Leviticus 16; [Verzoening, voor de wereld]

woensdag 25 maart 2026 · 19:30 uur · Avonddienst · Ds. W. Pieters · 100 minuten

Transcript

0:00Onze

0:00[GEZANG]

8:51hulp is in de naam des Heren, die hemel en aarde geschapen heeft,

8:57die trouwen houdt tot in eeuwigheid, en die niet laat varen de werken van zijn handen.

9:04Amen.

9:07Genade zij u en vrede, van God de Vader, van God de Zoon, van God de Heilige Geest.

9:17Amen.

9:19Zingen wij van Psalm 79, vers 4, gedenk niet meer aan het kwaad dat wij bedreven.

9:28Onze euveldaad, onze misdaad, worden ons uit gunst vergeven.

9:35Waak op, o God, en wil van verder lijden ons kleingetal door uw kracht bevrijden.

9:43Help ons, barmhartig Heere, uw grote naam ter ere.

9:49Uw trouw komen ons te staden, komen ons te hulp.

9:55Verzoen de zware schuld die ons met schrik, mocht het zijn ook met smart,

10:01vervult.

10:03Bewijs ons eens genade.

10:06Bij eens moet u niet denken ooit eens.

10:10Maar bewijs ons toch,

10:13bewijs ons nu toch genade.

10:17Vers 4 van Psalm 79.

10:19[GEZANG]

14:06Schriftlezing voor vanavond vindt u in het Oude Testament, het derde boek van Mozes, dat is Leviticus, hoofdstuk 16, te beginnen bij het eerste vers.

14:19Leviticus 16, vanaf vers 1.

14:27Daar lezen wij Gods heilig en onfeilbaar woord in Leviticus 16, te

14:35beginnen bij het eerste vers als volgt.

14:38En de Heere sprak tot Mozes nadat de twee zonen van Aaron gestorven waren, toen zij genaderd waren voor het aangezicht des Heeren en gestorven

14:51waren.

14:53De Heere dan zei tot Mozes, spreek tot uw broer Aaron, dat hij niet te allen tijden gaat in het heiligbendende voorrang voor

15:05het verzoendeksel dat op de ark is.

15:09Opdat hij niet sterft.

15:11Want ik verschijn in een wolk op het verzoendeksel.

15:16Hiermee zal Aaron in het heilige gaan.

15:19Met een var, dat is een stier.

15:22Een jong rund ten zondoffer.

15:25En een ram ten brandoffer.

15:27En hij zal de heilige linnen rok of het priesterkleed aandoen.

15:32En de linnen onderbroek, dat is een broek onder dat kleed.

15:36Een gewone broek dus.

15:38Zal aan zijn vlees zijn en met een linnengordel zal hij zich gorden en met de linnenhoed bedekken.

15:46Dit zijn heilige klederen.

15:49Daarom zal hij zijn vlees, zijn lichaam, met water baden als hij ze zal aandoen.

15:56En van de vergadering der kinderen Israëls zal hij nemen twee geitenbokken ten zondoffer en één ram ten brandoffer.

16:06Daarna zal Aaron de var van het zondoffer die voor hem zal zijn, offeren.

16:13En zal voor zichzelf en voor zijn huisgezin verzoening doen.

16:18Hij zal ook de beide bokken nemen en hij zal die stellen voor het aangezicht des heren aan de deur van de tent der samenkomst.

16:28En Aaron zal de loten over die twee bokken werpen.

16:33Eén lot voor de heren.

16:35En één lot voor de weggaande bok.

16:39Dan zal er Aaron de bok, waarop het lot voor de heren gekomen zal zijn, toebrengen.

16:46En zal hem tot een zondoffer maken.

16:50Maar de bok waarop het lot zal gekomen zijn om een weggaande bok te zijn, zal levend voor het aanzicht des heren gesteld worden.

16:59Om door hem verzoening te doen.

17:02Opdat men hem als een weggaande bok naar de woestijn uitlaat.

17:07En Aaron dan zal de var van het zondoffer, die voor hemzelf zal zijn, toebrengen en voor zichzelf en voor zijn huis verzoening doen.

17:18En zal de var van het zondoffer, die voor hemzelf zal zijn, slachten.

17:24Hij zal ook een wierookvat vol vurige kolen nemen van het altaar, waarvoor het aangezicht des heren, en zijn handen vol reukwerk van welriekende specerijen klein gestoten.

17:37En hij zal het binnen de voorhang dragen.

17:41En hij zal dat reukwerk op het vuur leggen.

17:44Voor het aangezicht des heren.

17:47Op dat de nevel van het reukwerk.

17:50Het verzoendeksel dat is op de getuigenis bedekt.

17:55En dat hij niet sterft.

17:59En hij zal van het bloed van de var nemen.

18:02En zal met zijn vinger op het verzoendeksel oostwaard sprenkelen.

18:08En voor het verzoendeksel zal hij zevenmaal met zijn vinger van dat bloed sprenkelen.

18:15Daarna zal hij de bok van het zondoffer die voor het volk zal zijn slachten.

18:20En zal zijn bloed tot binnen in de voorrang dragen.

18:25En zal met zijn bloed doen zoals hij met het bloed van de var gedaan heeft.

18:31En zal dat sprenkelen op het verzoendeksel en voor het verzoendeksel.

18:36Zo zal hij voor het heilige...

18:39Vanwege de onreinheden der kinderen Israëls.

18:42En vanwege hun overtredingen.

18:45Naar al hun zonden verzoening doen.

18:49En zo zal hij doen aan de tent der samenkomst.

18:53Die met hen woont in het midden van hun onreinheden.

18:58En geen mens zal in de tent der samenkomst zijn.

19:01Als hij zal ingaan om in het heilige verzoening te doen.

19:05Totdat hij zal uitkomen.

19:08Zo zal hij verzoening doen voor zichzelf en voor zijn huis en voor de gehele gemeente Israëls.

