Habakuk 2: 4b; De genade Gods
Transcript
♪ Gezang
En onze verwachting. Zij in de Naam des Heeren. Die de hemel en de aarde geschapen heeft. Die trouwe houdt en eeuwig leeft. En die nooit laat varen de werken. Zijner handen. Amen. Genade, barmhartigheid en vrede. Zij u van God den Vader. Door... Christus, Jezus zijn Zoon. In de gemeenschap des heiligen Geestes. Amen.
Gemeente, wij zetten deze dienst voort door te zingen uit Psalm 130. En daarvan het derde en het vierde vers. Psalm 130, vers 3. Ik blijf den Heere verwachten. Mijn ziel wacht ongestoord. Ik hoop in al mijn klachten. Op zijn onfeilbaar woord. En ook het vierde vers hoopt op de Heere. Gij vromen. Wat er verder volgt in de versen drie en vier van Psalm 130. Wij
♪ Gezang
openen Gods heilig en dierbaar woord in dit avontuur. In het Oude Testament. In de profetie van Habakkuk. Daarvan nadert het tweede hoofdstuk. Te beginnen bij het eerste vers. Ik noem u als onze schriftlezing. Habakkuk 2. Nog vooraf toen wij beleiden is. Van het algemeen ongetwijfeld christelijk geloof. Met de woorden van de twaalf artikelen. Ik geloof in God den Vader. Den Almachtige. Schepper des hemels en der aarde. En in Jezus Christus. Zijn enige geboren Zoon. Onze Heere. Die ontvangen is van de Heilige Geest. Geboren uit de Maagd Maria.
Die geleden heeft onder Pontius Pilatus is gekruisigd. Gestorven en begraven nedergedaald ter helle. Ten derde dagen wederom opgestaan van de doden. Opgevaren ten hemel. Zittende ter rechterhand Gods des almachtigen vaders. Van waar hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden. Ik geloof in den heiligen geest. Ik geloof een heilige, algemene, christelijke kerk. De gemeenschap der heiligen. Vergeving der zonden. Wederopstanding des vleeses. En een eeuwig leven. Ik noem u als onze schriftlezing Habakkuk 2. Te beginnen bij het eerste vers. Waar het woord Gods als volgt tot ons komt. Ik stond op mijn wacht. En ik stelde mij op de sterkte. En ik hield wacht om te zien wat hij in mij spreken zou. En wat ik antwoorden zou op mijn bestraffing. Toen antwoordde mij de Heere en zei de schrijf het gezicht. En stel het duidelijk op tafelen.
Op dat daarin lezen die voorbij loopt. Want het gezicht zal nog tot een bestemde tijd zijn. Dan zal hij het op het einde voordrengen. En niet liegen. Zo hij vertoeft, verbijt hem. Want hij zal gewisselijk komen. Hij zal niet achterblijven. Zie, zijn ziel verheft zich. Zij is niet recht in hem. Maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven. En ook de welheid trouweloze... Handelt bij de wijn. Een trots man is. En in zijn woning niet blijft. Die zijn ziel wijd open doet als het graf. En gelijk de dood is. Die niet zat wordt. En tot zich verzamelt al de heidelen. En vergadert tot zich alle volken. Zouden dan niet al dezelven van hem een spreekwoord opnemen. En een uitlegging der raadselen van hem. En men zal zeggen. Weedien. Die vermeerdert hetgeen dat zijn niet is.
Hoe lang? En dien die op zich laat dik slijk. Zullen niet onvoorziens opstaan die u bijten zullen. En ontwaken die u zullen bewegen. En zult gij hun niet tot plunderingen worden. Omdat gij vele heidenen beroofd hebt. Zo zullen alle overgebleven volken u beroven. Om het bloed der mensen. En het geweld aan het land, de stad en alle inwoners daarzelfde. Bedien die met kwade gierigheid geert voor zijn huis. Opdat hij het in de hoogte zijn nest stellen. Om bevrijd te zijn uit de hand des kwaads. Gij hebt schaamte beraadsvraagd voor uw huis. Uitroeiende vele volken. Zo hebt gij gezondigd tegen uw ziel. Want de steen uit de muur roept. En de balk uit het hout antwoordien. Weedien die de stad met bloed bouwt. En die de stad met onrecht bevestigt. Zie is het niet van de Heere der heirscharen.
Dat de volken arbeiden ten vure. En de lieden zich vermoeien te vergeefs. Want de aarde zal vervuld worden. Dat zij de heerlijkheid des Heeren bekennen. Gelijk de wateren de bodem der zee bedekken. Weedien. Die zijn naasten te drinken geeft. Gij die uw wijnfles daarbij voegt. En ook tot dronken maakt. Opdat gij hun naaktheden aanschouwt. Gij zult ook verzadigd worden met schande voor eer. Drinkt gij ook een ontlote voorhuid. De beker der rechterhand des Heeren zal zich tot u wenden. En er zal een schandelijk uitbraaksel over uw heerlijkheid zijn. Want het geweld dat tegen Libanon begaan is zal u bedekken. En de verwoesting der beesten zal hem verschrikken. Om des bloedswil der mensen. En des gewelds in het land, de stad en aan alle inwoners daarzelfde. Wat zal het gesneden beeld baten dat zijn formeerder het gesneden heeft.
Of het gegoten beeld het welke leugenleraar is. Dat de formeerder op zijn formeers zo vertrouwt. Als hij stomme afgoten gemaakt heeft. Weedien die tot het hout zegt. Wordt wakker. En ontwaak tot een zwijgende steen. Zou het leren. Zie het is met goud en zilver overtrokken. Er is gans geen geest in het midden van hetzelfde. Maar de Heere in zijn heilige tempo. Zwijg voor zijn aangezicht. Gij ganse aarde. Tot zover.
Gemeente in de voorbeden willen we toch evenals vanmorgen. Vanwege de omstandigheden vanmorgen opnieuw opdragen. Het echtpaar Alemantanus. Biedingen 8. Die zaterdag 31 oktober mocht gedenken. 40 jaar getrouwd te zijn. En de heer Jee van Splinter. Kerkhoek 12. Die in het Amphia ziekenhuis te Breda ligt. Naar aanleiding van de hartoperatie die afgelopen vrijdag plaatsvond. De operatie mocht slagen. Verenigen wij ons in gemeenschappelijk gebed.
Almachtige, eeuwige God. Het is uw trouw, uw goedheid. Dat u ons aan de avond van deze dag samenbrengt. Rondom u geopend wordt. En nu in dit bedehuis. Schijnt dan Heere de bediening van uw heilige geest. Die Heere is en levend maakt. En die in al de waarheid leidt. Het is toch uw dag de roem der dagen. Die gij geheidigd en afgezonderd hebt. Waarop u zo menigmaal arme verloren zondaren. Geroepen door de kracht van uw geest getrokken hebt. Uit lautere goedheid. Met koorden van goede tierenheid. Met mensen zeden. Met touwende liefde. Uit deze tegenwoordige boze wereld. En ze overgebracht heeft in het Koninkrijk uw genade. Als u dat machtswoord aan onze harten brengt. Als u spreekt door de werking van uw heilige geest. Zodat wij onder en door uw woord. Uw stem daarin gaan horen en opmerken.
