PrekenHHG Ouddorp

Zaterdagavondverhaal - Onder de blote hemel

19:00 uurVerhaalA.J. Nelis58 min
Nog niet gestart Kanttekeningen 0

Transcript

Goedenavond luisteraars. Het boek der psalmen is al de eeuwen door een bron van troost voor Gods kinderen geweest op hun reis door de woestijn van dit leven. De Statenvertaalders noemen het een lusthof, apotheek of schatkamer van de christenen. In het verhaal van vanavond staat ook min of meer een bepaalde psalm centraal. U zult gauw genoeg merken over welke psalm het gaat. De titel van het verhaal is Onder de blote hemel.

Het was zaterdagavond in de maand mei en het was mooi zacht weer. Op straat was het heel druk, want vele mensen moesten hun inkopen nog doen voor de zondag. Maar was er buiten veel drukte en beweging, in de meeste woningen was het werk reeds afgelopen en heerste die aangename en vredige rust die een voorsmaak geeft van de naderende zondag. Dat was ook het geval in het huis van Hendrik Waarder. Alles was er netjes opgeruimd. De weinige eenvoudige meubeltjes blonken er als een spiegel. wat glimmen kon, glom en nergens was meer een pluisje of vlekje te ontdekken. Hoe netjes en schoon het kamertje er ook mocht uitzien, hoe vriendelijk en gezellig hier ook alles scheen, toch zou een nauwlettend toeschouwer al spoedig gemerkt hebben dat in dit huis zorgen woonden en beproevingen gedragen werden. Dat was maar al te duidelijk te zien aan het bewolkt gelaat van man en vrouw, dat was te horen aan de bange zuchten die beiden van tijd tot tijd slaakten.

En dat was niet minder te merken aan de tafel, die, hoe netjes en glanzend ook, toch die hele zaterdagavond leeg bleef. Zelfs geen kopje slappe koffie werd er geschonken. Ook ging geen van de huisgenoten uit om voor de zondag levensmiddelen te kopen. Hendrik Waarder bezat slechts één kind, een jongen van even twaalf jaar. Op die zaterdagavond zat deze ijverig zijn versje te leren, dat hij morgen op de zondagschool moest opzeggen. Hij zat een poosje met het hoofd in de handen over zijn psalmboekje heen gebogen. Toen zei hij op opgeruimde toon, terwijl hij het boekje dicht sloeg, Zie zo, mijn versje ken ik alvast. Luister maar, moeder.

Zelfs vind de mus een huis, o Heere. De zwaluw legt haar jongskunst neer in het kunstig nest bij uw altaren. Bij u, mijn koning en mijn god, verwacht mijn ziel een heilrijk lot. Geduchte heer der legerscharen, welzalig hij die bij u woont, gestaag u prijst en eerbiet toont. Nu moet ik nog mijn tekst leren, ging de jongen verder, terwijl hij naar het boekenplankje ging, waarop de huisbijbel lag. Hij sloeg het boek open en las. Worden niet vijf musjes verkocht voor twee penningskunst en niet één van die is voor God vergeten? Ja, ook de haren uus hoofd zijn alle geteld. Vrees dan niet, gij gaat vele musjes te boven. Lukas 12 vers 6 en 7 Deze tekst leerde Hendrik heel spoedig. De jongen kon gemakkelijk leren en de tekst was bovendien zo heel begrijpelijk voor hem.

Musjes, wel die kende hij zo goed. Hij zag ze alle dagen. Smorgens vroeg al maakte hun geschilp hem soms wakker, want hij sliep op zolder en ze hadden hun nestjes tussen de pannen vlak bij hem. Dikwijls zaten ze op de vensterbank en gluurden met hun slimme oogjes naar binnen. Ze huppelden in de bomen van de ene tak op de andere.

Ze trippelden op de straatstenen en pikten soms vlak voor zijn voeten het voedsel op dat ze daar vonden. Ze hadden evenwel weinig waarde. In het oosten werden er vijf voor twee penningen verkocht, zoals de heiland in deze tekst zei. In ons land worden zij in het geheel niet verkocht. Hier hebben ze dus geen waarde. Bij honderden kan men ze zien vliegen en rondhuppelen. En al die kleine onaanzienlijke vogeltjes worden door God gevoed en verzorgd. Zij hebben nestjes om in te wonen en ze vinden hun voedsel in rijke overvloed. Als God nu zo trouw en vaderlijk zorgt voor deze kleine waardeloze diertjes, zou hij dan de mensen vergeten en aan zichzelf overlaten? O nee, de haren van hun hoofd zijn door hem geteld. Ze behoeven niet te vrezen, vele musjes gaat de mens te boven. Deze tekst was dus zeer spoedig geleerd.

En toen Hendrik hem goed kende, keek zijn moeder op de klok en zei, Nu wordt het tijd voor je om naar bed te gaan, Hendrik. Ja, moeder, zei Hendrik. Maar hij kwam niet verder. Hij had willen zeggen, krijg ik eerst niet een boterham? Want zijn grage jongensmaag had daar bijzonder veel trek in. Maar het was voor hem niet verborgen gebleven in welke grote nood zijn ouders verkeerden. En hij wist dat hij door dit verzoek nieuwe zuchten hen zou doen slaken, nieuw verdriet hen zou aandoen. Hij vroeg dus maar niets, zei vader en moeder goedenacht, legde de Bijbel op zijn plaats en ging naar boven. Dacht Hendrik aan de musjes, waarover in zijn versie en tekst gesproken werd, toen hij de kamer verliet, daar hij bij het naar boven gaan halfluid begon te zingen, Zelfs vinden we een huis, o heer.

