PrekenHHG Ouddorp

HC Zondag 46; De aanspraak in het aller volmaakste gebed

18:30 uurAvonddienstDs. R. van de Kamp101 min
Nog niet gestart Kanttekeningen 1

Transcript

♪ Gezang

Onze hulp en onze verwachting is in de Naam des Heeren. Die hemel en aarde gemaakt heeft. Die trouw houdt van geslacht tot geslachten. Die leeft tot in de eeuwigheid. En die niet laat varen de werken van zijn handen. Amen. Genade zij u en vrede van hem die is en die was en die komen zal. En van de zeven geesten die voor zijn troon zijn. En van Jezus Christus die de getrouwe getuige is. De eerstgeborene uit de doden. En de overste van de koningen der aarde. Amen. Kom

gemeente laten wij met elkaar zingen uit Psalm 33 het 11e vers. Laat ons al om zijn lof ontvouwen. In hem verblijt zich ons gemoed. Omdat we op zijn naam vertrouwen. Die naam zo heilig, groot en goed. En wat er verder volgt. Elfde of laatste vers uit Psalm 33.

♪ Gezang

Vanavond met de kerk van alle tijden en alle plaatsen. Beleidenis van ons algemeen en ongetwijfeld christelijk geloof. Met de woorden van de twaalf artikelen. En zingen daarna uit Psalm 61 het zevende vers. Ik zal dan door mijn blijde galmen. Door mijn psalmen loven. Uwe majesteit. En wat verder volgt. Zevende of laatste vers. Uit Psalm 61. Na de beleidenis van het geloof. En een ieder van u. Spreken met mij in zijn of haar hart. Al dus. Ik geloof in God. De Vader. De Almachtige. Schepper des hemels en der aarde. En in Jezus Christus zijn enige geboren zoon. Onze Heere. Die ontvangen is van de Heilige Geest. Geboren uit de maagd Maria. Die geleden heeft onder Pontius Pilatus is gekruisigd. Gestorven en begraven. Nedergedaald ter helle. Ten derde dagen wederom opgestaan uit de doden. Opgevaren ten hemel.

Zittende ter rechterhand Gods. Des almachtige vaders van waar hij komen zal. Om te oordelen. De levende. En de doden. Ik geloof in de Heilige Geest. Ik geloof één heilige algemene christelijke kerk. De gemeenschap der heiligen. Vergeving der zonden. Wederopstanding des vleesers. En een eeuwig leven. Amen.

♪ Gezang

Schriftlezing opgetekend in het evangelie. Naar de beschrijving van Lukas. En we lezen daar het elfde hoofdstuk. Te beginnen bij vers 1 tot vers 13. Dus de schriftlezing voor vanavond is Lukas 11. Vanaf vers 1 tot 13. En het geschiedde toen hij in een zekere plaats was. Bidende. Als hij ophield dat een van zijn discipelen tot hem zei. Heere leer ons bidden. Gelijk ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft. En hij zei tot hen. Wanneer gij bidt zo zegt onze Vader die in de hemelen zuidt. Uw naam worden geheiligd. Uw koninkrijk komen. U wil geschieden gelijk in de hemel. Al zo ook op de aarde. Geef ons elke dag ons dagelijks brood. En vergeef ons onze zonden. Want ook wij vergeven aan een iegelijk die ons schuldig is. En leid ons niet in verzoeking. Maar verlos ons van de boze.

En hij zei tot hen. Wie van u zal een vriend hebben? En zal de middernacht tot hem gaan. En tot hem zeggen. Vriend, leen mij drie broden. Al vermits mijn vriend van de reis tot mij gekomen is. En ik heb niets dat ik hem voorzette. En dat hij van binnen antwoordende zou zeggen. Doe mij geen moeite aan. De deur is nu gesloten. En mijn kinderen zijn met mij in de slaapkamer. Ik kan niet opstaan om u te geven. Ik zeg u lieden. Hoewel hij niet zou opstaan en hem geven. Omdat hij zijn vriend is. Nogthans om zijn er onbeschaamdheid wil. Zal hij opstaan. En hem geven zoveel als hij er behoeft. En ik zeg jullie de bid. En u zal gegeven worden. Zoekt en gij zult vinden. Klopt en u zal opengedaan worden. Want een iegelijk die bid.

Die ontvangt en die zoekt. Die vindt en die klopt. Die zal opengedaan worden. En wat vader onder u. Die de zoon om brood bidt zal hem een steen geven. Of ook om een vis zal hem voor een vis een slang geven. Of zo hij ook om een ei zou bidden zal hij hem een schorpioen geven. Indien dan gij die boosheid weet uw kinderen goede gaven te geven. Hoeveel te meer zal de hemelse vader de heilige geest geven. Degene die hem bidden. Tot zover de schriftlezing. Laten wij nu de eerste Heere vragen om zijn onmisbare zegen. Laten wij bidden. U

bent de grote, de almachtige, de barmhartige God en Vader. En dat door het volbrachte werk van uw Zoon kunt u gemeenschap hebben met zondaren die u als kinderen Als kinderen en als erfgenamen. En dat wonder, Heere, dat hebben wij allen persoonlijk nodig. Dat wonder van de wedergeboorte werkt in ons alle leven. En opdat wij u zouden kennen, recht zouden kennen.

