PrekenHHG Ouddorp

Psalm 46: 2 en 3; De vaste Burcht voor Gods kerk

19:30 uurDienstDs. W. Mouw106 min
Nog niet gestart Kanttekeningen 5

Transcript

♪ Gezang

Is in de Naam des Heeren. Die den hemel en de aarde gemaakt heeft. Die trouwen houdt. Tot in der eeuwigheid. En die nooit laat varen het werk. Dat zijn hand begon. Genade zij u en vrede. Van hem die is. En die was en die komen zal. En van de zeven geesten. Die voor zijn troon zijn. En van Jezus Christus. Die de getrouwe getuige is. De eerstgeborene uit de doden. En de overste van de koningen der aarde. Amen. Zingen we tot voortzetting van dit ons samen zijn van Psalm 46. En daarvan het zesde vers. Psalm 46 vers 6. De Heere de God der legerscharen is met ons. Hoed ons in gevaren. De Heere de God van Jacob zaad. Is ons een burg. Een toeverlaand. We noemen u van Psalms 46. Het zesde vers. Als

♪ Gezang

heilig en dierbaar woord. Zal u worden gelezen wat u kunt vinden opgetekend in het boek der Psalmen. En daarvan Psalm 46. We herzeggen nu Psalm 46. Een lied op Alemood. Voor de opperzangmeester. Onder de kinderen van Korach. God is ons een toevlucht en sterkte. Hij is krachtig geluk bevonden. Een hulp in benauwdheden. Daarom zullen wij niet vrezen. Al veranderde de aarde haar plaats. En al werden de bergen verzet. In het hart van de zeeën. Laat haar wateren bruisen. Laat ze beroerd worden. Laat de bergen daveren door derzelfde verheffing. Sela. De beekjes der rivier zullen verblijden. De stad Gods. Het heiligdom der woningen des Allerhoogsten. God is in het midden van haar. Zij zal niet wankelen. God zal haar helpen. In het aanbreken van de morgenstond. De heider en de raasten. De koninkrijken bewogen zich. Hij verhief zijn stem.

De aarde versmolt. De Heere der heirscharen is met ons. De God Jacobs is ons een hoog vertrek. Sela komt. Aanschouwt de daden des Heeren. Die verwoestingen op aarde aanricht. Die de oorlog doet ophouden. Totdat het einde der aarde den boog verbreekt. En de spies aan twee slaat. De wagens met vuur verbrand. Laat af en weet dat ik God ben. Ik zal verhoogd worden onder de heidenen. Ik zal verhoogd worden op de aarde. De Heere der heirscharen is met ons. De God Jacobs is ons een hoog vertrek. Sela. Zoeken we het heilige aangezicht des Heeren in een gemeenschappelijk gebed.

Allerhoogste Majesteit in den Hemel. U die ons allerhard kent. U die ons aller nieren, dat is onze emotie, proeft. U weet, Heere, hoe we deze avond naar uw huis gekomen zijn. U weet of er nog zijn met een honger in de ziel. Zou u dan vanavond in uw huis nog spijzen willen schenken. Want Heer als daar een honger in de ziel is. En als daar een dorst naar u o grote God is. Dan weet u daarvan. Want dat is uw eigen werk. En uw werk dat begint u in het leven van mensen. En u hebt het beloofd. U zal het ook volleindigen. En Heer als ze nu deze avond in uw huis gekomen zijn. Die in waarheid om een boodschap verlegen gemaakt zijn. Dan zal u een boodschap schenken. Zo vanavond samengekomen zijn. In het teken van hervormingsdag.

En waar u zoveel jaren geleden. Maarten Luther. Daartoe hebt aangegord. Om de 95 stellingen aan te brengen. Aan de deuren van de slotkapel te Wittenberg. Wat een wonder, Heere. Dat u ons uw woord weer teruggaf in de zuiverheid. Zoals u het gepredikt hebt. O dierbare middelaar gods en der mensen.

Uit genade alleen. Door het geloof. En dat is Gods gave. En Heere dat we dat pand ons toebetrouwd zouden mogen bewaren. En nu zijn we vanavond samen in een gezamenlijke dienst. Met de kerken hier op Ouddorp. En daar mogen we ook de kerkenraden aan u opdragen Heere. De kerkenraad van de gemeente waar we deze avond mogen zijn. Met hun eigen herder en leraar. Die we zojuist nog mochten ontmoeten. Als oude buren in opheusden. Wat een wonderlijke weg houdt u in het leven van mensen, Heere.

En u bent nooit na te rekenen. Uw wegen zijn niet voor te rekenen. Wat is het een wonder als we mogen volgen. Volgzaam gemaakt om uw weg te gaan. Gedenken met zijn vrouw. Hier in de gemeente van Ouddorp. En zou u hem willen stellen.

Tot de rover van de hel en medevolmaker van uw gezegend koninkrijk. Gedenkte broeders van de gemeente die we ook mochten ontmoeten. Heeren zou u ook in de gemeenten willen werken. En dan werkt u dwars door kerkmuren heen. En dan zijn kerkmuren, dat zijn muren die wij gebouwd hebben.

En dan moet er orde zijn. Dat we toch zouden mogen zien. En dat we toch door genade en levend lidmaat zouden mogen zijn voor de kerk met een hoofdletter. Want al de kerkmuren die vallen weg. Maar Sion zal één zijn in hem die het leven is.

En dat is nou wat nodig is, Heere. En wil u ons dat schenken als we dat missen. Als we nog voor eigen rekening voortreizen naar die grote rechterstoel. Ach Heere, dat het vanavond het anders zou mogen worden. En als we in uw huis zijn. Dan zijn we de werkplaats van uw God en Heilige Geest. Zou u dan door woord en geest die harde harten willen verbreken. Waar de profeet Ezekiel van gesproken heeft. Hij was in zichzelf niet meer dan een mensenkind. Maar hij mocht een woord van God spreken. En dat wonder van het ik zal. U zal doorgaan met uw werk. Stenen hard hun weg nemen. Vlees en hart en schenken om uw grote naam ze wil Heere. Gedenk aan ons vaderland. Overheid en onderdaan. Wat zijn we ver van de plaats. Als we zien in al die jaren.

Wat is de secularisatie toegenomen. En ons Nederland is een modern heideland geworden. Maar Heere er is nog een weinig most in die druiven tros. Zou u het niet willen verduilen van wat er is een zegen in. En dan mogen we ook hier nog samenkomen vanavond in alle rust. Waar op andere delen van de wereld het oorlogsgeweld woedt. En waar ook de kerk in het diepste geheim moet samenkomen. De Heere gedenkt aan Hein die in gevangenis te kwijnen vanwege het geloof. En zou u er nog balsen willen schenken in wonden. U bent die grote koning van de kerk. U regeert. En u zal als die koning van de kerk. Voor uw kerk zorgen. Dat de poorten der hel. De gemeente niet zullen overweldigen. Heere help ons deze avond. Open onze lippen door uw kracht. En dat het een zoet vermaak zou mogen zijn.

Om uw woord te mogen uitdragen. Ook deze avond. En dat u kennelijk in ons midden zou willen zijn. Als een die dient. En dat onze uitgang zou mogen zijn. In uw lieve gunst. Dan zal het zijn tot uw eer. Dan zal het zijn tot zielenzaligheid. En tot onderwijs van uw Sion. In deze aardse woestijn. Schenk het ons uitgenade. Om Jezus wil. Amen.