19:17Daarna zal hij tot het altaar dat voor het aangezicht des heren is uitkomen en verzoening daarvoor doen.

19:25En hij zal van het bloed van de var van het bloed van de bok nemen en het doen rondom op de horenen van het altaar.

19:34En hij zal daarop van dat bloed met zijn vingers evenmaal sprenkelen.

19:39En hij zal dat reinigen en heiligen van de onreinheden der kinderen Israëls.

19:46Als hij nu geëindigd zal hebben van het heilige en het tent der samenkomst en het altaar te verzoenen.

19:53Dan zal hij die levende bok toebrengen.

19:57En naar Aaron zal zijn beide handen op het hoofd van de levende bok leggen.

20:03En zal daarop al de ongerechtigheden der kinderen Israëls.

20:09En al hun overtredingen naar al hun zonden beleiden.

20:16En hij zal die op het hoofd van de bok leggen.

20:20En zal hem door de hand van een man die voorhanden is naar de woestijn uitlaten.

20:27Zo zal die bok op zich al hun ongerechtigheden in een afgezonderd land wegdragen.

20:37En hij zal die bok in de woestijn uitlaten.

20:41Daarna zal er Aaron komen in de tent der samenkomst en zal de linnen klederen uitdoen die hij aangedaan had toen hij in het heilige ging.

20:52En hij zal ze daar laten.

20:54En hij zal zijn vlees in de heilige plaats met water baden en zijn klederen, zijn hoge priesterlijke klederen aandoen.

21:04Dan zal hij uitgaan en zijn brandtoffer en het brandtoffer van het volk bereiden.

21:10En voor zich en voor het volk verzoening doen.

21:15Ook zal hij het vet van het zondoffer op het altaar aansteken.

21:20En wie de bok die een weg aan de bok was uitgelaten zal hebben.

21:25Zal zijn klederen wassen en zijn vlees met water baden.

21:29En daarna zal hij in het legerkamp komen.

21:33Maar de var van het zondoffer en de bok van het zondoffer.

21:37Waarvan het bloed ingebracht is om verzoening te doen in het heilige.

21:41zal men tot buiten het leger uitvoeren.

21:45Maar hun vellen, hun vlees en hun mest zullen zij met vuur verbranden.

21:52Wie nu die verbrandt, zal zijn klederen wassen en zijn vlees met water baden en daarna zal hij in het leger komen.

22:01En dit zal voor u tot een eeuwige inzetting zijn.

22:05Gij zult in de zevende maand op de tiende der maand uw zielen verootmoedigen en geen werk doen.

22:14Ingeborenen nog vreemdeling die in het midden van u als vreemdeling verkeert.

22:18Want op die dag zal hij voor u verzoening doen.

22:24Om u te reinigen van al uw zonden.

22:29Zult gij voor het aar zich des heren gereinigd worden.

22:35Dat zal voor u een Sabbat der rust zijn.

22:40Opdat gij uw zielen veroutmoedigt.

22:43Het is een eeuwige inzetting.

22:46En de priester die men gezalfd en wiens hand men gevuld zal hebben om voor zijn vader als opvolger dus het priesterambt te bedienen, zal de verzoening doen als hij de

22:58linnen klederen, de heilige klederen, aangetrokken zal hebben.

23:03Zo zal hij het heilige heiligdom verzoenen.

23:08En de tent der samenkomst en het altaar zal hij verzoenen.

23:13Zo ook voor de priesters en voor heel het volk der gemeente zal hij verzoening doen.

23:20En dit zal voor u tot een eeuwige inzetting zijn.

23:24Om voor de kinderen Israëls van al hun zonden eenmaal desjaars verzoening te doen.

23:32En men deed zoals de Heere Mozes geboden had.

23:38Willen we samen bidden.

23:49Oprecht te hebben gezongen.

23:52Dat die zware schuld.

23:54Ons met schrik of smart vervult.

23:58En dat we verlegen zijn.

24:00Om genade niet later.

24:03Een keer.

24:05Maar vandaag.

24:08Omdat ook vandaag geld.

24:10De schuld hebben wij groter gemaakt.

24:14Is het niet met daden.

24:16Of woorden.

24:19Dan toch met het diepste innerlijk.

24:23En wij kunnen daarom voor u niet bestaan.

24:28Maar o wonder.

24:30Niet alleen als wij oprecht zongen.

24:35Over die schuld en die smart.

24:38Maar als wij ook weten.

24:41Van die trouw.

24:44Dat u.

24:46Daadwerkelijk.

24:48Garende vergevende bent.

24:51En zonder een welkomheid.

24:54Aan uw troon.

24:57Aan uw hart.

25:00Dat durven wij niet te denken.

25:03Dat kunnen wij niet voor waar houden.

25:07Voor

25:09mogelijk achten.

25:11En toch uw woord getuigt het.

25:14En daarom is het toch waar.

25:17En leert ons maar geloven.

25:21Niet op grond van wat wij gevoelen.

25:25Maar omdat gij het zegt.

25:29Want uw woord is onbedriegelijk.

25:33En volstrekt geloofwaardig.

25:37En wanneer u zelf het zegt, dat wij met vrijmoedigheid mogen toegaan tot de troon der genade, dan

25:45kan alles van binnen daartegen inkomen.

25:50Maar uw woord zal

25:55zeker het waardig zijn geloofd en vertrouwd te worden.

26:03Zou u zo vanavond ons willen onderwijzen.

26:07In het spreken en luisteren ons doen verstaan wat we net lazen.

26:13In de symbooltaal van het Oude Testament.

26:17En

26:18de vervulling daarvan in uw lieve Zoon Jezus Christus.

26:24De

26:26man van smarten.

26:27Die

26:29verzocht is in krankheden.

26:31Die

26:33uw toren droeg.

26:38En gij hebt hem verbreizeld.