Hoor je wat die jongen daar zingt, vrouw? Vraagt Waarder, toen Hendrik naar boven was gegaan en zijn stem nog weer klonk. Bij u, mijn koning en mijn god, verwacht mijn ziel een heilrijk lot. O, dat is juist een versje voor ons. Zelfs vinden we een huis, o heer. Ja, zei vrouw Waarder, het is een heel mooi vers, dat zal ik niet tegenspreken, maar het heeft met onze toestand toch niet veel te maken. De dominee bij wie ik op categorisatie ging, zei dat het betekende dat waar de mus bij Gods altaar in zijn nesje bouwt, de mens... Ja, vrouw, ik wil graag geloven dat je bij een beste dominee op categorisatie hebt gegaan en dat hij je dit vers uitgelegd heeft zoals dat moet. Maar ik denk nu alleen maar aan die eerste regel. Zelfs vind de mus een huis, o Heere.

Zie je, dat is toch ook waar. Ieder musje heeft zijn nest. En wanneer God... de vogels een nest geeft, zou hij dan niet zorgen dat ook mensen die op hem vertrouwen een woning hebben? O, die woorden houd ik vast, ik beschouw ze als een boodschap van God, om ons moed in te spreken en te doen geloven dat hij ook voor ons zorgen zal, als straks, straks, hij sprak het maar niet uit, wat er straks gebeuren zou. Het was al te vreselijk. Nooit had het hij kunnen denken dat het in zijn leven zo ver zou komen. Maar al kon hij ook die harde woorden niet over zijn lippen krijgen, in zijn verbeelding had hij toch reeds ontelbare malen doorleefd wat hem straks te wachten stond, indien God geen uitkomst gaf. En voorlopig merkte hij nog niets van die uitkomst.

Alles scheen even donker voor hem. Hij zag en wist niet hoe en van waar er redding zou kunnen komen uit zijn bange nood. Toch leefde diep in zijn ziel het vaste geloof dat een almachtig en liefderijk vader in de hemel zijn weg bestuurde, dat deze hem niet verlaten zou in zijn ellende. Hem dus niet in die rampzalige toestand zou brengen, dat hij, zoals dat in een van onze psalmen van Gods vijanden geschreven staat, zou moeten zwerven en moeten dolen. Van tijd tot tijd bezweekt die goede verwachting wel eens, als hij aan de komende maandag dacht. Maar het versje en de tekst die zijn jongen die avond geleerd had, waren hem als een vriendelijke en bemoedigende boodschap uit de hemel geweest, die zijn bezwijkende moed weer versterkt en zijn geloof weer opgewekt had. Moeder de vrouw sprak haar man niet meer tegen.

Ze was altijd heel doordrongen van haar roeping, dat ze voor hem een hulpbeboest zijn. Als ze hem nu zijn geloof en moed ontnam, dan was ze juist de tegenovergestelde daarvan. Dan leek ze op iemand die ze naast een enige steunpunt ontneemt. Geloof jij maar dat er uitkomst komen zal, dacht ze in stilte. Maar ik zie niet waar die vandaan zou moeten komen.

Maandagmorgen al worden we het huis uitgezet. Dat is dus binnen twee dagen. Wat zou er in die korte tijd kunnen gebeuren waardoor dit verhinderd werd? Zou iemand ons een som geld brengen waarmee wij de achterstallige huur zouden kunnen betalen? Zou de huisheer medelijden met ons krijgen? Dat zou zeker tot de wonderen behoren. Eerder zou een wolf medelijden krijgen met het schaap dat hij bezig is te verslinden. Eerder zou een kat... medelijden krijgen met het arme muisje dat tussen zijn poten spartelt dan dat die man medelijden kreeg met een arme huurder die zijn schuld niet betalen kan. Nee, er zit niets anders op dan dat we maandag beginnen te bedelen, zoals de landslopers. En oh, voor bedelen schaam ik me zo. Ik heb dat altijd zo goed kunnen begrijpen van die onrechtvaardige rentmeester uit de gelijkenis.

Zelfs vinden we een huis, o heer, zei Waander weer halfluid. En daarna... Worden niet vijf musjes verkocht voor twee penningskunst? En niet één van die is voor God vergeten? Ja, ook de haren uus hoofd zijn alle geteld. Vrees dan niet, gij gaat vele musjes te boven. Vrouw, die woorden kan ik niet vergeten. Ze leven in mijn hart. en ze moeten telkens over mijn lippen komen. Zou God deze woorden mij zo onophoudelijk in herinnering brengen, wanneer hij niet van plan was de waarheid ervan aan ons te vervullen? Kom, laten we voordat we gaan slapen, dat gezegend hoofdstuk eerst nog eens lezen, waarin dat geschreven staat.

Vrouw Waander verzette zich hier niet tegen, en ook haar. troosten die woorden die door de Zoon van God werden gesproken toen hij nog op aarde was. Kalm en getroost legde het echtpaar zich te rusten op de voorlaatste avond van de dag waarop ze uit hun woning zouden worden gezet en zouden gaan behoren tot hen die onder de blote hemel moeten wonen.

Maar hoe was het nu toch zo gekomen dat een oppassend en godvrezend huisgezin in zo'n bittere nood in zo'n verval was geraakt? Niet één, maar meer dan één ramp had waarder getroffen. Hij had ondervonden dat een ongeluk zelden alleen komt. Hij was vroeger een flink arbeider op een fabriek geweest. Toen verdiende hij ruimschoot zijn dagelijks brood. Maar op zekere dag kwam hij, zonder kwaad te vermoeden op zijn werk, toen hij tot zijn verwondering een ongewone drukte en onbeschrijfelijke verwarring bemerkte. Niemand dacht aan werken, maar overal stonden groepjes werklieden onder heftige gebaren te praten. Spoedig vernam Waarder wat er gebeurd was, de eigenaar van de fabriek. was spoorloos verdwenen. Hij had een vreselijk bankroet gemaakt. De fabriek werd gesloten en de arbeiders werden naar huis gezonden.