Dan gebeuren er toch wonderen. Het wonder van uw warmhartigheid. Van uw genade. Wil toch bij aanvang voor het eerst. Of bij voortgang bij vernieuwing. Door uw geest, door uw woord. Ons bezoeken. Ons leiden. Ons leren. Zendt uw licht. Uw waarheid neder op dat die ons leiden. Dat ze ons brengen tot de berg uw heiligheid. En tot dat enige altaar der behoudenis. Terwijl gij in uw evangelie geopenbaard en bekend gemaakt hebt. Dat enige afdoende offer. Wat aan uw recht voldoening gaf. Wat verzoening bracht voor uw ganse kerk. Gedenk ons dan naar uw warmhartigheden. Heere wil zo zijn ook met het echtpaar wat mocht gedenken. Gisteren veertig jaar. Aan elkaar verbonden te zijn door de band van het huwelijk. Schenk ze de rechte verwondering. Over uw weldadigheid en trouw. Aan hem bewezen. Dat het gedenken. Is toch een bewijs dat het geen vanzelfsprekende zaak is.
Dat velen dat niet mogen beleven. En dat zij dat wel hebben mogen ervaren. Wil ze dan uw ontferming ook in de verdere weg bewijzen. Gedenkt u ook hem die zo'n ernstige operatie heeft ondergaan. Nog in het ziekenhuis verkeerd. U hebt uw hand nog over hem uitgestrekt en over de zijne. Wil ook in de verdere weg nog. Genezing schenken oprichting geven. En dat ook deze ondervinding, deze ervaring, deze ingrijpende operatie ook mag dienen. Om te meer tot u worden uitgedreven. Wil zo Heere gedenken. Alle noden, alle zorgen. U op het allergoedmarkt bekend. U weet van alle omstandigheden. Dreid toch uw handen genadig en ontfermend uit. Zegen uw woord. Ook te midden van ons land en volk. Overal waar de gemeente samenkomt. Waar uw naam belederen aangeroepen wordt. Wil dat ook doen buiten onze grenzen. Daar waar evangelisatie, waar zending, waar diakonaat bedreven wordt.
Wil al degene die u hebt doen uitgaan. Uw hulp, uw bijstand genatig bewijzen. Om dienstbaar te mogen zijn aan de uitbreiding van uw koninkrijk. Aan de verkondiging van uw naam en werk. Wil ook zijn met de kerk waar verdrukking en vervolging is. Waarin het verborgen samengekomen wordt. Waar de vervolgingen ook zijn. Waar de vorste duisternis rondgaat. Als een briesende leeuw. Of waar beleiders van uw naam opgeschoten zijn in kampen of in gevangenissen. Gedenk ze naar uw getrouw ontferming. Schenk ook uw volk Israël de beminden. Naar uw verkiezing om der vaderen wil. Ook uw hulp, uw bijstand. Vervul nog uw beloften. Naar uw verbond wat u gezworen hebt met hun voorvaderen. Wil nog dat later nageslacht doen delen. In de tijdelijke maar ook in de geestelijke zegeningen. Heere, gedenk zo deze ganse schepping. Oorlogen, geruchten van oorlogen.
Rampen, allerlei wrevel en nijd en twist. In het groot, in het klein. De bittere gevolgen van de zondeval. Ze zijn op allerlei manieren op te merken in de wereld. In het kerkelijk leven. Wil toch nog uw hulp, uw bijstand betonen. Verdrukkingen, beproevingen. Karstijdingen nog zegenen. Aan zondagsharten doen opmerken. Dat gij God zijt. Dat gij alles de Geerde bestuurt. Naar de raad van uw wil. Uw woord wordt vervuld. Uw raad wordt bevestigd. Doe het ons verstaan. Maar schenk ook bekerende genade. Onder al die blijken van uw regering. En ook van uw toren en graanschap. Gedenk Heere ook ons land, ons volk. Wat zo ver verwijderd is van de normen en waarden van uw woord. Als ook regering machtloos en krachtloos is. Maar doen ze beleiden dat zij uw dieneressen behoorden te zijn. Wil nog doen breken met...
Allerlei gruwelijke zonden die openlijk voorgestaan. En uitgeleefd en gepropageerd worden. Gedenk dan nog Heere. Doe ons niet naar onze zonden. Doe ons beleiden dat we u op het hoogst hebben misdaan. Wil toch bekerende genade geven. Bij overheden en onderdamen. Bij de leden van ons vorstelijk huis. Wil ook het kerkelijk leven gedenken. In alle gebrokenheid staat u niet in de weg. Om uw gemeente bijeen te vergaderen. Wil daarom in dit avontuur. Uw woord nog zegenen. De kracht van uw geest nog schenken. Dat kunt u niet doen om enige redenen. In of van ons. Maar u kunt het uitsluitend doen om zijn het wil. Die aan uw rechterhand zit. Die gij altijd hoort om Christus willen. Uitgenade. Amen.
Gemeente het apostel. Paulus maakt duidelijk aan de gemeente van Everse. Wat de oorzaak is van hun behoud. En van hun zaligheid. Dat is de genade Gods. Dat is de enige reden. Dat ze behouden, gered en zalig kunnen worden. Het is alleen genade uit. Genade zijt geen zalig worden. En dat niet uit u. Het is Gods gaven. Niet uit te werken op dat niemand roemen. Het blijkt nodig te zijn. Ook voor de gemeente van Everse. Dat er telkens weer daarin. Dat er telkens weer daarhaling plaatsvindt. Om de oorzaak, de grond der zaligheid ook duidelijk te maken. Dat blijkt ook in de kerkgeschiedenis. Wat was die genade verduisterd en verdonkerd. En op de achtergrond geraakt. Ook in het kerkelijk leven. En toen heeft de Heere toch mannen verwekt. Die dat genadebeginsel weer helder. En weer klaar en duidelijk gemaakt hebben.
Uit genade zijt gij zalig geworden. Wij willen er ook bij stilstaan vanavond. Aan de hand van de tekstwoorden die u vindt. En uit uw voorgelezen schriftgedeelte. Habakkuk 2 en daarvan het vierde vers. Het laatste gedeelte. Habakkuk 2 vers 4b. Waar Gods woord als volgt tot ons komt. Maar de rechtvaardige zal door zijn geloof. Leven. Het gaat in onze tekst voor de gemeente over de genade gods. We letten ten eerste op de naam door deze genade. Ten tweede op het instrument tot deze genade. En ten derde op de vrucht van deze genade. Het gaat in de woorden van onze tekst over de genade gods. We letten ten eerste op de naam door deze genade. Ten tweede op het instrument tot deze genade. En ten derde op de vrucht van deze genade. Maar voordat wij hier nader bij stil hopen te staan.
