PrekenHHG Ouddorp

Lukas 15: 1 en 2; De Hoogste Profeet en Leraar

09:30 uurOchtenddienstDs. D. Heemskerk85 min
Nog niet gestart Kanttekeningen 2

Transcript

Onze hulp en onze verwachting. Zij in de Naam des Heeren. Die de hemel en de aarde geschapen heeft. Die trouwen houdt en eeuwig leeft. En die nooit laat varen de werken zijner handen. Amen. Genade, warmhartigheid en vrede. Zij u van God den Vader. Door Christus Jezus zijn Zoon. In de gemeenschap des Heiligen Geestes. Amen. Wij

zetten deze dienst voort door te zingen uit Psalm 84. En daarvan het tweede en het derde vers. Psalm 84 vers 2. Zelfs vindt de mus een huis, o Heere. De zwaan u legt daar jongsgens neer. In het kunstig nest bij uw altaren. En ook het derde vers. Welzadigheid die al zijn kracht en hulp alleen van u verwacht. Die kiest de welgebaande wegen. Psalm 84 vers 2 en 3.

Wij

♪ Gezang

openen Gods heilig en dierbaar woord in het evangelie van Lukas. Daarvan nadert het vijftiende hoofdstuk. Te beginnen bij het eerste tot en met het tiende vers. Ik noem u. Als onze schriftlezing Lukas 15 vanaf vers 1 tot en met 10. Toch vooraf stellen wij ons onder de tucht van Gods heilige wet.

Toen sprak God al deze woorden zeggende. Ik ben de Heere, uw God. Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid hebt. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. Gij zult u geen gesneden beeld. Nog enige gelijkenis maken. Van hetgeen dat boven in den hemel is. Nog van hetgeen dat onder op de aarde is. Nog van hetgeen dat in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen. Nog hen dienen. Want ik de Heere uw God. Ben een ijveren God. Die de misdaad der vaderen. Bezoek aan de kinderen. Aan het derde. En aan het vierde lid dergenen die mij haten. En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen die mij lief hebben. En mijn geboden onderhouden. Gij zult de Naam des Heeren uws Gods niet ijdellijk gebruiken. Want de Heere zal niet onschuldig houden die zijn Naam ijdellijk gebruikt.

Gedenk den Sabbadag dat gij dien heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden. En al uw werk doen. Maar de zevende dag is de Sabbat des Heeren uws Gods. Dan zult gij geen werk doen. Gij nog uw zoon. Nog uw dochter. Nog uw dienstknecht. Nog uw dienstmaagd. Nog uw vee. Nog uw vreemdeling die in uw poorten is. Want in zes dagen heeft de Heere den hemel en de aarde gemaakt. De zee en alles wat daarin is. En hij rustte ten zevende dagen. Daarom zegelde de Heere den Sabbatag en heiligde denzelven. Eer uw vader en uw moeder opdat uw dagen verlengd worden in het land dat u de Heere uw God geeft. Gij zult niet doodslaan. Gij zult niet echtbreken. Gij zult niet stelen. Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste. Gij zult niet begeren uws naasten huis.

Gij zult niet begeren uws naasten vrouw. Nog zijn dienstknecht. Nog zijn dienstmaagd. Nog zijn os. Nog zijn ezel. Nog iets dat uws naasten is. Ik noem u als onze schriftlezing Lukas 15. Te beginnen bij het eerste vers. Waar Gods woord als volgt tot ons komt. En al de tonnenaars. En de zondaars naderden tot hem om hem te horen. En de fariseeën en schriftgeleerden murmureren zegende. Deze ontvangt de zondaars en eet met hen. En hij sprak tot hen deze gelijkenis zegende. Wat mens onder u hebben de honderd schapen. En een van die verliezenden verlaat niet de 99 in de woestijn. En gaat naar het verlorene. Totdat hij hetzelfde vindt. En als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijn schouders verblijt zijnde. En te huis komende roept hij de vrienden en de geburen tezamen. Zeggende tot hen.

Wees blijde met mij, want ik heb mijn schaap gevonden dat verloren was. Ik zeg u die den dat er al zo blijdschap zal zijn in den hemel. Over ene zonda die zich bekeert. Meer dan over 99 rechtvaardigen. Die de bekering niet van nood hebben. Of wat vrouw hebben de tien penningen. Indien zij ene penning verliest. Ontsteekt niet een kaas. En keert het huis met bezemen. En zoekt naast de geluk totdat zij dien vindt. En als ze dien gevonden heeft. Roept zij de vriendinnen. En de geburen in te samen zeggende. Wees blijde met mij. Want ik heb de penning gevonden die ik verloren had. Al zo, zeg ik uw lieden, is het leidschap voor de engelen gods. Over ene zondaar die zich bekeert. Tot zover de schriftlezing. Verenigen wij ons in gemeenschappelijk gebed. De voorbeden.

Het echtpaar Tony en Kobi. Aleman, Tanis, Pieningen 8. Die zaterdag 31 oktober mochten gedenken 40 jaar getrouwd te zijn. En de heer J van Splinter. Kerkhoek 12. Die in het Amphia ziekenhuis de Breda ligt. Naar aanleiding van een hartoperatie. Die afgelopen vrijdag plaatsvond. De operatie mocht slagen. Verenigen wij ons in gemeenschappelijk gebed.

Heere, gij brengt ons onder deze bijzondere omstandigheden. Op uw dag samen. Rondom uw geopend woord. Uw getrouw getuigenis. Schenk gij. Uw onmisbare gunst en zegen. Wil onze gedachten. Die zo met allerlei dingen. Zeker in deze omstandigheden. Bezig kunnen zijn. Gevangen nemen. En ze brengen onder de gehoorzaamheid. Van uw goddelijke getuigenis. Het is uw dag. De roem der dagen.

Gedenk u dan ook de gemeente. Die opkwam. Maar weer huiswaarts moest keren. Wil niet te min uw zegen. Genadiglijk verleden. Als op andere wijze de verkondiging van uw woord gehoord mag worden. Het staat u toch niet in de weg. U hebt een arm met macht. En u bent groot van vermogen. U spreekt en het is er. Uw gebied en het staat er. Dat we daarop mogen zien. En dat uw woord zo ontsloten mag worden. Door de kracht van uw geest. Aan onze harten mag worden gebracht. Bij aanvang of verdere voortgang. U weet wat een ieder van ons nodig heeft. Jong en oud. Klein en groot. Wil zo uw genadige zegen ons niet onthouden. Zo menigmaal hebt u op uw dag uw gunst betoond. Uw zegen geschonken. En zondaren geroepen onder en door de verkondiging van uw woord.

En getrokken door die onweerstaanbare kracht van uw heilige geest. U hebt het op zodanige wijze gedaan. Dat er een schare is die niemand tellen kan. Vrachtens, uw welbehagen van eeuwigheid. Uw offer gebracht in de volheid van de tijd. De schenking en de werking van uw heilige geest. Die Heere is en levend maakt. U bent nog dezelfde. Wij hebben ook hetzelfde van node. Wil dan zo in onze harten woneren werken. Tot roem van uw genade. U hulp uw bijstand niet te onthouden. Heere, dan weet u ook van al onze omstandigheden. Als daar verdriet is. Een lege plaats gevallen is. Als daar de smart is. Om het verlies van een man, van een vrouw. Of van ouders of van een kind of kinderen. Het is u op het aller volmaakt bekend. Wil gij dan toch ook in alles uw hulp, uw bijstand betonen.