Nu zou Waarder zeker wel ergens anders werk hebben kunnen vinden, als hij juist niet lang na deze treurige gebeurtenis door een ernstige en langdurige ziekte was aangetast geworden. In die zorgvolle tijd van ziekte moesten de spaarduitjes die de zuinige huisvrouw bewaard had voor de dag des kwaads, worden aangesproken. En ach, ze smolten weg als sneeuw voor de zon. Wel trachtte vrouw Wader door uit werken te gaan, het gezin voor totale ondergang te behoeden. Maar ze kon dat niet lang volhouden. Overdag hard werken en s'nachts dikwijls de slaap ontberen, omdat haar zieke man haar hulp nodig had, daar kon haar gestel niet tegen. Ook zij begon te sukkelen en moest het uit werken gaan er helemaal aan geven. Waarder meldde zich, zodra hij weer op de been was, overal aan, waar hij maar hopen kon werk te zullen krijgen.

Maar hij zag er zo zwak en leidend uit dat kloeken sterke mannen de voorkeur boven hem genoten en hij iedere dag onverrichterzaken naar huis terug moest keren. De nood was daardoor zo hoog gestegen dat waarder het ene meubelstuk na het andere had moeten verkopen en ondanks dat was hij al geruime tijd niet in staat geweest de huur van hun huis te betalen. Hoewel hij beloofd had zijn schuld te zullen afdoen, zodra hij maar werk had gevonden, had de huisbaas geantwoord dat hij zich met deze praatjes niet langer inliet en dat hij maatregelen zou nemen.

Hij had dan ook maatregelen genomen. Waarder kon erop rekenen dat hij de eerstkomende maandag op straat zou worden gezet. De steeg waarin Waarder woonde kwam uit in een straat die grotendeels bestond uit winkelhuizen met bovenwoningen. Recht tegenover die steeg bevond zich een goedlopende kruidenierswinkel. En boven die winkel woonde de familie van der Schramm. De huisvader was opzichter op een heel grote fabriek. Vroeger had hij diezelfde betrekking bekleed op de fabriek waar waterarbeider was geweest, maar Van der Schram had niet, zoals deze, verlegen behoeven te staan om een andere plaats.

De ijverige en nauwgezette man, wiens bekwaamheden bekend waren en die door zijn baas altijd zeer geprezen was geworden, was terstond weer op een andere fabriek aangenomen en ook daar had hij zeer spoedig de achting en het vertrouwen van zijn nieuwe baas gewonnen. Hoewel de heer Erkers zijn uitgebreide zaken in de stad had en hij zich iedere dag op het kantoor en in de werkplaats liet zien, zo woonde hij toch enkele uren van de stad verwijderd. Hij hield heel erg van het buitenleven en ook zijn vrouw voelde zich buiten het gezondst en het gelukkigst. De heer Erkers had in een van de mooiste streken van ons land een prachtige villa laten bouwen. Het was een lust om daar te komen, want meneer Erkers was een groot liefhebber van fraaie planten en bloemen en vruchtbomen. Daarbij was zijn zoon in het buitenland opgeleid in het boomkwekersvak.

En daar het de eigenaar van dit prachtige buitenverblijf niet aan middelen opbrak, kunt u wel begrijpen dat de woonplaats van de heer Erkers een lusthof genoemd kon worden. Op diezelfde maandagmorgen die door Hendrik Waarder en de zijnen met zoveel zorg de gemoed was gezien, ging Sofie van der Schram, het enige dochtertje van de opzichter over de fabriek van de heer Erkers, in de kruidenierswinkel een boodschap doen. Ze was in die winkel goed bekend, want er gingen niet veel dagen voorbij dat ze geen bezoek daar bracht.

Ze was de beste maatjes met de kruidenier en diens vrouw. Meestal hielp de laatste in de winkel. Als het heel druk was, bleef Sofietje altijd geduldig wachten tot haar beurt gekomen was. Dat deed ze ook nu, want er waren veel kopers en er werden drukke gesprekken gevoerd. Zeker zou ze nu wel wat ongeduldig zijn geworden, want ze was zo van de school naar de winkel gegaan en haar twaalfuurtje waarin ze zoveel trek had, stond bovenop haar te wachten. Maar ze hoorde iets vertellen dat haar aandacht trok en daardoor vergat ze haar boterham en haar eetlust.

Ja, ja, het is toch wat te zeggen. Zei een dikke vrouw terwijl ze langzaam het geld dat ze besteed had op de toonbank uittelde. Het is zonde en schande, dat zeg ik. En dat mag iedereen horen. Ik heb het zeker al honderd maal vanmorgen gezegd. Zes en acht is veertien en een pond suiker van vierentwintig. Zie je zulke oppassende mensen zomaar op de straat te zetten. Hoe kan zo'n vent het over zijn hart verkrijgen? Dat is 30 en 8 is 38 en dan nog 12, dat is precies 50. Ziet u het, juffrouw? Ja, wilt u wel geloven, ik was er kapot van toen ik het hoorde. Het was maar goed dat ik het gisteravond niet wist. Wat per lieve mens nog aan toe. Ik zou geen oog hebben dichtgedaan vannacht. Ik ben altijd erg aantrekkerig geweest.