Want dan pas is er ook het ware gebed tot u. Als wij uw recht kennen. En als wij onze nood kennen. En onze nood is toch Heere dat wij van u zijn afgeweken. En daarom het steeds weer verkeerd doen. Steeds weer uw geboden overtreden. Niet zijn wie wij zijn moeten. En daarom is uw genade nodig.

Heere. Werk dan nog onder ons in de gemeente. En breidt uw Koninkrijk nog uit, Heere. Verheerlijk uw woord. Dat woord dat u aan uw Zoon gegeven hebt. En uw Zoon heeft het meegedicht. En daarom hebben wij nodig. De krachtige doorwerking van uw Heilige Geest. Onthoud ons die niet, Heere. In het spreken niet en in het luisteren niet. En omdat wij u zullen aanroepen. Als onze Vader die in de hemelen zijt.

En als het ons uitgelegd wordt Heere vanavond. Wat dat betekent. Achtervolg het ook met uw zegen. En dat het ons niet meer zou loslaten. U hebt het bevolen. U vordert dat van ons. Dat we zo bidden tot u. Zo u aanroepen. Heere, dan kan het voor ons veel te hoog zijn.

Dan kan het voor ons te groot zijn. Onbegrijpelijk. Dat u ons aannemen wilt als uw kinderen. En daarom, Heere, hebben we nodig de verlichting van uw Heilige Geest. En dat we het gaan erkennen. Dat wij zondaar zijn. Maar dat we de toevlucht zouden nemen tot uw zoon. Heere werk het nog. In ons alle leven. Wie we ook zijn Heere. Of wat we ook zijn.

Dan kan het moeilijk zijn. Er kunnen beperkingen zijn. Lichamelijk of psychisch. We kunnen voor een tijd lang rust hebben. Zo dragen we ook de bewoners. Van de oase aan u op, Heere. De bewoners van de vijver. Geef wat nodig is om telkens weer het alleen van u te verwachten. We hebben het gehoord vanmorgen. Er is verwachting voor onze nakomelingen. Want u gaat door, Heere. En u vergadert zich uit het ganse menselijke geslacht. Een gemeente ten eeuwige leven.

En daarom komen we tot u Heere. Als satan rondgaat als een briesende leeuw. Als ons land meer en meer wegzinkt in een modern heidendom. Daar u de levende God bent Heere. Wordt de dood verheerlijkt. Wordt er een feestje van gemaakt. En Heere bewaar ons land en volk. Maar bewaar ook ons. En dat wij niet bezet zullen worden door occulte machten. Ons niet op dat vlak begeven zullen. Daar niet mee spelen zullen. Alsof het iets onschuldigs is.

Maar Heere werkt nog. Door uw geest. En ontdekt nog. We zeggen uw naam dank Heere. Dat u daarom uw kerk bewaart. Maar ook vermeerdert. En dat u daarom dat wondere werk van de reformatie gegeven hebt. Heere geef dan wat nodig is. Heere om het te zien. Om het te erkennen. En dat het uw hand is. Die uw kerk bewaart.

Geef een ieder wat nodig is. Als een operatie staat te wachten. Als er onderzoeken lopen. Als er dingen gebeuren. Heere die wij niet verwacht hebben. Om nou telkens uw hand daarin te zien. Verlevendig uw kerk. Zo verdeeld en verward, Heere. Maar werkt nog en breidt uw koninkrijk uit. In ons land en buiten ons land. Werkt nog onder het Joodse volk, Heere. Breng nog tot bekering. Omdat ze Jezus de Nazarener erkennen zullen.

En zo dragen we deze wereld aan u op. Die bloed uit duizend wonden. Op zoveel plaatsen, Heere, waar uw woord nog niet heeft geklonken. Maar ook op zoveel plaatsen waar uw woord wel klinkt. Maar ook dat het ook kracht doet. Tot de eer en de verheerlijking van uw grote naam. We hebben veel van u te vragen, Heere. Gedenk zo. Naar de grootheid van uw genade ook onze regering.

Als er ook in deze week een beslissing genomen moet worden. Heere verhoed het genadig. Dat er goddeloze wetten worden aangenomen. Maar misschien moet het ook wel. Want u straft de zonde ook met zonde. En daarom Heere opdat we het erkennen zullen. Dat u de levende God bent.

Werk dan nog krachtig. Uw grote naam ter eer. Dat bidden wij van u. Om Christus wil alleen. Amen. Namens uw kerkenraad zijn er nog de volgende afkondigingen. Woensdag 28 oktober is er een gezamenlijke kerkdienst met de gereformeerde gemeente. Deze dienst zal staan in het teken van de reformatie. En in deze dienst zal dominee W. Mouw uit Opheusden voorgaan. En vangt aan om half acht.

Zaterdagavond 31 oktober is er in de kerk een psalmzangavond. En deze staat in het teken van hervormingsdag. De aanvang daarvan is eveneens half acht. Van de genoemde voornemens geldt zo de Heere wil. En wij leven. In de dienst der offeranden worden van u een drietal gaven gevraagd. De eerste collect is bestemd voor zondagsschool het mosterdzaadje. De tweede voor de kerkvoogdij. En de derde voor de aflossing van de kerk. Alle drie de collecten worden hartelijk in die milddadigheid aanbevolen. De Heere heeft een blijmoedige gegeven lief. Wij gaan zingen met elkaar uit het gebed des Heeren.