Uw vertroosting ook schenken. Wees dan nog in alles. Een toevlucht in alle nood. In alle zorg. In alle moeite. In alle verdriet. Gedenk u Heere ook de zieken die er zijn. Thuis in het ziekenhuis. Ook als zo'n zware operatie ondergaan werd. Maar u de zegen daar nog over gaf. Dat het leven behouden mocht worden. Handen van doktoren nog bestuurd werden. Schenk ook dan de verwondering in het hart. Gedenk dan ook. In uw genadige goedheid. En trouw ook in de verdere weg. En al diegenen die kampen met ziekten. Met behandelingen die ondergaan worden. Op welke wijze ook. Ze zijn u bekend. Wil toch uw hulp, uw bijstand betonen. En geven dat in de weg van lichamelijke ziekte. Toch die grote geneesheren. Die hemelse medicijner. Meester bijzonder gezocht mag worden. Die niet alleen voor het lichaam. Maar ook voor de ziel kan schenken.

Wat van note is. Geef zo de rechte verwondering. Bij weldaden en zegeningen die ontvangen werden. 40-jarig huursjubileum. Wil er ook in u doen eindigen. Dat u dat geschonken hebt. En zo onderscheiden van zoveelen. Die dat niet meer beleefd hebben. Geef dan ook, Heere, de rechte verwondering in het hart. Wil zo uw genadige gunst betonen. Bij zorgen, bij noden, bij psychische noden. Geef ook dan uw hulp, uw kracht. Maar doe ook met de weldaden en de zegeningen in u eindigen. U bent niets aan ons verschuldigd. Niets aan ons verplicht. Wij behoren bij hen die hun weg verdorven hebben. Die de naam van zonder dragen. Maar uw woord spreekt. Dat u het verlorene zoekt. Het weggedrevene wil behouden. Wil zo hier en overal. Waar uw woord verkondigd wordt. Waar uw naam beleden en aangeroepen wordt. Waar de gemeente samengekomen is.

Uw koninkrijk bouwen. En uitbreiden. Uw naam nog groot en heerlijk maken. Gedenk zo ook deze gemeente. En ook de predikanten u hier. Gesteld hebt. Schenk hem ook met de zijnde. Uw hulp, uw bijstand. Om ook uw woord van keer tot keer hier te mogen verkondigen. Uw naam bekend te mogen maken. Heere, zie zo nog. Uw gunst en goedheid op ons neder. Wij komen voor uw warmhartigheid. Om uw grote naams wil. Om Christus willen. Amen.

Gemeente in het evangelie spreekt de Zaligmaker. Al wat mij de Vader gegeven heeft. Dat zal tot mij komen. En die tot mij komt. Daar staat verder geen voorwaarde bij. Daar staat geen leeftijd bij. En die tot mij komt. Die zal ik geen zins uitwerpen. En die tot mij komt. De zaligmaker van zondaren. Maar misschien zijn er toch wel twijfels in uw hart. Kent u toch aanvechtingen en bestrijdingen? Loopt u toch met de vraag? Is dat ook een boodschap die tot mij gericht is. Dan zijn de woorden van onze tekst tot verdere onderwijzing. Tot aansporing. En tot bemoediging. Die u vindt in het u voorgewezen schriftgedeelte. Lukas 15. En daarvan het eerste en het tweede vers. Waar Gods woord als volgt tot ons komt. En al de tollenaars en de zondaars. Nadert het tot hem om hem te horen.

En de fariseeën en de schriftgeleerden murmureerden. Zeggende deze ontvangt de zondaars en eet met hem. Het gaat in de tekstwoorden over de hoogste profeet en leraar. We letten ten eerste op de prediking door hem. In de tweede plaats op de nadering tot hem. In de derde plaats op de verachting van hem. En in de vierde plaats op de verwondering over hem. Het gaat over de hoogste profeet en leraar. We letten op de prediking door hem. De nadering tot hem. De verachting van hem. En de verwondering over hem. Voordat we hier nader bij stil hopen te staan. Gaan we eerst zingen uit Psalm 32. En daarvan het derde en het vierde vers. Bekende o Heere aan u oprecht mijn zonden. Ik verborg geen kwaad dat in mij werd gevonden. Maar ik beleed na ernstig overleg. Mijn boze Daan.

Gij naamt die gunstig weg. En ook het vierde vers. Gij zijt mij, Heere, ter schuilplaats ingevaren. Gij zult mij voor benauwdheid trouw bewaren. En dan zijn er nog afkondigingen. Woensdag 4 november is de jaarlijkse dankdag voor gewas, arbeid en visserij. In de morgendienst die aanvangt om half tien. En in de avonddienst die aanvangt om zeven uur. Zal uw eigen predikant, dominee R. van den Kamp, voorgaan. In verband met de dankdag zijn er deze week geen categorisaties. En van dit voornemen geldt zo de Heere wil. En wij leven. Collectus worden niet gehouden.

Goed, dan gaan we nu zingen uit de Psalm 32, vers 3 en 4. Nog

♪ Gezang

even bekendmaken dat er vanmiddag dus ook geen zondagschool zal zijn. In verband met de omstandigheden. Onze tekstwoorden spreken van de vergadering. Van de kerk gods. En wel door de hoogste profeet en leraar. Die tijdens zijn rondwandeling op aarde het woord, het evangelie, verkondigd heeft. Hij vergadert zijn gemeente onder en door de bediening der verzoening. Geloof is uit het gehoor. En het gehoor is door het gepredikte woord. De bede blijft nodig. Zendt uw licht, uw waarheid neder op dat die mij leiden. Het is immers. Als we voor de eerste keer bij arbeid getrokken worden. Uit de duisternis tot zijn wonderbaar en heerlijk schijnend licht. De kracht van de heilige geest. Die Heere is. Die levend maakt. Die een oor geeft om te horen. En een hart om op te merken. Die de duisternis verdrijft uit ons verstand.

En onze treden en gangen vastmaakt. In zijn onfeilbaar woord. De geest. En dan ook het woord wat dan toegepast wordt op onze harten. Dat we zijn stem gaan horen en op gaan werken. En bij de verdere voortgang is het zijn woord en zijn geest. Heere, u maakt mij u bewegen door uw woord en door uw geest bekend. De bekende psalmvers in de Catechismus staat als het gaat om de vergadering van de kerk. Dan gaat dus het werk van de heilige geest voorop. Het is de zaligmaker die hier het woord verkondigt. Die gezalfd is. In zijn drie ambten als hoogste profeet. Een leraar. Als enige hoge priester. En ook als eeuwige koning. En we vinden hem hier bijzonder. In zijn profetische bediening. Het woord profeet. U weet het wel. Dat betekent letterlijk de mond gods. Dat is toch wel hier bijzonder.

Op zijn plaats. Als hij dit ambt bedient. En hij niet alleen. Waarachtig rechtvaardig mens. Maar ook waarachtig God is in één persoon verenigd. Van hem is reeds gesproken vlak na de zonderval in het paradijs. Het woord wat vlees zou worden in de volle destijds. Hij is aan Abram toegezegd en beloofd. Hij is in de profeten. Die hebben van hem gesproken en hebben hem aangewezen. Bijzondere profeet Isaiah. Maar nu is de nieuwtestementische... Tijd aangebroken. En nu is dat woord wat bij God was. Wat God was. Is vlees geworden. Heeft onder ons gewoond. Wij hebben zijn heerlijkheid ontschouwd. En ook zijn profetische bediening. Ook gehoord. Ook in de woorden van onze tekst. Een bijzondere profeet toch. De zaligmaker zelf. De mond Gods. Die te midden van de scharen het woord verkondigt. En predikt. Dat is toch buitengewoon.

