw nam en verborg in drie maten meel totdat het geheel gezuurd
was. Al deze dingen heeft Jezus tot de scharen gesproken door gelijkenissen en zonder gelijkenis sprak hij tot hen niet. Op dat vervuld zal worden wat gesproken is door de profeet, zeggende. Ik zal mijn mond open doen door gelijkenissen. Ik zal voortbrengen dingen die verborgen waren van de grondlegging der wereld. Tot zover. Wij willen samen de Heere gaan vragen om een verbeurde, een onverdiende, maar zo onmisbare zegen laten wij bidden.
O Heere van hemel en aarde, van begin... Van voortzetting en volleinding. Het is aan de avond van deze uw dag. Dat wij opnieuw mogen samenkomen in uw heilige woning. De woonplaats die u hebt uitgekozen. En Heere wat onderscheid maakt u dan waar het niet is. Met zoveel miljoenen mensen in ons vaderland.
Zoveel honderden duizenden mensen om ons heen. En zoveel miljarden mensen op deze wereld. Die uw woord niet hebben. En nooit horen van die ene weg tot zaligheid. En van die ene naam tot zaligheid gegeven. O Heere wat zijn wij dan bevoorrechte mensen. Dat u ons bij uw woord hebt gebracht. Bij uw woord hebt gehouden. En dat u ons ook vanavond. rondom uw woord wilt vergaderen in uw huis of thuis met ons verbonden zijnde. En Heere, geef dan dat we het zullen waarderen, dat u tot ons wilt komen, dat u de boodschap van het eeuwige leven aan ons wilt bekendmaken, dat u de weg van de ontkoming ons wilt aanwijzen en dat u ons wilt nodigen tot uw heil. En dat u ook uw kinderen wilt onderwijzen in de weg die ze hebben te gaan. Ja, Heere, er zit voor ons allen in uw woord zoveel tot onderwijzing, tot wederlegging, tot vermaning.
Maar in bijzonder ook voor uw kinderen tot vertroosting. En als dat woord, Heere, ook open ligt hier op de kansel in de Ebenezerkerk, wilt u dan... Ook zelf de opening van onze harten en de verlichting door uw heilige geest ons niet onthouden. Want wij kunnen vanuit onszelf uw woord niet begrijpen. De natuurlijke mens verstaat niet de dingen die des geestes God zijn. Want hij kan ze ook niet verstaan. O, we beleiden u onze blindheid. Wij beleiden u, o God, onze hardigheid van hart, onze doofheid van oren, onze boosheid, onze goddeloosheid. En Heere, dat staat ons in de weg om het zegen te kunnen kerken. Maar Gode, zij dank u niet in de weg om uw zegen bij en over uw woord aan ons te schenken. Want u bent wonderlijk van raad en groot van daad.
Wat bij mensen onmogelijk is, is mogelijk bij u. En geef ons daarom verwachting. Verwachting van uzelf. Wat gij doen zult ook vanavond de ziel die u verwacht, die u verbijt. Ja Heere, als we met verwachting zijn opgekomen, wilt u ons dan niet beschamen. Maar wil ons... In ons stille hopen op uw woord een zegen bereiden. En als we enkel uit gewoonte zijn opgekomen. Een goede gewoonte maar niet genoeg. O Heere wilt u ons dan in de schuld brengen. Dat we zo zijn opgekomen zonder verwachting. En wilt u dan ondanks onszelf nochtans rijk werken. En uzelf weg schenken. Heere, zo dragen we onze oud gemeente aan u op, met wie we jaren mochten optrekken een deel van ons en van hun leven. Aan wie we de woorden van u mochten bekendmaken. En u weet, Heere, wat van toen en daarvoor en daarna de uitwerking is geweest van de bediening van de verzoening.
Of we die oproep laat u met God verzoenen hebben opgevolgd. Of de uitnodiging ook van vanmorgen... voor het eerst en opnieuw kracht heeft gedaan in ons leven. Of dat we dezelfde gebleven zijn. Ja, zelfs harder geworden zijn. Kouder geworden zijn. O God, verbreekt u de hardste harten. En wil met de hamer van uw woord te morsels slaan. Steenachtige harten. En wilt u vlees en hart aan ons allen geven.
Ontvankelijk voor u, voor uw woord. Ja, Heere, dat we zo vanavond ogen opzien. Want het ziet alles op u en het blijft alles op u wachten. Onthoud ons dan uw geest niet die in al de waarheid leidt. En die we nodig hebben omdat wij in de waarheid niet zijn staande gebleven. Heere, de waarheid van Christus maakt een zon daar vrij. En zou die waarheid mogen klinken. En zou u, o Heere Jezus, uw stem willen verheffen. En vervullen wat de oude psalm zingt. Uw waarheid doe ik horen. Uw heil de mens beschoren. Vloeit dagelijks van mijn mond. Wilt u dan de boze weren? En wilt u zelf de rijen doorgaan en de paden doorwandelen. We dragen jong en oud aan u op, de zieken andermaal. Gedenkt u ze, Heere. Degenen die onderzoeken ondergaan, behandelingen zullen verkrijgen.
O Heere, medicijnen gebruiken, uitslagen die daarop wachten. We smeken, ontferm u, gelijk uw naam groot ontfermer is. Wil ook zij met hen die het psychisch moeilijk hebben. Die lijden onder de lasten van dit leven. O geef dat het hen aan u zal verbinden. De grote lastdrager die het zegt komt herwaarts tot mij. Allen die vermoeid en belast zijn. En ik zal u rust geven. We zijn geneigd om het buiten u overal in te zoeken. Maar Heere, er wordt ons maar één weg gewezen. Één weg geopenbaard. En dat is naar u toe. Zegent u degene die zich eenzaam voelen, de ouderen. Maar niet alleen als we oud zijn, kan dat zo in ons leven wezen. Dat we ons eenzaam voelen, ook als we jonger zijn. Heere, geeft u dat we u nabij ons mogen weten. En dat wij ons steeds tot u zullen begeven.