Gaan we eerst zingen. Psalm 118, het derde, het zesde en het zevende vers. Psalm 118. Psalm die vooral voor Luther van grote betekenis is geweest. Waar hij ook uitgebreide verklaringen van gegeven heeft. Het derde vers. Ik werd benauwd van alle zijden. En riep den Heere ootmoedig aan. Het zesde vers. Zij hadden mij omringd als bijen. Maar zijn als doornen vuur vergaan. En ook het zevende vers. De Heere is mij tot hulp en sterkte. Hij is mijn lied. Mijn psalmgezang. En ik wijs u er nog op. Dat woensdag 4 november. Is de jaarlijkse dankdag. Voor gewas, arbeid en visserij. In de morgendienst. Die aanvangt om half tien. En in de avonddienst. Die aanvangt om zeven uur. Zal uw eigen predikant. Er van de kamp voorgaan. In verband met de dankdag zijn er deze week geen categorisaties.
Dit zo de Heere wil en wil leven. De collecten in deze dienst zijn in de eerste collecten voor het pastoraat. De tweede voor de kerkvoogdij. En in de derde voor de aflossende kerk. We bevelen deze collecten hartelijk bij u aan. Terwijl wij zingen uit de Psalm 118 vers 3, 6 en 7.
♪ Gezang
Het is niet duidelijk wanneer de profeet Habakkuk geleefd en geprofiteerd heeft. Sommigen wijzen op de tijd van de goddeloze koning Manasse voor zijn bekering. En anderen wijzen weer op de tijd van de godvrezende koning Josia. Die over de stammen van Juda geregeerd hebben. Het is niet duidelijk, maar wel eens duidelijk wat hij profiteert. Namelijk de komst van het oordeel Gods over het afkerige volk van Juda. De Galdeën zullen komen. Het gericht zal over hen voortrokken worden. Ze zullen weggevoerd worden in ballingschap. Hij is een profeet. Hij is de mond Gods. Hij heeft het woord des Heeren verkondigd. En hij heeft eronder gebeefd. Zo staat er ook in deze profetie. Toen hij deze woorden moest verkondigen. Denkende. Aan dat komende gericht. Wat over het volk zou komen. En toch. Zoals ieder profeet. Heeft hij niet alleen de wet.
Heeft hij niet alleen het oordeel. Maar heeft hij ook de genade Gods. Heeft hij bekend gemaakt. En verkondigd. Het vervolg van dit hoofdstuk. Niet eenvoudig. Maar de kern van het hoofdstuk is. Dat ook over die galbeën. Ten slotte het oordeel zou komen. En dat ze ook. Ten onder zullen gaan. Onze tekstwoorden gemeente die beginnen met het woordje maar. Dat geeft een duidelijke tegenstelling aan. Geheel anders als wat er in het voorgaande gezegd werd. Dat woordje maar. Dat komen we wel vele tieren tegen in de schrift. Dat het zo'n tegenstelling aangeeft. Het is al in het begin van de Bijbel. Dat de Heere de mens geschapen heeft naar zijn beeld. In ware kennis. Gerechtigheid en heiligheid. Maar dan komt toch dat woordje zo scherp naar voren. Maar het heeft de mens niet goed gedacht. Zijn schepper in erkentenis te houden.
De diepte van de zondeval is daarop gevolgd. Die blijkt hem van de goedheid Gods. Die schoonheid van de schepping. Ziet alles was zeer goed. Maar het heeft de mens niet goed gedacht. Zijn schepper in erkentenis te houden. U vindt zo'nzelfde voorbeeld bij de profeet Jona. Die ook een profeet was. Een duidelijke opdracht kreeg. Een krachtige roeping en zending. Naar de stad Nineveh. Maar Jona. Ongehoorzaam. Hij ging de andere kant uit. En hier voorafgaande aan dit maar. Daar staat in het vierde versie. Zijn ziel verheft zich. Zij is niet recht in hem. Die verheffing is een vrucht van de goddeloosheid. Is een gevolg van ongeloof. Van boosheid. Van opstand. En van verzet tegen de levende God. Maar ook nog meer waar we straks op terug zullen komen in vervolg. Maar staat er de rechtvaardige. Dat is de naam van degene die de Heere vreest.
Een rechtvaardige genoemd. Dat is toch ook een grote tegenstelling. Dit maar wat spreekt van Gods genade. Van zijn barmhartigheid. Als u in de schrift ook leest. Dat alle gezondigd hebben. En de heerlijkheid Gods derven. Dat er niemand is die God zoekt. Ook niet tot één toe. Als u de omschrijving leest. In de Bijbel van onze afkomst. Uit Adam. Als u leest van onze geboorte. Wie zal er rijden geven uit een onrijden? Niet één. Als in de schrift duidelijk gemaakt wordt wat onze vindplaats is. Buiten het paradijs. Vertreden liggend in ons geboortebloed.
Als u zo duidelijk in de schrift leest dat de mens van nature gebonden is. In de leugenweer. In de macht van de vorst. Dat duister is. Verkerend ook. In de duisternis. Als u op allerlei manieren onze naam vindt in de schrift. Niet positief. Zondaar. Wederhorige. Melaats van de hoofdschedel. Tot de voet zo toe. Zo leert ons het woord van de devende God. Maar er staat hier maar de rechtvaardige. Ondanks al deze benamingen. Ondanks onze afkomst uit Adam. Ondanks... De natuur onbekwaam tot enig goed. En geneigd tot alle kwaad. Ondanks de rechtvaardige toren van God over de zonde. Is er toch sprake van een maar. En dit maar gemeente. Dat vindt zijn oorzaak in de eeuwigheid. Dat vindt zijn bron in het welbehagen van God de Vader. Waarvan de engelen zongen in de velden van Efrata.
In mensen een welbehagen. Dit maar dat mag klinken. Omdat de Heere gezegd heeft. Ik heb u lief gehad. Met een eeuwige liefde. Daarom heb ik u getrokken. Met koorden van goede tierenheid. En waarheid. Het is hetzelfde maar. Waar de apostel van getuigt. In de brief. Aan de Ephesiers. Maar God die rijk is. In barmhartigheid. Door zijn grote liefde. Waarmee hij ons heeft lief gehad. Ook toen wij dood waren. Door de zonden. En door de misdaden. Het is het maar. Wat voortgekomen is. Uit de innerlijke bewegingen. Der barmhartigheid onze schots. Met welk ons bezocht heeft. De opgang uit de hoogte. Dit maar. Heeft zijn rechtsgrond. In het offer van de Zoon. Wat hij gebracht heeft. In de volheid van de tijd. Op het kruis van Golgotha. Dit maar wordt uitgewerkt. Door de levendmakende kracht. Van de heilige geest.