26:44Om verloren Adamskinderen eeuwig binnen te doen komen.

26:49In

26:50de zalen van goddelijke welgelijkzaligheid.

26:54En eindeloze verwondering, aanbidding en verheuging.

27:02O, geef ons dan ogen in de ziel om te zien op Hem.

27:07Die afgebeeld is in deze ceremonie van Grote Verzoendag.

27:12En

27:14dat wij door het geloof.

27:17Deze avond voor het eerst of ook opnieuw.

27:23Leren te steunen.

27:26Op dat volbrachte werk.

27:29Maak er dan plaats voor.

27:31Als er geen plaats voor was.

27:34En maak er opnieuw plaats voor.

27:36Als zoveel dingen.

27:39Na

27:40ontvangen genade.

27:42Toch weer.

27:44Ons kunnen bezetten.

27:46En vervullen.

27:48Zodat er weinig of amper.

27:51plaats is voor dat grote geschenk maar heren uw trouw is groot en daarom mogen wij u vragen dat u ook bij uw kinderen opnieuw deze

28:04avond is het thuis of hier genadig schenkt de geloofsoefeningen op die man van Golgotha

28:17in

28:19het stof van Gethsemane en

28:24Verrezen uit de dood als overwinnaar.

28:27Zie

28:28een gunst op ons neer.

28:30Neem reden uit uzelf.

28:32Wees uw kerk wereldwijd nabij.

28:35Breng velen toe.

28:37Laat uw woord waar het uitgaat zegenrijk en vruchtbaar zijn.

28:43Breng van uw volk Israël en de heidenvolken toe tot een gemeente die zalig wordt.

28:50En verheerlijk uw grote naam.

28:54Door ook deze avond ons te bezoeken.

29:00Met een verrassing van de hemel.

29:04Ach

29:05heren, we kunnen het zo mooi zeggen.

29:08Maar nou te geloven dat dat kan.

29:13En meer, te verwachten dat gij het doet.

29:19In spreken en luisteren ons verblijt.

29:23Enkel en alleen om uw...

29:27grote naam, om uw goedheid eer te geven, om uw Zoon de glorie te doen dragen.

29:36Amen.

29:39Wij zingen van Psalm 103, de versen 2, 5 en 6.

29:45103, vers 2.

29:46Loof hem die u al wat gij hebt misdreven, hoeveel het zij genadig wil vergeven.

29:54Uw krank geen kent en liefderijk geneest.

29:58Die van het verderf uw leven wil verschonen of sparen.

30:03Met goedheid en barmhartige in uw kronen.

30:07Die in de nood uw redder is geweest.

30:10Vers 5.

30:12Hij zal zijn volk niet eindeloos kasteiden.

30:16Nog ook niet eeuwiglijk zijn gramschap ons doen leiden.

30:22Hij is het die.

30:27Nou, is dat nou echt waar?

30:31Die ons zijn vriendschap biedt.

30:36We zingen het zomaar.

30:38We gaan nog collecteren ook.

30:41We denken er amper bij na.

30:43Maar

30:44dat is wat.

30:46Hij handelt nooit met ons naar onze zonden.

30:50Hoe zwaar, hoe lang wij ook zijn wetten, schonden.

30:54Hij straft ons, dat is vaderlijk.

30:58Maar naar onze zonden niet, niet rechterlijk.

31:02Vers 6.

31:03Zo hoog zijn troon moog boven de aarde wezen.

31:06Zo groot is ook voor allen die hem vrezen.

31:10De gunst waarmee hij hen wil gadeslaan.

31:14Zo ver het west verwijderd is van toosten.

31:17Zo ver heeft hij om onze ziel te troosten.

31:22Van ons de schuld en zonde weggedaan.

31:25Versen 2, 5 en 6 van psalm 103.

31:32Er zijn drie collecten.

31:34De eerste is Bright Spot of Hope.

31:37De

31:39tweede Kerkvoordij.

31:40En de derde het Verenigingsopbouw Ebene Ezer.

31:45Al

31:45[GEZANG]

38:23hebben wij met de ceremonie of plechtigheid van Grote Verzoendag in

38:30zekere zin niets meer te doen.

38:33Omdat die handelingen voor altijd voorbij zijn.

38:38Toch gemeente heeft Grote Verzoendag.

38:42Een hele boodschap, een prediking voor ons.

38:47Zoals al de oud-testamentische wetten, zowel rondom de offerdienst als anderen, nog steeds hun waarde behouden.

38:56En dan denk ik aan wat bijvoorbeeld door Guido de Brè in artikel 25 van de Nederlandse geloosbeleidnis daarover is gezegd.

39:07Dan gaat het niet om die handelingen die we nog zouden moeten doen.

39:12Wij hoeven geen dieren te slachten, geen bloed te sprenkelen, al dat soort dingen niet.

39:17Maar ondertussen zit daar een evangelieboodschap in.

39:21Niet alleen evangelie, maar toch ook zeker wel evangelie.

39:27En dat blijkt wel als wij zo eens zouden tellen hoe vaak het woord verzoenen of verzoening in dit hoofdstuk staat.

39:36Zestien keer.

39:38Het is een heel belangrijk woord dus.

39:41En dat woord zegt ons iets over de verhouding tussen God en ons.

39:47Die verhouding is blijkbaar verstoord.

39:51Als er over verzoening gesproken wordt, dan is het niet goed.

39:57Ik hoef mij door Gods goedheid niet met mijn vrouw te verzoenen.

40:04Want er is niets tussen ons.

40:08Als het gaat over verzoenen, dan is er ruzie of oorlog of wat anders.

40:13Verwijdering, vervreemding.

40:15Dat we elkaar niet meer kunnen en willen zien, enzovoort.

40:19En dat is tussen God en ons.

40:22Wij hebben hem de rug toegekeerd.

40:25Wij zijn eigen wegen gegaan.

40:28Wij sluiten God buiten ons leven.