En wij zingen daarvan het eerste, het tweede en ook het tiende vers. Uit het gebed des Heeren. Het eerste vers. O Allerhoogste Majesteit. Het tweede vers. Geheiligd wordt uw naam. En ook het tiende vers. Ja, amen. Trouwe Vader. Ja, wij maken staat op uw genaam. Wij noemden u het eerste, tweede en tiende vers. Uit het gebed des Heeren.

♪ Gezang

Gemeente aan de beurt is zondag 46. De vragen 120 en 121. En dan wordt er gevraagd in vraag 120. Waarom heeft ons Christus geboden. God al zo aan te spreken. Onze Vader. Antwoord op dat hij van stonden aan. In het begin ons gebed. In ons de kinderlijke vrezen. En toevoorzicht tot God verwekken. Welke beide de grond ons gebed zijn. Namelijk dat God onze vader door Christus geworden is. En dat hij ons veel minder afslaan zal. Hetgeen dat wij hem met een recht geloof bieden. Dan onze vaders onze aardse dingen ons zeggen.

Waarom wordt hierbij gevoegd die in de hemelen zijn? Antwoord op dat wij van de hemelse majesteit Gods niet aards gedenken. En van zijn almachtigheid alle noodruf des lichaams en der ziel verwachten. Tot zover zondag 46. En wij worden door zondag 46 bepaald bij de aanspraak. In het aller volmaakste gebed. De aanspraak in het aller volmaakste gebed. Een drietal gedachten. Wij staan in de eerste plaats stil bij de nabijheid. Ten tweede bij de vastheid. En ten derde bij de verafheid. De aanspraak in het aller volmaakste gebed. In de eerste plaats de nabijheid. Ten tweede de vastheid. En ten derde de verafheid.

Gemeente, wij hebben de vorige keer gezien bij zondag 45. Dat het gebed als het ware ligt in het verlengde van het gebod. En eigenlijk is ook het gebed een gebod. Hoewel het het voornaamste stuk van de dankbaarheid is. Gebied de Heere ons ook tot hem. En wij hebben vaak een heel verlanglijstje van dingen die we graag zouden willen. Maar ten diepste is bidden onze nood bij de Heere bekend maken. Ik heb u, zegt David in Psalm 119. Ik heb u mijn wegen bekendgemaakt. En gij hebt mij verhoord. Dan hoef je alleen maar je wegen bekend te maken.

Toen zijn wij ook bepaald bij wat het rechte gebed is. Het rechte gebed is dat wij in de eerste plaats weten wie de enige ware God is. Maar in de tweede plaats ook dat wij onze noodrecht kennen. En als het dan gaat over nood of nooddruft. Zoals ook in de Heidelbergse Catechismus gesproken wordt. Dan heeft de Heere ons geboden om nou voor alle nooddruft. Zowel de geestelijke als lichamelijke nooddruft. Tot hem te roepen. Het bij hem bekend te maken. In de eerste plaats de geestelijke nooddrift. De geestelijke nood. En

wat is uw geestelijke nood dan? En voor jullie jongens en meisjes. Wat is nou geestelijke nood? Geestelijke nood is als wij zien dat wij tegen God hebben gezondigd. En dat er daarom schuld ligt. En die schuld. Wil het wel zijn tussen de Heere en onze ziel. Dat die schuld vereffend moet worden. De schuld ons vergeven moet worden.

Dat is de geestelijke nood. En dan kan het wel eens. Dat heb ik ook de vorige keer gezegd. Dan kan het wel eens nood zijn. Omdat het geen nood is. Ik hoor het nog wel eens zeggen. Dat mensen. O kon ik nou maar eens mijn zonde recht zien. Meer last hebben van mijn zonden. Maar gemeente als dat nou werkelijk nood is.

Waar brengt u dan die nood? Dat kan toch maar op één plaats gebracht worden. En dat is bij de alomtegenwoordige. En bij de alwetende en de almachtige God in de hemel. Maar niet alleen met onze geestelijke nood. Maar de Heere leert ons ook met onze lichamelijke nooddrift. Met onze lichamelijke nood de toevlucht te nemen bij Hem. En dat zien wij in het Nieuwe Testament. Al die mensen die naar de Heere Jezus toegaan. Het was allemaal met lichamelijke klachten.

Lichamelijke nood. En dan is het de Heere Jezus zelf die het ons leert. Dat wij met al onze nood de toevlucht zouden nemen tot hem. Maar nu worden wij bepaald bij de aanspraak in het gebed. Hoe moeten wij de Heere aanspreken? En als die vraag de Heere Jezus bereikt. Zijn discipelen hebben hem gevraagd. Leer ons bidden. Wij weten niet te bidden zoals het behoort. Dan zegt de Heere Jezus. Zegt al dus.

Onze vader. Ik spreek eerst maar de vaders aan vanavond. Vader, hoe zou u het vinden als een van uw kinderen tegen uw meneer zei. Meneer, wilt u mij helpen? Meneer, ik heb een vraag voor u. Dat zou pijn doen toch? En dan de Heere.

Hoe roepen wij de Heere dan aan? Wat ziet hij het graag? Dat wij hem aanroepen als vader. Maar misschien dat er een lichte huiver u doortrekt. Ja, maar dat gaat zomaar niet. Om hem nou onze vader te noemen. Maar gemeente, hij is uw vader.