Van kind af aan. Ik kan niet tegen narigheid. Ik weet nog goed hoe ik als kind eens een verdronken man uit het water heb zien ophalen. Maar, lieve mens, toen hebben ze wat met me moeten beleven. Als ik je dat eens vertellen moest... Ja, dat geloof ik wel, sprak een vrouw die voor een paar centen mosterd kwam halen. En waren het nou nog verkeerde mensen, dan zou ik er nog niets van zeggen. Want wie wat verdient, moet wat hebben, zeg ik altijd maar. Als de man de boel verdrinkt of niet werken wil en de vrouw verslonst en versnoept alles, dan krijgen ze long naar werken als ze zo aan de dijk worden gezet. Voor mijn part zetten ze alle drinkenbroers en alle slordige vrouwen de straat op. Maar, zo waar als ik hier sta en voor drie cent een mosterd in mijn potje heb, ik woon hier al drie jaar in de steeg en ik zeg met een woord van waarheid.

Nog nooit heb ik een drupje drank in hun huis gezien. De manhap heb ik nog nooit een kroeg zien binnen gaan. En de vrouw heeft gewerkt tot ze er haast bij neerviel. En ze houdt haar boeltje bij elkaar dat het een lust is. Hoewel ze de laatste tijd meer dan één stukje hebben moeten verkopen. En je kunt ervan op aan dat ze de huur betaald hebben zolang ze maar konden. Wel, mijn lieve mens, liever zouden ze honger geleden hebben dan dat ze niet betalen zouden en nu op straat te worden gezet. Het is wat te zeggen. Je moet toch maar ongelukkig zijn.

Ja, zo liet zich nu een derde horen. En dan wou ik wel dat je die mensen ineens had kunnen zien en horen in hun ongeluk. Ik woon naast ze en ik heb met mijn eigen ogen gezien, of je het geloven wilt of niet, dat ze gistermorgen nog heel welgemoed met hun drieën naar de kerk zijn gegaan, alsof er geen wolkje aan de lucht was. Ik heb ze zelf zien gaan en terugkomen ook. En s'avonds, ja, je zou zo denken dat je niets als... gelamenteer zou gehoord hebben. Maar nee hoor, niets ervan. Ze zaten het hoogste lied uit te zingen. Geen straatdeunen of zo, maar psalmen en gezongen. Ik werd er koud van toen ik het hoorde. Wil je dat wel geloven? En horen kon ik het goed, want de muur tussen waarders een huis en het onze is maar heel dun.

En toen ik ze gisteravond zo hoorde zingen, toen zei ik nog zo tegen mijn man, Als je zo zingen kunt, terwijl je weet dat ze morgen het dak boven je hoofd zullen wegnemen en je op straat zullen zetten, dan ben je geen gewoon mens.

Dan ben je een gelukkig kind van God, zou ik denken, liet nu een oud vrouwtje, dat tot nog toe even als Sofietje van der Schram, stil had staan luisteren zich horen. Psalmen in de nacht geeft God aan hen die op hem vertrouwen en in de nood zich aan hem vasthouden. Kon je ook horen wat ze zongen? Ja, hoor eens, vrouw Donkelaar, wat ze allemaal zongen, dat weet ik niet zo precies. Ik heb nooit tot de fijnen behoord, dat weet je wel. Misschien was het wel heel gelukkig als ik net eender was als waarder en zijn vrouw. Want dat moet ik zeggen, als ik zo in het ongeluk kwam als zij, dan zou ik het niet kunnen zingen. Dan zou ik niet kunnen zingen. Vloeken en razen, ja, dat zou ik doen. Maar zingen, nee, ik zou mijn ongeluk zo niet kunnen dragen.

Maar wat ze zongen, ja, één versie zongen ze meer dan eens. En de eerste regel heb ik daarvan onthouden. Het begint, zelfs vindt de mus. Zelfs vindt de mus een huis, o heer, de zwaluw legt haar jongskunst neer, in het kunstig nest bij uw altaren. Bij u, mijn koning en mijn god, verwacht mijn ziel een heilrijk lot, geduchte heer der legerscharen, welzaligheid, die bij u woont, gestaag u prijst en eerbied toont, sprak de oude vrouw ernstig en eerbiedig. Ja, juist, zo was het, hernam de vorige spreekster. En ik kan er niet anders van zeggen dat het een heel mooi vers is, dat vers van die mus. Je zou zeggen, zo'n klein beest waar je nauwelijks naar kijkt en die je bij honderden ziet en die waarder heeft het allemaal over zo'n mus. Ik stond erbij toen ze met al hun hebben en houden op straat kwamen.

Toen hoorde ik de vrouw tot haar man zeggen. Nu gebeurt het toch, man. Nu staan we toch op straat. Nu hebben we geen huis meer. Maar Waarder greep haar hand en zei, zelfs vind de mus een huis. Wees stil, vrouw. Hij die de mussen een huis doet vinden, zal ook ons een woning geven. Nu, ik vind het heel mooi en heel gelukkig om zo te kunnen spreken. Ik kan er niets anders van zeggen. Maar waar dat huis vandaan zal moeten komen, Dat begrijp ik toch niet. Wie zal nu zo ineens een hele familie in een huis zetten? En daarbij, mensen die waarden niet kennen, denken toch wellicht dat hij het er wel naar gemaakt zal hebben.

En dan zijn mensen toch ook geen mussen. Een nest is heel wat gemakkelijker gebouwd dan een huis, dat zeg ik maar. En wij mensen pikken ons brood toch ook niet van de straat op, maar moeten er hard voor werken. Ik tenminste wel, hernam de eerste spreekster. Dag, juffrouw. En weg ging ze, regelrecht naar het steegje, waar Waarder met zijn gezin en zijn weinige bezittingen op straat stond. Ze moest het haren daar nog eens van hebben, zei ze.