40:32Wij willen zelf God zijn.

40:36En zijn wetten werpen wij achter onze rug.

40:41Zijn raadgevingen slaan we in de wind.

40:44Zijn waarschuwingen nemen wij niet serieus.

40:49Zijn beloften, daaraan hechten wij geen vertrouwen.

40:53Dat is ons bestaan, ons Adams bestaan.

40:58En wil het ooit goed komen, dan moet er verzoening komen.

41:02Dan moet het goed komen tussen God de heilige en ons de onheilige.

41:08Tussen God de rechtvaardige.

41:11En ons, de onrechtvaardigen.

41:15En daarover gaat het dus in dat beschamende woord verzoening.

41:22Het moet weer goedkomen.

41:25En wij zijn degene die het stuk hebben gemaakt.

41:29Dus ja, er is geen andere gedachte, als je er zo stilletjes over nadenkt, dan dat wij het goed moeten maken.

41:39Maar wat blijkt nou daar aan de voet van de Sinaï?

41:43Berg waar de tien geboden vandaan tot het volk klonken door die machtige stem in Exodus 20.

41:51Elke zondag herhaald in de voorlezing van de morgendienst.

41:56Daar aan de voet van die berg heeft de Heer nu een tentwoning laten oprichten.

42:03Precies zoals hij het had voorgeschreven.

42:05De tabernakel door Mozes gezien op de berg.

42:09En later gebouwd aan de voet van die berg.

42:13En de Heere wil daar nu te midden van dat volk wonen.

42:16Hij bedenkt en hij begint de verzoening, het herstel.

42:23De verhouding wordt weer goed.

42:27Niet omdat wij het goed maken, maar omdat God dat doet.

42:31Hoe kan het weer goed worden?

42:34Wel, zegt dan de schrift en zeker het boek Leviticus.

42:39En in de eerste hoofdstukken, de eerste zeven, waar het over de offers gaat.

42:45En daarna nog een paar hoofdstukken over de inwijding van de tabernakel.

42:51En zeker in het hoofdstuk dat we net gelezen hebben, hoofdstuk 16, blijkt dat er geen verzoening kan komen dan alleen als er bloed vloeit.

43:03En dan niet bloed alleen, maar het leven.

43:09Dus dat dier dat het bloed geeft, van wie het bloed gestort wordt en later in het heilige der heiligen op het verzoendeksel van de ark en daarvoor gesprenkeld

43:21wordt, moet het leven geven.

43:24Het kost hem zijn leven.

43:27Eerst die var, die stier, voor de hoge priester zelf en zijn hele priestelijke familie en daarna ook...

43:38Eigenlijk weer dezelfde situatie maar dan voor het volk.

43:42En in dit alles beelde God af.

43:46Wat uiteindelijk niet dat dierenbloed kon.

43:49Maar wat het bloed van zijn zoon zou doen.

43:53En het is ons niet vreemd om die boodschap te horen.

43:58Maar als wij er weer eens opnieuw bij stil zouden staan.

44:02Of er voor het eerst door Gods geest bij bepaald worden.

44:08Dan moeten we zeggen, wat is het een huiveringwekkende boodschap.

44:14Dat iemand moet sterven om mij het leven te kunnen geven.

44:19Dat iemand de dood vrijwillig ingaat.

44:23Zijn harte bloed uitstort.

44:26Om het tussen God en mij,

44:29vijand,

44:31weer goed te maken.

44:34Wat kan hem toch bewogen hebben om dat te willen doen?

44:40En wat zegt het ons over de verschrikkelijkheid van die afstand tussen God en ons.

44:45Die vervreemding.

44:47Die ruzie.

44:48Die oorlog.

44:50Dat dat nodig was.

44:53Die man.

44:54Zo onschuldig moest sterven.

44:58Om zondaren met God te kunnen verzoenen.

45:02Want nu dat is de evangelie prediking die tegelijkertijd heel diep vernedert.

45:07En heel hoog.

45:10die in Leviticus 16 tot ons komt.

45:14En het volk mocht dat zien.

45:17Het volk krijgt het aanschouwelijke onderwijs.

45:20Dat is een van de kenmerken van de Oud-Testamentische tijd...

45:24in onderscheid met de Nieuw-Testamentische tijd.

45:28Paulus vergelijkt die twee bedelingen...

45:31de bediening van het Oude Testament en die van het Nieuwe Testament...

45:35met een jongen die opgroeit van kind.

45:40Tot volwassenheid.

45:42In gelaten vier heeft hij het daarover.

45:45De oud testamentische tijd is de kindertijd.

45:48De nieuw testamentische tijd is de volwassenheid.

45:52En wat is kenmerkend voor een klein kind.

45:56Een peuter.

45:57Die kan nog niet lezen.

46:00Die krijgt een plaatjesboek.

46:03En bij dat plaatje.

46:04Hoort een verhaaltje.

46:06En als mama.

46:07Of ook eventueel later op school.

46:09Hoe dan ook.

46:11Iets vertelt over dat verhaal.

46:13Dan onthoudt dat kind het na een paar keer.

46:16Of zelfs na één, twee keer.

46:19Het verhaaltje bij het plaatje.

46:23En wanneer het het plaatje weer ziet.

46:25Dan weet dat kind, oh ja, het gaat daarover.

46:29Wel nu, met eerbied gezegd.

46:31Zo deed God.

46:33Met de tijd van het Oude Testament.

46:35Met de kindertijd van het volk Israël.

46:39Hij gaf een heel uitgebreid plaatjesboek.

46:43De offerdienst en ook wel andere wetten die te maken hadden met de ceremonieën.

46:48Heilige tijden, zoals Pascha.

46:52En heilige personen en heilige handelingen.

46:57Allerlei plaatjes met een boodschap.

47:01En nu mocht het volk hier op deze bijzondere dag, eenmaal per jaar, als voor ogen zien wat de heren bedoelden te zeggen.