De kerkvader Augustinus. Die was bekend dat hij vaak de wens had gehad. Om toch in die tijd geleefd te hebben. Als de hoogste profeet en leraar. Het woord Gods ook sprak. Voor de zaligheid om die te mogen ontvangen. Is dat niet van node. Hij is gisteren en heden dezelfde. Zijn ambtelijke bediening die hij heeft gegeven op aarde. Had bijzonder toch dit doel. Dat hij in zijn waarachtige rechtvaardige menselijke natuur. In deze schepping, in deze bedeling is afgedaald. Had toch bijzonder deze opdracht. Dat hij als waarachtig rechtvaardig mens. Aan het recht des vaders genoegdoening moest geven. Het offer moest brengen op de kruisheuvel Golgotha. Dat hij dus als de grote hoge priester ook daar. Zichzelf zou opofferen. Dat was het hoofddoel van zijn komst ook in deze bedeling. Maar ook het profetisch werk heeft hij dus uitgericht.

Dan geeft toch, als hij het woord spreekt, de bezuin wel een zeer zuiver geluid. Hier is geen enkele zelfbedoeling bij. Hij heeft niet te maken met zwakheden, met zonden, met gebreken, met tekorten. En als een de schrift weet. En verstaan heeft. En door kan geven. Dan is het toch de zonen gods. De Christus der schriften. Toen Adam gevallen was in het paradijs. Toen klonk daar de roepstem. Waar zijt gij? Dat was niet vanwege de verdienstelijkheid van Adam. Alles getuigde tegen hem. Het beeld gods was hij kwijtgeraakt. De schoonheid van zijn schepping. Die had hij verloren.

Hij was ook daar weggekropen achter het struik. Hij was zichzelf bedekt ook met vijgenbladeren. Maar God riep ons verbondshoofd Adam. En sprak waar zijt gij. En daarin ligt toch ook de roepstem. Tot u, tot mij, tot in ieder onzer. Ook heet het ten dagen dat wij Adams kinderen zijn. En dat de bediening der verzoening ons roept. Waar zijt gij op dat wij tevoorschijn zouden komen? En dat doet dan deze borg en middelaar ook. Hij roept Adams kinderen. Hij roept zondaren tot bekering. Dat is toch bijzonder. Als u bedenkt de plaats die hij verliet. Het hemelse heiligdom. En dat hij afdaalde naar deze bedeling. Naar deze aarde. En als hij die dat hemelse heiligdom tot zijn beschikking had. Ook moet zeggen de vossen hebben holen. De vogelen des hemels nesten. Maar de zoon des mensen heeft niets.

Waar hij het hoofd nederleggen kan. Als hij in de schoot des vaders was. Van voor de grondlegging der wereld. In de tijd afdaalde. In de schoot van de maagd Maria. Als hij die het ontoegankelijke licht bewoonde. Afdaalde in deze bedeling. Die in de schrift ook gekenmerkt wordt als de duisternis. Als hij die op de plaats van de zuiverheid. Van de zondeloosheid. Van de heidigheid. Altijd verkeerd heeft. Dat hij afdaalde te midden van een wereld. Die onder een vloek lag. In de duisternis gehuld was. Vervuld is met wrevel. Zo staat het in de schrift. En met neidigheid. Als hij die verkeerde in het gezelschap van de Vader. En van de heilige troongeesten. Als hij nu afdaalt en verkeren wil. Tenmidden van tollenaren en van zondaren. Als hij zichzelf zo wil te geven. Tenmidden van de zulken.

Er staat in de tekstwoorden. Dat het tollenaren en zondaren waren. Die tot hem gekomen zijn. Oude Testament. Dat spreekt van zijn welbehagen. De grond, de oorzaak van de zaligheid. Het geeft ook getuigenis van zijn langmoedigheid. Van zijn taai geduld wat hij gehad heeft. Altijd met mensen. Psalm 103 zegt schoonzwaar getergd. Is hij langmoedig en weldadig. En hoeveel profeten zijn er niet gezonden. Hoe heeft de Heere zijn bemoeienissen niet getoond. Met zulke verloren zondaren. Met zo'n hardnekkig weerbarstig volk. Met wederhorigen telkens weer. Al de eeuwen door heeft hij knechten. En profeten gezonden om zijn volk ook te onderwijzen. Mozes en ook de andere profeten. Het taaie geduld ten laatste. En Johannes 3 spreekt ervan. Vers 16 de vers. Al zo lief heeft God de wereld gehad. Dat hij zijn enige geborene zoon gegeven heeft. Ten laatste heeft hij zijn zoon zelf gezonden.

Naar deze bedeling. Naar deze aarde. En hoe predikte de zoon nog als? Dat is toch wel onderwijzend. Welke maatstaf heeft hij aangelegd? Hij sprak uit de schrift. Hij sprak uit de bron. Hij sprak het woord gods. Hij leerde als machthebbende. Hij sprak een ontdekkende. Een schuldigstellende. Maar ook een heenwijzende bediening. Naar zijn gerechtigheid. Naar de prijs die hij zou betalen. En de schuld die hij zou verzoenen. Hij was vertroostend. En ook bemoedigend. Aansporend voor het zwakke. Voor ellendige. Voor van verstaande. Voor hongerigen. Zo kwam hij in de bediening der verzoening. Openbaar. Want anders kunnen we onze tekstwoorden niet verstaan. Dan is de Heere toch laagdrempelig geweest bij wijze van spreken. In de bediening der verzoening. Als tollenaren en zondaren tot hem naderden. Als die tot hem kwamen. Door het woord wat hij sprak. Dan moet er toch in zijn prediking een liefelijke lokking.

Een nodiging geklonken hebben. Dan is dat toch niet afstotend, afwerend geweest. Of zo hoog gesteld. Dat die in ieder geval wegvluchten voor de stem van de Zonen Gods. Dat staat er niet in onze tekst. Want in de tweede plaats dan spreekt de tekst van de nadering tot hem. Want er staat al de tolledaars en de zondaars naderen tot hem. Als David ook in zijn profetische bediening. Psalm 51. Ook de diepte van zijn schulden van zijn zonden verklaart. Ergst van zijn val. Dan komt het toch ook verderop in die psalm. Ook uit de stallen de barmhartigheid. De genade Gods. Op dat u uit mijn behoudenis moed zou mogen scheppen. Zo zegt David. En als de apostel Paulus terugziet op zijn weg. Hoe hij door de Heere geroepen is. Bekwaam gemaakt is als apostel. Dan geeft ook deze apostel duidelijk aan de grootheid van de genade.

Van God. Dat het een getrouw woord is. Alle aanneming waardig. Dat Christus Jezus in de wereld gekomen is. Om de zondaren zalig te maken. Waarvan ik de voornaamste ben. En dan zegt hij. Ik ben een voorbeeld. Een duidelijke prediking. Een verkondiging van de langmoedigheid van God. Die in hem geloven zullen. Ten eeuwige leven. Dus zulke groten in het Koninkrijk Gods. Die zulke vernederde gestalten hadden. Zulke bemoedigend aansporend woord hadden. Voor medezondaren. Daar ze ervaren hadden. De grootheid van de genade gods. En de rijkdom en de diepte. Van zijn warmhartigheid. En langmoedigheid. En wat blijkt dat ook uit de geschiedenis. Uit deze tekstwoorden van de zonen gods. Dat tollenaren en zondaren. Tot hem genaderd. Ze vallen onder zijn hoorders. Ze zijn opgekomen om tot hem te komen. En om hem te horen. Ze worden niet geweigerd.