Die Heere is. En levend maakt. Door dit maar gemeente. Komt er een nieuw beginsel in uw hart. Als dat toegepast wordt. Door het zater wedergeboorte. Het welke is Gods woord. En door de levendmakende kracht. Van de heilige geest. Dan komt er een nieuw beginsel. In uw hart. Het is niet volmaakt aan uw zijde. Maar het beginsel wel. Dat is namelijk een gevolg van het zaad van het woord. Van het zaad der wedergeboorte. Het is gewerkt in uw hart door de kracht van de Heilige Geest. Maar de Catechismus zegt, u weet het wel. De allerheiligste, de allervoornaamste gelovigen in dit leven. Die hebben maar een klein beginsel. Van die ware gode verheerlijkende gehoorzaamheid. Ze staan immers in het strijdwerk van dit leven. Ze hebben te maken met de tegenkracht. En de invluisteringen van de vorste duisternis.
Ze hebben te maken ook met de aanklevende kracht. Van de wereld waarin ze staan. En waardoor ze gaan. En ze hebben bovenal te maken met die oude mens. Die zich nooit onderwerpt aan de wil. En aan de wet van God. En daarom een klein beginsel van die ware goden verheerlijkende gehoorzaamheid. En toch deze naam. Rechtvaardiger. Abram. Hij werd geroepen uit Ur der Galdeen. Hij kwam in het land wat hij tevoren nog nooit gezien had. Wat hij niet kende. Er kwam honger in dat land. U kent de geschiedenis. Hij zei tegen zijn vrouw. Zeg dat u mijn zuster bent. Tot tweemaal toe. Een klein beginsel van die ware gode verheerlijke gehoorzaamheid. Jacob was oprecht wonende in tenten. Kende de vreze gods van jongs af aan. Maar hij bedroog zijn oude vader. Een klein beginsel van die ware gode verheerlijke gehoorzaamheid.
David, de man naar Gods hart. Liefelijk in de Psalmen. Maar zijn struikelingen staan ook opgetekend in het woord. Ze worden voor ons niet verborgen gehouden. En zo vindt u al die voorbeelden in de schrift. Een Petrus, een apostel. Die de Naam des Heeren verlogende. En toch deze naam rechtvaardige. Toch ondanks dat kleine beginsel. Omdat dat kleine beginsel het zaad van het woord. De verbinding heeft met het vlees geworden woord. Met de Christus der schriften. Worden ze in hem rechtvaardig gerinkend. En staan ze in hem rechtvaardig. Voor de allerhoogste majesteit. Zijn ze aan hem verbonden. Door het oprecht waar zaligmakend geloof. Rechtvaardige gemeenten. Daar staat in de schrift. Als er tien nog in Sodom geweest waren. Waren er vier steden gespaard gebleven. Ze worden ook wel de kurken van de samenleving genoemd. De apostel Paulus was op een schip met honderden manschappen.
En door die rechtvaardige apostel Paulus werd het ganse schip, schip niet, maar wel de bemanning en de gevangenen, die zijn alle behouden aan land gekomen. En daarom wat een zegen als we deze naam mogen dragen. Voor onszelf, voor onze vertroosting in benauwdheden, in bestrijdingen, in aanvechtingen. Voor onze vertroosting als we gaan door het dal van de schaduw des doods. Voor onze vertroosting als we moeten verschijnen voor de grote rechter van hemel en aarde. Wat een zegen gemeente als we deze naam mogen dragen. Want dan mogen wij toch in beginsel Gods eer bedoelen. Hem de eer, hem de aanbidding geven. Maar we zijn ook tot een stichting voor onze naasten. Maar de rechtvaardige. Zo staat er in de tekst. Die rechtvaardige gemeenten die zeggen niet ik ben een rechtvaardige. Maar ze worden in de schrift een rechtvaardige genoemd.
Abram, zo'n rechtvaardige die zegt. Ik heb u onderwonden om tot u te spreken. Terwijl ik stof en as ben. David, een andere rechtvaardige. Die kermt gena, o God, gena. Hoor mijn gebed. De apostel Paulus, nog zo rechtvaardiger. Die beleidt. Ik ben, vleeslijk, verkocht onder de zonde. Dus het is niet zo dat ze zeggen. Kijk, ik heb dit, ik ben dat. Ik ben een rechtvaardiger. Het is de rechtvaardiging van de goddeloze. Kerngemeente van de reformatie. Die nieuwe ontdekking. Dat het rechtvaardigen. De rechtvaardiging is niet van de vrome mens. Niet van de bekeerde mens. Niet van de zoekende mens. Niet van de biddende. Niet van de wenende mens. Maar de rechtvaardiging van de goddeloze. Dat wordt ervaren. Dat de Heere ondanks onze naam. Onze val. Ons beginsel. Onze zwakheid. Ook na ontvangen genade. Ons gedurig strakelen. Nogthans.
Zijn kerk een rechtvaardige ook noemt. In de tweede plaats gemeente spreekt onze tekst ook van het instrument tot deze genade. Er staat maar de rechtvaardige. Zal door zijn geloof leven. Zijn geloof. Het gaat hier niet om een historisch geloof. Dat is oppervlakkig. Dat is aan de buitenkant. Dat komt hooguit tot ons verstand. Een zekere kennis, maar verder niet. Het gaat hier niet in de tekst over een tijdgeloof. Dat mist de wortel. Dat heeft geen diepgang. Dat komt hooguit in onze emotie. Zet ons wat aan de gang in emotionele uitingen. Maar gaat weer voorbij. Zeker als verdrukking en vervolging komt. Het gaat hier ook niet om het wondergeloof. Dat wondergeloof. Dat klemt zich vast aan een bijzondere gebeurtenis. Aan een wonder. Maar heeft geen eeuwigheidswaarde. Maar het gaat hier over het waar zaligmakend geloof. U staat er in de tekst.
Gemeente die rechtvaardig het. Die zal door zijn geloof leven. Er staat dus niet om zijn geloof. U zult zeggen dat is het verschil. Dat is een groot verschil. Om ons geloof. Of uit of door het geloof. Calvijngemeente die zegt wanneer wij zeggen om ons geloof. Dan is dat geloof een bepaalde eigenschap van ons. Dan is dat een deugd. Een bepaalde geschiktheid. Een bepaalde kracht in ons. Dan heeft het te maken met onze wil. Omdat wij gaan geloven. Omdat ik geloof. Daarom word ik behouden. Daarom word ik zalig. Dat is de leer van de demonstranten. Die de mens, ondanks zijn val, een vrije wil bleven toedichten. En die zeiden, God ziet van eeuwigheid wie offer zullen gaan geloven. En omdat ik ga geloven, dan word ik behouden. En zo is dat geloof dan een bepaalde eigenschap.