47:12En straks zou vervullen in zijn zoon.

47:15En dan zien wij welke bijzondere dingen er op die dag gebeuren.

47:22De heer Jezus Christus wordt afgebeeld door de hoge priester.

47:25Dat hebben we vaker gehoord.

47:27Maar op deze dag toch ook weer niet.

47:32Er is een kenmerkend onderscheid tussen wat de hoge priester vandaag op die dag moet doen.

47:39En wat de heer Jezus niet moest.

47:43Niet.

47:44hoefde te doen.

47:46De apostool zal het later in zijn brief aan de Hebreën uitleggen wanneer hij duidelijk maakt dat één ding op Grote Verzoendag door de hoge priester wel moest gebeuren

47:58wat door Christus niet is vervuld.

48:01En dat was het offer brengen voor zichzelf.

48:05Want de hoge priester, de eerste die er was, was Aaron, maar ook zijn opvolgers van geslacht tot geslacht waren allemaal mensen die ook verzoening nodig hadden.

48:15En daarom kon hij alleen dan pas verzoening voor het volk aanbrengen wanneer hij eerst voor zichzelf verzoening had aangebracht in de weg van de plechtige handeling.

48:29Eerst moest hij het heilige der heiligen binnentreden met het bloed voor hemzelf en zijn huis, zijn familiekring, de priesters, eventueel de

48:41lefieten.

48:41Maar in ieder geval ook dus voor zichzelf.

48:46Wel zegt de apostel Paulus, dat heeft de heer Jezus nou niet hoeven doen.

48:51Hij hoefde niet eerst voor zichzelf te lijden.

48:54Want hij was zonder zonde.

48:57Een heel bijzondere werkelijkheid die wij alweer van jongs af hebben gehoord en er helemaal niet vreemd van opkijken.

49:05Maar wat is het bijzonder geweest, moet u maar denken, voor Maria, voor Jozef, voor de andere leden van dat gezin en die familiekring en die plaatsgenoten.

49:15Dat jongetje dat daar liep, dat daar speelde, dat daar later werkte.

49:18Het was altijd lief.

49:22Altijd gehoorzaam.

49:24Altijd zonderloos.

49:28En, zegt Paulus dan later in Hebreeën 7, zulke hoge priester betaamde ons, hadden we nodig.

49:37Alleen zulke hoge priester die zelf niet zondig was.

49:42En die zelf niet hoefde te offeren voor zichzelf.

49:45Kon de volkomen verzoening aanbrengen.

49:49En daarom mogen wij de zonderloosheid van de Heer Jezus.

49:54Ondanks dat hier de hoge priester wel voor zichzelf moest offeren.

49:58In de heilige schrift terugvinden.

50:01Als een blijde boodschap.

50:03Er is een zaligmaker beschikbaar die niet gebrekkig is.

50:07Die niet beperktheden kent.

50:10Die geen vlekken en rimpels heeft.

50:12Alleen maar volmaakt schoon en volmaakt heilig.

50:17Mag ik u vragen, bent u ook verliefd op heiligheid?

50:24Op hem die de heiligheid zelf is.

50:27Dat u mag zeggen, daarom is hij mij zo dierbaar.

50:31Niet alleen daarom.

50:32Er zijn meer dingen.

50:34Maar toch ook daarom.

50:36Ik moet mij niet indenken een Jezus die net als ik zondig zou zijn.

50:41Dat kan mijn verlosser niet wezen.

50:43Nee, die schrift is zulk een dierbaar boek als het ons vertelt dat de Christus zonder zonde was.

50:51Paulus wijst daar een en ander maal op, zei ik al in de Hebreënbrief.

50:56In hoofdstuk 2 heeft hij het over zondeloos.

50:59En later in hoofdstuk 4 weer zondeloos.

51:02Steeds weer.

51:03De Heer Jezus Christus hoefde dus niet...

51:05Twee keer te leiden.

51:07Eén keer voor zichzelf.

51:09En één keer voor het volk.

51:10Net als de hoge priester Aaron wel.

51:13Twee keer het heiligdom moest ingaan.

51:16Eerst voor de zonde van zichzelf.

51:18En dan voor die van het volk.

51:21Maar afgezien van dat ene verschilpunt.

51:25Al de handelingen die de hoge priester die dag.

51:29Die plechtigste dag van heel het jaar moest doen.

51:34Ze wezen allemaal heen naar Christus.

51:36Het begon al met dat priesterkleed dat hij aflegde.

51:41De hoge priester had een ander kleed aan dan de gewone priesters.

51:45Als we daarover lezen in het Bijbelboek Exodus, waar tot twee keer toe wordt beschreven welke prachtige kleding, welke kleuren enzovoort, de hoge priester had, zo totaal

51:58anders dan de gewone priesters.

52:01Het was meteen te zien, dit is de hoge priester en niet de gewone.

52:06Maar op Grote Verzoendag was dat niet zo.

52:09Daar moest hij zijn hoge priesterlijke kleding uitdoen en de eenvoudige gewone priesterkleding aandoen.

52:18Waarin wij als in een beeld zien voorgesteld hoe Christus zijn goddelijke majesteit en waardigheid en schittering

52:30en heerlijkheid aflegde toen hij een mens werd.

52:34Want wat voor mens werd hij?

52:37Zeker zonderloos zeiden we net al.

52:39En dat zal ook best wel eens mensen hebben getroffen.

52:44Maar dat hij God was, dat was natuurlijk niet te zien.

52:49Zelfs niet vanaf zijn geboorte.

52:52Al zagen de herders natuurlijk een heel iets bijzonders toen ze dat kinderke in de kribben zagen liggen.

52:58Maar dat kwam omdat ze het gehoord hadden.

53:00Te zien was het niet voor de ogen van het lichaam.

53:04En ook later net zo min.

53:07En de mensen rondom hem toen hij wonderen deed, zagen wel iets van het bijzondere.