Er wordt geen tucht over hen uitgeoefend. Ongetwijfeld hebben ze al iets van de woordtucht ervaren. Ze naderen tot hem. Dus ze verlaten hun eertijds. Ze zijn gebroken met hun zondig bedrijf. En ze zijn gekomen. Op grond van de roepstem en het onderwijs van zijn woord tot hem. En hij stuurt ze niet terug. Vervolg van deze gelijkenissen. Waarin de Heere Jezus duidelijk maakt aan zijn gehoor aan fariseeën en schriftgeleerden. De kern, de diepte, de rijkdom van het evangelie. Spreekt ons ook van die jongste zoon die ook straks terugkomt. Terugkeert en hoe hij ook ontvangen wordt bij de vader. Er wordt hier gesproken over tollenaars. U weet het wel. Wat tollenaars waren. Dat waren mensen die hieven de schatting. Waren bepaald niet geliefd bij het volk. Bijzonder omdat ze de schatting ook hieven. In dienst van de overheerser.

Van de Romeinen. Ze hieven dus de schatting. Ze stonden in dienst van de vijand. En ze hadden dus vaak te maken met onbesneden heideren. Die Romeinen. Die waren in de ogen van de Joden. Zeker van fariseerden en schriftgeleerden. Dat waren heidenen. Die waren onbesneden. Daar mocht je geen gemeenschap mee hebben. Daar mocht je niet mee omgaan. En daar gingen deze tollenaars wel mee om. Daar hadden ze vaak mee te maken. Dat alleen al was een oorzaak om deze mensen te verafschuwen in hun ogen. Om daar met een boog omheen te gaan. En daarbij... Stonden ze ook wel bekend dat ze meer van de belastingplichtigen vroegen. Als dat ze af moesten dragen aan de overheersers. Dat ze daar vaak zo'n ruim verschil van maakten. Dat ze daar goed aan verdienden en bij konden leven. Bij Johannes de Doper lezen wij al dat.

Niet alleen soldaten. Maar ook tollenaars tot Johannes de Doper kwamen. En dat ze vroegen. En wij, wat moeten wij? Dan zegt... Johannes de Doper niet. U moet stoppen met uw arbeid. U moet die belasting niet meer innen. Maar hij zegt u moet zoveel innen als dat u gezet is. Als dat verantwoordelijk is. Vraag niet meer. En vraag niet overmatig meer. Wat zullen wij doen? Dat inderdaad die onbesnedenheid van degene met wie ze omgingen. Een belangrijk element was voor de afschuw van fariseeën. En schriftgeleerden kunt u ook bijvoorbeeld lezen in Handelingen 10. Als de apostel Petrus dat linnen laken voor ogen krijgt. En als daar reine dieren en onreine dieren door elkaar heen krioelen. De Heere de boodschap geeft. Sta op, slacht en eet. Dan zegt Petrus geen zins, Heere. Die reine dieren waren ook onrein door de aanraking van die onreine dieren.

En dat zal bijzonder ook meegespeeld hebben. Bij de afkeer van de fariseeën en schriftgeleerden. Dat zelfs ook onder de kinderen gods na ontvangen genade. Dat ook als Petrus terugkeert van Cornelius de hoofdman. Waar de kracht van de heilige geest in rijke mate uitgestort is. Dat hij ter verantwoording wordt geroepen door zijn geloofsgenoten. Hoe heeft hij het aangedurfd om in een woning te komen van een Romein? Dat was toch ten strengste verboden voor zo'n orthodoxe jood. Dus dat zal ongetwijfeld ook hierin meegespeeld hebben. Het zijn niet alleen tollenaars die in beweging gekomen zijn. En die hem genaderd zijn. Het zijn ook zondaren. Het grondwoord dat meldt ons dat het brute zondaren waren. Zondaren waren die een openbare goddeloosheid geleefd hadden. Maar ze naderen hem. Ze naderen de Zonen Gods. Ze komen tot hem. Enige grond tot behoud.

Enige naam tot zaligheid. Vanwege zijn opdracht die hij vertookt heeft gekomen. Om te roepen de zondaars tot bekering. Vanwege de prediking die hij heeft laten horen. Wat een gemeente. Vinden we hier toch bijeen onder het gehoor van de zaligmaker. Mensen die toch zouden zingen met de psalmist. Een stroom van ongerechtigheden. Had de overhand op mij. Maar ons weer spannig overtreden. Verzoend en zuiverd gij. Mensen die ongetwijfeld ook zongen. Bekende o Heere aan u oprecht. Mijn zonde. Mensen. Die tot hem naderden en die moesten beleiden. Ik herken mijn schuld die u tot straf bewoog. U doel is rein. U vol is gans. Rechtvaardig. En ziet de zulken wees hij niet af. Maar onderwees hij in de rijkdom van zijn dierbaar evangelie. Hij sprak met tollenaren en zondaren. Hij onderwees een Samaritaanse vrouw onder zijn discipelen. Was een Maria Magdalena onder zijn apostelen.

Was een Simon Silotus. Het zijn allemaal namen die toch een afkomst tekenen. Bepaald niet verheffend. Maar dat het inderdaad waar is. Het kern van het evangelie. Dat hij gekomen is om het verlorene te zoeken. Om het weggedrevene te behouden. En wat een wonder. Gemeente dat u en ik. We hopen dat de mensen geen tollenaar zijn. Geen grote zon daar zijn. Geen brute zon daar zijn. Terwijl we toch datzelfde beginsel uit Adam in onszelf ook hebben. Terwijl ook van u en van mij geldt. Onbekwaam tot enig goed. En geneigd tot alle kwaad. Terwijl ook duidelijk de schrift ook u en mij ook tekent als een mens. Wie laatst van de hoofdschedel tot de voet zo toe. Maar het is toch een wonder. Als we bewaard zijn voor uitbrekend kwaad. Voor ernstige zonden. Voor een zeer schandelijk leven.

Als dat achter ons zou liggen. Weet u wat nog een groter wonder is? Als we als arme zonder. Hoewel we niet in brute zonden geleefd hebben. Hoewel we niet opspraak gegeven hebben. In de dorpsgemeenschap. Of in onze familie. Weet u wat nu een groter wonder is? Als we toch komen. Als ellendige. Als armen en verloren zondaren. Als we zo Gods heilige wet hebben gehoord. Die ons vanmorgen voorgelezen is. Dat we net als dat volk onder aan de berg. Dat we afgeweken zijn. Van verre zijn gaan staan. Omdat we iets hebben verstaan van die volmaakte eis van Gods heilige wet. Die ons niet alleen oordeelt over onze werken. Die ons niet alleen schuldig stelt. Aangaande onze woorden. Maar die ook het diepste van onze gedachten peilt. Die kennis. Die gaat de Heere toch aan ieder die hij leidt en leert bekendmaken.