We zingen tot voortzetting van Psalm 107. Daarvan de versen 1, 4 en 16. Psalm 107 vers 1. Looft, looft den Heere gestadig. Die oppermajestijd is gunstrijk, zeer genadig en goed in eeuwigheid. Dit zegt elk die gered door hem van slaafse banden in vrijheid is gezet. Uits weerpartijders handen. En wat er verder volgt in het vierde. En ook in het zestiende vers van Psalm 107. En onder dit zingen zal er worden gecollecteerd. Er zullen drie collectes gehouden worden. De eerste collecte is bestemd voor de Spaanse Evangelische Zending. De tweede collecte is bestemd voor de Kerkvolgdij. En de derde collecte is bestemd voor het Onderhoudsfonds. En deze collecten worden hartelijk in uw milddadigheid aanbevolen.

♪ Gezang

Vormingsdag. We zijn vanavond samen geliefden. In het teken van de hervorming. Wat een voorrecht, niet waar? Maarten Luther. Wie zou niet denken aan Maarten Luther. Die de Heere gebruikt heeft als een middel in zijn hand. Wat heeft die man kracht gekregen. De hervorming. Het was de terugkeer naar de oorspronkelijke waardes. Van het geloof.

Zoals de Heere Jezus gepredikt heeft. Uit genade zalig worden. Zoals de apostelen gesproken hebben geliefden. De Heere heeft Maarten Luther verwekt. En we weten wie hij is. Een monnik. Een leraar. De Wittenberg. Moeilijke tijd waar die man in leefde. In die tijd verkochten de geestelijke aflaatbrieven.

En door middel van het verkopen en het kopen van die brieven. Door dat geld te betalen. Dachten de mensen vergeving van zonde te ontvangen. Of dat ze hun zaligheid daarmee zouden kunnen verzekeren. En hoe ging het in het leven van Maarten? Er is die man achtergekomen. Bent u er ook achtergekomen?

Deze Maarten Luther is er achtergekomen. Dat de vergeving niet lag in de werken. Maar in God. Wat een wonder. Maarten Luther, mijn lieve toehoorder, is erachter gekomen dat echte bekering noodzakelijk is. En na een moeilijke tijd is hij erachter gekomen. Dat een mens nou door genade alleen vergeving ontvangt. Wat een wonder. Als

die borg en zaligmaker ontsloten wordt aan je ziel. In hem is gerechtigheid. En in hem is het leven. En in hem is de zaligheid. En geliefd en toen is die man erachter gekomen. Dat de mens door Gods genadevergeving ontvangt. Dat heeft hem aangezet. Om zijn 95 stellingen te schrijven. En 31 oktober 1517. Aan de deuren van de slotkapel te Wittenberg te spijkeren. Nu bijna 509 jaar geleden.

Maarten Luther. Hervormer. Die ons vaderland weer teruggebracht heeft. Dat het geloof in de Heer Jezus Christus. Niet dat de goede werken niet belangrijk zijn. Maar mijn lieve toehoorden niet om de zaligheid te verdienen. Bent u er ook mee eens? Want dat is nou een weg tegen vlees en bloed in.

En toen we gevraagd werden om ook deze avond. In het kader van de hervormingsdag wat te zeggen. Toen dachten we dan ook aan Psalm 46. Waarom jongens en meisjes? Waarom? Omdat Maarten Luther de basis hier gevonden heeft voor zijn Lutherlied. Omdat Maarten Luther in het jaar 1527 of 1828. Dat kan ik niet zo precies zeggen. Het Lutherlied geschreven heeft.

Toen er zulke ingrijpende zaken plaatsvonden. Dat de Wittenberg. Dat die ernstige ziekte. Daarom ging de pest. En ook in het huis van Luther. Slachtoffers Maarten. Toen heeft Maarten Luther. Mijn lieve toehoorder. Moed geschept uit. Psalm 46. En daar heeft hij zijn beroemde Lutherlied op gedicht.

Vasteburgd. Is onze God Maarten Luther. Dat is mijn psalm. En dan gebeurde het dat hij in de moeite was. Dat hij verdrietig was, kinderen. Jongens, meisjes. We zouden zeggen dat zijn ziel van druk verkwijnde. En dan zei hij tegen zijn vriend Melanchthon. Kom,

zullen we psalm 66 nog zingen. God is onze toevlucht en sterkte. Hij is krachtig, gelukbevonden en hullen te zijn. In benauwdheden, daarom zullen we niet vrezen. En daar ging hij in 1529 naar de Rijksdag te Worms. En dit was zijn reislied. Daarom zullen we niet vrezen. Al waren er zoveel duivelen als pannen op de daken. O, mijn lieve toehoorder, wat geloof er mag.

En nu hervormingsdag. En hoe is het nu met u, met mij? Hoe is het in de wereld? Hoe is het in ons vaderland? Hoe is het in de kerken van Nederland? Hoe is het in onze gezinnen? Hoe is het in mijn hart? Geliefde op Psalm 46.

Daar staat één ding centraal. Daarom zal ik niet vrezen. We dachten een ogenblik uw aandacht daarbij te bepalen. Bij het tweede vers en het derde vers van Psalm 46. Waar Gods dierbaar woord spreekt. Is onze toevlucht en sterkte. Hij is krachtiglijk bevonden. Een hulp in benauwdheden. Daarom zullen wij niet vrezen. Al veranderde daar haar plaats. En al werden de bergen verzet in het hart. Van de zeeën tot zo ver.

We schrijven onder deze tekstversen. De vaste burcht voor Gods kerk. En letten met de hulp des Heeren op drie gedachten. In de eerste plaats letten we op. Sterkte in dat vertrouwen. Vast vertrouwen. Een vaste burcht. In de tweede plaats de grond van dat vertrouwen. En in de derde plaats de vrucht.

Dus de sterkte. God is onze toevlucht en sterkte. De grond. God is onze kracht en de vrucht. Daarom. Dat is de grond. Dat is de vrucht. Daarom zullen we niet vrezen. Al veranderen daar de plaats. Er is nogal wat. Moeten we dat nou letterlijk nemen? Kunnen dingen gebeuren in het leven van mensen die zeggen. Ja de wereld staat op de kop. Zo ingrijpend. Maar toch geliefde wat hier staat. Dat zal echt gebeuren.

Die dag komt heeft Mojagir gezegd. Branden als een oven. Dan zullen al de goddelozen. En al die ongerechtigheid. Die zullen als een stoppel zijn. En de toekomstige dag zal ze in vlam zetten. En hoe zal het dan zijn? Daarom zullen we niet vrezen. Voelt u wel geliefde die grond. Die in Christus is.

Daarom zullen we niet vrezen. Psalm 46. Een dierbare psalm. We hebben hem zojuist zo samen gelezen. De psalmen worden ook wel genoemd de geestelijke apotheek. Daar zijn er ook al veel van Gods kinderen uit onderwezen. En wanneer heb je dan een apotheek nodig? Als je ziek bent. Die gezond zijn. Die hebben de medicijn meester. Die van doden maar die ziek zijn. En als er nou vanavond zo'n geestelijke kranke is. Zo'n door onweder voortgedrevene. Zo'n ongetrooste welgeliefde. Die krijgt die geestelijke apotheek nodig. En wat zou het een wonder zijn. Om daaruit bediend te mogen worden. Psalm 46.