53:13En Nicodemus zegt dan ook, jij bent een profeet, een dienaar van God gekomen.

53:20Want ja, anders dan kan dat niet.

53:23Het moet wel iets van God zijn.

53:24Maar dat hij zelf God was, dat was niet te zien.

53:29Alleen door het geloof.

53:31Zoals Johannes in het vierde evangelie zo prachtig mag schrijven.

53:35In hoofdstuk 1, wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd.

53:40De heerlijkheid als van de enige geborene van de Vader.

53:45Vol van genade en waarheid.

53:48Maar dat aanschouwen, ja zeker, die lichamelijke ogen deden bij Johannes wel mee.

53:54Maar het was door het onderwijs van de geest dat hij het zag.

53:58Want anders zouden zijn lichamelijke ogen het ook niet hebben gezien.

54:03En dat is dus wat in die eenvoudige priesterkleding wordt afgebeeld.

54:08Jezus werd gewoon mens.

54:13Behalve de zonde, precies zoals u.

54:16Precies zoals jij en ik.

54:21Waarom?

54:22Alweer, wij zijn er zo aan gewend.

54:25We kijken er niet van op.

54:26God werd mens.

54:29En wij gaan gewoon door.

54:33Maar is wat, hè?

54:38De kribbe.

54:40De schepper van het heelal.

54:41Van al die miljarden sterren.

54:45Over wie Johannes alweer in het evangelie aan het begin schrijft.

54:49In het begin was het woord.

54:50En het woord was bij God.

54:52En het woord was God.

54:53Dit was in het begin bij God.

54:55Alle dingen zijn door hem gemaakt.

54:58En er is geen ding gemaakt zonder hem.

55:01Alleen maar door hem.

55:03En daar ligt hij.

55:04In de kribbe.

55:05Waarom is hij nou mens geworden?

55:07Dat was nodig.

55:10Was hij dan niet machtig genoeg als de zoon van God om de duivel te verslaan?

55:18Jazeker, almachtig.

55:20Daar kon de duivel niet tegenop.

55:22Waarom werd hij dan mens?

55:24Wel, zegt Paulus later in zijn brief aan Debreën om te kunnen sterven.

55:30Door de dood heeft hij de duivel die het geweld des doods had teniet gedaan.

55:40Dat kon niet anders.

55:41Dan door de dood.

55:43Oh wat een groot wonder.

55:45Dat God dat nou ook wilde.

55:48Zijn zoon mens laten worden.

55:52Afgebeeld in die eenvoudige priesterkleding.

55:54Geen hoge priesterkleed.

55:56Het goddelijke wordt verborgen.

55:58Het is er nog wel.

55:59Maar niet zichtbaar.

56:00Amper zichtbaar.

56:02Een enkele keer een schittering.

56:04Maar verder niet.

56:05Oh dat alles om zondagen te kunnen opzoeken.

56:09In die diepe verlorenheid.

56:11En te kunnen ophalen.

56:13En te stellen in de eeuwige zaligheid.

56:16Dat is zomaar iets van de afbeelding van Grote Verzoendag.

56:23En dan zien wij dat er twee bokken worden gesteld.

56:28Voor het volk van Israël.

56:31Eén bok is bestemd geslacht te worden.

56:35De ander mag nog een poosje blijven leven.

56:39En moet dan in de woestijn weggestuurd worden.

56:42Maar die ook na korte of lange tijd de dood vindt.

56:47Twee bokken die allebei te maken hebben met dat belangrijke woord verzoening.

56:54Die ene bok, ja, zijn bloed moet gesprenkeld worden.

56:59En de andere bok, op zijn hoofd, zijn kop, moet de zonde last van Israël gelegd worden.

57:08En die twee samen zijn een afbeelding van de...

57:14Heere Jezus Christus.

57:16In zijn lijden en sterven.

57:19En ook dat hij de zonde heeft gedragen en weggedragen.

57:25Waarom moest dat bloed nu gesprenkeld worden?

57:28Niet alleen gestort.

57:30Maar ook gesprenkeld.

57:32Met een vinger gespat.

57:34Op het verzoendeksel.

57:36Het woord verzoendeksel is al een bekend woord onder ons.

57:41Alweer vaak denken wij niet goed na.

57:43Wat betekent het?

57:45Wat heeft nou dat woord te maken met die ark?

57:48Die

57:50heiligste plaats van het heilige der heiligen.

57:52Waar die houten kist met goud overtrokken een plaatsje krijgt.

57:58Waar geen deksel op past van hout.

58:03Maar alleen een plaat van louter puur goud.

58:09Twee Gerubs engelen daaraan verbonden.

58:15Zegt de Bijbel op andere plaatsen de troon van God.

58:20Daar wil hij wonen.

58:22Eerdere malen lezen wij in de psalmen dat God woont tussen de gerubs.

58:26Dan moeten we denken aan die twee gerubs.

58:29Daar op het verzoendeksel.

58:30Het heilige der heiligen is het ware de troonzaal van God.

58:34En u brengt de hoge priester het bloed van dat dier als voor God in zijn troonzaal.

58:42Later zal Paulus dat uitleggen in zijn brief aan de Hebreën.

58:46Die eigenlijk één groot commentaar, één grote verklaring is van de priesterdienst.

58:55Van verzoening en offer.

58:57En hij zegt dan ook dat Christus door de hemelen is doorgegaan.

59:03Niet met het bloed van dieren.

59:06En dan denkt hij natuurlijk aan de hoge priester.

59:08Die door dat voorhof het heilige inging.

59:12Door dat heilige tot bij het voorhangsel kwam.

59:17Want het heilige der heiligen.

59:19En ook daar naar binnen ging.

59:21Maar met dierenbloed.

59:23Niet met zijn eigen bloed.

59:25Maar Christus zegt Paulus dan niet met dierenbloed.