Hij stelt ons voor die spiegel van zijn volmaakte heilige wet. Hij omschijnt ons met het licht van de heilige geest. En schijnt ook in ons. Omdat de plaag van ons hart. Die we verborgen hebben. Onder een burgerlijk net leven. Hoe voorbeeldig is dat ook. Maar die plaag van ons hart wordt wel dan bekendgemaakt. En gaan we zodanig gevoelen en ervaren. Dat het formulier van de heilige doop zegt. Een mishagen aan onszelf. Ons voor God te verontmoedigen. Onze rijdigmaking en zaligheid. Buiten onszelf te zoeken. Dus gelukkig als we bewaard worden. Voor uitbrekend kwaad. Maar nog gelukkiger. Als we de plaag van ons hart zo leren kennen. Dat we te midden van dit gezelschap al een plaats in kunnen nemen. Ons niet de best achten om ons daarboven te verheffen. Maar gewillig een plaats hieronder zoeken. Hieronder thuis voelen.

Onder de bediening der verzoening. En ziet nog een groot wonder als we dan een levende behoefte hebben. Aan die gerechtigheid die hij verworven heeft. Die hij verdiend heeft. Die hij met de prijs van zijn bloed ook bekend, ook verworven heeft. Ons zodanig te leren kennen. Om hem te horen zijn ze gekomen. Het grondwoord gemeente betekent horen. Niet oppervlakkig horen. En dat we als een vergetelijk hoorder. Net als bij Jacobus die even die spiegel zag. Dat we vanmorgen ook even die spiegel van Gods heilige wet gezien hebben. En we keren ons erom. En we vervolgen onze levensweg. Geen vergetelijk hoorder. Maar dat we begrijpen ook. Dat we leren begrijpen. En dat we ook leren gehoorzamen. Leren buigen voor de eis van Gods heilige wet. Ze kwamen tot hem. Om te horen. Dat horen. Dat werd ook overgezet in daden.

Dat horen gaf een overtuiging. In hun hart van hun verlorenheid. En ellendigheid. Een overbuiging in hun ziel. En een toevluchtneming tot hem. Die enige grond. Tot behoud. En zaligheid. Wel. Als u dan deze gemeente overziet. Die de zaligmaker om zich heen verzamelde. Als deze scharen tot hem kwam. Als daar voornamelijk ook tollenaren en zondaren worden genoemd. Die tot hem gekomen zijn. Dan is het ook wel duidelijk dat de Dordtse vaderen niet teveel gezegd hebben. Als ze zeggen in het negende artikel van het derde en vierde hoofdstuk. Als wij niet bekeerd worden. Als we niet tot de zaligheid komen. Dan ligt dat niet aan God. Dan ligt dat niet. Aan het evangelie. Dan ligt dat niet aan Christus. In het evangelie. Aangeboden zijnde. Zo spreken de Dordtse vaderen. Maar dan is het hij geschuld. Dan is het toch de hardigheid van ons hart.

Dan is het de zorgeloosheid. Die het zaad van het woord weer overwoekende. Dan zijn het de doornen en de disselen. Die het zaad van het woord. Die liefdelijke lokking en nodiging. De waarschuwing. De onderwijzing. Die het zaad van het woord. Weer verstikt hebben. Zodat we overgingen tot de orde van de dag. Maar als u toch deze gemeente samen ziet komen. Onder het gehoor van de Zaligmaker. Ja dan kunt u toch niet zeggen. Ach daar ben ik te slecht voor. Daar ligt voor mij geen ruimte in. Geen mogelijkheid om in zo'n gezelschap te verkeren. Wat wel voor de hand ligt. En dat is onze derde gedachte. Dat is de verachting. Van hem. Het is toch duidelijk dat waar het woord verkondigd wordt. Waar het zaad van het evangelie gestrooid wordt. Het is een reuk des doods ten dode.

En het is een reuk des levens ten levende. Altijd dat grote onderscheid. Wat u ook hier vindt. Allemaal mensen. Allemaal uit Adam. Allemaal van dezelfde lap gescheurd. Al hetzelfde beginsel omdragend. En alle onder de prediking van het woord. Onder de strooiing van het zaad. Der wedergeboorte. Of spijzender ziel. Het woord der waarheid. En de een die stoot zich aan het evangelie. Die ergert zich aan de boodschap van het evangelie. Die verhart zich er tegen. En de ander wordt er onder vernederd. Hoe vinden we dat ook duidelijk op de dag van de kruising. Als daar de zonen gods hangt aan het kruis. Als daar het evangelie zo krachtig gepredikt wordt. Als daar de voorbidding op klimt. Vader vergeef het hen. Want ze weten niet wat ze doen. Als ze zichzelf het daar zo duidelijk openbaart. Als het lam gods dat de zonde der wereld wegdraagt.

Twee moordenaren. De een verhart zich onder diezelfde boodschap. En de ander wordt eronder vernederd en vertederd. En roept uit. Gedenk mijner. Als gij in uw koninkrijk gekomen zijt. In overtuiging van zijn verlorenheid. En schuld en zonde. Hoe duidelijk toch het evangelie. Vindt u telkens weer. Er is geen tussenweg. Het is of de brede weg. Of de smalle weg. Het is of de hemel. Of de hel. Het is of waar. Of vals. Of schijn. Of zijn. Deze naderden tot hem. Om hem te horen. Maar er staan ook mensen. Schriftgeleerden, fariseeën. Zo staat het in die tekst. Die murmureren. Die zijn niet tevreden. Die zijn zeer verstoord. Die storen zich aan deze komst van deze mensen. Is hij de Messias? Zou hij de zoon van David zijn? Zou hij de beloofde zijn? Ja, ze zijn thuis in de schrift.

Ze kunnen het zo teruglezen. En de profeet Jezaja. Als er staat over zijn bediening dat hij gebonden en los maakt. Dat hij armen het evangelie verkondigt. Dat hij de blinden het gezicht geeft. Dat hij het gebrokenen hield. Het verlorenen zoekt. Ze kunnen hem ook zo teruglezen in Jezaja 53. Maar ze zijn daarvoor verblind. Ze hebben daar geen ware levende kennis aan. Ze behoren bij de zelfgenoegzame. Ze zijn tevreden met hun godsdienst. Ze vinden genoeg doening in hun werken. Ze kijken met een tevreden blik op hun ijver. Op al datgene wat ze doen. Op hun gestaltes. Ze behoren niet bij degene waarvan de Heere Jezus zegt. Gij weet niet. Dat ge zijt arm, jammerlijk, blind en naakt. Ze behoren bij de onwetende aangaande te val in Adam. Ze hebben geen besef van wat er geschreven staat.

In Psalm 14, Psalm 53. Er is niemand die God zoekt. Ze zijn alle afgeweken. Daar behoren hun niet bij. Ze zijn kinderen van het verbond. Ze dragen het teken. En ze behoren toch bij degene die straks het Koninkrijk Gods zullen ingaan. Hun ontbreed. De ware geestelijke kennis. Ze hebben geen geestelijk oog. Voor de volmaakte eis van Gods heilige wet. Voor de diepte van hun zonde en schuld. Ze hebben geen geestelijk oog. Voor het vlees geworden woord. Voor de zaligmaker van zondaren. Geen oor om het geklank van het evangelie te verstaan. Voor wie waartoe hij gekomen is. Voor wie hij gezonden is van de Vader. Ze verstaan de diepte en de kracht niet van het bloed. Wat gespreind werd op het verzoendeksel van de ark. Van het offer wat gebracht werd. Wat de rechtvaardigheid Gods eiste.