In de eerste plaats is hij uw vader vanwege de schepping. Hij heeft u geschapen. U bent zijn schepsel jongens. En daarom is hij ook jouw vader. En niet alleen vanwege de schepping. Maar ook vanwege de onderhouding. Dat wil zeggen hij is het die uw leven leidt en stuurt. Hij is het die alle dingen leidt en stuurt in deze wereld. En vanwege die almachtige kracht Gods. Waardoor hij nog alle dingen onderhoudt. Is hij ook uw vader. En dat betekent gemeente. Hij heeft recht op u. En dat u het zult erkennen. Dat u zijn kind bent. Dat u hem erkennen zult. Als een liefhebbend vader. Dus dat is één.

De tweede waarom hij uw vader is. Is krachtens het verbond. Dat hij u aangenomen heeft als zijn kind. En prachtig als u in Lukas 15 leest. Die gelijkenis van de verloren zoon. Nou ja, dat is de gelijkenis van de zoekende vader. Die zoekende vader. Die iedere dag weer op de uitkijk staat. Of die verloren zoon weer tot hem komt. En als die zoon dan gekomen is en er vreugde en vrolijkheid in het huis is. Dan blijft die oudste zoon blijven buiten. Maar de vader gaat naar hem toe. En hij bidt hem.

En als die jongen dan zegt. Ja maar ik heb nooit vrolijk mogen zijn. Je hebt me nooit een bokje gegeven. Zodat ik met mijn vrienden kan vrolijk zijn. Dan zegt die kind. Kind. Al het mijne is het uwe. Niet alleen als kind aangenomen. Maar ook als erfgenamen. Gemeente, dat hebt u vanmorgen toch gehoord.

Vanuit het doopsformulier. Barmhartige God en Vader. Wij danken en loven u. Dat gij deze kinderen als uw kind en erfgenamen aangenomen hebt. Dus dat is twee. Maar nou gaat het in de derde plaats om. Dat hij ook krachtens genade uw vader is. En wanneer wordt hij door genade mijn vader.

Als ik door de werking en de kracht van de Heilige Geest. De toevlucht genomen heb tot zijn zoon. Dat ik het leven bij mezelf niet meer kon houden. Maar dat ik... Zijn zoon nodig. Had zijn volbrachte werk. Zijn bloed. Het alles reinigende bloed. Dat ik zonder hem niet meer kon leven.

En dan zoals de apostel Paulus schrijft. Om dan een broeder van Christus genaamd te worden. Hij Gods eigen zoon. En door genade. Ik. Een geadopteerde zoon. Maar een kind. Een kind van de Vader. Gemeente, welk bezwaar blijft er nog over? Om nou de Heere uw Vader te noemen.

Zou het kunnen? Op grond van recht en gerechtigheid. Omdat er betaald is. Omdat de schuld vereffend is. En ik weet het, gemeente. Alles moet geleerd worden. Als de Heere u wederbaart door zijn genade. Dan schenkt hij alles. Maar we hebben ons hele leven nodig om het te leren.

Ook om te leren dat ik zijn kind ben. Het kindschap. Dat we nou door die geest zeggen. Abba Vader. Dat zijn geest met onze geest getuigd. Dat wij kinderen Gods zijn. Zou u durven. Om nou hem aan te roepen. Als onze vader. En

toch wil hij het. Waarom heeft ons Christus geboden. God al zo aan te spreken. Met onze vader. Dus hij gebiedt het. Dus gemeente dat hangt gewicht aan de klok. Dat kent u wel toch die uitdrukking. En als dat gewicht er niet is, dan staat de klok stil. Daarom moet er gewicht aan de klok hangen. De gewicht is dat de Heer het geboden heeft. Dat u hem aanroept als uw vader.

En waarom heeft hij dat dan geboden? Nou, opdat wij van stonden aan. Dat betekent dat wij dat direct, onmiddellijk. In het begin onzes gebeds. In ons de kinderlijke vrees en toevoer zich tot God verwekken. Dus er gebeurt wat gemeente. Er gebeurt wat als u hem gaat aanroepen als onze vader. Tenminste als u dat niet gedachteloos doet. Maar er bewust van bent. Wie de Heere wil zijn. En dat vanwege het volbrachte werk van zijn Zoon.

Om Christus wil. Ook mijn vader is. En dan komt er ook een kinderlijke vrees. En die vrees dat is niet dat u bang bent voor uw vader. Maar die vrezen ziet op ontzag. Eerbied hebben. Een kinderlijk ontzag. Omdat je je vader hoog hebt. Omdat je ten diepste wilt zijn als je vader. Zo ging dat vroeger. Toen bij ons de kinderen klein waren. Dan merkte je als je ze aan de hand had. Dan probeerden ze even grote stappen te zetten als jijzelf. Ze wilden groot zijn.