Psalm 46 geliefde. Dat is een anonieme psalm. We weten niet wie de dichter is. Vaak dan staat wel bij de aanhef wie die dichter is. Maar dat weten we hier niet van Psalm 46. We weten wel, dit is een psalm. Die is bestemd voor de kinderen van Korach. En die kinderen van Korach hadden een belangrijke positie. Ook in de tempeldienst, in de tabernakeldienst. Als voorzangers.

En zo ook deze Psalm 46. Mijn lieve toehoorder. Is een psalm die zingt over de Godstad. We hebben het samen net gelezen. We kunnen het lezen in Psalm 46 vers 5. De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods. Dus Psalm 46 zingt over de Godstad. Zo ook Psalm 48 en zo ook Psalm 87. En Psalm 122 en Psalm 132. Dat zijn liederen die zingen over de Godstad.

Wat betekent dat? Nou letterlijk Jeruzalem. Of Sion. Maar als het gaat over de Godstad. Dan gaat het over die geestelijke Godstad. Dat is de kerk van alle tijden. Plaatsen en geestelijke onderdanen van die Godstad. En in de derde plaats gaat het over het hemelse Jeruzalem.

Waar alles volkomen is. Een lied over de Godstad. Een lied op Alemood staat er. Dat is het meervoud van het Hebreuwse Alma. Alemood. Dat wil zeggen dat moet op een bepaalde toonhoogte worden gezongen door een sopraan. Of door muziekinstrumenten die heel hoog kunnen spelen. Voor

de opperzangmeester. Van de kinderen van Korach. Dus die kinderen van Korach geliefden. Die zongen deze psalm. Op de trappen. Die naar het heiligdom. Naar de tempeldienst voeren. Psalm 46. Want er is Psalm 46 gedicht. Dat is niet zo duidelijk. Er zijn heel veel verklaarders die zeggen. Psalm 46 is gedicht.

Toen Darabzake voor de poorten van Jeruzalem stond. In het jaar 701. Hiskia was koning. En wat is die Hiskia belaagd. Daar lag het leger van Sanjerib. En Rapsakee, de generaal, die stond daar te hoden. En die man die stond daar te spotten. Voor de muren van Jeruzalem ingrijpend is dat geweest.

En in Jeruzalem was daar Hiskia. En daar heeft Hiskia de brieven van de vijand voor het aangezicht van de Heere neergelegd. De brieven van die Assyrische koning. Uitgespreid voor het aangezicht van de Heere. En wat is Hiskia ook tot steun geweest. In die bangomstandigheden door Jezaja. De profeet des Heeren. En hoe is het afgelopen? Nou we hebben het gelezen. Vers 7. De heidenen raasden. Hoor je rapsakee? Jongens, meisjes.

Hoor je man razen? Hoor hem vloeken? Aan de voet van de muren van de stad. De koninkrijken bewogen zich. Assyrië strekt zijn hand uit. Een dreigende hand. Om steeds meer in het Midden-Oosten naar zich toe te nemen. Hij verhieft zijn stem. De aarde verspot. Wie is die hij? God in den hemel. Die verheft zijn stem.

En als de Heere zijn stem verheft gelieven naar versmelte aarde. Dat is daar ook gebeurd. Dan heeft een engel 185.000 Assyriërs gedood in één nacht. De Heere heeft gesproken. Voelt u wel geliefd in de kern van deze psalm? Niet vrezen. Durf u dat te zeggen?

Met oog op de toekomst. Met alles wat er speelt in de wereld. Er zijn mensen die durven dat te zeggen. Ik ben er nergens bang voor. Sommige mensen zeggen. Ik ben voor de duivel nog niet bang. Daar kun je gerust wel bang voor zijn. Als je daar niet bang voor bent. Dan ken je hem niet. Maar salisten zijn Gods kerk wel bekend.

Niet vrezen. In deze uren gelieven. Dat we zo samen zijn als gemeente. Teken van hervormingsdag. Voelt u wel geliefde waarde. Niet vrezen. Bij alles wat er in de wereld plaatsvindt. Ze zien op de oorlogen. Als we zien op Oekraïne, als we zien op Rusland, als we zien op alle andere plaatsen waar de steden verwoest worden, waar zoveel dodelijke slachtoffers vallen.

Daarom zullen we niet vrezen. Daar komt het dan wat dichterbij als we denken aan cyberaanvallen, ook in deze tijd. Dat is toch wel van die dreiging. Dan denk je toch, hoe zal het gaan? De schappen van de winkelcentra zijn leeg vanwege... Hekkers die dan gegevens of andere dingen bemachtigen.

Daarom zullen we niet vrezen. Zouden de kernwapens gebruikt gaan worden, denkt u? Met het risico op grootschadige vernietiging. Of terrorisme, aanslagen. Daarom zullen we niet vrezen. Hongersnoden. Gebrek aan water. Energiecrisis. Daarom zullen we niet vrezen. Voelt u geliefde? Dat is een wonder. Dat zou geen wonder zijn als je vanavond zegt. Ik zit hier in de kerk en ik denk aan mijn kinderen. En ik heb heel veel zorg over het wereldgebeuren.

Die zou je hard vasthouden. Als je ziet op je nageslacht. De jeugd van de gemeente. Vrezen. Wat er in de wereld gebeurt. En in ons vaderland. Waar we steeds meer en meer van Gods heilzame geboden afgaan. Er mag gevloekt worden. Er mag genastigd worden.

En niemand die erop aan kan spreken. Niemand die de vinger erbij legt. Maar ons vaderland. Waar de Heere de reformatie heeft gegeven. Waar de Heere gewoond heeft. Zijn vuur en zijn haard steden gehad heeft. Nederland wat wel genoemd is. Het Israël van het Westen. Vanwege de Godsvrucht. Hier ook in Ouddorp.

Wat zijn er geoefende kinderen des Heeren geweest. En er is nog een overblijfsel, ja zeker. Maar hoe is het in ons land? 30.000 ongeboren mensenlevens worden omgebracht. Kinderen in de moederschool die niet kunnen schreeuwen om hulp. Maar wees eens eerlijk geliefden. Zijn we er niet een beetje aan gewend geraakt?

Dat daar een arts komt om het weg te nemen. Een land als we denken aan seksuele losbandigheid. Waar de zonden van Sodom en Gomorra aan de top gediend worden. In een land waar materialisme hoogte invoert. In een land waar veel ruzie is, vijandschap. Als het gaat over de kerken. Het is toch een wonder dat we hier nog zo samen mogen zijn.

Schaamteloos taal gebruikt mijn lieve toehoorder. Niet vrezen. De kerken. Die brengen het er beter af, denk ik. Of niet? Mijn lieve toehoorden, dat we toch zouden waken. Om dat pand ons toebetrouwd te bewaren. Want dan kan het wel zoeens zo heel hard gaan.

Zodat aanlezen wat er gebeurt. Hoe de kerken zijn in Nederland. Waar de vrouwen in het ambt mogen dienen. Homo-huwelijken worden aanvaard. En kerkelijk worden bevestigd. Kerken in Nederland. Kerken van de reformatie. Allerlei vernieuwingen op liturgisch gebied. Noem maar op. We zullen vanavond niet alles noemen.