Sofietje had alles zwijgend aangehoord. Toen ze de winkel weer verliet, wierp ook zij een blik in het steegje. Zowat in het midden daarvan zag ze een groepje mensen staan en ze begreep dat in het midden van die kring zich het ongelukkige echtpaar met hun zoon bevond die nu geen dak meer boven hun hoofd hadden. Sofietje was een gevoelig meisje en daarom kon ze dat denkbeeld niet verdragen. Ze kwam luid schrijende thuis en sprak over niets anders dan over alles wat ze in de kruidenierswinkel gehoord had.

Waarder? Heet die man Waarder? vroeg haar vader. Ja vader, duidelijk hoorde ik die naam noemen, zei Sophie. Wel, als dat dezelfde is die vroeger op de fabriek arbeider is geweest, waar ik opzichter was, dan heb ik hem heel goed gekend. En hij was een van de beste en meest oppassende werklieden. Wel, wel, is die man nu tot zo'n armoede gekomen. Dat is toch wat te zeggen, op straat gezet te worden, dat is toch wel haast het ergste wat iemand overkomen kan. O vader, kunnen we ze niet in huis nemen? vroeg Sofietje. Nee, lieve kind, dat zou in het geheel niet gaan. Waar zouden we ze moeten bergen? Ik zou het waarlijk niet weten, riepen man en vrouw bijna tegelijk. En niet ten onrechte zeiden ze dit. Het bovenhuisje. was erg bekrompen, juist groot genoeg om het kleine gezin te bergen.

En was die man zo vol vertrouwen en geloof, vroeg Van der Schram, en ontroerd herhaalde hij de woorden van het lied dat de arme huisvader zo vertroost en gesterkt had in diens uiterste nood. We kunnen ze niet in huis nemen, de ruimte laat dat niet toe, zei juffrouw Van der Schram. Maar weet je, wat we wel kunnen doen, we kunnen ze wat geld brengen, waarvoor ze voor één nacht ergens onderdak kunnen komen. Dan kunnen ze toch voor vandaag alvast gered zijn.

Ja, vrouw, doe dat, zei de huisvader, terwijl hij opstond om naar zijn werk te gaan, waarop hij nooit één minuut te laat wilde komen. Maar terwijl hij heen ging... kon hij aan niets anders denken dan aan het dakloze huisgezin en aan de man die staande werd gehouden door die weinige woorden uit de heilige schrift. Ze zijn een kracht gods voor een ieder die gelooft. Die woorden, dat ziet men alweer, dacht hij, terwijl hij haastig voortliep naar de plaats van zijn werkzaamheden.

Van de schram, meneer. antwoordde de aangesprokene, terwijl hij zich omkeerde en zijn baas aanzag. Ik wou dat je me helpen kon. Ik zit voor een moeilijk geval. Als ik u helpen kan, niets liever dan dat, antwoordde de opzichter. Je moet weten, je moet weten, ik zoek mensen.

Van der Schram lachte. Zijn baas kon soms zo grappig uit de hoek komen. Bedankt meneer, die zijn er toch in overvloed, zei hij. Ja, ja, dat weet ik wel, maar ik bedoel, ware mensen, weet je. Er heeft eens een wijsgerige leeft, die liep er met een lantaarn na te zoeken. Dat mocht ik ook wel doen, maar ik vrees dat het me niet helpen zou en dat ik ze niet zou vinden.

Weer lachte de opzichter om die inval van zijn baas. Toen keek hij hem oplettend aan, in afwachting van te zullen horen, Welk soort van mensen meneer Erkers dan toch wel zocht? Je weet van de scham dat ik aan het bouwen ben geweest. Jawel meneer, was het antwoord. Van de scham wist dat niet alleen, maar hij had het met eigen ogen het gebouw zien verrijzen, dat zijn baas op zijn buitengoed dicht bij zijn woonhuis had laten optrekken. Nu, zaterdagavond is dat huis helemaal gereed gekomen, kant en klaar. Het is een lust om te zien, zelfs de meubels heb ik erin laten zetten, want ik had er aardigheid in dat het hele huisje van binnen en van buiten nieuw zou zijn. Het nestje is klaar, maar ik heb geen vogels.

Toen de opzichter deze woorden hoorde, verspreidde zich over zijn gezicht een ernstige, maar tegelijk heel blije uitdrukking. Wel een nestje? maar geen vogels, herhaalde hij zag bij zichzelf. En in het diepst van zijn hart deed hij wat eenmaal de knecht van Abraham deed toen deze zag dat God zijn gebed letterlijk verhoord had, daar hij de lieftallige Rebecca aan de waterfontein dezelfde woorden in de mond legde, waarmee hij God gebeden had. Ook hij aanbad de Heere en zei in zijn hart, O Heere God, gij zijt groot en goedertieren, gij toont te zijn een hoorde der gebeden, die niet beschaamt allen die op u vertrouwen. Maar hardop sprak hij niet. Hij wachtte tot zijn baas alles zou gezegd hebben. En deze ging verder. Nu moet ik mensen hebben voor dat nieuwe huis, maar niet iedereen wil ik daar zien intrekken.

Ik zou het niet kunnen dulden dat mijn nieuwe huis... niet goed en netjes bewoond werd. Alle mensen hebben hun zwak, en dat is nu mijn zwak, een knap, oppassend echtpaar, dat één of hoogstens twee kinderen bezit, zoek ik, om het te bewonen, voor vrije woning, vrije groenten, vruchten, aardappelen, die mijn tuin en overvloed oplevert, en voor een weekloon bovendien, zou ik verlangen dat de man Mijn zoon hielp in het verzorgen van de tuin en van de vruchtbomen. Het zou geen eigenwijze tuinman van beroep moeten zijn, die zich verbeeld dat hij alles weet, maar hij zou zich door mijn zoon moeten willen laten onderrichten en doen zoals hij het zegt. Van de vrouw zou ik verlangen dat ze iedere week een dagje, en zo dikwijls als dat nodig mocht zijn, in ons huishouden als werkster dienst deed.