Een bepaalde deugd. Een wilsuiting van mijzelf. Waardoor ik de zaligheid verkrijg. Dus de gelovige mens. Om zijn geloof zal hij behouden worden. Dat leerde Rome. En dat leerde ook de remonstranten. Maar er staat hier door zijn geloof. Dan is het geloof geen bepaalde grond in de mens. Geen wilsuiting. Geen goede eigenschap. Maar dan is het geloof een instrument. Een instrument wat zich verbindt met de grond des geloofs. U moet denken aan een schip. En dat schip werpt zijn anker uit. En dat anker dat hecht zich vast in de grond. En dat houdt het schip ook vast. Ook als het in de storm terecht komt. Of op de klippen dreigt de pletter te slaan. Maar de verbinding is een kabel. Die kabel is onmisbaar. Maar dat het schip ook vastgehouden wordt. Niet de pletter slaat. Dat komt vooral door het anker.
Dat geloof is een instrument. Dat is de verbinding. Met de grond des geloofs. De grond des geloofs ligt buiten de zon daar. Die ligt in Christus. Die is de borg, de middelaar en de zaligmaker. Dat is het anker der hoop. Die ingegaan is in het binnenste heiligdom. Dat is de vastheid voor de kerk. Hij heeft betaald. Hij heeft het recht van de Vader verheerlijkd. Hij heeft de schuld verzoend. Het geloof is een overtuiging. Door geest en door woord. In het hart van de zondaar. Dat wil zeggen het verlicht ons verstand. Het vernieuwt. Onze verlangens. Het herschept onze wil. Het maakt ons gewillig. Om de boodschap van het evangelie. Al zonder voorberachtig te houden. En daarop alleen te betrouwen. Hij heeft de schuld verzoend. Hij heeft aan de eis van Gods recht betaald. Hij heeft geroepen.
Het is volbracht. En dan zegt de Catechismusgemeente het geloof. Is die zaak dat ik niet alleen alles voor waarachtig houd. Hetgeen God in zijn woord geopenbaard heeft. Maar het is ook een vast vertrouwen. Het welk de heilige geest door het evangelie. En dat evangelie is Christus. En zijn gerechtigheid. Dat is dat anker. Dat is die vastheid. En het geloof is die verlichting. Die overtuiging. Door de heilige geest in mijn ziel. Dat ik die waarheid van het evangelie. Als arm, ellendig, schuldig staande, verloren zondaar. Nogthans omhelst. En daarop alleen betrouwt. Als schuldige. De vaste grond. Der dingen die men hoopt. En het bewijst er zaken die men niet ziet. Nu staat de gemeente in de tekst. Zijn ziel verheft zich in het voorgaande. Zij is niet recht in hem. En in de Hebreën. Het tiende hoofdstuk.
Vers 38. Wordt deze tekst aangehaald. In Romeinen 1 vers 17. Deze tekst is voor de grote reformator Luther. Van het allergrootste belang geweest. Vooral uit de Romeinenbrief. Het hoofdstuk. 1 vers 17. Maar de tekst wordt ook aangehaald in Hebreeën 10 vers 38. Door de apostel Paulus. En in de kanttekening van de Statenvertaling kunt u ook lezen. Dat deze tekst dan vooral bedoelt het ongeduld. Het ongeduld door het ongeloof in het hart van een mens. Dat hij ongeduldig is. Niet lijdzaam is. En dat hij... Murmurerend is tegen de Heere. En dat hij ook de waarheid van het woord betwist. Ongeduldig. Niet lijdzaam. En vol murmureringen. Waar blijft het dan? Hij wil iets hebben. Hij wil het bij zichzelf hebben. En vast kunnen houden. En dan staat er in de tekst. Maar de rechtvaardige. Die zal uit het geloof leven.
En dan moet u denken aan de geschiedenis van Abram. En Abram die wordt als een voorbeeld gegeven in Romeinen 4. En dan belooft de Heere aan Abram een menigte van volken. Zo minnigvuldig als de sterren aan de hemel. En zo groot in getal als het zand dat aan de oever der zee is. En dan staat er een Abram geloofde God. Had geen zoon op dat moment. Duurde nog vele jaren. Geen zoon uit Zara. Een Abram geloofde God. Hij omhelsde de belofte. En de Heere rekende hem dat tot gerechtigheid. Tot gehoorzaamheid. Dat is de rechtvaardiging uit het of door het geloof alleen. Als een zonder. Als een nietshebbende. Er is bekend gemeend dat Luther schrijft er ook verschillende keren over. Op allerlei mogelijke wijzen trachtte hij de genade te bekomen. Hij had gevast vele malen. Had zichzelf gegeesteld, gekastijd.
Hij had gebeden. Op allerlei mogelijke manieren. Pelgrims, tochten had hij gemaakt. Maar het baat hem allemaal niets. Hij trachtte toch in zichzelf. Iets te bewerkstelligen. Om zo de genade te bekomen. Zijn ziel verhief zich daarin. Bij wijze van spreken. Hij twiste eigenlijk met de Heere. Hij schrijft ook in zijn levensgeschiedenis. Dat hij ook niet alleen beangst was. Voor de toren van God. Maar ook soms vol boosheid was. Dat datgene wat hij toch wilde verkrijgen. Dat hij ondanks al zijn inspanningen. Zijn smeken, zijn zuchten. Zijn reformatiepogingen. Dat hij dat niet verkreeg. Totdat die tekstwoorden, deze tekstwoorden. Voor hem gingen oplichten. De rechtvaardiger zal door of uit het geloof leven. Het ligt buiten hem. Het is aangebracht zonder hem. En het is verdiend en verworven voor hem. En ik krijg de deel aan uitsluitend door het geloof.
De verlichting van de heilige geest werd hem geschonken. De waarheid van het evangelie werd voor hem duidelijk gemaakt. En zijn hart werd ingewonnen, overwonnen. Om de belofte Gods te omhelzen. En te leven bij en uit de belofte van het dierbaar evangelie. Dat ik dat...
Evangelie ook om hels. Met een oprecht waar geloof. Dan komt er een wachten op de Heere. Dan komt er een vertrouwen op het woorden waarheid. Dan gaat u iets ervaren van die strijd van die worsteling. Dat u zonder was. Dat u zonder wordt. En dat u zonder blijft. En nochtans behouden en zalig. Door de belofte Gods. Het evangelie van vrije genade. Wat de zaligheid toerekent aan zo'n arm verloren zondaar. Die daarop vertrouwt. Wij zongen het zo straks gemeente. Ik blijf den Heere verwachten. En mijn ziel wacht ongestoord. En ik hoop in al mijn klachten op zijn onfeilbaar woord. Daar hebt u de oefening van het waarzaligmakend geloof. Niets in uzelf. Niets in uw handen. Al zou ik ook niets in mijn gevoel hebben. En in mijn gevoeligheid. Maar dan te betrouwen op de vaste, de gewisse waarheid van het Woord van God.