Daarom zullen we niet vrezen. U zegt ik vrees wel. Als ik dat op alles zie. En ik lees bij Ezekiel. Dat Ezekiel de Knecht des Heeren. Die ziet de Heer op de drempel van het huis God staan. Van het heiligdom. En zou die grote God van onze vader en geliefde niet op de drempel staan van het heiligdom.

Hoe lang zal het nou duren of de Heere die neemt zijn kander af aan zijn plaats. En brengt hem naar andere landen. Waar de mensen in de rij staan. Om een Bijbel te mogen ontvangen. Om te lezen. Wat ik onlangs nog hoorde van de vervolgde kerk.

Waar de Bijbels werden gebracht. En op elf plaatsen in dat land. In het diepste geheim. Kwamen de mensen samen op dat woord te onderzoeken geliefd. Is er dan geen reden om te vrezen. Als we denken aan ons gezin. Onze gezinnen. Misschien zegt u ja ik heb een kind, een jongen of een meisje. Dat wil

niet meer naar de kerk. Dan zegt pa, ma het is me veel te zwaar. Ik stop ermee. U kunt zeggen wat u wilt. Maar ik leef maar één keer. Ja inderdaad, maar één keer. Maar na deze tijd is er geen tijd meer. In het gezin en in het persoonlijke leven.

Mag het nou gelden in uw leven. Wat nou de kern is van Psalm 46. En wat we nou door die hele psalm heen kunnen lezen. Daarom zullen wij niet vrezen. In het persoonlijke leven. Als de dood komt, want die komt. Kan maar zo ineens afgelopen zijn. Zo ineens een ongeluk of een ernstige ziekte.

Mag ik eens vragen, geliefde? Hebt u een borg voor uw schuld? Hebt u een God voor uw hart? Is uw schuld betaald? Kunt u rechtvaardig verschijnen voor God? We zijn nog in die korte spannende tijd op de aarde. De bruidegom die vertoeft nog om te komen.

Voelt u wel, geliefde, het woord van deze onbekende dichter? De diepte van de inhoud van dit woord. En dat Maarten Luther daar ook... Zoveel kracht uitgeput heeft. Daarom zullen wij niet vrezen. En misschien dat u zegt. Wat heeft die dichter daarvoor grond om dat te zeggen?

Want je kunt als mensen tegen elkaar zeggen. Nou ja, je moet maar niet zo bang zijn hoor. Een beetje vertrouwen moet je. Jawel, maar waarop? Op wie? Op de NAVO misschien? Of op andere wereldgroten? Nee, op God. Deze dichter die mocht een vaste burg hebben in God. En daarom in de tweede plaats de grond van dat vertrouwen. Daar staan er drie zaken. Hier worden drie woorden genoemd geliefde. Om die woorden samen eens wat te proeven vanavond.

Want in die drie woorden kunnen we zien wat de grond is van deze dichter. Hij zegt God is de toevlucht als het eerste. In de tweede plaats zegt hij. God is een sterkte. En in de derde plaats zegt hij. God is een hulp.

Wat een toevlucht is. Dat weten de kinderen wel. Dan zien we die kinderen. Dan zijn ze wat bang. En dan gaan ze naar moeder. Want een voorrecht als moeder. Er nog mag zijn in gezinnen. Wat een taak heeft dan zo'n moeder. In dat gezin. Dan komt dat kind bij moeder.

Om het vertroosten. Dat is wat hier gezegd wordt. Toevlucht. Ziet David, de man van Gods hart en de liefde in de Psalmen. Dan komt hij terecht in de Spilong van de Dullam. En tot hem kwam een ander man die benauwd was. Die schuldijster had en die zielbitterlijk bedroefd was. En David was zijn overste. Daar hebben ze een toevlucht in die Spilong van de Dullam.

Toevlucht. Denk erom. Je fietst in het open veld. En dan komt er een zware onweersbui aan. Die eendzwarte wolken die ze je aankomen. En je fietst. En net voordat de bui losbarst. Ben je thuis. Toevlucht. Je was bang. Zo was het ook met Maarten Luther jongens en meisjes.

Net voordat die grote regendroppels vallen ben je thuis. Voordat de onweer losbarst. Dan zien we in gedachten. Maarten Luther gaat in het jaar 1505. Vanuit zijn ouderlijk huis. Dan gaat hij naar Erfgoord. En dan wordt hij overvallen. Door een enorme onweersbui. Met de blikse, met de donder die slaat in naast hem.

Dan valt Luther verschrikt ter aarde. Hij vreesde. Vreesde voor zijn leven. En toen, toen heeft hij de Heere beloofd. Hij zegt Heer als ik hier doorheen kom. Dan zal ik beleven. In het klooster aan u geven. En dat heeft hij ook gedaan toen hij is het klooster in gegaan.

Augustijnenklooster, de Augustijnenorde. De Erfurt heeft hij gediend. God is ons een toevlucht. Wanneer heb je een toevlucht nodig? Als er gevaar is. En weet u wat nou de werkelijkheid is geliefden? Door onze diepe val in het paradijs. Door onze diepe val in Adam. Zien we helemaal geen gevaar.

Want de hebel die verkwikt ons niet. En de hel die verschrikt ons niet. Maar als de Heere naar doorgenade die zielzogen gaat openen. Dan ga je zien dat je een toevlucht nodig hebt. Dat we in gevaar zijn geliefden. Want als we sterven zoals we geboren zijn. Dan zullen we eeuwig weggeworpen worden. In die buitenste duisternis. Waar wening is en knessing de tanden. Dan gaan we die tijd benutten. Bij dagen en bij nachten.

Om een toevlucht te mogen zoeken. En waar zoeken Gods kinderen dan zo bij de aanvang hun toevlucht? Als de Heere het leven komt, wat gebeurt er dan? Ach, dan geeft de Heere liefde in het hart. En dan ga je de zonden haten. En dan ga je je leven reformeren. Dan ga je proberen toevlucht te zoeken. En je lezen en je bidden en je kerk gaan.

Dan ga je proberen om in een weg van eigen gerechtigheid. Met de Heere in het Rijnen te komen. En door je werken te gaan betalen. Wat een wonder geliefde. Als de Heere dat nou alles afneemt. En door te ontdekken de bediening van Gods Geest. Laat zien dat u geen vrucht bent in de eeuwigheid. Hier mocht de dichter zeggen. God is onze toevlucht. Dat is het eerste. En in de tweede plaats. En sterkte.

Want dan heb je sterkte nodig. Nou als je niet meer kunt. Als je oud geworden bent. Of je bent ziek. En je kunt zelf niet meer lopen. Wat ben je dan blij dat je in de arm genomen wordt. Dat er iemand is die je begeleidt. Dat er iemand is die je ondersteunt. Als je goed kan lopen en je bent krachtig. Dan heb je die sterke niet nodig. Maar wie heeft die sterkte nodig? Die onkracht is. Die geen eigen kracht erover heeft. En nu zegt hier de dichter. Nu is God ons tot het sterkte. We leunen op hem. Op die dierbare koning van zijn kerk. En in de derde plaats. Hij is krachtiglijk bevonden. Een hulp in benauwdheden.