En zullen smeken, weest u bij me. Ja, dat bidden we ook voor onze ouderen. Heere, degene die alleen door het leven gaan, in het leven staan. Ontferm u, wees een genadige God. We dragen de ambten aan u op, Heere. De broeders van de raad van de kerk zegen ze. Ook met uw nieuwe predikant en ook met de gemeente. En mag ook deze periode die nu is aangebroken. Tot opbouw zijn van uw koninkrijk in het midden van de gemeente. En tot afbreuk van het rijk van de vorst van de duisternis. U die beloofd hebt dat de poorten der hel uw gemeente niet zullen overweldigen. maar die met uw kerk zult zijn tot aan de volleinding der eeuwen en tot aan het laatste der dagen. O Heere, weest u in het midden van de gemeente onder jongeren en ouderen als een leidsman.
Gedenkt u zal, Heere, het wereld rond, de oorlogen die woeden, de natuurrampen die zich hebben voltrokken op zoveel plaatsen. de besmettelijke ziekten die rondgaan. Gedenkt u, Heere, degene die zijn uitgezonden in militaire dienst. Bewaar ze in al hun wegen. We bidden voor de bekering van het volk der Joden... in Israël en verspreid over de wereld. Hou de kerk die vervolgd wordt staande. Richt uw koninkrijk wereldwijd op. En wilt u in de toebrenging van zondaren uw eigen naam verheerlijken. Gedenk ook aan ons eigen land en volk. Aan de overheden landelijk, provinciaal en plaatselijk. Ons koninklijk huis. O Heere, regeer hen en ons allen door uw geest en door uw woord. Zegen het werk van evangelisatie. In gevangenissen, op evangelisatieposten. In verpleegtehuizen, in ziekenhuizen en waar niet al. O Heer, het werk onder het leger. En zo overal waar uw woord gebracht wordt.
Maar ook het zendingswerk dragen we aan u op. Wil u ook een bijzonder zijn, Heere. Met Jantina en het werk dat zij mag doen. Zegen haar en haar gezin. Ontferm u zo en wees ons gedachtig. Bezoek ons met uw heil. En doe uw toorn over ons teniet. En doe niet met ons naar onze zonde. Geef ons haar aarons en hurs. Die mee mogen zuchten om de opening van uw woord. Maar geef ons vooral. De verlichting en de leiding door uw heilige geest. Bereid ons zo zegen. Verdiend hebben we het niet, verzondigd wel. Maar zie ons aan in Sions betalende borg. En enige middelaar gods en der mensen. De Heere Jezus Christus. In wiens naam wij ons gebed besluiten. Amen.
Deze week gemeenten zijn er in verband met de herfstvakantie geen kategorisaties en woensdagavond 21 oktober zal er wel jongvolwassen kring gehouden worden om half acht. U mag uw gaven voor pastoraatkerk Vogdij een aflossing van de kerk geven. De Heere zegene u en ook uw gaven. Wij gaan zingen uit de 93ste psalm en daarvan het eerste, tweede en vierde vers. Psalm 93, de versen 1, 2 en 4.
♪ Gezang
Volmaakte gebed, gemeente. U weet wel wat dat nog is. Het Onze Vader, wat de Heer Jezus zijn discipelen heeft geleerd. Te bidden, Onze Vader die in de hemelen zaait. Uw naam wordt de geheiligde, dat is de eerste bede. Uw koninkrijk komen, dat is de tweede bede.
De Heer Jezus heeft zijn discipelen geleerd om te bidden om de komst van het Koninkrijk van God. En wat is dan dat Koninkrijk van God? En waar is dat Koninkrijk van God? En hoe gaat dat dan in het Koninkrijk van God? En hoe maak je dan deel uit van dat Koninkrijk van God? Wat is de kracht ervan? Nou, dat heeft de Heer Jezus in zijn onderwijs duidelijk gemaakt.
En voor dat onderwijs heeft hij in het bijzonder gekozen voor de vorm van gelijkenissen. En hier in Mattheüs 13 staan een aantal van die zogenaamde koninkrijksgelijkenissen. De eerste gaat over de zaaier. Hij maakt daardoor duidelijk dat het koninkrijk van God niet overal komt.
Dat het zaad niet altijd in goede aarde valt. En dan die volgende gelijkenis over dat onkruid tussen de tarwe op de akker. Daarmee maakt hij duidelijk dat dat koninkrijk van God altijd wordt bestreden. Vooral door de kant van die grote tegenstander de duivel. Die juist de duisternis gebruikt om zijn...
Verderf te verspreiden. En dan komt de derde koninkrijksgelijkenis. En die vormt dan ook meteen het tekstwoord voor dit avonduur. We zullen die woorden eerst samen lezen. Vers 31 en 32. Een andere gelijkenis heeft hij hun voorgesteld. Zeggend het koninkrijk der hemelen is gelijk het mosterdzaad. Het welk een mens heeft genomen. En in zijn akker gezaaid het welk wel de minste is onder al de zaden. Maar wanneer het opgewassen is, dan is het het meeste van de moeskruiden. En het wordt een boom al zo dat de vogelen des hemels komen en nestelen in zijn takken. Naar die woorden gaan we luisteren. De gelijkenis van het mosterdzaad. We letten dan gemeend op een drietal gedachten met Gods hulp en onder de inwachting van Gods geest. Allereerst, het begin is klein.
Ten tweede, de groei is wonderlijk. En ten derde, de verblijfplaats. En dan letten we op die boom met die vogelen des hemels die komen en nestelen in zijn takken. De verblijfplaats is heerlijk. Thema voor de prediking is dus... De gelijkenis van het mosterdzaad. We letten op een drietal gedachten. Het begin is klein, de groei is wonderlijk. En de verblijfplaats is heerlijk.
Jezus geeft onderwijs over het koninkrijk der hemelen. Dat heeft zijn voorloper Johannes de Doper ook al gedaan. Hij heeft gezegd in zijn prediking bekeert u want het koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. En dat had ermee te maken dat de komst van de Heer Jezus, de openbare prediking van de Heer Jezus snel zou gaan beginnen. De koning van het rijk is gekomen en daarom is ook het koninkrijk gods nabijgekomen.