Net als die schipper die in de storm verkeert. Op enige afstand zijn er de rotsen. Daar zou u op de pletter kunnen slaan. Het anker kan hij niet zien. Maar de verbinding. Door het oprecht geloof. Dat het anker der hopen. Wat in het binnenst voorhangsel is ingegaan. Dat dat daar wel is. Formulier gemeente van het heilige avondmaal. Spreekt in de voorbereiding. Of ik ook deze gewisse belofte gods geloofd. Belofte hoort u het. Dus het blijft een belofte. U blijft worstelend. Hopend. Verlangend. En ook bij tijdere ogenblikken. Door geest en woord. Vertrouwend. Dat het Gods zaak is. Dat het zijn werk is. Dat er betaald is. Het offer is gebracht. De prijs is betaald. De schuld is verzoend. En de Heere zal het zekerlijk geven. Als we hopend op hem mogen wachten. Een zondaar gemeente. En een bedelaar.
Verder komt het niet. U wordt groter zondaar. En u blijft een arm verloren bedelaar. Dat is de ontdekking geweest van de reformatie. Dat de zekerheid in Christus ligt. Dat de vastheid in het woord ligt. Wat u door het oprecht geloof als een instrument omhelst. Daar ligt het. Wat zei de Heere Jezus tegen die rijke jongeling? Zij verkoopt alles wat gij hebt. En volg mij. En gij zult een schat hebben in uzelf. U mag dat koesteren. U krijgt dat in uw zak. U krijgt een bewijs bij u. Gij zult een schat hebben in de hemel. Waar de mot nog de roest verderft. En waar de dieven niet door graven nog stelen. Waar geloof gemeente leert stamelen niet mijn verdiensten. Maar zijn verdiensten. Niet mijn strijd. Maar zijn strijd gaf de overwinning. De prijs is betaald. Gij, Heere, alleen.
Gij zijt verwinner in de strijd. Gij geeft uw volk de zegen. Golgotha is de plaats geweest van de afrekening. Daar heeft God de Vader geëist. En daar heeft God de Zoon betaald. Daar heeft u zijn hart en bloed gestort. Daar hebt u de oorzaak van de rechtvaardiging. Daar hebt u de bron van de heiligmaking. Het vloeide uit zijn middelaars hart. En op recht geloof. Weert hem beleiden. De gekruisigde. Om onze zonde. De opgestane. Tot onze rechtvaardigmaking. Wij dan gerechtvaardigd zijnde. Uit het geloof. Kijk de rechtvaardige. Zal door zijn geloof leven. Leven des geloofs. Is leven op de belofte. Vertrouwend. Hem voorberachtig houdend. En dan moet u telkens weer onder het woord komen. En dan moet u elke keer weer smeken en vragen. Om licht in het evangelie. Om de waarheid te mogen verstaan. Om hem aan te mogen kleven.
Dat houdt u klein. Ootmoedig afhankelijk. Dan bent u net als dat volk Israël. Wat elke dag weer op de knieën moest. Om het hemels mannen in te zamelen. Om zo de dag weer door te komen. Dan bent u ook in geestelijke zin zo'n arme bedelaar. Zo'n zondaar. Die elke keer weer van het gegeef moet leven. Met lege handen. Met zijn verzondig bestaan. Tot de troon van Gods genade uit moet gaan. Kunt u teruglezen gemeente bij Luther. In al zijn werken. Die is echt geen rijk bekeerde man geworden. En in tegendeel. U hoort hem vaak klagen. En zuchten over het oude bestaan. Maar u hoort hem ook krachtig getuigen van het werk der zaligheid. Buiten hem. In Christus Jezus. De enige grond tot zaligheid. Kijk, daar hebt u Habbekuk. Dat doet Habbekuk roemen. Al was er geen vrucht op het veld.
Al was er geen rund in de stallingen. Dan zal ik nochtans in den Heere van vreugde opspringen. Daar hebt u Job. Hij zit op de ashoop. Zijn vrouw heeft afscheid van hem genomen. Zijn vrienden staan tegen hem op. Zijn kinderen zijn van hem wegnomen. Zijn goederen zijn tot een ashoop geworden. Maar, hij zegt, ik weet. Mijn verlosser leeft. Onmogelijk toch. Zo'n beleidenis. Ziende op de omstandigheden. Maar dat doet nu het geloof. Dat houdt God voor berachtig. Hoe het ook mocht tegenlopen. Gestadig op zijn goedheid te hopen. Want dat gaf Luther ook de bevrijding. Die torenerlepenis die hij toen mocht hebben op dat torenkamertje. Dat hij dat mocht zien. Dat gaf hem de ruimte en de kracht. Ik hoef niets te hebben. Ik hoef niets te zijn. Ik heb niets. Ik ben niets. Maar het oprecht geloof.
Omhelst. Dat evangelie van vrije genade. Dat ik onder en door de bediening der verzoening. Dat evangelie omhelst en voorberachtig houdt. In de derde plaats. Dan spreekt ook de tekst van de vrucht uit de genade. Want dan staat er in de tekst. De rechtvaardige zal door zijn geloof leven. Dan hebben we vrede met God. Zegt een apostel. Dan kennen wij de toeleiding tot deze genade. Romeinen 5. Dan zal de Heere niet betornen. Dan zal hij niet meer schelden. Dat leven gemeente. Dat begint met stilstand. Dat begint met inkeer. Dat begint met afkeer van de zonde. Dat begint met de wederkeer tot God. Denkt u maar aan die jongste zoon in de gelijkenis. Toen hij terugkeerde. Zo vuil. Zo onrein. Zo hongerig. Zonder enig bezit. Uitsluitende beleidenis. Dan zegt de Vader deze mijn zoon was dood. Is weder levend geworden.
De droefheid van God. Die de onberouwelijke bekering tot zaligheid werkt. Daar hebt u het leven. En bovenal de blijdschap in God door Christus. Niet alleen een stellig weten. Waardoor ik alles voor berachtig houd. Maar ook dat vertrouwen in het hart. Gegrond in het evangelie van vrije genade. Leven gemeente. Das worstelen. Das vragen. Das zoeken. Das telkens weer roepen. Och, wie het die derblaars weer geleid. Ik heb gebeen met mijn geheel gemoed. Dat zich uw heil aan mij mocht openbaren. Die strijd. Die worsteling telkens weer. En soms zoveel verder te staan. Dat u moet vragen. Geef dat ook mijn oog. Dat goed aan schouw. Terwijl ik gij het onbezweken trouw. Soms gemeente zo bestreden. En zo in de diepte. En zo belaagd door de vorste duisternis. Och Heere. Och wieert mijn ziel. Door u gered. Och schonk ge mij de hulp van uw geest.