Om zo ook zoals wij gezongen hebben. Om zijn beeld. Dat beeld waarbij hij ons geschapen heeft nou te vertonen. En een toevoorzicht. Dat betekent een vertrouwen. Dus dat wij het weten dat de hemelse Vader ons zekerlijk zal horen. En dat daarom, zo zegt de Heidelbergse Catechismus. Namelijk dat God onze Vader door Christus geworden is. En dat hij ons veel minder afslaan zal. Hetgeen dat wij. Hem met een recht geloof bidden. Dat onze vaders onze aardse dingen ontzeggen. De

Heere is veel betrouwbaarder dan een aardse vader. En de Heere Jezus gebruikt daar een prachtig mooi beeld voor. Dat hebben we gelezen met elkaar uit Lukas 11. Een man die midden in de nacht een vriend op bezoek krijgt. En dan kijkt hij in de keuken of hij nog wat eten heeft voor hem. Bijzonder ongastvrij als je een reiziger niet iets te eten kan aanbieden. Maar hij kijkt alle keukenkastjes na en hij vindt niets. En wat doet hij? Midden in de nacht stapt hij naar een vriend toe. En hij klopt daar aan. Leen mij drie broden.

En die vriend, ja die is al lang... Hij heeft zich gewassen in zijn slaapkamer. De kinderen kun je allemaal niet meer wakker maken. En toch zegt de Heere Jezus. Hij geeft het hem. En hij geeft het hem niet omdat het zijn vriend is.

Ik zeg u lieden. Hoewel hij niet zou opstaan en hem geven omdat het zijn vriend is. Nogthans om zijn er onbeschaamdheid wil. Letterlijk staat er in de grondtaal om zijn onbeschoftheid. Je zou het bijna niet geloven. Het is dat de Heere Jezus het zelf zegt.

U moet maar eens wat onbeschofter worden. Zo geweld doen op het Koninkrijk van God. Ja, amen. Trouwe Vader. Ja, wij maken staat op uw genaam. Want de hemelse Vader zal het eerder geven dan een aardse Vader. Wij tenminste met een waar geloof. Een recht geloof bidden.

Maar misschien ligt juist daar wel de moeilijkheid. En waar het ontbreekt het dan aan, gemeente? Als het gaat over dat rechte geloof. Is het dan niet dat wij die ene ware God niet recht kennen? Dat komt dichtbij, toch? Dat is noodzakelijk voor het rechte gebed. Dat wij deze ene ware God recht kennen. Hem kennen als een liefhebbend vader.

Een getrouwe vader. Die nou geeft wat zijn kinderen nodig hebben. Dat ik hem erken ook als mijn vader. Gemeente, we hebben vanmorgen het sacrament van de heilige doop bediend. En die twee jongens, Roan en Bram. Hoewel ze nog nergens iets van weten. Maar daar heeft de Heere nou een eeuwig verbonder genade mee opgericht. En hij heeft ze als zijn kinderen en erfgenamen aangenomen.

En hij wil ze met alle goed verzorgen. Alle kwaad van hen weren. Of dat kwaad hen ten beste keren. Dat is toch onbegrijpelijk. Dat heeft hij vanmorgen verzegeld. Maar dat heeft hij ook aan uw voorhoofd verzegeld. Ik wil u met alle goed verzorgen.

En u twijfelt eraan. Is dat niet ernstig gemeente? Als hij zegt. En er is verwachting voor uw nakomelingen. Nou, we hadden het zojuist nog over in de Consistoriekamer. Ik zei vanmorgen dat uw strijdgemeente. Maar ben ik niet te ruim geweest. Dat maakt de duivel je dan wijs. Maar

op een van de broeders zei. Ja, maar er is ook een verbondsbraak. Hoe zullen wij ontvlieten? Indien we op zo'n grote zaligheid geen acht hebben. En daarom gemeente zo ruim. Betekent ook zo scherp. Als we daar geen acht op hebben. Een liefhebbend vader.

Die nou weglopers. Dwarsliggers. Overlopers. Nou wil ontvangen. Die er naar uitziet. En hoe vies u ook bent. En hoe hard u ook stinkt. Maar de Vader vliegt zijn jongen om de hals. Liefde. Misschien gemeente, en ik bedoel dat absoluut niet goedkoop. Maar misschien moet u er maar eens mee beginnen. In uw persoonlijke gebed.

Om de Heere aan te roepen als onze Vader. Zou u durven? Ik denk altijd aan wat dominee de Vries zei. Dat is een keer op college. Die kreeg de vraag. Mag je, als je nog onbekeerd bent, mag je dan wel het Onze Vader bidden?

En zijn antwoord was. Als je het Onze Vader bidt, dan mag je niet meer onbekeerd zijn. Als je het Onze Vader bidt, dan mag je niet meer onbekeerd zijn. Als u die enige ware God als Vader kent. En dat door zijn Zoon, de Heere Jezus Christus. Mag je niet meer onbekeerd zijn.

Het is die trouwe vader. Die iedere dag weer opnieuw. Zijn trouwe vaderzorg over u uitspreidt. En daarom geeft wat nodig is. Voor de tijdelijke dingen. En voor de eeuwige dingen. Want daarom brengt hij u onder de verkondiging van het woord. Onze eerste gedachte, de nabijheid. We gaan naar onze tweede gedachte, de vastheid.

Want waar moet u terecht met uw nood? Met uw lichamelijke nood. Als u kiespijn heeft of hoofdpijn heeft. Dan kunt u nog naar de dokter. Maar waar gaat u heen met uw geestelijke nood? Als de Heere Jezus ziet dat allemaal mensen hem verlaten. Dan zegt hij uiteindelijk tegen zijn discipelen. Wilt u ook niet heen gaan?