Hulp als het benauwd wordt. Als het bang wordt. Die ervoor in de bres komt te staan. Maar misschien dat u nu vraagt. Hoe is dat dan mogelijk? Dat die dichter dat zegt. God is onze toevlucht en sterkte. Hij is krachtiglijk bevonden. Een hulp te zijn. In benauwdheden. Hoe komt dat? Dat God onze toevlucht en sterkte. En in benauwdheden ons nabij kan zijn. Hoe kan dat? Hoe is dat dan mogelijk? Voor zo'n Adams volk.

Wel geliefden. Dat komt niet door ons werken. Of door ons bidden. Wat er heeft God voor gezorgd. Dat is het geheim wat Maarten Luther door genade achtergekomen is. Toen hij worstelde met het woordje gerechtigheid. En wat dat nu was. En o mijn lieve toehoorder. Nu is er één geweest die vanuit dat eeuwige welbehagen een weg heeft ontsloten.

Waarin die vrederaad onderhandeld is. Hoe zal ik ze onder de kinderen zetten? En hoe zal ik ze tot een toevlucht en sterkte wezen? Hoe zal ik krachtiglijk in benauwdheden willen en kunnen ondersteunen? Toen heeft Christus, toen heeft die dierbare middelaar zichzelf een gegeven.

Eén geboren des vaders. Daarom heeft de apostel uitgeroepen. Zie hoe grote liefde ons de vader gegeven heeft. Omdat de kinderen godsgenaamd zouden mogen worden. Omdat die gezegende middelaar Gods en der mensen. Die de menselijke natuur heeft aangenomen. Die de broeder in alles gelijk geworden is. Die die ogen hemel verlaten heeft. En deze lage aarde heeft betreden. Die om onze zonde wil mijn lieve toren vervloekt is. En doornen en distelen voortbrengt.

Want waar komt die benauwdheid allemaal vandaan? En dat je geen kracht meer hebt. En dat de zorgen zijn, dat is allemaal om de zondige liefde. Maar nu heeft God gezorgd voor een schuilplaats. Gods enige geboren zoon. En in die schuilplaats, o eeuwig wonder.

Kan nou zo een benauwd verloren Adams kind toevlucht vinden. Voor de onbekende toekomst. Hoe het dan ook zal gaan. Hoe het dan ook zal tegenlopen. Om gestadig op zijn goedheid te mogen hopen. Daar heeft Jezaja naar gewezen. In hoofdstuk 32. De versen 1 en 2 zie.

Koning zal regeren. In gerechtigheid. En de vorsten zullen heersen. Naar recht. En die man. Zal zijn als een verberging tegen de wind. En een schaduw tegen de vloed. En een waterbeken in een dorpplaats. Als een schaduw van een zware rotsteen. In een dorstig land. Hoort u het?

Dat is de enigste manier geleden. Wat er dan ook voor rampen, voor en zorgen. Over je hoofd komen. Weet u. U moet een christen zijn. U moet in deze schouwplaats zijn. Die dierbare middelaar Gods en de mensen. En misschien dat u vanavond zegt. Ja maar hoe kom ik daar?

Daar heeft God zelf voor gezorgd. Dan komt die dierbare geest die van de vader en van de zoon uitgaat. Dat is die derde persoon in het goddelijke wezen geliefd. Maar dat is nou de gids. Voor dat arme Sion. Om ze nou te brengen. In die schouwplaats.

Als dit in het leven komt. En die wet in je leven gesteld wordt. Kent u het? Als je zelf gaat zien in die spiegel van de wet verlicht door de Heilige Geest. Dan ga je zelf zien zo God je zit. En hou je verlorenheid. En hou je zonden.

Gaan de zonden sparten. Omdat de Heere door de werking van zijn lieve Geest die liefde het hart schijnt. O God. Zal ik nog één dag tot uw eer kunnen leven. Ik ben nog zo'n doel, meester Heere. Ik kan het niet anders dan verzondigen. En dan gaat de Heere door de bediening van diezelfde gids. Van diezelfde Heilige Geest. Aan het einde van de wet brengen. En dat is Christus.

Maar de wet als een tuchtmeester in het leven gesteld wordt. Als een kenbron van onze allende. O, daar hoor ik die Samaritaanse vrouw. En ze zegt daarin sigar. Zie de mens die mij gezegd heeft. Alles wat ik gedaan heb. Dan gaat dat zonder register open gelieven. En dan gaat de Heere door de bediening van de Heilige Geest terugleiden. Het is niet alleen dit kwaad wat roept om straf. Het is niet alleen de zonde van vandaag en van gisteren en van eeuwig gisteren. Maar je bent die zonde ontvangen. Het kleinste begin. In de moederschoot. Dat is een zonde. En je bent negen maanden later in ongerechtigheid geboren. En je bent een kind des toorns. Van het uur van je opvangenis af. Welbelieve toehoorden. Dan wordt het een verloren zaak.

Dan gaat de Heere leren. Dat je door de werken der wet. Nimmer verzoend kunt worden. Met God. En dat is nou de plaats. Van de Heere Breit. O zalig is het om niets te wezen in het eigen oog voor God. Daar gaan ze bukken. Daar gaan ze buigen. Daar hoor ik een kerber. Erkent mijn schuld, Heere, die u tot straf bewoog. En uw doel is rein en uw vond is gans rechtvaardig. En dan komt hij, die diebare middelaar, die niet gekomen is om gediend te worden. Nee, niet door de werkende wet, hoor, nee. Waarom te dienen? Dan gaat voor Jacob de hemel open. Toen die datum Bertel was als een uitgewerkte zondag. De hemel open. Dan gaat de Heere een ladder stellen. Van de hemel naar de aarde. Niet andersom hoor, nee.

Niet andersom. Die schuilplaats, kent u hem. Worden de slaren geraakt in je hart als het gaat over deze Jezus. Waar de bruid van zegt, zulkeen is mijn liefste. Zulkeen is mijn vriend. De dochteren van Jeruzalem. En als dat geloof in beoefening is, mijn lieve toehoorder. Dan ga je iets verstaan van Psalm 46. Van dat Lutherlied. Daarom zullen we niet vrezen. Hoe het dan ook zal tegenlopen.

Gestadig op zijn goedheid loop hopen. Maar de tijd is voortskoord. Ik denk aan de oorlog kinderen. Jongelui. We hebben dat niet meegemaakt. Maar er zijn er die het wel hebben meegemaakt. Die er de verhalen over gehoord hebben. En dan ging het luchtalarm. Dan kwamen de bommenwerpers.

En dan moesten de mensen rennen naar een schuilplaats. Om veilig te zijn als de bommen vliegen. Dat is wat geweest. Rotterdam gebombardeerd. Want wie kreeg die schuilplaats waarde? Nou als die bommenwerpers in de lucht waren. Maar toen was het zo geliefd. En dan, als

dan dat luchtalarm ging. Dan gingen al die mensen naar die schuilplaats. Dat heb ik wel eens gehoord van ouderen. Die dat meegemaakt hebben in Rotterdam. Die zeiden ja. En dan kon het zo zijn, dan was die schouwplaats vol. Dan kon je er niet in. Dan

was je nog in gevaar. Wel geliefden. Het is nog de genadentijd. Het is nog de dag der zaligheid. Maar de deur is nog niet op het nachtslot. Want als we wachten. En we stellen het uit. Dan is het als die dwaanzemachten. Ze gingen om nog wat olie te kopen. Maar het was te laat. En ze hebben gebonst op die deur. Doe ons open, doe ons open.