Wat is dat voor een rijk? En waar kun je dat vinden? Kun je dat aanwijzen? Zoals we bijvoorbeeld het Koninkrijk der Nederlanden kunnen aanwijzen. En zeggen nou dat is dat land. Of andere koninkrijken kunnen aanwijzen. Kun je zo ook ergens op de wereldkaart het Koninkrijk van God aanwijzen? Moet je dan de Bijbelbelt aanwijzen? Of hoe zit dat?
Maar nu gemeente laten we beginnen bij Genesis 3. Door de zondeval hebben wij de band met God. En ook met de hemel doorgesneden. Het koninkrijk van God was op de aarde. Maar het paradijs werd voor ons toe en af gesloten. Het trok zich als het ware terug in de hemel.
En daarom wordt het ook wel genoemd het koninkrijk der hemelen. Maar al wonder. Nu de Heer Jezus gekomen is, komt dat koninkrijk nabij. Want Hij is vanuit de hemel naar de aarde gekomen. Als koning werd Hij geboren. Als koning is Hij gestorven. Als koning is Hij opgestaan. En als koning is Hij opgevaren. En als koning regeert Hij. En als koning zal Hij wederkomen.
Hij heeft ervoor gezorgd. Dat met zijn komst ook dat koninkrijk weer op aarde voet aan de grond heeft gekregen. Dit is een heel ander koninkrijk dan aardse koninkrijken. De algemene lijn voor aardse koninkrijken is opgaan, blinken, maar ook weer verzinken, verdwijnen. Maar het koninkrijk der hemel, het koninkrijk van God, dat is een eeuwig rijk.
De geloofsbeleidenis van Isaiah zegt, wiens rijk geen einde zal hebben. Het is een onvergankelijk koninkrijk. Het is een blijvend rijk. Het heeft zijn oorsprong in de hemel. Koninkrijk der hemelen. Het krijgt gestalte op de aarde. En dat maakt Jezus ook duidelijk door middel van onze gelijkenis met zorg. Heeft hij het beeld van mosterdzaad uitgekozen? De kinderen weten wel, een gelijkenis, dan neemt Jezus een voorbeeld, een gelijkenis, een vergelijking uit het dagelijks leven waarmee hij iets wil duidelijk maken, onderwijs wil geven.
En nu wil hij iets duidelijk maken over zijn koninkrijk... door middel van een mosterdzaadje. Dat een heel klein zaadje is. Het kleinste onder de zaden op de aarde. Je kunt het vergelijken met een speldenknopje. Zo klein. Maar hoewel het zo klein is, gemeente, zit er kracht in. In zo'n mosterdzaadje zit een geweldige kiemkracht.
Zodat het uitgroeit tot iets groots. En dat zou altijd kenmerkend voor hetgeen van God is. Daar zit kracht in. Het koninkrijk, zei Jezus ook zelf, is niet van deze wereld. In zijn verhoor voor Pontius Pilatus maakte hij dat duidelijk. En zei hij, want anders zou ik wel legioenen engelen hebben opgeroepen. Om voor mij te strijden. Bent u dan een koning, vroeg Pilatus. Niet van de wereld, maar het krijgt welgestalte in de wereld.
Dat wil zeggen, het wordt werkelijkheid, dat koninkrijk van God hier beneden. Hoe dan? Hoe dan? Nou, daar waar een zon daar. Door Gods genade wordt ingewonnen en overwonnen en bij de duivel vandaan wordt gehaald en bij de Heere Jezus wordt gebracht, wordt overgezet uit het koninkrijk van de duisternis in het koninkrijk van het licht.
Daar waar dat... Wonder gebeurt wordt het koninkrijk van God opgericht in een zondaars hart. Jezus zei dat ook het koninkrijk van God. Dat kun je niet zomaar ergens aanwijzen. Dat is binnenin u. Waar hij de troon bestijgt van uw hart en leven. En waar al het andere ervan afgaat. Inclusief uzelf. Waar hij koning wordt in je leven. Daar wordt het koninkrijk van God opgericht.
Daar gaat hij je regeren door zijn geest en door zijn woord. Dat is zijn werk. Deze koning overwint vijanden. Deze koning wint zondaren in. En zorgt ervoor dat ze zijn onderdanen worden. Dat doet hij door het wonder van de wedergeboorte. Denk maar aan het gesprek met Nicodemus. Je kunt het koninkrijk van God, zei hij tegen Nicodemus, niet ingaan en niet zien, tenzij je wederom geboren wordt.
En gemeente, dat koninkrijk, dat krijgt steeds meer gestalten door de loop van de eeuwen, van de tijden. Zal het steeds meer naar de volle ontplooiing gaan. Het wordt steeds verder uitgebreid. We gaan het straks zingen eindeloos uitgebreid. Tot aan de einden van de aarde, tot onder al de volkeren.
Dat gebeurt er met dit koninkrijk. Het gaat de goede kant op, zouden we dus kunnen zeggen. De gelijkenis die Jezus hier uitspreekt heeft een profetisch karakter. Het bevat een hoopvolle belofte. In hopeloze omstandigheden. De heer Jezus maakt duidelijk de komst van mijn rijk. Daarmee staat het er goed voor.
Terwijl deze woorden uitspraken leken daar in de verste verte niet op gemeente. Want het was donker op de aarde toen hij op de aarde kwam. En hij ondervond zoveel vijandschap en weerstand. En heel gemakkelijk om de gedachten naar boven te komen. Dat koninkrijk van God, dat is een doodlopende zaak. Het zal wel niks met dat rijk van God worden.
En diezelfde gedachten kunnen ook zomaar vandaag de dagpost vatten. Als we letten op de secularisatie in ons eigen land. De kaalslag die we zien in de kerken. Waar loopt het straks nog op uit? Het koninkrijk lijkt op verlies te staan. Maar de Heer Jezus maakt hoopvol bekend dat zijn koninkrijk uiteindelijk zal worden uitgebreid. En dat het zal komen en dat de troon van de Satan neer zal worden geworpen.