En Petrus als haantje de voorste. Die reageert als eerste. En die zegt. Heere. Tot wie zullen wij heen gaan? Want bij u zijn de woorden van eeuwig leven. Als er op één plaats verzoening mogelijk is. Met een rechtvaardig en een barmhartig God. Is dat in zijn Zoon. Niemand komt tot de Vader. Dan door mij. Zegt de Heere Jezus.

En wie tot mij komt. Zal ik geen zins uitwerpen. Niemand komt tot de Vader. En dan is het één groot wonder toch gemeente. Dat de Heere zijn Zoon gegeven heeft. En omdat u Hem zou kennen. En dat Hij het is die in uw plaats is gaan staan. En dat Hij het is die de straf die u de vrede aanbrengt. Op Hem genomen heeft. Dat hij het is die het handschrift dat tegen ons is. De wet die ons aanklaagt. Heeft hij uitgewist. Jongens, als je op school een keer iets uitgehaald hebt. En je juffrouw schrijft je naam op het bord. Ik weet niet of dat toch kan tegenwoordig met digiborden.

En die naam die staat daar. En het klaagt je aan. Maar wat een wonder als ze op een gegeven moment de borstel pakt. En het in één keer uitwist. Het handschrift dat tegen ons was. Heeft hij uitgewist. Hoe kan God onze vader worden? Dat is door Christus.

Namelijk dat God onze vader door Christus geworden is. En prachtig he. Dat moet u ook maar eens rustig nog nalezen. Thuis in zondag 9. Als het gaat over wie God de vader is. Kan alleen door het volbrachte werk van Christus. Omdat hij verzoening heeft aangebracht. Omdat hij vrede heeft aangebracht. En

dat heeft hem alles gekost. Hij onze vader geworden. Omdat Christus gekomen is naar deze lage aarde. En zichzelf gegeven heeft. Zichzelf overgegeven heeft in de handen van zondaren. Hij heeft zich laten overgeven. In de handen van zondaren. En daarom gemeente mag ik u. Zondaren.

Overgeven in zijn handen. Dan is er bij hem alles te vinden. Wat nodig is voor de tijd. Maar bovenal voor de eeuwigheid. Hij heeft zijn leven gegeven. Hij heeft betaald. Zo volkomen. Dat de Vader. Nou volkomen tevreden was met het werk van zijn zoon.

Dat de vader nou zijn welbehagen betoond heeft in zijn zoon. Die vaderhand die uit liefde zijn zoon genomen heeft. Zijn enige geboren zoon. En gebracht heeft naar het kruis van Golgotha. En de zoon heeft het gewillig gedaan. Een gewillige zaligmaker. Voor onwillige zondaren. Hij is gekomen. Om

degelijke kerkmensen te redden. Om ernstige zoekers te redden. Om zondaren te redden. Gemeente, daar ligt het geheim. Het geheim is dat vijanden met God verzoend worden. Geen brave mensen. Maar vijanden. Die niet gewild hebben dat hij koning over hen zijn zou. En wij kunnen urenlang discussiëren.

En we hebben het er nog op de jonge lidmatenkring over gehad. Want de remonstranten die zei dat Christus gestorven was voor alle mensen. Nee, zeggen de Dordtse vaderen. Hij is alleen gestorven voor zijn uitverkorenen. Wij kunnen er nog uren over discussiëren. Is hij gestorven voor zijn uitverkorenen? Of is die gestorven voor de gelovigen? Is die gestorven voor degene die

zijn verschijning hebben liefgekregen? Gemeente, ik denk wel eens eindeloze discussies. Hij is gestorven voor zijn vader. Voor zijn vader. Om zijn vader een kerk te kopen. Die hem zal groot maken tot in alle eeuwigheid. Daar gaf hij zijn leven voor. Daar heeft hij zichzelf voor gegeven. Hij

geeft zijn leven voor weglopers. Zijn die er nog vanavond? Mensen die steeds weer weglopen. Voor de Heere. Voor zijn dienst. Voor zijn woord. Hij heeft zijn leven gegeven voor dwarsliggers. Zijn die er nog vanavond? Mensen die het steeds weer anders doen. Als dat de Heere van hem vraagt.

Hij gaf zijn leven voor rebellen. Opstandelingen. Zijn die er nog vanavond? Die ten diepste niet eens zijn. Met de weg van de Heere. Vijanden worden met hem verzoend. En daarom roept hij. Kom herwaarts tot mij. Alle die vermoeid en belast zijn. En ik zal u rust geven. Ja zegt u misschien. Maar dan moet je wel vermoeid of belast zijn.

O alle gij dorstige. Kom tot de water. Ja maar dan moet je wel dorstig zijn. Ik las eens in een preek van McChane. Die zegt dit is het ruimste evangelie. Een ieder. Die door de deur der schapen ingaat. Die zal wijden vinden. Een ieder. Die door de deur der schapen ingaat. Ingaat het ruimste evangelie. De nodiging waarmee hij nodigt. Omdat hij niets liever ziet. Dat zondaren de toevlucht nemen tot hem. En dan is dat de grond van het gebed. Namelijk de kinderlijke vrezen. Omdat deze vader weet.