Als ze er een jongen van een jaar of twaalf, dertien bij bezaten, zou dat nog zoveel te beter zijn, want ook hij zou zijn werk op mijn buiten ruimschoots vinden. Zie je van de schram, zo'n familie kun je wel uittekenen en beschrijven, maar haar in levende lijven tegen te komen, dat is wat anders. Waar vind ik een mensenpaar dat al deze verlangde eigenschappen in zich verenigt? Zei ik te veel toen ik je vertelde dat ik naar mensen zocht? Zo'n man alleen of zo'n vrouw alleen, die zouden nog wel te krijgen zijn. Maar juist zo'n man en vrouw bij elkaar. Me dunkt, ik zal jaren nodig hebben eer ik die vind. En ik kan geen jaren wachten. Ik zou ze dadelijk willen hebben, vandaag of uiterlijk morgen. Het is niet goed als een huis leeg staat.

Mijn zoon heeft dringend hulp nodig en mevrouw zegt gedurig, ik wou dat ik vlak bij ons een goede werkster had wonen en een vlugge boodschappenloper. Meneer Erkers had nu uitgesproken. Het was nu aan zijn opzichter om te antwoorden. En wat deze antwoorden, zal ik maar niet uitvoerig verhalen. Hij schilderde de toestand van het beklagenswaardige huisgezin dat thans op straat was gezet en hij vertelde van al de rampen die man en vrouw buiten hun schuld waren overkomen. Hij beschreef het geloof en vertrouwen dat de huisvader te midden van zijn beproevingen staande had gehouden en eindigde met te zeggen dat hij vast geloofde dat God alles zo bestuurd had dat thans op bijzondere treffende wijze het gelovig gebed van waarder heerlijk verhoord zou worden. Ook kon hij de heer Erkers de verzekering geven dat waarder oppassend ijverig en gewillig was en zich stellig wel zou willen laten onderrichten in het tuinbouwvak.

Want hij kende de man nog zeer goed van vroeger en hij wist ook dat zijn vrouw netjes en zindelijk was en dat ze zelfs in haar armoede die goede eigenschap niet verlogen had. Al deze mededelingen troffen de heer Erkers zeer en tevens was hij verblijt dat hij nu gevonden had wat hij zocht. maar wat hij gemeend had nooit te zullen verkrijgen, geschikte bewoners voor zijn mooi nieuw huis.

Terwijl dit gesprek gevoerd werd tussen de heer Erkes en zijn opzichter, bevond Waarder zich met zijn vrouw niet meer op straat. Het oude moedertje dat in de ruidenierswinkel het versje had opgezegd, waardoor Waarder zo vertroost en versterkt was geworden, had onder het naar huis gaan gedacht. Ik ben zelf ook wel arm, mijn huis is niet groot genoeg om er een gezin in op te nemen, maar ik kon mijn ongelukkige buren toch wel eens even goed doen. Ik zal doen wat ik kan. De heiland heeft eens met lof gesproken over Maria, omdat zij deed wat zij kon. Ik zal aanwaarder vragen. Of hij met zijn vrouw en zoon bij me binnen willen komen. En dan zal ik koffie voor ze zetten en ze brood geven. Die arme stakkers. Ik heb zo met ze te doen. Ik wou maar dat ik ze beter helpen kon.

Zo gezegd, zo gedaan. Zo snel haar oude benen het toelieten, strompelde vrouw Donkelaar het steegje in, drong zich door de mensen heen, die voor de verlaten woning de familie Waarder stonden aan te gapen en was weldra vlak bij hem. Kom met mij mee naar binnen, kom, zei ze dringend, terwijl ze haar hand op de schouder van vrouw Waarder legde. Waarder kende het oude vrouwtje wel. En hij stond dadelijk op om haar te volgen en ook zijn vrouw deed hetzelfde. Maar Hendrik moest nog even wachten, want hij moest op straat op de meubelen blijven passen, totdat zijn vader hem zou komen aflossen.

Zie zo, kom nu eens binnen, sprak het oude vrouwtje donkelaar. Ik heb de hele dag zo aan je gedacht en zo'n medelijden met je gehad. Het is een zware beproeving die God je oplegt. Het is het ergste wat een mens overkomen kan, snikte vrouw Waarder. Erg is het, beaamde vrouw Donkelaar, heel erg, maar toch niet het allerergste, dat moet je niet zeggen. Er is nog een hemels te huis, bevrouw, dat weet je toch wel. En wie daar ooit binnen mag komen, behoeft niet bang te zijn dat hij daar ooit zal uitgezet worden. Daar behoeft geen mens ooit huur te betalen. Daar zijn geen bankroeten, geen werkeloosheid, geen ziekte, geen achteruitgang meer. Daar zullen alle zorgen voor goed voorbij zijn. Daar niet binnen te mogen komen, dat is het ergste wat iemand overkomen kan. O vrouw Donkelaar, dat heb ik ook al zo dikwijls in deze dagen tegen mijn vrouw gezegd, antwoordde haar man in haar plaats.

En dat gelooft ze dan ook wel, want gelukkig weet ze wie ze toebehoort. Maar zie je, ze laat zich wat te veel door de zorgen van het leven neerslaan. Dat is zo jammer en zo ongelukkig voor haar. Al schijnt de zon niet, daarom is ze er toch wel. En al laat God het nu met ons ook zo ver komen dat we onder zijn blote hemel staan, toch blijf ik geloven dat hij voor ons zorgen zal.