Maar het was te laat. Voor eeuwig te laat. En daarom, mijn lieve toehoorder, stijf nu toch eens voor dat die deuren gesloten zijn. En je hele leven gezegd hebt. Ja, maar kijk, ik zal het nog wel uitstellen. Maar nu ben ik nog te druk. Ik ben nu nog te jong.

En ik ben nu nog, ja. Iedereen heeft een weg die hem recht scheidt. Maar de Heere zegt. Bekeert u, bekeert u. Want waarom zou het gestorven en niet leven. En weet u wat het is geliefde ten diepste. We hebben er geen zin in.

De wereld die trekt. En het vervult ons hart. Weet u geliefde. Als de Heere dat stenen hart nou wegneemt. En ach vraag dan toch Heere. Ach zou u toch willen schenken. Wat ik mis. Zoals Augustine zei. Heere schenkt u toch wat u van me vraagt.

Dan zal ik u geven wat u vraagt. Het eenzijdige werk. Maar de tijd is voortskort. En als we doorgaan op onze eigen wegen geliefden. Dan zal de eeuwigheid onze nacht baan. Dan zal de Heere zeggen. Ik zal spotten in hun verderf. Ik zal lachen wanneer hun vrezen komen.

Laat de Heere ons nog prediken. Bekeer het u, bekeer het u. Misschien je hele leven die roepstemmen als je neergelegd. Hartsebooggebinden. Heden zocht hij zijn stemhoor. Verhard u. Maar laat u lijden. U moet in Christus zijn. Volk des Heeren, wat een wonder. Gezocht in eigen kracht.

Zoveel beloofd in uw leven, jazeker. Maar met de belofte de schuld alleen maar groter gemaakt. Maar wat een wonder toen alle hulp en alle hoop je gans ontviel. En niemand zorgde voor je ziel. Toen je oversteld was door ellend. Toen heeft God je pad gekend. Dan zie ik die hedders in het veld. De professie had er zo lang gezwegen. Het was zo donker.

Zou er naar Gods beloftenis een imberaar vervulling missen? En dan gaat de hemel open. En dan gaat de Heere spreken. Door middel van de engelen. O, die engel die brengt die blijde boodschap. Dat uw Hede geboren is de zaligmaker. Als de Hede door de tralie van het woord gaat toen zien op die heilige ruil. Die verlossen gang. Geen andere gang in het leven. Dan is er iets. Heere geef me toch Jezus of ik sterf. Want buiten Jezus is geen leven. Maar een eeuwig zielsverderf. En ook naar ontvangende genade. Maar kan die ziel toch ook weer in de stormen terechtkomen.

Wat is het dan een wonder als daar iets mag zijn. Daarom zullen we niet vrezen. Het was bij de discipen wel anders geliezen. Ze hadden zo genoten. Ze hadden uit mogen delen wat de meeste vermenigvuldigd had. Vijf broodjes en twee visjes. En ze dachten, ze hadden zo'n aardse koninkrijksverwachting. Maar de heer die dwingt zijn schip te gaan. Dan krijgen ze alles tegen. Jezus die blijft op de berg om te bidden. En in die donkere nacht, wat gebeurt er dan? Steekt de storm op.

Zitten ze daar, ze pakken de roeiriemen. En ze kijken maar naar beneden. En ze hebben geroeid en geroeid om in Bethsaida te komen, gelieve. Maar ze konden er niet komen. En zo is er een volk dat komt naar de meester. Grote zaken in het leven toch zoveel in het donker terecht.

En dan waren ze toch zo bang. Ze waren toch zo bang dat ze zouden verdrinken. Want Jezus was niet bij hen na alles wat er gebeurd was. Maar weet u wat zij niet zagen? Dat is het wonder van de Heere. Daar was die hoge priester. Die was op de berg om te bidden. En die ziet daar in de diepte in de nacht zijn kinderen. En daarom zullen ze niet vrezen.

Omdat die grote hoge priester. Omdat ze in dat gebed zijn begrepen. En wat gebeurt er dan? Er is niemand die meer op rekenen kan. In de vierde nacht waken. En dan is de nacht op het donkerste. Dan wordt er geen ster meer gezien. Wordt de maan niet meer gezien. En dan in het scheepje. Een hoge gol van een aarde donker. En je kunt elkaar niet meer zien. Maar dan, dan zetten borgende zaligmakers hun voet op het onmogelijke. Wat bij de mensen onmogelijk is, mijn lieve toehoorden, dat is mogelijk. En ook in de nadere oefeningen. Daar komt hij in de nacht.

En daar wil hij voorbij gaan. En dan gaan diezelfde discipelen die zojuist, nog niet zo lang geleden, die broodjes mochten uitdelen, die de Heere vermenigvuldigde met die vis. Die onderwezen zijn aan de voeten des Heeren. Wat zeggen die? Het is een spooksel. En ze schreeuwden van vrees.

Maar dan gaat de Heere spreken. Vrees niet. God is onze sterkte. Vrees niet. En hij bestrafte de wind en de golven zwegen stil. Hij spreekt en het is er. Hij gebiedt en het staat er. O, mijn lieve toehoorder. Om de riempjes eens binnenboot te halen.

Omdat het bootje zou mogen varen op het water van Gods vrije genade. God is onze toevlucht. En sterkte u ook. Is het ook uw toevlucht, jongens, meisjes. Hij is krachtiglijk bevonden. Een hoop in benauwdheden. En mijn lieve toehoorden, wat kunnen dat benauwdheden zijn? Je moet maar bij de dokter komen. En die dokter heeft een zeer ernstige boodschap. Er moet maar wat gebeuren in je gezin. Benauwdheden. Maar om wel krachtig luk zijn hulp te mogen ervaren. Nou ja, dat was de grond van deze dichter. In Sion.

Koning van de kerk. Die nou is een grote liefde. Zich ontfermt over de zijnen. Die mogen weten. Want dat gaat de Heere ze bekendmaken. Ik heb u in beide handpalmen gegaveerd. En uw muren zijn steeds voor mij. Daar mogen ze het geloof zeggen. Daar liggen ze op sterrenbed. En daar mag Jacob zijn voetjes bij elkaar leggen. En zeggen ik reis af. God is mijn hulp en mijn sterkte. Daar mogen Gods kinderen binnenkomen. Kracht en geluk bevonden. Hulp en benauwdheid. Die gewisse hulp. Maar ook die vrucht. De grond van het vertrouwen. En de vrucht. In de derde plaats. We gaan eerst zingen onze tussenzang. Psalm 118.

Versen 8 en 11. Gods rechterhand. Dat is hoog verhevend. Dat is Heere sterke rechterhand. Doe door haar daan de wereld beven. Hou door haar kracht. Gods volk is stand. En wat er verder valt in elfde van Psalm 118. De

♪ Gezang

vaste burcht voor Gods kinderen. We overdachten in de eerste plaats de sterkte in dat vertrouwen. God is onze toevlucht. Daarom zullen we niet vrezen. Omdat God er zelf voor gezorgd heeft. Omdat een Adam niet door genade ziel niet kan worden. En daarom die grond van dat vertrouwen. Mijn lieve toehoorden. Wat is nou onze grond? Wat is onze grond waarop we reizen? Is dat wat eigen werk? Wat gevoel misschien?