Staat op volgende schrift. Met de uitspraken van de rechtvaardigen. Die gedurig smeken en worstelen. Om helderheid. Om klaarheid. Om waarheid in het binnenste. Om de binding aan het woord. De gebedsworsteling. De strijd. De onderwerping. Ook bij de kasteiding. Als beproevingen komen. Kasteidingen ook ervaren worden. Dat is geen zaak van vreugde. Als het tegenwoordig is. Maar daarna werkt ze die vreedzame vrucht der gerechtigheid. Als we door die kastijdingen en beproevingen geoefend worden. En mogen zien dat het Gods hand is. Zijn zorg is. Zijn trouw is. Dat er gewicht aan de klok moet hangen. Wil er ook voortgang zijn in de oefening van het geestelijk leven. Die doorgaande ontdekking. Die voortgaande aankreving. En die ogenblikken van aanbidding en verheerlijking van hem. Maar de rechtvaardige zal door het of uit zijn geloof leven. Het heeft ook toekomst. Ewige toekomst.
Straks zal de lofzang aangeheven mogen worden. Dan zal de bevrijding ten volle zijn. Bevrijd van de macht van de vorste duisternis. Bevrijd van de aanklevingsgracht van de wereld. Bevrijd van dat boze goddeloze ik. Wat zich niet onderwerpt aan deze zijde. Om hem de eer, de aanbidding te geven. Dan zal het geloof ook verwisseld worden in ons hal. De hoop die zal ook weggenomen worden. De liefde en het leven zal overblijven. We gaan er eerst van zingen uit Psalm 138. En daarvan het vierde vers. Als ik omringd door tegenspoed bezwijken moet. Schijnt gij mij leven. Het vierde vers van Psalm 138. De
♪ Gezang
tekstgemeente spreekt van de rechtvaardige. De oprecht gelovige. Die uit of door zijn geloof het leven ook mag beoefenen. En daar staat het woordje maar. Die tegenstelling. Met degene die zijn ziel verheft. Misschien hebt u daar ook wel last van. Want die reformatiegemeente moet telkens weer doorleefd worden. En ervaren worden. Dat die te gebeurten is. De middeleeuwen geweest. Dat Luther door de stellingen te slaan. Door de slotkapel te Wittenberg. Een doorbraak gegeven heeft. En tenslotte ook zo krachtig, zo helder, zo duidelijk. De leer van Gods vrijmachtige genade duidelijk gemaakt heeft. Maar u en ik. Als het Woord van God tot ons gaat spreken, kracht gaat doen in ons leven. Dan gaan we ook aan het werk. Dan trachten we op allerlei mogelijke manieren. Een uitgangspunt, een beginpunt. Een mogelijkheid in of bij onszelf ook te bewerkstelligen.
Onze ijver. Ons breken met de zonde. Onze reformatie. Die we dan gaan aanvangen op allerlei mogelijke manieren. Onze gebeden. Onze tranen. Onze gestalten. Waarom geeft de Heere niet om mijn gestaltes. Om mijn tranen. Om mijn ijver. Om mijn werken. Hoort u het om? Ik doe dat. Ik voel dat. Ik heb dat. Ik zoek dat op die manier. Waarom geeft hij dat niet om mijn... Gebeden, tranen, verzuchtingen. Kijk, dan moet u oppassen. Dat u niet in dat eerste gedeelte van vers 4 ook vervalt. Zijn ziel verheft zich. Zij is niet recht in hem. We zoeken op allerlei mogelijke manieren. Een weg tot ontkoming. Een weg van betaling. Door onze ijver. Door onze reformatiepogingen. Door de mate van onze schuldontdekking. Als ik nu eens zo diep, zo diep ontdekt mag worden aan mijn schuld. Maar dan zal de Heere mij de genade wel geven.
Als ik zo diep mag buigen. U zoekt hem nog altijd in en bij uzelf. Het wordt een soort offer wat u wil brengen voor de Heere. Een soort verdienste die u aan wil brengen. En dan moet de Heere u die genade geven. Er is toch niemand zo ijverig. Er is nog niemand zo bezet met de dingen. Zo meent u als dat u dat zelf bent. Waarom geeft de Heere dan daar geen gehoor aan? Luther had het er benauwd onder gemeend. Ontzaggelijk benauwd. Hij kon het in die weg niet verkrijgen. Met alles wat hij ondernam. Er kwam geen verruiming voor zijn gemoed. Het werd alleen maar benauwder. En angstiger. En wanhopiger. Weet u wie het ook niet zo kon verkrijgen? Fariseer en schriftgeleerde wel. Die leukten het uitstekend in die weg. Die worden steeds vromer en heiliger.
Maar toen Christen uit stad verderf getrokken was. Met dat pak van zijn schuld op zijn rug. En toen even gelist hem gewezen had. Op het lichtpuntje buiten hemzelf. Hij zag een lichtpuntje. Zag nog geen poortje. Hij ging op weg. En toen kwam hij heerlijk wereldwijs tegen de zijn man. Wat loop je toch te tobben. Wat loop je toch moeilijk te doen. Er is hier een berg. Daar vlakbij de berg Sinei. Er is een mooi dorp. En daar hebt u burgemeester Wetties. En die heeft nog een paar woningen klaarstaan. Daar zult u rust vinden voor uw ziel. En Christen ging op weg naar die berg Sinei. U kent de geschiedenis. Die berg die ging hem verpletteren. Hij kon door de werkende wet. Met al zijn tranen. Met al zijn...
Reformatiepogingen. Het gaf geen ruimte. De berg Sinei die leek hem te verpletteren. En hij werd weer op de rechte weg gebracht. Ligt buiten de gemeente. Het is vrije genade. U moet komen zoals u bent. Als arm verloren zonder. En wat u nog mist aan ontdekking van uw zondere schuld. Dat zal hij u leren. En wat u nog mist. Aangezicht op het liefdelijke evangelie van vrije genade. Dat zal hij u doen ondervinden. Wie hem nederig valt te voet. Die zal van hem zijn wegen leren. Het licht ging op voor Luther. Hij zag dat door Gods genade. De rechtvaardig zal uit niet om uw tranen. Niet om uw gestalten. En ook niet om uw geloof. Maar uit door het geloof. Buiten u. Zonder u. Lautere genade. Zonder enige verdiensten. Uit de levensbron Christus Jezus. Aan hem deeld hebben.
Zijn verdiensten. En zijn arbeid. En zijn offer alleen. Dat hij almachtig en gewillig is. Dat hij zo liefelijk roept. De vermoeiden. De belasten. De dorstigen. Dat hij zelfs. Zo ver gaat dat hij zegt. De goddeloze verlaten zijn weg. De ongerechtige man zijn gedachten. Hij bekeert zich tot een Heere. Zo zal hij zich zijnder ontfermen. Ziet als een bevende arme zondaar. Dat evangeliewoord omhelzen. Voor waarachtig te houden. En zo te zuchten en te vluchten. Tot die voorgestelde hoop. En enige grond der behoudenis. Christus Jezus. Ook een zwak bestreden geloof, gemeente. Ook een zwak aangevochten bestreden geloof. Als u maar komt tot hem die enige grond tot behoud en zaligheid. Als verloren ellendig zonder in uzelf. Niets hemmende. Niets verdienende. Onverdiend. En toch door hem verdiend en verworven. Tot hem uit te gaan. Die vader van die maansige knaap.