Je hebt altijd gezegd, zelfs vindt de mus een huis, o heer, maar nu zijn de mussen toch gelukkiger en er veel beter aan toe dan wij. Ze hebben hun nest, waaruit ze niet verjaagd worden, en ons huis is weggenomen. We hebben geen dak. We staan nu toch op straat onder de blote hemel. God zorg voor de mussen beter dan... Maar vrouw Waders sprak niet verder. Ten eerste omdat vrouw Donkelaar juist op dat ogenblik een paar dikke boterhammen en een lekker kopje dampende koffie voor haar neerzette. Dat kregen de mussen toch niet. En het gezicht daarvan wekte de eetlust op van de zwaar beproefde vrouw. Maar tevens maakte het haar beschaamd. Want wat haar man gezegd had, was waar. Zij had altijd met geheel haar hart geloofd in haar hemelse vader en in zijn grote liefde, die haar zelfs het beste en liefste dat hij bezat, zijn enige

liefde zoon, niet onthouden had. En zou hij haar met hem dan niet alle dingen schenken? Moest het geloof aan zijn liefde bezwijken, zodra het water aan de lippen kwam, en moest het al zo blijken dat ze het rechte geloof toch eigenlijk nooit bezeten had? Het is zo gemakkelijk om in dagen van voorspoed te geloven, in en te spreken van Gods vaderzorg en liefde, maar wat betekent dat geloof als het geen stand houdt in bange dagen van beproeving en druk? Dat alles bedacht vrouw Waarder toen ze daar opeens die lekkere boterhammen voor zich zag staan, waarin ze zo'n trek had, want in de laatste dagen was schraalhans kok bij haar geweest. Ze brak haar woorden af, ook omdat ze zag dat er een meisje met Hendrik stond te praten, een net aangekleed meisje, en dat Hendrik haar op de deur van vrouw

Donkelaar wees. Het meisje richtte terstond haar schreden naar de deur. Ze tikte aan en toen ze gehoord had dat er binnen was geroepen, zat ze de kamer in. Bent u waarder? vroeg ze terwijl ze waarder met een verlegen lachje aanzag. Jawel, antwoordde deze, dan moet ik u dit geven. Moeder wil volstrekt niet hebben dat u vannacht zonder dak zou zijn, sprak Sofie, terwijl ze Waarder een klein pakje gaf, waarin zich wat zilvergeld bevond. En morgen zullen we weer verder zien. Voor vannacht bent u nog toch vast geholpen, nietwaar?

Nu, vrouw, wat zeg je daar waarvan? Heb ik het je niet gezegd? kon Waarder niet nalaten uit te roepen, zelfs nog voor hij Sofietje bedankte. Zie je nu wel hoe God voor ons zorgt? Ja, ik zie het, zei vrouw Waarder bewogen. En ze begon weer te wenen, maar nu niet meer van droefheid en zorg, maar omdat ze berouw had over haar ongeloof. Zul je je moeder vriendelijk bedanken? vroeg vrouw Waarder. O, daar komt vader ook aan, riep Sofietje opeens uit. Hé, wat zou hij hier komen doen? Hij komt nooit zo vroeg van zijn werk. Met haastige stappen naderde van de schram, nadat ook hij zich de weg had laten wijzen door Hendrik, die nog altijd bij de meubelen stond en er zich over verwonderde, dat eerst een meisje en daarna een heer, die hij wel van gezicht zowat kende, naar zijn ouders hadden gevraagd.

Hij zou ook wel graag bij vrouw Donkelaar zijn binnengegaan, veel liever dan daar op straat te moeten blijven staan als een voorwerp van ieders nieuwsgierigheid. Maar hij moest zijn ongeduld bedwingen. Van der Schramm verkeerde in een zeer blijde stemming. Er bestaat geen groter vreugde dan te mogen ondervinden dat God zijn woord waar maakt en een brenger te mogen zijn van een goede boodschap. Zodra hij bij vrouw Donkelaar was binnengekomen en daar het echtpaar zag dat in zo'n grote druk verkeerde, had hij wel dadelijk het lied willen aanheffen. Zelfs vinden mus een huis, o Heere. Hij bracht hem dus de blijde tijding dat ook voor deze arme mensen een huis gereed stond. Een mooi nieuw huis waarin zich alles bevond wat ze nodig hadden. Zeg waarder, zo begon hij. Ken je me niet meer van vroeger?

Wel zeker, antwoordde Wader, nadat hij de spreker had aangezien. U was opzichter bij meneer Dekkers, toen ik daar werkte, voordat het ongeluk kwam, zag ik u bijna elke dag. Ik herinner me u nog heel goed. En ik herinner me jou ook heel goed, Wader. Ik moet je zeggen dat ik er erg mee te doen heb dat je tot zo'n armoede bent gekomen. Wie had dat kunnen denken van zo'n fikse oppassende kerel als jij altijd geweest bent.

Godsweg is vaak in het duister en dat is hier ook wel het geval. Maar God ontsteekt in de duisternis wel eens het licht meneer en dat heeft hij ook voor mij gedaan. Kol, dat is gelukkig, dat is een heerlijke troost voor je. Heb je echt in deze dagen van beproeving het geloof mogen behouden dat God voor je zorgen zal dragen en dat zijn daden wijs en goed zijn? Ja, meneer, dat heeft God mij genadig doen behouden. Dat is mijn enige troost en steun geweest. Zonder dat geloof... Had ik echt alles niet kunnen dragen. Was het niet een liefderijke en wonderlijke beschikking van mijn hemelse vader, dat mijn zoontje gisteren op de zondagsschool juist dat versje leren moest, zelfs vind de mus een huis, o Heere. En de tekst, worden niet vijf musjes verkocht voor twee penningskunst, en niet één van die is voor God vergeten?