Maar het is wel een heel ander koninkrijk dan ze in de dagen van Jezus dachten. Want de joden hadden het beeld voor ogen dat het zou gaan om een wereldsrijk. Dat zou komen met pracht en met praal en met macht. En dat ineens post zou vatten wat de Romeinse verdrukker zou verdrijven. Wat vrede zou geven. Maar Jezus maakt duidelijk, nee hoor, in mijn koninkrijk gaat het anders dan in de koninkrijken van de wereld. Mijn rijk begint niet groots. Mijn rijk begint niet met pracht en met praal, maar mijn rijk begint klein, heel gering. In de ogen van wereldse koninkrijken, verachtelijk, bespottelijk. Het stelt helemaal niets voor. Het begint klein en gering, maar het zal tot groei en bloei komen. Want ondanks alle weerstanden volvoert God zijn raad.
En de uitkomst zal de verwachtingen van mensen ver overtreffen. Wat wij niet voor mogelijk houden, dat doet God. Omdat het woord van het koninkrijk gemeente een levend woord is. En een krachtig woord is. En de koning van dat rijk een almachtige koning is. Die nooit zonder onderdanen zijn zal.
In dat woord van God zit kiemkracht. De kracht van het nieuwe leven. De kracht van het sterven aan zonde, wereld en eigen vlees. En de opstandingskracht van Jezus Christus om opgewekt te worden tot een nieuw en tot een godzalig leven. In het woord van het koninkrijk van God zit kracht door de heilige geest.
En zo werkt God. En zo doet hij zijn koninkrijk komen. Niet zichtbaar voor mensen. Maar het werkt op de wijze van de wind. Gehoord zijn geluid. Ge weet niet van waar die komt en waar die heen gaat. Al zo is een ieder die uit de geest van God geboren wordt. Maar er worden er nog steeds in Sion geboren gemeenten. In de weg van het wonder. En daarom is er verwachting. En krijgt hij alleen de eer.
Het is maar een korte gelijkenis vanavond. Maar wel een met een grote en rijke inhoud. Heer Jezus vergelijkt zich hier met een mens. Het welke mens genomen heeft dat mosterdzaad. En hij zaait het in zijn akker. Heer Jezus vergelijkt zijn koninkrijk met een mens die komt om op de akker. Zeg maar een moestuin, een hof. Een groentetuin om daar dat zaad in te zaaien.
En in die moestuin zijn meerdere kruiden. Maar we letten vanavond op dat ene kruid en op dat ene zaad, op mosterdzaad. Zo klein dat je er tussen je duim en je wijsvinger kunt draaien, kunt wrijven. Een speldenknopje, zei ik zojuist. Je kunt het wel zien, maar het is eigenlijk onhoogelijk klein. Er waren ook nog eens twee soorten mosterdzaad, wit en zwart. En ik las dat het witte zo'n zes maal groter is dan het zwarte. Dus waarschijnlijk moeten we denken aan het zwarte mosterdzaad, wat Jezus hier bedoelt. Het welk is het kleinste onder de zaden van de moeskruiden. Natuurlijk waren er nog wel kleinere zaden, maar het gaat hier om... In de vergelijking, in de gelijkenis om moeskruiden en onder de moeskruiden die onder Israël bekend zijn, was dat zwarte mosterdzaad het kleinst bekende zaad. En het is een beeld wat Jezus gebruikt om aan te geven iets wat klein is, gering is, maar toch van grote kracht.
Een paar hoofdstukken verderop. Gebruikt de Heer Jezus het mosterdzaad om geloof van zijn kinderen mee te vergelijken. En hij zegt, al zou je het geloof hebben als een mosterdzaad. Dus voor het oog gering, maar wel een oprecht geloof. Al zou je geloof hebben als een mosterdzaad. En je zou zeggen tot deze berg, ga heen van hier derwaarts. En hij zal dan heen gaan.
Niets zal u onmogelijk zijn, zelfs wanneer je een geloof hebt als een mosterdzaad. Kleinzaad, onmogelijk, verachtelijk, gering. Maar blijf niet op het plekje liggen waar het bewaard werd. Die mens heeft het genomen, staat er in de gelijkenis. We zien het, hij neemt het ter hand en hij zaait het in de aarde. En het ontkiemt en het gaat groeien.
En in één jaar tijd, want het is een éénjarig gewas en het moest elk jaar opnieuw gezaaid worden. In één jaar tijd groeit het uit tot een grote boom. En dan moet u daarbij denken, en ook jullie jongelui, aan een struik van zo'n drie, vier meter hoogte.
Het minste onder al de zaden groeit uit tot... De meeste van de moeskruiden. Het geringe wordt groot, het minste wordt het meeste. Het eerste, het laatste. En vul maar in. Dat zijn allemaal die wetten uit het Koninkrijk van God. Die haak staan op de wetten van Smense Koninkrijk.
Het lijkt allemaal zo onbeduidend te zijn, gemeente. Maar vergis u niet. Dat laat de Heer Jezus weten door middel van deze gelijkenis. Hij wil verwachting wekken. Hoop scheppen. Het begin is klein, dat is waar. Maar wel een begin uit God. En daarom ook onze tweede gedachte, de groei is wonderlijk.
Om zijn meisjes als dat kleine zaadje ontkiemt in de grond. En het komt naar boven, dan is het aanvankelijk in het begin nog klein. Je ziet het maar net. Maar je ziet het vervolgens ook per dag groeien en groeien. En het wordt hoger en hoger en breder en breder.
De Jezus wil duidelijk maken, mijn koninkrijk gaat een veelbelovende toekomst tegemoet. Iets wat gering is, kan grote gevolgen hebben. En zie je dat niet heel de geschiedenis door, ook in de Bijbel al. De kerkgeschiedenis onder het Oude en Nieuwe Testament. Ik denk aan het mosterdzaad dat gezaaid werd in het paradijs. Schenen ze drie toen de Heere net na de val de moeder belofte gaf aan Adam en Eva. En zei er komt zaad, vrouwenzaad.
En dat zal de kop van het slangenzaad gaan vermorzelen. Dat zal overwinnen. Het vrouwenzaad zal het slangenzaad, de duivel, verslaan. O, vaak leek het er niet op en leek het er om te spannen en leek het mis te gaan. Maar God werkt dwars door de onmogelijkheden heen.