Wat zijn kinderen nodig hebben. Op het aller volmaakst weet wat zij nodig hebben. Veel beter weten wat u nodig hebt dan dat u dat zelf weet. Precies weet wat nodig is zodat u hem nodig hebt. En daarom gebiedt hij hem aan te roepen als onze vader. Opdat hij onmiddellijk. In het begin ons is gebed in ons. Die kinderlijke vrezen. Maar ook dat vertrouwen.

Toevoorzicht. Dat is misschien wat een ouderwets woord. U mag ook gewoon vertrouwen lezen. U vindt dat woord overigens ook in zondag 10. Als het gaat over Gods voorzienigheid. Dan zitten daar ook drie delen in. Dat wij in tijden van tegenspoed geduldig. In tijden van voorspoed dankbaar zijn zullen. Maar ook in alles wat ons nog overkomen zal. Een goed toevoorzicht hebben. Een goed vertrouwen hebben. Op onze hemelse God en Vader.

Want Hij is het die zijn woord waar maakt. Alles wat gij begeren zult. In mijn naam. Dan zal ik u geven. Want een iegelijk die bidt. Die ontvangt. En die zoekt. Die vindt. En die klopt. Die zal open gedaan worden. En wat vader onder u. Die de zoon om brood vindt. Zal hem een steen geven. Of als hij om een vis bidt. Een slang geven. Of als hij om een ei zou bidden. Zal hem een schorpioen geven. Indien dan gij die boos bent. Weet u kinderen goede gaven te geven. Hoeveel te meer. Zal de hemelse Vader de heilige geest geven. Degene die hem bidden.

Vastheid. Het was onze tweede gedachte. We gaan naar onze derde gedachte. Verafheid. Want waarom wordt hierbij gevoegd. Die in de hemelen zijn. En dat is nodig. Opdat u beseft. Dat God de allerhoogste is. Dat hij de heilige is. De verhevene. Dat hij God is. En niemand meer.

En daarom wordt eraan toegevoegd. Die in de hemelen zijn. En dat betekent gemeente dat het niet gaat om een vriendje van ons. Of een hulpje. En ik bedoel dat beslist eerbiedig. Maar dan begrijpt u gelijk wat ik bedoel. Er zijn mensen die de Heere Jezus gebruiken als wandelstok.

En die staat in de hoek. Totdat ze een stukje gaan lopen. En dan komt hij uit de hoek. Dan is die nodig. Maar dat is niet. Dat wij de hemelse Vader nodig hebben in alles. Dan gebruiken we hem als een hulpje. Als we er zelf niet meer uitkomen.

Dan hebben we de Heere nodig. En voor de rest kan ik het zelf wel. Maar daarom wordt er een bijgevoegd die in de hemelen zijt. En hemelen staat in meervoud. En dat betekent, gemeente, dat heeft zijn reden. Dat betekent dat hij al omtegenwoordig is. Dat hij dus overal is. En dat betekent ook dat hier in deze kerkzaal geen kubieke centimeter te vinden is waar hij niet is.

Die in de hemelen zegt. Overal omtegenwoordig. En omdat hij overal omtegenwoordig is, is hij ook alwetend. Hij weet alle dingen. Hij kent van verre uw gedachten. Wat u op dit moment zit te bedenken. En misschien bent u al bezig voor morgen. Om zo een beetje de planning vast op orde te krijgen. Ik moet dit doen. Ik moet dat doen. Daaraan beginnen. Hier moet ik nog iets doen.

Kent van verre. Dat moet ons toch diep verontmoedigen, gemeente. Doen buigen in het stof dat hij alle dingen weet. En wat kan het gelijk ook een troost geven. Dat hij alle dingen weet. Zoals Petrus beleed. Heere, u weet alle dingen. U weet toch dat ik u lief heb.

Maar omdat hij de alomtegenwoordigde alwetende. Hij is ook de almachtige. En daarom is er geen andere God dan onze God. De drie-enige God. Vader, Zoon en Heilige Geest. En dan is er een groot gevaar. Want dat is het beeld wat opgeroepen wordt als het gaat over onze Vader.

Dan wordt er een beroep gedaan op ons Vaderbeeld. En dat kan behoorlijk vervroren zijn. Dat kan misvormd zijn. En waardoor we het beeld wat wij van onze aardse vader hebben. Projecteren op de hemelse vader. Als vader altijd de grote afwezige is. Omdat vader altijd druk is. Met zijn werk.

Altijd bezig is. En geen tijd heeft. Als vader gezien wordt als een strenge vader. En dat er nooit een lachje af kan. Dat het altijd een snauw hier is en een snauw daar. Als vader onberekenbaar is. Dat je telkens weer moet afwachten wat voor humeur die heeft. Dan krijgen wij een totaal verkeerd vaderbeeld.

En daarom wordt daarbij gevoegd die in de hemelen zijt. Opdat wij van de hemelse majesteit Gods niet... Aardszoudige denken. Want dat gevaar is groot. Wij willen graag God begrijpen. Wat er gebeurt als u met moeilijke situaties geconfronteerd wordt. Als u met beperkingen geconfronteerd wordt. Als er dingen zijn in uw leven die u geen plek kunt geven.