Ja, ook de haren u schoof zijn alle geteld. Vrees dan niet, gij gaat vele musjes te boven. Was het niet alsof hij ons daardoor staande wilde houden? En dat heeft hij gedaan ook. Hij heeft zijn woorden waargemaakt. Zie maar, hoe hij voor ons zorgt. En waarder wees bij deze woorden op de boterhammen en de koffie en op het geld dat Sofietje gebracht had.

Maar uw hemelse vader, die de mussen voedt en die zoveel te meer zijn kinderen verzorgt, Heeft nog meer te geven dan wat daar voor u staat, waarder? Uw geloof in hem is niet beschaamd. Boven bidden en denken heeft hij voor u gezorgd. Nog voordat er besloten was dat u uit uw huis gezet zou worden, was men al bezig om een nieuwe woning voor u te bouwen. Een fonkelnieuw huis, keurig en netjes in orde, van alles voorzien, in een gezonde, schone en landelijke streek, staat nu voor u gereed. Een werkkring voor uzelf, uw vrouw en zoon, juist voor u allen geschikt. Wacht u ginds. En ruimschoot zult gij uw brood daardoor kunnen vinden. Dat alles heeft Gods liefderijke zorg voor u gereed gemaakt. U hoeft slechts met me mee te gaan, de meubelen die daar op straat staan, in te pakken of te verkopen en nog vanavond bent u onderdak.

Waarder had op God vertrouwd en verwacht dat hij hem eerstdaags, zei het ook na veel moeite en teleurstelling, wel het een of ander werk zou hebben doen vinden, waardoor hij weer in staat gesteld zou worden een woning te huren. Maar wat hij nu hoorde, bracht hem in een toestand waarbij hij zijn ogen moest uitwrijven. Hij wist niet goed of hij wakker of dan wel in het land der dromen verzeild was. Die verandering was al te groot, dat voor uitzicht al te mooi. Op straten worden gezet, onder de blote hemel te moeten verkeren. Het was het ergste wat iemand overkomen kon, had zijn vrouw gezegd. En nu opeens zich in een huis, een mooi pasgebouwd huis, geopend te zien, een werkring te krijgen. Alle zorgen verbannen, dat was bijna te veel voor hem. Hij kon de volle omvang van dat geluk niet indenken.

Toen Van der Schram echter het gesprek vertelde dat zijn baas een uurtje geleden met hem had gevoerd, toen hij waarder uit naam van de heer Erkers voorstelde dadelijk met hem naar het kantoor mee te gaan, om zelf met zijn baas nader te spreken, begon de heerlijke waarheid... duidelijker tot hem door te dringen. Maar woorden kon hij nog niet vinden. God las de diepe, onuitgesproken dank van zijn hart. Loof, loof, den Heere, mijn ziel met alle krachten, verhef zijn naam zo groot, zo heilig te achten. Och of nu al wat in mij is hem prees, loof, loof, mijn ziel, de hoorde der gebeden, vergeet nooit een van zijn weldadigheden, vergeet ze niet, het is God die ze u bewees. De heer Erker zei diezelfde avond meer dan eens tot zijn vrouw, terwijl hij vergenoegd in zijn handen wreef, wel, wel, dat is me nog maar zelden gebeurd, dat

ik zo opeens vond wat ik zocht. Mensen heb ik gevonden. En de heer Erkers beleefde veel genoegen van zijn vondst, tussen aanhalingstekens. Waarder, die erkende weinig of geen verstand van het tuinmansvak te bezitten, was de rechte man voor de jonge meneer. Spoedig leerde hij zijn werk verstaan en dat werk in de gezonde buitenlucht gaf hem weldra zijn vroegere krachten terug. Ook vrouw Waarder werd weer sterk en gezond in deze landelijke omgeving. Haar nestje, zoals ze haar mooi nieuw huis had het liefst noemde, werd de gelukkigste en schoonste plek op aarde voor haar. Voor mevrouw Erkers werd ze een onmisbare hulp. Ook Hendrik vond Ruimschoot zijn werk op het grote buitenverblijf, want de jonge meneer kocht maar steeds grond aan, waarop nieuwe vruchtbomen moesten worden aangekweekt en verzorgd. Vader en zoon verkregen onder de leiding van de bekwame meneer Erkers een grote bedrevenheid in tuin- en boomkwekerswerk en deze arbeid beviel de vader nog

veel beter dan zijn vroegere werk. Op stille zomeravonden kon men uit de tuinmanswoning, door het open venster dat door Glimop en Kamperfoelie was omgeven, menig lied horen weer klinken. Die liederen stegen vol dankbaarheid tot God omhoog, die alles zo wel had gemaakt, en die boven bidden en denken hun al het nodige had geschonken. Maar onder al die liederen bleef het lievelingslied van vader, moeder en zoon, toch altijd, zelfs vind de mus een huis, o heer, de zwaal u legt haar jongskunst neer, in het kunstig nest bij uw altaren. En hiermee, luisteraars, zijn we aan het eind gekomen van dit waargebeurde verhaal, en er zal tot slot nog voor u gezongen worden, hoe kan het anders, van Psalm 84, de versen 2 en 6. Vers 2. Zelfs vind de mus een huis, o Heere, vers 6, want God de Heere, zo goed, zo mild, is te allen tijd een zon en schild.

En wat er verder volgt in de versen 2 en 6 van salm 84. We wensen u voor nu een goede voortzetting van deze avond en voor morgen een gezegende zondag.

♪ Gezang