En dat de bloedstorting onmisbaar was tot verzoening. Het is toch wat. Zo lang op het kerkelijk erfwerkzaam. Zo geleerd. Zo'n kennis van het woord. Zo'n vooraanstaande positie op het kerkelijk erf. Zo'n plaats ook onder het volk van achting. En zo onbekend met de dingen die noodzakelijk zijn tot zadigheid. En zich te stoten te ergeren aan de ruimte en de diepte en de kracht. Van het liefdelijke evangelie van vrije genade. Zich daaraan te stoten. Geen kennis van zichzelf. Ze missen het mishagen aan zichzelf. Ze weten niet van de verontmoediging voor God. Ze weten iets van het buigen voor de majesteit. Voor de grootheid Gods met diep schuldbesef. Ze staan recht overeind in hun eigen gerechtigheid. En in hun werkheiligheid. Daar staat de waarheid. De Christus der schriften. Ik ben de weg. De waarheid en het leven.

Daar is de openbaring van de liefde Gods. De gave van de Zoon gekomen. Uit de schouders vaders afgedaald in deze bedeling. Daar staat hij. Die zichzelf zal geven tot een ransoen voor veden. En een ergernis aan de weg die hij gaat. Een stoten aan de prijs die hij betaalt. Een verwerping van de leer die hij predikt. En een handhaving van zichzelf in zelfgenoegzaamheid. Rijk en verrijkt. En aan geen dings gebrek en onbekend. Met hun verlorenheid en ellendigheid. Het is toch zo duidelijk bij de geboorte. Dat Maria de Lofzang zong en gezegd heeft. Armen heeft hij met goederen vervuld. Hongeren en rijken zendt hij ledig weg. Het is toch zo krachtig gepredikt door Salomo. Onder het houden verbond noodrustigen zal hij verschoden. Aan armen uitgenaazen en hulpen ter verlossing tonen. Kijk dat die mensen dat toch wisten.

En dat ze daar zich zo aan stoten aan het evangelie. Maar misschien moeten wij ook wat bij onszelf te raden gaan gemeente. Wat zingen wij gedachtloos. Wat weten wij veel van de schrift. En ook van al deze dingen. Maar kennen we de ontdekkende werkelijkheid. De kracht van het woord en het werk van de heilige geest. Verstaan we iets van dat verborgen leven. Van dat mishagen aan onszelf. Ziet de Heere ons ook in het verborgenen. Met de tranen zoals u ook zijn discipelen voorhoudt. Ween in het verborgenen. Zalf uw aangezicht er buiten toe. En uw vader die het in het verborgenen ziet. Die zal het ook in het openbaar vergelden. Ik zal mij doen overhouden. Een ellendig en arm volk. Die zullen op hun naam betrouwen. Hoe zouden die mensen dat toch verstaan? Ze kunnen het zo opzeggen.

Ze weten het zo te vinden in de schrift. En er is geen enkele doorleving van het woord der waarheid bij hen te vinden. Er is een stoten aan de waarheid. Zij murmureerden zeggende. Want in de vierde plaats. Dan spreekt toch ook de tekst van de verwondering over hem. Het is een woord van ergernis. Het is een woord waarin ze murmureren. Maar deze mensen doen toch een krachtige evangelieverkondiging. Een wonderlijke evangelieprediking spreken ze uit onwetend. Ze lijken ook op de hoge priester Kajefas. Die sprak ook een wonderlijke boodschap uit. Die zei het is nutter dat één mens sterven voor het volk. Dan dat het hele volk verloren gaat. Hij sprak een diep. Ontdekken de waarheid uit. Nutter dat één mens sterven. Anders zou toch die ganse kerk verloren gaan. En hier ook. Deze ontvangt de zondaars.

En eet met hen. Als we het nu van de discipelen zouden horen. Maar nu horen we het van de vijanden. Van de tegenstanders. Van degenen die zich ergeren aan het evangelie van vrije genade. Deze ontvangt de zondaars. De vorste duisternis. Eveneens een grote tegenstander. Van de zaligmaker van zondaren. Eveneens een krachtige tegenstander. Van al degenen die het woord der waarheid zoeken. Die voor de Heere hebben leren buigen. O, wat kan hij ze benauwen. Wat kan hij ze aanvechten. Juist ook als het gaat om de komst tot hem. De boodschap van het evangelie. U bent nu welkom. U bent het de groot zonda. U kunt voor God niet bestaan. Ziet eens wat er in uw gedachten omwoelt. Kijk eens naar uw verleden. En let eens op uw heden. Hoe zou u ooit voor hem kunnen bestaan?

Maar kijk nu krijgt u van de zijde van de fariseer en schriftgeleerder toch een liefdelijke krachtige evangelie prediking. Zij zijn ook tegenstanders van de zaligmaker. En onwetend vermelden ze de rijkdom van zijn barmhartigheid en genade. Deze ontvangt. De zonders stuurt ze niet weg. Als u toch zulke mensen aan uw deur krijgt. Dan doet u toch nog een extra grendel op de deur. Dan gaat u toch de deur niet voor open zetten voor zulke mensen. Zo zitten u en ik toch ook in elkaar. En nu deze ontvangt ze. Hij groet ze. Hij neemt ze aan. Hij houdt gemeenschap met hen. Hij eet met hen. Eten dat is in de schrift. Oude Nieuwe Testament. Met iemand. Gemeenschap oefenen. Nabijheid ook geven. En dan weet u wel die fariseer en schriftgeleerden. Als de handen al niet gewassen waren.

Daar ergden ze zich al aan. Eten met ongewassen handen. Er was toch niets ernstiger. Als zonder die je kon bedrijven. En zie hier. Hij eet met de zulken. Hij oefent gemeenschap met hen uit. Aan de tafel. Deze ontvangt de zondaars. Krachtige prediking. Bekende oudvader Theodorus van de Groep. Die heeft er een voorbereidingsspreek over. Van het heiligavondmaal. Moet u maar nalezen. Over deze tekst worden deze ontvangt. De zondaars. En eet met hen. Dat is toch de grootste verwondering voor deze zondaars zelf. Dat ze door hem, de zaligmaker van zondaren, ontvangen werden. Plaats kregen aan zijn tafel. Staat geschreven onder het Oude Testament van Jozef. En Jozef was een type van de zaligmaker onder het Oude Verbond. Als Jozef onderkoning is, dan komen zijn broeders. Die komen tot hem. En hij eet eerst afzonderlijk van die broeders.

Het waren immers veehouders. Het waren schaapherders. Dat was een gruwel in de ogen van de Egyptenaren. Zo'n schaapherder. En hij was onder koning van de Egypten. Dus hij eet met hen afzonderlijk. Later staat er dat hij met hen aan tafel zit. En dat hij precies op leeftijd ook een plaats geeft. Zijn broeders verbonderen zich erover. Hoe kan dat? Ze zitten precies op de volgorde van hun leven. Ja, Jozef kende hen. Veel beter. Als dat zij op dat moment Jozef kende. Maar zo is het ook hier. De zonen gods. De meerder Jozef. Hij ontvangt. De zondaars en eet met hen. Wat was het een wonder voor Mefiboset. Geslagen aan beide voeten. Van afkomst een sauliet. Zijn vader was zeer verbonden met David. Maar zijn grootvader Saul had David ten dode toe vervolgd menigmaal. En in plaats van het zwaard en van het recht.