Heel de geschiedenis doorkomt dat naar voren. Denk eens aan de doodslag van Abel door Kain. Hoe moet het nu met de belofte van God? Loopt het nu al dood? En de ondergang van de eerste wereld? Zal dan iedereen verdrinken? Nee, Noach. En zijn acht zielen werden gespaard. En daarna, hoe gaat God verder? Een man, 75 jaar. Een afgodendienaar wordt geroepen uit Ur der Chaldeeën. Abram is zijn naam. Blijft aanvankelijk kinderloos.
En wat te denken van Mozes. Tachtig jaar toen God hem riep om het volk van Israël te leiden en te verlossen. En die als middelaar van het oude verbond toch een en al heen wijzing vormt. Naar de middelaar van het nieuwe verbond. En nog weer later in het oude testament. Die minste uit het geslacht van Isaïe. Die kleine onogelijke David wordt gezalfd. Door Samuel in opdracht van God tot koning over Israël. En ook hij zou een type van de Heer Jezus zijn.
En dan dat volk zelf, de geschiedenis ervan. Zo'n onogelijk volk, zo klein en gering in vergelijking met de volkeren uit het Assyrische Babylonische Rijk. Tien stammen rijk werd weggevoerd naar Assyrië, twee stammen rijk naar Babel. Wat komt er van terecht? Van de komst van het Koninkrijk van God.
Dat machtige rijk van de meden en van de persen en later het Romeinse rijk in de dagen van Jezus' omwandeling, dat lijkt de klok te slaan. En Herodes, die Edomiet, die had het in de dagen dat Jezus geboren werd schijnbaar voor het zeggen, heel die volksbeschrijving komt uit zijn pen.
Toch dan juist wordt Jezus geboren. En let ook eens op het begin van de Heer Jezus. Dat is toch ook klein? Een scheutje maar. Uit de afgehouden tronk van Isaïe. Een scheut uit zijn wortelen. Een reisje. Zo gering is het begonnen. De onwaardigste onder de mensen wordt hij genoemd. De man van smartje.
Die zichzelf zo vernederd heeft, zo klein heeft gemaakt. Jezaja zegt, hij had geen gedaante, nog heerlijkheid als we hem aanzagen. Hij was rijk, maar werd nameloos arm. Hij heeft zijn heerlijkheid afgelegd. En de dienstknechtsgestalte aangenomen, zichzelf vernietigd, zegt het woord. Er was voor hem geen plaats in de herberg.
Een kribbe was zijn wieg. Slechts hedders en wijzen uit het oosten kwamen om hem hulde te bieden. Het ging door de weg van lijden, de diepe weg van sterven uit liefde tot zijn vader. En de zijnen wilde hij zich nameloos diep vernederen. Zijn ziel stellen tot een schuldoffer, tot een ranson. Een spotkoning wilde hij zijn, maar juist in die weg.
Van geringheid en nederigheid zal vervuld worden wat staat in Isaiah 53 aan het slot. Zo zal hij zaad zien. En dwars door het kruis heen en door de diepte heen doet hij zijn koninkrijk komen. Hij stond op van de doden, voer op ten hemel. En hij die de geringste en de minste was, is de meeste geworden. Heeft een naam gekregen, welke is boven alle naam. En alle knie zal zich al dan niet gedwongen voor hem buigen. En hij zit aan de rechterhand van de vader. En hij regeert als koning in der eeuwigheid.
En hoe ging dat dan verder? Op aarde weer eeuwige ring. Die mannen uit Galilea, die vissers, die discipelen... die hij tot apostelige zonden heeft gemaakt... die uit moesten gaan in zijn naam, dat kleine kuddeke... wat ogenschijnlijk niks voorstelde in die menigte van de massa van mensen.
Wat was dat nou, die toespraak met Pinksteren? Eenvoudig, bijbels, maar meer ook niet. En toch dat kleine geringe gebruik God. Om er op die dag 3000 toe te brengen. Dan loopt het weer mis. Petrus in de gevangenis. Johannes in de gevangenis. Jacobus wordt onthoofd. Saulus blazen dreiging en moord. En vervolgt de christenen te vuur en te zwaard. Maar God gaat door.
Want de komst van zijn koninkrijk kunt u vergelijken. Met een mosterdzaadje. En als dan het evangelie in Europa komt. Hoe? Die Macedonisch man die hier bad. Kom over en help ons. Dan blijkt er niemand te zijn. Uiteindelijk één vrouw. Lydia de purperverkoopster. Zo is de kerk in Europa begonnen. Eén vrouw.
Maar de gemeente groeit. Want het koninkrijk van God. Daar zit kracht in. Door de kracht van Christus en de kracht van zijn uitgestorte geest. Dat kleine begin dat zal uitlopen straks op een schare die niemand tellen kan. Aan het eind van de wereldgeschiedenis.
Dan zal dat geplante mosterdzaadje tot een grote boom worden in de akker van de wereld. Het is net jongens en meisjes als met een klein vlammetje, een vuurtje. Bijvoorbeeld een lucifer die nog wat nagloeit. maar die een hele grote bosbrand of duinbrand kan veroorzaken.
Het minste voor het meeste. En zo gaat het ook in het leven van al degenen... die onderdaan worden van koning Jezus. En in weer hart het koninkrijk wordt opgericht. Dat werk van de Heere, van de heilige geest... dat lijkt in het begin zo klein, zo gering te zijn.
Zou het daarom zijn dat heel veel scholen, basisscholen, zondagsscholen de naam mosterdzaadje dragen? Omdat daarachter zit dat de Heer ook al in jonge harten wil werken. Het ware geloof door zijn woord en heilige geest dat hij zo'n eenvoudige bijbelvertelling wil gebruiken. Om nieuw leven te verwekken. Misschien heeft de Heer dat wel gedaan. Die vertelling van die juf, van die meester.
Misschien wel de woorden van je moeder of het gebed van je vader. Dat het de uitwerking mocht hebben als van een mosterdzaadje. Maar ook kan het zijn dat de Heer op latere leeftijd... je in het hart grijpt en je trekt door zijn onweerstaander kracht.
Ook dan is het begin van het geestelijk leven vaak niet zichtbaar en gering. Want in de natuur worden er geen volwassen mensen geboren, maar er worden baby'tjes geboren. Geen grote mensen, maar hele kleine mensen. En zo is het geestelijk ook. Het zijn zuigelingen in de genade.