59:27Maar met zijn eigen bloed.

59:29Hij heeft dat bloed als het ware in de hemel gebracht.

59:33In de troonzaal van God.

59:35Want daar spreekt het bloed van betaling.

59:40Of voldoening.

59:42U kent wel die uitdrukking verzoening door voldoening.

59:50Verzoening, vrede met God, door voldoening, betaling aan God.

59:57En de prijs van de ziel is zo kostbaar dat niemand die kan betalen.

1:00:04Peter schrijft dan ook in zijn eerste brief, niet met zilver of goud bent u losgekocht.

1:00:11Maar met het dierbaar of kostbaar bloed van Jezus Christus.

1:00:16Zoals van een onbestraffelijk en onbevlekt lam.

1:00:21Dat bloed wordt nu gebracht in het heilige.

1:00:25Ja, daardoor heen naar het heilige der heiligen.

1:00:28En dan op dat verzoendeksel gesprenkeld.

1:00:32Weet u ook wat er onder dat verzoendeksel lag?

1:00:38In die kist, die ark.

1:00:42Moest Mozes, toen die ark gemaakt werd, twee stenen platen neerleggen.

1:00:49Waarop God zijn geboden, de tien geboden, met zijn eigen vinger had geschreven.

1:00:57Die tien geboden zijn de eisen van God.

1:01:01De bekendmaking van zijn wil.

1:01:03Die wij honderd procent ernstig moeten nemen.

1:01:08Dat doen we niet, maar dat moeten we wel.

1:01:12En die geboden eisen niet alleen gehoorzaamheid, maar bij ongehoorzaamheid ook straf.

1:01:20En dat is het waar die wet nu uiteindelijk altijd het over heeft.

1:01:25Omdat wij altijd ongehoorzaam zijn.

1:01:30Ik weet niet of u daar ook in uw eigen leven besef van omdraagt.

1:01:37Dat we dat niet alleen maar rechtszinnig beleiden.

1:01:40Maar dat we dat ook wel eens in de stilte voor God.

1:01:44Met smart moeten betreuren.

1:01:49Om met antwoord 60 te zeggen van de katechismes.

1:01:52Tegen al Gods geboden.

1:01:54Zwaar gezondigd en niet heen daarvan gehouden.

1:01:58En nog steeds tot alle goddeloosheid geneigd.

1:02:03En dan moet die wet ons vervloeken.

1:02:09En nu ligt op die wet die gouden plaat.

1:02:14En die plaat heet het verzoendeksel.

1:02:18En op dat verzoendeksel spat.

1:02:22Als Aaron voor het volk Israël, dat zondige volk, het bloed.

1:02:30En nu is als het ware, het is beeldspraak, maar het is allemaal beeldspraak.

1:02:35Dus ook dit is beeldspraak.

1:02:36Nu is als het ware de stem van de wet die eist vanuit het werkverbond.

1:02:43En die dreigt vanwege de ongehoorzaamheid tot zwijgen gebracht.

1:02:50Door de spraken.

1:02:52De taal van het bloed.

1:02:55Want dat bloed was van.

1:02:58Nee niet die bok.

1:02:59Of die var.

1:03:01Die stier.

1:03:02Nee nee.

1:03:03Van Christus.

1:03:04Die volmaakt gehoorzaamd heeft.

1:03:08Ik draag uw heilige wet.

1:03:11Die gij de sterveling zet of voorschrijft.

1:03:15In het binnenste ingewand.

1:03:17In het diepst van mijn innerlijk.

1:03:20Van mijn wezen.

1:03:21Van mijn gedachten, van mijn begeren, van mijn willen.

1:03:26Alles wordt door die wet bepaald, beheerst, geregeerd.

1:03:31Altijd heb ik die wet gehouden, zegt Christus daarmee.

1:03:35En dus kon de wet hem niet vervloeken.

1:03:40Want hij had gehoorzaamd.

1:03:43En toch ging die wet hem vervloeken.

1:03:47Omdat hij de ongehoorzaamheid van schuldige adamskinderen op zich nam.

1:03:53En de plaats innam van hen die de wet in ongehoorzaamheid hadden overtreden.

1:04:02En de straf zich waardig gemaakt.

1:04:06Daarom kan Paulus schrijven aan de gelaten.

1:04:10Vervloekt, dat is de ene kant.

1:04:14Is een ieder die niet blijft in al wat geschreven is in het boek der wet om dat te doen.

1:04:22En Christus, dat is de andere kant.

1:04:25Heeft ons verlost van de vloek der wet.

1:04:29Door een vloek te worden voor ons.

1:04:33Want er is geschreven.

1:04:35Vervloekt is in ieder die aan het hout hangt.

1:04:38En zo gaat die taal van de wet.

1:04:41Die sprake van eis en dreiging.

1:04:46Door die taal van het bloed op het verzoendeksel.

1:04:50Een eenheid vormen van de heilige wil van God.

1:04:53Die volkomen is gehoorzaamd.

1:04:56De straf die volkomen is gedragen.

1:04:59En nu gaat die wet een nieuwe taal als het ware spreken.

1:05:02De taal van de liefde.

1:05:04Zodat de dichter in Psalm 119 een en ander maal kan zeggen.

1:05:08Hoe lief heb ik uw wet.

1:05:10Zij is mijn betrachting.

1:05:11Mijn vermaak de ganse dag.

1:05:14Dan is het niet een wet die ik moet gehoorzamen.

1:05:18Uit het werkverbond.

1:05:20Maar die ik wil gehoorzamen.

1:05:22Uit het genadeverbond.

1:05:25Of om het te zeggen met.

1:05:27John Bunyan.

1:05:29De wet in de hand van Christus.

1:05:33Die wet is dezelfde.

1:05:35De wil van God.

1:05:36Maar al die verschrikkingen zijn weg.

1:05:40Door de sprake van dat bloed op het verzoendeksel.