Die zei ik geloof. Heere kom mijn ongelovigheid. Hij werd geholpen gemeente. Hij is net zo volkomen zalig geworden als Paulus. Die zei ik weet in wie ik geloofd heb. Ook een zwak bestredig of als dat maar tot hem uitgaat. Krijgt deel aan een volkomen borg en migulaar. In hem ligt de rechtvaardiging. Uit hem vloeit de heiliging. Door hem. Is de heerlijkmaking verdiend en verworven. Tot hem te komen. In oprechtheid. In waarheid. Kijk en dan moet u wachten. Want u wil zo graag natuurlijk een briefje hebben waarop staat. Nu is het in orde. Dat krijgt u niet. U krijgt het woord. De belofte van het evangelie. En daarom moet u elke keer weer komen onder de prediking van het woord. En tot het sacrament. Om daardoor versterkt te worden. In de grond der zaligheid. Buiten uzelf.
En dan zegt de apostel Paulus. Gemeente lees het maar door. Aan de hand van de kanttekeningen. In Romeinen 4. Dan zegt de apostel Paulus. Kijk, daar gaat Abraham. Met de belofte Gods. Een menigte van volk. Zo groot als de sterren aan de hemel. Zo menigvuldig. U weet zand. Wat zand is. Nou probeert u maar een zandkorrels. Te tellen op het strand. Een onmogelijke zaak. Zo menigvuldig zal uw zaad zijn.
Dan gaat u terug naar zijn tent. En er zitten twaalf zonen op hem te wachten. Wel neengemeten. Niemand. Een onverruchtbare vrouw. Waar de moeder ook nog straks in gaat versterven. Maar Abram geloofde God. En de Heere rekende hem dat tot gehoorzaamheid. En dan zegt de apostel in Romeinen 4. Dat is nu niet alleen om zijnentwil opgeschreven. Maar ook om onsentwil om te leren verstaan. Wat de natuur van het waarzaligmakend geloof is.
In uw onvruchtbaarheid. Verlorenheid. In uw schuld. De belofte van het evangelie voorberachtig te houden. Daarop te vertrouwen. God zo de eer te geven. En Christus zo te aanbidden. En hem groot te maken. Niet alleen om zijn het wil. Maar ook om ons het wil. Tot hem zo uit te gaan. Omdat hij u roept. Hij roept u toch? Door de evangelie of niet? De Heere roept toch, welmenend, tot armen verloren zondaren. Daar ligt toch onze vrijmoedigheid in? In de roepstem van hem tot ons. Waar zijt gij? Zo klonken we tot adem. En Adam kwam tevoorschijn. Zijn naam werd niet meer genoemd. Waar zijt gij stater? En ik kwam tevoorschijn. Zo is het ook voor u en voor mij. Om tevoorschijn te komen. Tot hem uit te gaan. En ziet die belofte godsgemeente. Die gewis. Die vast.
Die zeker is. Zeker er zijn gevoelige tijden. Er zijn aangename ogenblikken. Er zijn tijden dat u uw tranen mag uitstorten. Dat uw hart week mag zijn. Maar dat is de grond der zaligheid niet. Dat is de grond niet. Dan kunt u toch het anker der hoop niet in uitwerpen. Want die tranen zijn zo weer opgedroogd. En die gevoelige gestalt is zo weer voorbij. Dat zijn dan ogenblikken van genietingen die mogen er zijn. Maar geloof heeft als vaste, betrouwbare, waarachtige grond. Het spreken Gods. De waarheid van het woord. Ik heb u vast wel in het verleden wel eens voorgehouden. In het sterfbed van de Godvrezende Oudvader. Jodokus van Lodestein. Het was een zeer Godvrezend man. Hij lag op zijn sterfbed. Drie weken lang. En er komt een geestelijke vriend bij hem op bezoek. En die zegt.
Lodestein gevoelt gij nu ook de genade Gods. Wij zouden zeggen. Lodestein heb je nu een versje. Heb je nu een tekstje? Gevoeld ge nu ook de genade Gods? Lodestein zei. Ik voel niets. Maar ik lig hier. Op de vaste betrouwbare grond. Van het eeuwig zout verbond. In Christus wel geordineerd. Kijk. Dat is geloof. Een vaste grond. Der dingen die men hoopt. En een bewijs der zaken. Die men niet ziet. Dat is het geloof wat de dichter verwoordt. Gedenk aan het woord. Gesproken tot uw knecht. Waarop ge mij verwachting hebt gegeven. Dit leert mijn ziel u achter aan te kleven. Amen. Eindigen wij met het gebed.
Heere, gij bracht ons in dit avontuur bij dat oprecht geloof. Wat een instrument is. Wat uitgaat. Wat de dorst, de honger kent. Naar de bron. Wat de vastheid zoekt. In de grond der zaligheid. Wat betrouwt op uw goddelijk woord. U voorberachtig te houden. Want die in de Zoon van God gelooft. Die heeft het eeuwige leven. Maar die de Zoon ongehoorzaam is. Die zal het leven niet zien. En de toren van u die blijft dan op ons. Doe het ons verstaan. Opdat we iets mogen kennen van die heilige haast. Dat wij een waar kind van de reformatie mogen zijn. Of worden en blijven. Die het bedelaarsleven kent en daar niet bovenuit komt. En u de eer en de aanbidding. En op u de verwachting alleen stelt. Op uw onfeilbaar woord. Om ons daaraan vast te houden.
Door uw genade werkt het in onze harten uit. Verzoen wat niet naar uw woord was. Bij het spreken, bij het luisteren. Gedenk ons in uw genade getrouw. En ook deze gemeente gedenken. Wil ook de herder en leraar die hier zijn arbeid mocht beginnen. Ook van keer tot keer uw hulp wijs dan betonen. Wil ook in de middelijke weg zo uw koninkrijk bouwen. En uitbreiden. Gedenk zo. Uw genadige goedheid schenk ons ook. Uw hulp en kracht ook in deze nieuw begonnen week. Zie zo nog mede. Uw sparende trouw ook op en over de wegen. Wij vragen het u om Jezus willen. Uitgenade. Amen.
Wij zingen tot slot de Psalm 119. En daarvan vers 25 en 27. Gedenk aan het woord. Gesproken tot uw knecht. En ook vers 67. Maak in uw woord mijn gang en treden vast. Psalm 119 vers 25 en 67.
♪ Gezang
Gaat u heen in vrede dragende de zegen des Heeren. De Heere zegene u en behoede u. De Heere doet zijn aangezicht over u lichten. En zij uw genadig. De Heere verheffe Zijn aangezicht over u. En geven u vrede. Amen.
♪ Gezang