En ook dit als de Heere, dat zaad van zijn koninkrijk. Dat dierbare evangelie van het koninkrijk. Zaait in je hart en in je leven en het vruchten gaat voortbrengen. Dan is het ook een vrucht van dat zaad van het koninkrijk. Dat je klein wordt in jezelf.
Gering wordt in jezelf. Afgebroken wordt in jezelf. Dat je geen enkele verwachting meer hebt van jezelf. Dat die verwachting vergaat. Want waar het zaad valt in een weltoepereide aarde. Het zaad van het koninkrijk. En dat koninkrijk wordt opgericht. Hier van binnen gemeent het koninkrijk, het wel binnen in u is, zegt Jezus. Tegen al de zijnen, daar werkt dat altijd verootmoediging. God maakt geen grote mensen, maar hij maakt grote mensen klein.
Hij maakt hoogmoedige mensen nederig. Hij maakt verhevenen tot zondaren die voor hem buigen in het stof. Het koninkrijk van God is gelijk een mosterdzaad. Houdt u er erg in, gemeente? Het begint klein en niet groot. Het begint niet in de hoogte, maar het begint in de diepte. Zoals het mosterdzaadje onder de grond sterft. En daar tot ontkiemen komt en daar wortelen schiet. Zo ook als de Heere werkt in je hart. Dat is een verborgen werk van het hart.
Dan ga je sterven aan jezelf. Het most, het zaad moet eerst de grond in om te sterven. Wil het vrucht kunnen dragen. En wij moeten ook sterven, gemeente. Sterven aan onszelf. Willen wij vrucht kunnen dragen vanuit hem. En als de Heere nou zo in je leven is gekomen.
Zo klein, zo gering, zo krachtig. Zo vernederend. Houd dan moed, want dat is de weg van het koninkrijk. En al wat hij zaligmakend met zijn hand begon, dat laat hij niet los, dat laat hij niet varen. Hij zal volenden zijn er handen werk en zorgen dat er groei komt. Ook dat op was in de genade en de kennis van de Heer Jezus.
En dat is belangrijk, groei. Want geen groei, dat betekent stilstand en stilstand betekent achteruitgang. En dan gaat het geestelijke leven dor en droog worden kwijnen. Dan hoor je soms dat mensen alleen nog maar zeggen hoe de Heer begonnen is, maar niet wie Hij nu voor hen is.
Dan mis je de oefeningen van het geloof, het leven uit Hem, als er achteruitgang is en geen groei. Dan komt ook de omgang met God op een laag pitje te staan. En ook het besef dat je zelf arm ellendig bent. Dat je behoeftig bent, wordt dan gemist. Is dat dan nodig, zegt iemand. Ja, want hoe wilt u uit Christus leven... als u niet in uzelf behoeftig bent gemaakt en wordt gehouden?
Hoe zult u van die rijke Christus leven... als u niet weet van uw eigen armoede? God vernedert om te verhogen, maakt klein om te doen groeien. En zo schenkt hij de toename, de groei. Dat is geen groei in jezelf, je wordt afgebroken in jezelf om te groeien in die ander. Uw vrucht wordt uit mij gevonden.
En zo worden van die kleine babyzuigelingen gemaakt tot kinderen. En kinderen worden gemaakt tot jongelingen. En jongelingen worden gemaakt tot mannen en vrouwen in Christus. Maar dat worden geen grote christenen. Dat worden hele kleine christenen met een hele grote Heer Jezus. Dat is de wet van het Koninkrijk van God.
Met die groei groei je niet zelf. Daar word je zelf niet groter mee. Maar dan wordt hij groter doorgemaakt. Hij moet wassen. En ik? Ach, Heere, laat mij maar minder worden. Opdat Christus verheerlijkt worden. Want hoe minder het wordt met uzelf, hoe meer je het gaat verwachten van hem. Matthew Henry zegt, dan wordt de liefde vuriger. En dan wordt de hoop al meer. Geworteld en het geloof vaster.
En mag ik dan eens vragen gemeente. Is dat uw leven? Zit u ook in de afbraak? Omdat Christus in u leeft? Of leeft u zelf nog en Christus niet in u? Is die troon van hem niet opgericht omdat u er zelf nog op zit?
Bent u niet van hem? En hoort u niet bij zijn rijk? En bent u nog dood door zonden en misdaden, laat het dan ons gebed zijn, gemeente. Geleven aan mijn ziel, maak mij levend naar uw woord. Heere, uw koninkrijk, dat het ook zal komen in mijn leven. Regeer ons door uw geest en door uw woord.
Tot slot, de verblijfplaats is heerlijk. Uiteindelijk groeit dat kleine mosterdzaadje. Tot een wijd vertakte boom. Het staat er. Het meeste van de moeskruiden. En het wordt tot een boom. Natuurlijk niet een gewone grote boom. Want er waren in de Bijbeltijd ook veel grote bomen. Denk aan de machtige zeders van de Libanon. Die vele malen groter zijn dan de boom. Die uit het mosterdzaadje groeit.
Het gaat in de vergelijking om de moeskruiden. En Christus wil duidelijk maken, mijn koninkrijk heeft groeikracht. En dat laat zich door niets of niemand tegenhouden. Niet door de duivel, niet door de godsdienst, niet door valse godsdiensten. Niet door vijandigheden, niet door de boosheden.
Maar ik ga door. Ik maak het geringe groot, omdat ik zelf groot ben. En ik zie die takken van die boom. Uit de gelijkenis zich al breder en wijder vertakken. Want het evangelie van het koninkrijk moet gepredikt worden in de gehele wereld. En alle volkeren komen er toch mee in aanraking, gemeente. Met die ene naam onder de hemel tot zaligheid gegeven. Die enige weg tot God.
En ze worden uit alle volkeren, tongentalen en natieën Israël ingelijfd. En zullen de naam van Sion's kinderen dragen. En die groei van het rijk gaat door totdat er geen plek meer is waar de takken van de boom niet gekomen zijn. En de groei gaat samen met het gebed van alle koninkrijkskinderen. Uw koninkrijk, kom toch, o Heere. Bidt u mee?