Ontvangt hij een plaats aan des konings tafel. Wat is uw knecht? Dat gij omgezien hebt. Naar een dode hond als ik ben. Wat een verwondering voor meef u boos hebt. Wat een verwondering bij de Canaanese vrouw. Ze was tevreden met de plaats onder de tafel. Geen kinderdeel, Heere. Maar een hondekensdeel. Kruimo, diervalt van uw tafel. Wat een verwondering voor Azaf. Als hij bij vernieuwing weer in Gods huis onderwijs ontvangt. En dan beleidt. Ik was door mijn verwaande geest bij u. Een onvernuftig beest. Wat een verwondering bij Ager. Die zegt ik ben onvernuftiger dan iemand. En ik heb geen mensenverstand. U hoort wel. Gezelschap wat aan tafel mag. Met deze gezegende koning. Met wie hij gemeenschap oefent. Dan is de vrucht. Oudmoed. Diepe verootmoediging. Ware vernedering. Een hartelijk buigen voor zijn majesteit en voor zijn grootheid.

Dan is toch de dichter die zegt. Hier wijkt mijn ziel met een verwonderend oog. Hij openbaart zich hier. Inderdaad als de zaligmaker van zondaren. Hij verklaart zich hier als de redder van het verlorene. Hij vervult hier de schrift. Dat hij Adam zaat wat weggekropen is. Wat zeer verzondigd. Wat het zeer verzondigd heeft. Wat zich bedekt heeft met vijgenbladeren. De schande van hun naaktheid met verontschuldigingen. Met tegenwerpingen. Met allerlei vijgenbladeren te bedekken. Om ze nochtans te roepen op te zoeken. En zo te bearbeiden. Er staat hier zijn naderde tot hem. En hij neemt hen aan en zet hen aan zijn tafel. Dat zal toch eeuwige verwondering geven. Dat zal toch doen roemen met de dichter. Wat wij ook eerst gaan zingen uit Psalm 113. Het vierde vers. Wie is aan onze God gelijk die armen opricht.

Uit het slijk nooddriftigen. Van elk verstoten goedgunstig opheft. Uit het stof. En wat er verder volgt in het vierde vers. Van Psalm 113. Het

♪ Gezang

is bedoeld gemeente als laster. Als verdachtmaking van de zonen gods. Dat kan toch de Messias niet zijn. Die zich met de zulke inlaat. Dat kan toch de vervulling van het schriftwoord niet zijn. Van de meerdere Davidzoon. Dat hij met de zulke zich afgeeft. En aan dezelfde tafel zit. Dus hoor maar niet naar hem. O scharen. Kom maar niet tot hem. Want ziet wie hij ontvangt. En met wie hij wil eten. Zo was de bedoeling van deze fariseeën en schriftgeleerden. Maar hopelijk weten wij beter, mogen het beter verstaan door Gods genade. Dat we hier nu juist de ruimte in zien om behouden en zalig te worden. Dat deze mensen die op zulke wijze de zonde, de ongerechtigheid hebben uitgeleefd. Als ze braken door genade, door het horen van het woord. En de kracht van de geest met de zonde.

Als ze hun ongerechtigheden verlieten. En naderten tot hem. De zaligmaker van zondaren. Dat ze niet werden weggezonden. Niet werden geweigerd. Maar ontvangen. Hoe kon het dat zij tot hem naderden. De oorzaak ligt dat hij genaderd is tot ons. De Heere is altijd de eerste. Hij komt eerst tot ons. Of dat wij tot hem zouden komen. Ook weer duidelijk als u teruggaat in Genesis 3. Dat is het niet een roepende, een biddende, een smekende, een zich schuldig kennende Adam. En daarom komt de Heere tot Adam. Omdat u zo riep. Omdat u zich zo schuldig wist. Omdat u zich zo diep vernederde. Nee, zo was het nog niet. Toch kwam de Heere. Hij zoekt inderdaad de zon daar. En dan gaat hij onze naam, onze afkomst, onze aard. Gaat hij bekendmaken. En gaat hij duidelijk maken. Op dat wij van onszelf zouden leren afzien.

Aan onszelf leren sterven. En het eertijds verwel zouden zeggen. En tot hem zouden komen. De Heere is ook genaderd tot ons. Hij heeft ons gebracht binnen de omtuining van zijn verbond. Bijzondere plaats toch. Dat we onder het woord mogen verkeren. Dat de Heere die bijzondere bemoeienis met u en met mij ook heeft. Dat hij ons afgezonderd heeft. Hij heeft een teken gegeven aan ons voorhoofd. Hij heeft zijn naam over ons uitgeroepen. De naam van de drie enige God. Hij heeft ons duidelijk gemaakt dat hij... Ons als zijn erfgenamen. Als zijn kinderen wil aannemen. Daarbij hebben we de opvoeding gehad. Wat de meeste van ons betreft toch. Dat we bij de schrift zijn grootgebracht. Dat we het onderwijs hebben genoten. Voor onze ouders. Of op de school. Of de categorisatie. Dat de prediking van het woord dat ons is uitgegaan.

De bediening der verzoening. Zo menigmaal. En dan hoort u ook nog dit adres. Dus met alles wat u gehoord hebt. Met alles wat u waargenomen hebt. In uw omgeving. En als u dan toch nog niet voldoende daartoe aangespoord wordt. Of als u toch van ver mee te moeten staan. Als u toch zegt mij ontbreekt alles. Ik sta schuldig. Ik kan voor God niet bestaan. Dan hoort u vanmorgen de prediking van de fariseer en de schriftgeleerden. Dat is toch een duidelijke boodschap. Dit adres. Dat hij met zo'n gezelschap wil verkeren. Dat deze voorbeelden in de schrift staan. Om ons duidelijk te maken. Welk een diepte het evangelie van vrije genade kent. Leer van de reformatie. Heeft die diepte weer opnieuw ons duidelijk mogen maken. Kracht van het evangelie. De rechtvaardiging van de goddeloze. Niet van de fariseer.

Niet van de schriftgeleerde. Niet van de vrome mens. Niet van de biddende worstelende mens. Maar door al uw gebed en worstelingen heen. Van de goddelozen. Ziet het licht schijnt in de duisternis. Er hoeft dus geen reden te zijn tot wanhoop. Er hoeft dus geen reden te zijn tot diepe moedeloosheid. Ja, ziende op uzelf wel. Dan hebben we er alle reden toe. Dat schiet niet op. We blijven arme tobbers en verloren zondaren. En Gods heilige wet veroordeelt ons keer op keer. En getuigt tegen ons. Dat we tegen al die geboden gods zwaar en menigmaal gezondigd hebben. Geen daarvan gehouden hebben. En nog steeds tot alle boosheid gelijk zijn. Maar ziet. Deze ontvangt de zondaars. En eet met hen. Zo staat het in de woorden van onze tekst. O die diep ontdekkende waarheid. Van Gods heilige wet.

Dat schuldigstellende woord. Die spiegel met die verlichting van de heilige geest. Maar dan deze vertroosting van het dierbaar evangelie. Opdat wij dat woord Gods leren omhelzen. Daarvoor leren buigen. Onze gangen en treden daarin vast mogen maken. Ziet hebben wij reeds onze zonden verlaten. Onze ongerechtigheid vaarwel gezegd. Onze eigen gerechtigheid van ons afgeworpen. De vijgenbladeren van onze tegenwerpingen en verontschuldigingen. Zijn die al ons ontnomen door de kracht van het woord? Of hebben wij de wereld nog lief? Heb de wereld niet lief? Zo zegt de apostel Johannes. Want die wereld die zal vergaan. Zijn we al genaderd gekomen? Ja maar. We hebben zo onze redeneringen. Onze argumenten. Onze tegenwerpingen heeft de wereld. Die biedt ons geen lust meer. En de eigen gerechtigheid. Die geeft ons geen rust meer. Maar had ik maar dit. Gevoelde ik maar dat.