Misschien dat je lid bent van de kerk. De oude waarden toegedaan. Allemaal goed natuurlijk. Maar weet u geliefde. We moeten in Christus zijn. En alles van de mens dat verdwijnt. De Heere die doet een afgesneden zaak op deze aarde. En daar was Maarten Luther ook zo achter gekomen. Wat een voorrecht, wat een wonder. Als die ziel erachter komt. Genade alleen. En daarom die grond. Maar ook in de derde plaats die vrucht van dat vertrouwen. En nu gaat die dichter zeggen wat daar de vrucht is. Daarom zegt hij.

Zullen wij niet vrezen. Al veranderde de aard haar plaats. En al werden de bergen verzet in het hart van de zeeën. Omdat God onze toevlucht is, zegt die dichter. Daarom zullen we niet vrezen. En dat noemt die dichter ingrijpende zaken. Sommigen denken dat het beeldspraak is.

Zoals wij wel eens zeggen tegen elkaar als het gaat over wereldschokkende gebeurtenissen. Of dat er iets gebeurt in je persoonlijke leven. Dat mensen zeggen. Mijn hele wereld stort in. Dat is natuurlijk letterlijk niet zo. Maar voor je gevoel dan. In grijpend sterfgeval. Kunnen gebeurtenissen zijn in je leven.

Net of de wereld instort. Zul je kind maar verliezen. Je vrouw maar verliezen. Of je man. Of andere zorgen in het leven met kinderen. Of dat de wereld instort. Mijn lieve toehoorder. Als dat nou gebeurt, wat is de wereld dan toch naamloos arm? Als je nou geen toevlucht hebt. Als

de momenten zijn dat het erom gaat spannen. Is de wereld toch arm? Of veranderde de aarde haar plaats? Of werden de bergen verzet in het hart der zee? Als crisis wordt. Als er rampen plaatsvinden. Dan merk je hoe arm de wereld is. Wat zie je dan gebeuren?

Nou ja, dan zie je mensen samenkomen om een kaasje te branden. Om een stille tocht te doen en noem maar op. Ja, die tijd met het slachtoffer. Wat je nou niet meer hebt. Als alles wegvalt. Als mijn godsdienstige opvoeding wegvalt. Als mijn degelijke leven geen stand meer houdt. Wat dan? Wel

gelieven. Daar is er een volk op aarde. Die mag in die omstandigheden weten. Wat het dan zo God heeft. Zo was het ook met Maarten Luther. Daar ging hij. Psalm 46. Hij zegt. Als mijn psalm inlangt. Dan zullen we hem nog samen zingen.

God is ons een toevlucht. En daar ging hij. Dat was zijn reislied. En sterkte. Hij is krachtiglijk bevonden. Een hulp te zijn. In benauwdheid. En die God. Die mag u nog gepredikt worden. En ik hoop het niet. Maar er kunnen in het leven schokkende dingen gebeuren.

Waar Jos Waleva zegt, daar gaat mijn wereld ondersteboven. Maar met die God, mijn lieve toehoorder, kunt u doorheen. En dan zeg ik niet dat je geen verdriet zal hebben, nee. En dan zeg ik niet dat je geen pijn kunt hebben, nee. Of ernstig ziek, nee. Maar met die God. En

als daar iets van beoefend wordt. Hij is krachtiglijk bevonden. Hulp te zijn de benauwdheden. Dan is er maar één toevlucht, mijn lieve toehoorder. Dat is God in Christus en anders niet. En alles valt weg. Maar de vrucht van dat vertrouwen in die gezegende middelaar Gods. En dan

staat het hier. Al veranderde de aarde haar plaats. En al werden de bergen verzet in het hart van de zee. Mijn lieve toehoorder. Er zal er een dag komen. Er zal er letterlijk gebeuren wat hier staat. De bergen zullen omvallen. Dan zal de dag der dagen daar zijn.

Dan zal alles in de brand staan. Dan zal de ganse schepping vergaan. Dan zal de Heere scheppen nieuwe hemel en nieuwe aarde. Waarop gerechtigheid zal wonen. En dan zal de bergen gaan vallen. Als de maan met een zak bekleed wordt. Als de zon als bloed wordt en de elementen brandende zullen vergaan. Waar zal dan uw sterkte zijn?

Als de mensen zullen roepen die buiten Christus zijn. Bergen valt op ons en heuvelen bedekt ons. Voor het aangezicht voor hem die op de troon is. Maar er is toch een volk dat mag zingen hem tegemoets gaan. Daarom zullen we niet vrezen. En wanneer hoef je dan niet te vrezen, mijn lieve toegeler. Als God je toevlucht is. En je sterkte. Om het dan niet van mensen te verwachten. Want hun geest gaat uit. Ze keren weder tot de aarde.

Dezelfde dagen vergaan zijn. Aanslagen. Maar God is ons een toevlucht. In tijden van benauwdheid. Welgeliefde. Die kerk die mag ergens op terugvallen. Waar valt die kerk dan op terug? Op hetgeen wat God gesproken heeft. Gedenk aan het woord Heere. Gesproken aan uw krijt. Waarop gij hem, waarop gij haar verwachting hebt gegeven. God is onze toevlucht en sterkte. Hij is krachtiglijk bevonden. Een hulp in benauwdheid. Als ze bang zijn, ja. Als de ziel verscheurd wordt in zielsverdriet. Boze. Die nachten van het leven weten wat ze aan hun God hebben. Als die vriend van middernacht komt springen op de bergen en huppelen op de heuvelen.

God is onze sterk toevlucht. Verander daar naar plaats. En als we dan nog onbekeerd zijn. Wat is dan onze toevlucht? Wat mogen we nou zeggen geliefde? Ja, dan leef je voor eigen rekening. Dan heb je geen toevlucht. Maar het is nog de genadentijd. Het is nog de dag der zalen. En nu hebben we die dierbare Jezus nodig. Die naar alles voor zijn kerk doet. Dat is een les. Dat moest Martha leren te Bethanië. Dan wilden de Heere met zijn discipelen onder het huisdak komen. Wat een wonder. Als die dierbare toevlucht onder je huisdak wilt komen. Dan is die gekomen te Bethanië. Het huis van Martha, Maria en Lazarus. En dan zien we Marta, kindersheer en onzeker. Die zien we gaan dienen. Vanuit de liefde van het hart. Want dan moest het best op tafel komen voor de meester.

Vanuit die liefde, jawel. En dan gaan ze in de keuken en ze is bezig. En Maria, dan zit ze aan de voeten van Jezus. Daar onderwijst de Heer Jezus zijn discipelen. En Maria mag erbij zijn aan zijn gezegende voeten. En daar wordt de rust geschonken, mijn lieve toer. Daar wordt het vette van zijn huis gesmaakt. En een volle beheer van welheus die maakt. Hier elke liefde dronken. En aan de voeten des Heeren hoef je het niet meer voor jezelf op te nemen. Er wordt zwijgen geleerd. En daar komt Martha. En ze zegt. Meester, gaat u dan niet aan dat mijn zuster mij alleen laat dienen?