Voor uzelf, voor uw afgedwaald kind of kleinkind. Bidt u mee voor de wereld in nood. Uw koninkrijk komen toch, o Heere. Richt het op in mijn hart. Richt het op in de harten van al diegenen die ik lief heb. Richt het op op deze wereld. Opdat u ook koning der koningen de eer zult ontvangen die u waardig bent. Om te ontvangen. Het is een troost. Deze gelijkenis.
Gods werk gaat onweerstaanbaar. Onstuitbaar door. Dat onbeduidend most. Het zaadje groeit uit. Tot een heerlijke boom. Waarin zelfs vogels komen. Zegt Jezus. Om daar hun nest in te bouwen. En jongens en meisjes. Waar bouwt nou een vogeltje zijn nest? Niet op een hele drukke plek.
Waar veel mensen langsheen komen, maar op een rustige plek. Dus in die boom is het goed toeven voor de vogelen. Vinden zij rust om hun nesten te bouwen. En onder de schaduw van de bladeren vinden ze bedekking tegen de hitte. En die boom levert ook vruchten. Dus zo most het boomlas ik is van groot nut voor de vogelen.
Die voelen zich daarin thuis, die wonen daarin. En wij gemeenten, waar voelen wij ons thuis? In de wereld? Gaan we nog altijd op in de dingen van deze wereld? Achten wij de wereld voor ons heilgoed? Ja, dan besef je niet echt dat deze wereld en haar begeerlijkheid voorbij gaat.
Maar als de Heere onze ogen open die blind en gesloten zijn. Dan gaan we dat zien hoe vergankelijk alles is. En dat als we buiten deze koning leven en zijn koninkrijk. Dat we dan met die wereld zullen omkomen. Net als in de dagen van Noach de mensen toen zijn omgekomen in die eerste wereld. De wereld lijkt ons heel wat te beloven en heel wat te bieden. Maar geeft ons uiteindelijk niks.
Omdat we in sterven alles moeten achterlaten. En Heere, open daar maar onze ogen voor. Degenen die horen bij het koninkrijk van God zijn een vreemdeling hier beneden. Hun thuis is elders. En in die boom, daar zoeken ze rust. Niet buiten, maar in het koninkrijk van God.
En wat een wondige gemeente dat het koninkrijk blijft, hoe het ook zal worden en gaan. In de wereld, in ons leven, in Ouddorp. Want nog steeds is de koning der koningen bezig om zichzelf onderdanen te vergaderen uit het menselijk geslacht. Zondag 21 zegt, uit het ganse menselijk geslacht. Van het begin der wereld tot het einde toe.
Hij vergadert ze in enigheid van het ware geloof. Een gemeente die hij zich heeft uitverkoren tot het eeuwige leven. En daarom de boom groeit nog steeds gemeente. Er moeten en er zullen en nog worden toegebracht. Het is nog genadentijd en zolang die genadentijd voortduurt groeit de boom.
En komen de vogels erin. Ik zie ze overal vandaan komen vliegen. Van noorden, oosten, zuiden en westen. Van allerlei pluimage. Maar toch één volk. Één naam. Één God. Één geloof. Één hoop. Één doop. Één Heere. En ze voelen zich thuis. In die boom. Een beeld van het koninkrijk van God voelen zich er ook thuis. Daar alleen. Zijn wij binnen dat koninkrijk en is dat koninkrijk binnen ons gemeente? Nog is er plaats, zegt de koning en biedt zijn boom.
Schaduw tegen de toren van God. Beveiliging tegen alle gevaren. Vrede tegen alle vormen van onvrede. En de vrucht mag genoten worden van die boom. De bruid uit het hooglicht zegt en zijn vrucht is mijn gehemelte zoet. Hoe zoet zijn mij uw redenen geweest. Al degenen die hun plekken erin hebben gekregen en gevonden. Die weten het zijn rust is zacht. Hun hart gaat uit naar de Heer en zijn dienst. Ik zeg niet altijd maar toch in beginsel. Hij is de koning van je leven.
En je bidt het met de Heidelberger Catechismus. Regeer ons door uw geest en woord op dat we ons, hoe langer hoe meer. Het blijft een les, levenslang, hoe langer hoe meer aan u onderwerpen. In de gelijkenis ging het over een mosterdzaad, een mens die dat zaaide in zijn hof.
En gemeente, u hebt allemaal een hofje. Allemaal zo'n tuintje. En dat hofje kan zijn je gezin, je familie. Waar je een plek hebt gekregen, je werk, je klas, je vrienden, school. En als we in het ambts mogen staan, dan zijn we ook in de hof van de gemeente.
Allemaal hebben we zo'n hofje. En wat is er dan groot om in de beeldspraak van de gelijkenis in het minste getrouw te zijn. In die hof waarin u mag werken. Niet in eigen kracht als het goed is, want dat leren al Gods kinderen, eigen krachten te verachten. Ik kom alles tekort, van mij is het vol lek en gebrek.
Maar hij maakt duidelijk dat hij het kleine, het geringe maakt tot iets wat groot en heerlijk is. Een enkel woord, een enkel le beker koud water uitgereikt. God kan en wil het gebruiken en zichzelf verheerlijken en zijn koninkrijk doen komen. Wat een zegen als je zo God mag kennen en tot zegen mag zijn voor je naasten, voor anderen.
Als je zelf tot rijpere genade bent gebracht door de Heere. En die kleine vogeltjes ook door u, door jou bediend mogen worden. En je ze wat mee mag geven, aan mag rijken. Wat is dat heerlijk als er zulke bomen zijn in Ouddorp... waar jongeren naartoe kunnen vliegen. Waar mensen naartoe kunnen gaan om wat te ontvangen.
Mensen die aangeven, ik zal voor je bidden, joh. Ik zal de koning voor je vragen. Die je mogen wijzen op die grote, almachtige, dienenswaardige koning. Om bij als een bedelaar bij hem te komen en van hem uit zijn volheid te mogen ontvangen. Maar als je zelf het leven niet kent.