Kon ik maar daar iets van spreken. Had ik maar meer tranen. Kon ik maar hartelijker bidden. Kon ik maar ernstiger leven. Dan zou er misschien nog wel een mogelijkheid zijn. Dan zou er misschien nog wel doen aan zijn. Als ik dit of dat gevoelde enzovoort. U kent hopelijk wel zulke overwegingen. Maar u bent bezig om die zon daarop te knappen. Om wat te reformeren aan de buitenkant. Maar het beginsel blijft een boos verdorven bestaan. Het beginsel blijft dat eigen ik. Wat zich verzet tegen de majesteit en de grootheid Gods. En wat zich beter acht. Als dat hier staat. Zondaar. Albederver. Een wederhorige. Een arm. Ellendig. Verloren. Zondaar. Ja, maar u zegt. Misschien. Ik moet toch eerst toch wel weten dat ik een zondaar ben. Ik zal toch eerst moeten beleven dat ik schuldig staat aan al Gods geboden.

En als ik dan zo diep vernederd ben. Ja, dan zou ik misschien gepast zijn. Voor het onderwijs van hem. U denkt dat het tweede stuk wel van Christus is. De vergeving, de verzoening. En dat u het eerste stuk u zelf aan moet leren. De schuldontdekking. De schuldbeleving. Dan begint u bij het hoge priesterlijk ambt van Christus. En u slaat zijn profetische bediening over. En in die profetische bediening leert hij ons bij de aanvang en bij de voortgang. U weet het al. Staat in de Catechismus. Hoe groot mijn zonde en ellende zijn. Dat valt onder de profetische bediening van de zaligmaker van Zondag. Eerste stuk. Dus u wilt al lezen. U wilt al kunnen lezen. En dan wil u naar school gaan. Terwijl u naar school gaat om te leren lezen. Jongens en meisjes vanmorgen zitten niet in de kerk.

Maar hopelijk luisteren jullie mee. Hoe ging dat op school? Eerst moest je kunnen rekenen. En dan mocht je op school komen. Eerst moest je kunnen lezen. En dan werd je door de juffrouw verwacht. Of was het juist dat je op school ging om te leren lezen. Om te leren rekenen. En zo is het nu geestelijk ook. We moeten leren hoe groot onze zonde. En weet u hoe lang of die lijst duurt? Levenslang. Tot uw laatste snik toe. Komt u nooit meer van af. U krijgt telkens weer opnieuw onderwijs. Het eerste stuk van de Catechismus. Hoe groot mijn zonden en ellenden zijn. Het derde stuk. Het stuk van de heiligmaking. Waarom wordt die wet dan zo scherpelijk gepredikt. Daar toch niemand ze houden kan. Opdat ik mijn zondige aard. Hoe langer hoe meer zal leren kennen.

Des noodzakelijker. Dan hebt u een gevorderde leerling. Die zit bij wijze van spreken in de hoogste klas. Opdat ik mijn zondige aard. Hoe langer hoe meer zal leren kennen. Ziet. Dat eerste stuk. Dat komt ook voort uit de onderwijzing van hem. Wie mij nederig valt te voet. Die zal van mij mijn wegen leren. En bij de verdere voortgang. Raken we nooit uitgeleerd. Nooit afbekeerd. Als het gaat om de waarheid van het woord. Op dat Christusgestalten in ons krijgen. Meer en meer. Omdat we op zullen wassen in de kennis. En in de genade. Van hem. Ziet. Ja waar haal ik nu de vrijmoedigheid vandaan. Om ook tot hem te naderen. In zijn woord. In de nodiging van het evangelie. Dat hij de zondaars roept. Tot bekering. Dat hij zegt ik ben niet gekomen om te roepen.

Te rechtvaardigen. Maar de zondaars. Tot bekering. Kijk. En dan kunt u op afstand blijven staan. Met uw tegenwerpingen. Met uw eigen ik. Met de handhaving van uw eigen gerechtigheid. Werkheiligheid. Zoals de fariseeën in schrift gereden. Met uw verdachtmakingen. Die door de vorste duisternis versterkt worden. Gevoed worden. Met uw jamaars. Maar de tollenaars en de zondaars. Op een andere plaats zegt de Heere Jezus. Hoeren en tollenaars zullen u voorgaan. In het Koninkrijk van God. Dat is dus niet dat we de uitleving van de zonde moeten voorstaan. Maar het evangelie maakt wel duidelijk. Dat in de kracht van het bloed. In de gerechtigheid van de zonde gods. Er geen verhindering is. Om behouden. Om gered. Om zalig te worden. Als u op grond van het woord. En niet op grond van. Uw verdiensten van uw geschiktheid. Of van uw tranen, van uw gestaltes.

Maar op grond van de liefdelijke nodiging van het evangelie. Aanhoudend, volhardend. Hoe de storm in de kop steekt. Welke invluisteringen de vorst de duisternis opgeeft. Niet te min tot hem, de zaligmaker van zondaren komt. Want, ziet, hij ontvangt de zondaars. En eet met hen. Amen. Eindigen wij met gebed.

Heere, gij bracht ons in dit morgenuur onder deze bijzondere omstandigheden hierbij een. U weet de redenen dat het geen verhindering mag zijn. Voor uw goddelijk woord. Voor uw dierbare evangelie. Voor de boodschap des heils. Wil toch door uw geest dat doordoen dringen door ons oren. Tot in ons hart. Gedenk ons zo. In uw genade getrouw ook in het verder van deze uw dag.

Wil de overdenking van uw woord. Nog geven in onze harten de werkzaamheid met uw woord. Schenken in onze zielen. Wil ons ook in dit avontuur. Mocht het ook zijn in het kerkgebouw. Weer samenbrengen. Onder het geklank van uw woord. Zie op ons neder, Heere, naar de grootheid uw genade. Behoed en bewaar u ons. Wij vragen u dit om Jezus willen. Uitgenade. Amen.

Wij zingen tot slot uit Psalm 89. En daarvan het zevende en het achtste vers. Hoe zalig is het volk dat naar uw klanken hoort. Zij wandelen hier in het licht. Van het goddelijke aanschijn voort. En ook het achtste vers. Gij zijt hun roem. De kracht van hun kracht. Psalm 89 vers 7 en 8. Ik

♪ Gezang

krijg zojuist nog een nadere afkondiging. De zondagsschool gaat niet door. De brandweer heeft inspectie uitgevoerd. En er is geen oorzaak gevonden voor de brandlucht. Vanmiddag zal opnieuw een inspectie worden uitgevoerd. En dan zal worden besloten of de avonddienst in de kerk door kan gaan. Verder wordt u op de hoogte gehouden via de Schipio-app.

Gaat u heen in vrede dragende de zegen des Heeren. De Heere zegene u en behoede u. De Heere doe zijn aangezicht over u lichten. En zij u genadig. De Heere verheffe Zijn aangezicht over u. En geven u vrede. Amen.

♪ Gezang