Dan moest de meester gaan zeggen. Maria, eerst maar eens samen met je gaan werken. Maar dan krijgt Marta onderwijs. Marta, Marta. Gij bekomt en ontrust u over vele dingen. Maar één ding is nodig. En Maria heeft het goede deel uitgekozen. Het welk voor van haar niet zal worden weggenomen. En wat is dan dat goede deel, mijn lieve toerder? Al nou is een geheel uitgewerkte zondaar. Met de code van veroordeling op de hals. Aan zijn verzegende voeten. Om bewezen te mogen worden. En nog zalig te worden. Ach, de betere plaats is de niets. Om te mogen ervaren. God is onze toevlucht. En sterkte. Hij is krachtiglijk bevonden. Een hulp in benauwdheid. En dan. Dan gaat hij met de moeder. Een woord. Terechtere tijd spreken. Gij bekomert en ontrust u over vele dingen. Zo kan het ook zijn in het leven.

Je bekomert je wat er in de wereld gebeurt. In ons vaderland, in de kerk, in je gezin, in je persoonlijke leven. Waarom dan zijn gezegenen voeten mogen komen. De Heere volvoedt zijn hart. En die kerk die zal bekomen. En de Heere die gaat ze thuishalen. Daarin, daarin, daarin. En ze worden afgelost. En ze zijn verlost. En zijn er nog die in Sion geboren worden. Hier misschien een jongen of een meisje. Hier in deze kerk. Hier in de andere kerk. Andere kerken.

Deze en die. De Heere zendt zijn knechten uit. Om te spreken. Dat er nog een weg is en een middel. Om die dierbare prediking van de bediening en de verzoening te mogen prediken. Het woord van de reformatie. Het woord van de apostelen. Het woord. Wat was zoveel jaren als een pand ons.

Geschonken is en wat ons is toebetrouwd. Dat woord. Dat kan wijsmaken. Tot de zaligheid. Welgeliefde. We gaan eindigen. We hebben gesproken over vrezen. Daarom. Dat had grond. Daarom zullen we niet vrezen. Als daar iets van mag zijn in het leven. Als je iets in beoefening wil schenken. Wie die schuilplaats nou is. Dan vrees je niet. Nee.

Want het geloof is geen twijfel. Wel in de gelovigen, jawel. Maar het geloof niet. En als de Heere dat geloof nog eens weer schijnt. Doe u niet te twijfelen. Daar mag je het zeggen. Niet alleen voor anderen. Maar ook voor mij. En als dan de dood komt.

Daarom zullen we niet vrezen. Dat er een kerk is die ligt voor rekening van een ander. En daar mogen ze deze aardse woestijn verlaten. En daar zie ik ze ingaan in die rust. Die de roven blijft voor die ganse kerk. Johannes op Padmos. Daar ging de hemel open. Daar kon de helm niet tegenaan. Daar kon de duivel niet tegenaan. Maar op de dag des Heeren. Daar ziet hij. O die scharen. Die niemand kan. Dat alle geslachtentalen naar zien. En tongen. Voor de troon. Hoe is dat mogelijk? Voor die troon vol majesteit. Waar de heilige engelen hun aangezichten bedekken. Uitroepen de heilig. Heilig, heilig is de Heere. De heirscharen. Hoe is dat mogelijk? Mijn lieve jongens, meisjes, katten, gezanten. God is onze toevracht in Christus. Want daar in het midden van de troon was Christus. Die dierbare middelaar staande als geslacht.

Hij heeft zichzelf tot in de dood willen vernederen. En dat voor vloekwaardigen. Om ze op te halen uit de monden der zonden. Om als een uitgewerkte zondaar. Door hem gezaligd te mogen worden. Ach, dat is de weg. De Heere die schenkt het. Om in de profetische bediening onderwezen te mogen worden. Maar ook dat de plaats komt voor de hoge priesterlijke arbeid. Om allerlei vertroosting te vinden in zijn gezegende wonden. Om te mogen ervaren dat hij regeert. En in de koninklijke bediening zijn kerk verzadigt. En verzamelt daar Jood en Heiden. En ze begeleidt. De poorten der helden zullen ze niet overweldigen. Door deze aardse woestijn. En ze zullen komen in dat Israël wat hierboven is. Die Godstad. Waar ook Psalm 46 van gezongen heeft. Die Godstad.

Daar heeft de Heere Jezus van gezegd. Ik ga heen om uw plaats te bereiden. In het huis van mijn vader zijn er vele woningen. Anderszins, zo zal ik het u gezegd hebben. En nu zijn er al veel woningen die zijn bezet. Maar er zijn nog van die woningen leeg. De Heere die schenken. Dat we daar een woning zouden mogen ontvangen. En als dan die aardse tabernakel wordt afgebroken.

Met ouder worden als je... Geen kracht die je meer hebt als je leunen moet. Je wordt benauwd. Je vreest voor de hoogtes. Om het dan te mogen weten. Een huis. Niet met handen gemaakt. Maar eeuwiglijk in de hemel. Dat geven de Heeren door zijn lieve geest. Amen.

Eindigen met gebed. O Heere. Wat is dat een gelukkig volk. Wat daf leert zien van zichzelf. Wat daf leert zien van mensen. Wat afleert zien van eigen werken. En alles wat me zo ballast is op reis naar die grote godsvermoeting. Om nou als een Maria aan de voeten des Heeren onderwezen te mogen worden. Wat de Heere gaat spreken. Maria heeft het goede deel uitgekozen. Terwijl ik van haar niet zal worden weggenomen. Als een uitgewerkte zondaar. Aan de voeten van Jezus onderwezen te worden. Hoe u nog zalig kunt worden. Wat een weg. Wat een wonder. Zou u de napredeke willen zijn, Heere. Zou u willen denken met de broeders Kerkendraap. Met de eigenherder en leraar van ook deze gemeente. En ook de andere gemeenten, Heere. Zou u nog wonderen willen doen. Ook onder jonge mensen. Er komt zoveel op en af, Heere.

Het zwijn uit het woud probeert alles te verwoesten. Maar dat er zo mogen wezen ook voor hen. God is onze schuilplaats. God is onze sterkte. Het dank voor uw hulp. Bewaar als we weer van hier gaan op weg naar huis. Maak uw opwachting in eenzaamheid. Verdenk die in droefheid. En die ledige plaatsen onder het huisdak moeten waarnemen. Ach Heere, dat we zo mogen zijn wel eenzaam. Maar met uw gemeenzaam. Om Jezus wil. Amen.

We zingen tot slot van Psalm 124. En dan van de versen 1 en 4. Laat Israël nu zeggen blij van geest. Indien de Heere die bij ons is geweest. Indien de Heere die ons heeft bijgestaan. Toen ons Heeren aanval werd gevreesd. Niet had gered. We waren lang vergaan. En wat er verder volgt. In het vierde van Psalm 124 onze slotzang.

♪ Gezang

Haartans heen in vrede. Dragende de zegen des Heeren. De Heere zegene u en hij behoede u. De Heere doe zijn aangezicht over u licht en er zij u genadig. De Heere verheffe Zijn aangezicht over u. En geef u vrede. Amen.

♪ Gezang