Waarom gebeurt het? Waarom overkomt het u? En wat kan het soms moeilijk zijn gemeente. Als het op het kerkelijk erf plaatsvindt. Zo onbegrepen. Maar één ding moet u onthouden. Wij kunnen God niet begrijpen. En als wij hem zouden kunnen begrijpen. Dan was hij geen God meer. Dan stond hij op hetzelfde niveau als wij. En daarom.

Hij is die God. Onze Vader. Die in de hemelen zaait. Hij is de Almachtige. En hij werkt alle dingen naar de raad van zijn wil. En daarom kan hij alles schenken. Alle geestelijke en lichamelijke nooddrift. Alle geestelijke nooddrift. Gemeente, wie wil er bekeerd worden vanavond?

Zou het kunnen? Was het uw gebed? Toen u opging naar Gods huis. Of de Heere het woord krachtig wilde maken. En zodat verloren zondaren geraakt zouden worden. En tot God gingen roepen. Zou het kunnen? Of zegt u ja. De Heere moet het doen.

Wist u ten diepste. Ik heb daar nog eens diep over na zitten denken. Toen ik deze preek aan het voorbereiden was. Dat we daar de Heere pijn mee doen. De Heere moet het doen. Hij doet het. Het liefste wat hij had zijn zoon heeft hij gegeven.

Zijn zoon is gekomen naar deze aarde en heeft betaald. En de vader volkomen tevreden met dat werk. Heeft zijn zoon opgewekt uit de dood. En hem opgenomen in heerlijkheid. Een plaats gegeven aan zijn rechterhand. En hij heeft zijn geest uitgestort. Ik denk aan het beeld wat de profeet Jezaja gebruikt in Jezaja 5. Daar vindt u het lied van de wijngaard.

Dat gaat over die landman die de meest edele wijnstokken heeft geplant op een vette heuvel. Er is een muur omheen gezet. Er is een wijnpersbak is er geplaatst. En die landman die verwacht vrucht. En die krijgt geen vrucht van het volk. En dan roept de landman uit. Wat moet ik nog meer doen aan mijn wijngaard. Dan dat ik gedaan heb.

Gemeente, dat zeg ik ook tegen u. Vanavond. In de naam van mijn zender. Wat moet ik nog meer doen. Aan mijn wijngaard. Dan dat ik gedaan heb. Heere, ik heb ze vanavond geleerd. Om te zeggen, onze Vader. Die in de hemel is uit.

Ja, dat geeft de afstand weer. De verafheid. De kloof is geslagen. Dat hebt u gedaan. En jullie jongens en ik. Een onoverbrugbare kroof. Tussen de Heere en onze ziel geslagen. Maar die kloof is overbrugd. Zijn zoon gegeven. Waardoor verzoening mogelijk is. En daarom. Zo ver en tegelijk. Zo dichtbij. Zo

ver. Die in de hemelen zuid. En zo dichtbij. Onze Vader. Amen. Wij gaan zingen met elkaar het Psalm 103. Het zesde vers. Zo hoog zijn troon moog boven de aarde wezen. Zo groot is ook voor alle die hem vrezen. De gunst waarmee hij hen wil gadeslaan. En ook het zevende vers. Geen vader sloeg met grote mededogen op teder kroost. Ooit zijn ontfermend ogen. Zesde en zevende vers uit Psalm 103. Laten

♪ Gezang

wij eindigen met dankgebed. Onze Vader die in de hemel is uit. Wat bent u nabij. En onbegrijpelijk. Dat u het gebed wilt verhoren. En het is omwille van uw zoon. En waardoor het ook vast ligt. Verwek dan van het begin af aan die kinderlijke vrezen. En dat vertrouwen in ons hart. Dat onze gebeden bij u. Verhoord worden. Op uw tijd. Op uw wijze.

Om zo u in alles nodig te hebben. Ook weer de nieuwe week die we zijn ingegaan. Als het werk weer wacht. Heere we bieden. Om uw nabijheid. Om uw hulp. Uw kracht. Uw genade. Om nou in alles het alleen van u te verwachten. Ontferm u over ons, Heere.

Ook als er van de week nog stilgestaan wordt bij het grote werk van de reformatie. Heere, dat we ook dan, als uw woord verkondigd wordt, onze plaats niet leeg zouden laten. Als u nog weer mist om onze levensboom wilt liggen. Opdat we u erkennen zouden als onze Vader. Heere, werk het nog. Gedenk ons zo. Naar de grootheid van uw genade.

En geven ieder wat nodig is. Om nou u nodig te hebben. In afhankelijkheid van u te leven. Zo gaf u het dat we weer twee keer. Onder de verkondiging van het woord. Maar ook werd in deze dag de bediening van het sacrament. Vond plaats. We zeggen u namelijk moedig dank. Achtervolgend nog met uw zegen. Dat bidden wij van u. Om Christus wil alleen. Amen.

Onze slotsang is Psalm 131. En wij zingen daarvan het derde vers. Mijn ziel die naar de vrede haakt. En ook het vierde vers. Dat Israël op den Heere vertrouwt. En wat er verder volgt. Derde en vierde vers uit Psalm 131 als slotsang.

♪ Gezang

Zal in vrede naar uw woningen. Verheft uw harten tot God. En ontvang de zegen des Heeren. De genade van onze Heere Jezus Christus. De liefde Gods. En de gemeenschap van de Heilige Geest. Zij. En blijven met u allen. Amen.

♪ Gezang