Als je geen burger bent van het koninkrijk van God. Geen onderdaan van koning Jezus. Door wedergeboorte zelf niet in die mosterdboom zit. Dan kun je ook voor een ander geen mosterdboom zijn. Dan ben je niet tot een zegen. Wat is dat erg als je zo leeft. Dan sta je overal buiten, buiten het koninkrijk. Buiten Christus, buiten God. Dan ben je zonder hoop in deze wereld. En als God het niet verhoedt, ga je straks overal buiten staan. Buiten staan. En blijft er maar één plaats voor je openstaan.
Het verderf. En daarom, ik weet niet waar u mee bezig bent en jij. Maar Christus zegt, zoek eerst het Koninkrijk Gods. En zijn gerechtigheid en alle dingen zullen u worden toegeworpen. Strijd om in te gaan. Zoek zijn aangezicht geduriglijk. Vraag naar de Heere en zijn sterkte.
En u, jij, die doorgenade van hem bent. Van koning Jezus, klein in uzelf blijft u. Maar hij wordt al groter. Het is zo'n strijd, hè. Daar komt nog vlees en wereld bij naast de duivel. Maar hij is een almachtige koning. Die de overwinning heeft behaald voor zijn onderdanen.
En die zegt, het volmaakte zal komen. Want straks als die boom... Zal zijn uitgegroeid uit de gelijkenis. Dan wordt het waar wat Johannes op Padmos heeft mogen horen. Toen de zevende bazuin gebazuind heeft. Wat staat er dan in openbaring? Dit, de koninkrijken van de wereld. Zijn geworden onzes Heere van onze Heere. En van zijn Christus.
En hij zal als koning heersen in alle eeuwigheid. En dan mag je die koning eeuwig prijzen. En groot maken. En zoals die vogels in die mosterdboom een plekje kregen om te nestelen. En ongetwijfeld hebben gezongen, hebben gefloten van vreugde. Dan mag hier al, maar straks volmaakt de kerk al zingen. Hier al en straks volkomen van Gods goede tierenheiden.
Geen roem in hen zelf. Maar het is door u. Door u alleen. Om het eeuwig welbehagen. En onze koning is. Hoe ben je aan hem gekomen? Van Israëls God gegeven. Wat een rijk. Dit koninkrijk der hemelen. Wat een koning. Een koning die het zalig slot.
Ver boven alle goden. Schenken kan en schenken wil. Vallen maar te voet. Heden. Amen. Wij gaan zingen gemeente psalm 89, derde vers 89. De hemel looft, o Heere, uw wonderen dag en nacht. En wat daar volgt, de derde van 89. Met
♪ Gezang
gebed en dankzegging. Ere. Zo zijn de diensten ter einde. Maar uw werk gaat door. En daar bidden we om. Om de doorwerking van uw geest. Op dat doden gaan leven. Op dat doven gaan horen. Op dat blinden gaan zien. Heere, op dat onbekeerden bekeerd zullen worden.
Mensen die koning ik, koning wereld. Koning mode. Koning muziek. Koning voetbal. Koning. Welke naam onze koning ook draagt. Nog altijd dienen. Die koning leren afzweren. En u te voet zullen vallen. Op genade of ongenade. Ergeef dat uw koninkrijk al meer voet aan de grond krijgt in de wereld.
Geef dat het meer voet aan de grond krijgt in ons goddeloze Nederland. Dat het meer voet aan de grond krijgt in Ouddorp, maar ook in de gemeente hier. Dat het zichtbaar mag worden, die bomen, uw werken, de vruchten, de schaduw, de nesten. Dat we tot zegen mogen zijn en dat u vervult uw eigen belofte.
Dat uw koninkrijk zal komen, totdat de volkomenheid uws rijks. Zal gekomen zijn. Waarin gijzeld zijn. Alles. In alle. Nee dat koninkrijk komt niet met uiterlijk gelaat. Maar dat werkt u in het verborgen. In het klein. Zo begint u. En u maakt u zelf groot. Dat dat ons verlangen mag zijn. Opdat de koning. Der ere. De ere zal ontvangen.
U zal de napredeker zijn. Door uw geest. U de verzoening doen over wat niet was naar uw heilige wil. Gedenk onze oud gemeente. Neem de gehele kudde voor uw rekening. En woon en werk in de weg van het wonder. Opdat velen u zullen vrezen.
En velen een onderdaan van die koning. En een burger van het koninkrijk gods mogen zijn. Met dat door bloed getekende paspoort waarmee ze straks zullen binnengaan. Het koninkrijk zullen beërven. Ga met ons Heere, gedenk de kinderen, de jeugd, de onderwijzers. In deze week van herfstvakantie. Zegen het werk wat ook na de vakantie weer op de scholen, de Beertrickschool en andere scholen zal plaatsvinden. Zegen christelijk maar ook reformatorisch onderwijs. Dat ook onze jeugd en kinderen zullen worden opgevoed bij de voorzijde leer. Ga met ons naar onze huis als we alleen thuis komen Heere. Dat we u zullen zoeken en zo de avond nog verder mogen doorbrengen. Ook in gezinsverband of met elkaar.
Sprekende van deze dingen. Want we kunnen het zo makkelijk hebben over iedereen en nog wat. Maar niet over u. En wat doen we u de koning der koningen daar toch groot oneer mee. Alsof u niet gesproken hebt. En tot ons kwam. Maar doe ons bovenal met u spreken. Over het gehoorde woord. U bracht het ons. Opdat wij het in het gebed zullen terugbrengen bij u. Om u te danken en te bidden. Zoals we dat nu ook mogen doen. En hoor en verhoor ons dan. O koning in onze ellende, als wij aanbidden voor uw troon uit enkel genade. Amen.
Wij gaan ten slotte zingen gemeente van Psalm 145. Ik heb het vijfde vers opgegeven, maar ik stel voor dat we ook het vierde vers zingen. Dus vers 4 en 5 van 145.
♪ Gezang
Gemeent ontvangt met een biddend hart de zegen des Heeren die wij in zijn naam op u leggen. De Heere zegene u en hij behoeden u. De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig. De Heere verheffe Zijn aangezicht over u en hij geven u vrede.
Amen.
♪ Gezang