1:05:43En die wet is nu een liefdewet.

1:05:45Geschreven in het hart.

1:05:47Maar van binnenuit.

1:05:48Ja van bovenaf.

1:05:50Bij God vandaan.

1:05:51Door de geest.

1:05:52Het verlangen in het hart is gewekt.

1:05:55En ook steeds opnieuw levend wordt gehouden.

1:05:58Om de heren volkomen te dienen.

1:06:01Er komt niks van terecht, dat weet ik ook.

1:06:03Maar het is toch het verlangen van het hart in oprechtheid en waarheid.

1:06:07Wel nu, daarom moet dat bloed gesprenkeld worden op het verzoendeksel.

1:06:11Omdat de wet zou tevreden worden gesteld door het offeren van Christus.

1:06:18Volkomen gehoorzaamd in zijn dadelijke gehoorzaamheid met de daden zijn leven lang.

1:06:24En volkomen tevreden gesteld met zijn leidelijke gehoorzaamheid.

1:06:28Met het lijden en sterven.

1:06:30In het dragen van vloek en toren.

1:06:32In het betalen van de schuld.

1:06:35En in het ondergaan van de straf.

1:06:39En zo mag Grote Verzoendag in het Oude Testament al prediken.

1:06:44Welke volkomen bereidwilligheid er bij God is.

1:06:48Om het weer goed te maken.

1:06:51Wat hij niet stuk heeft gemaakt.

1:06:54Wij.

1:06:55En wat wij niet goed kunnen maken, wat zeg ik?

1:07:00Niet eens willen maken.

1:07:03Maar hij wel.

1:07:05En hij gaat onwilligen, afkerigen, vijandigen, gewillig maken, verlangend maken.

1:07:15Om nu ook te delen in dat grote goed van verzoening.

1:07:19Wanneer dat bloed is gesprenkeld, komt die andere bok aan de orde.

1:07:25Wat moet Aaron vervolgens doen?

1:07:28Hij moet de ongerechtigheden en overtredingen en zonden van het volk beleiden.

1:07:37Hij legt zijn handen op de kop van dat dier.

1:07:42Als u een Bijbel hebt met kanttekening, dan ziet u dat onze Statenvertalers opmerken dat het woord leggen eigenlijk betekent steunen.

1:07:54Zwaar leunen dus op de kop van dat dier.

1:07:58Het is net alsof daar die zware last van de zonden op dat dier worden gelegd.

1:08:10Dat moet de hoge priester doen op Grote Zondag.

1:08:14En in Leviticus 1 lezen wij hetzelfde.

1:08:18Wanneer een offeraar een offerdier brengt bij het altaar in het voorhof, moet hij ook zijn hand op de kop van dat dier leggen.

1:08:29Steunen staat er ook.

1:08:31En daarmee zegt hij als het ware.

1:08:33Dat dier gaat in mijn plaats.

1:08:36En ik leg mijn zonde op dat dier.

1:08:40Het beleiden, vers 21 lezen we dat.

1:08:43In het gelezen schriftgedeelte.

1:08:46Het beleiden van de zonden is een belangrijk onderdeel van het geestelijk leven.

1:08:53Maar let op.

1:08:56Wij moeten wel op de goede plek.

1:09:00beleidenis doen.

1:09:02En op de goede manier.

1:09:05Wanneer wij beleidenis zouden doen.

1:09:09Zoals Judas.

1:09:11Die ook zei.

1:09:12Ik heb verraden.

1:09:16Onschuldig wordt.

1:09:17Ik heb gezondigd dus.

1:09:20Maar niet tegelijkertijd.

1:09:24Steunde.

1:09:25Op het werk.

1:09:27Van de borg.

1:09:29Niet zijn toevlucht nam.

1:09:32Tot Christus.

1:09:34Dan is het beleiden van de zonde niet wat God bedoelt.

1:09:40Die beleiders is wel waar.

1:09:43Maar God bedoelt dat wij zullen beleiden als het ware met het zicht op het offer.

1:09:49Of in dit verband nu, in deze taal van het symbool, met de hand op het offerdier.

1:09:57En wie is dat offerdier?

1:10:00Dat is Christus.

1:10:03Zowel die bok die geslacht werd.

1:10:05Was een afbeelding van hem in zijn lijden en sterven.

1:10:09Als nu ook die bok op wie de zonde wordt gelegd.

1:10:12Is een afbeelding van hem die de zonde wegdraagt.

1:10:16Petrus zal het later schrijven.

1:10:18In zijn eerste brief het tweede hoofdstuk.

1:10:20Dat hij onze zonden gedragen heeft tot op het hout.

1:10:25En daar heeft Petrus herhaald als het ware.

1:10:28Wat Johannes de Doper al zei.

1:10:30Daar bij de Jordaan zie je het lam gods dat de zonde de wereld wegdraagt.

1:10:34En dat dragen is nu hier symbolisch afgebeeld.

1:10:38Doordat de handen van de hoge priester zwaar leunen op de kop van dat dier.

1:10:45En dan moet hij al die zonden beleiden.

1:10:47U voelt wel, dat kan nooit één voor één alle zonden van Israël zijn geweest.

1:10:53Dat is onmogelijk.

1:10:55Het moet dus samengevat zijn geworden.

1:10:59Ongeveer te vergelijken met de samenvatting van...

1:11:04Wat Jezus vertelt in de gelijkenis van Lukas 18.

1:11:08Waar die tollenaar niet zijn zonden één voor één noemt.

1:11:14Soms is er een heel belangrijk iets om de zonden te noemen.

1:11:20Om gedetailleerd aan God te vertellen.

1:11:23Dat heb ik gedaan.

1:11:25En dat heb ik misdaan.

1:11:26En daarin ben ik nalaten geweest.

1:11:30Maar uiteindelijk, als we alle zonden zouden hebben genoemd, blijft het nog over dat wij de zonden één keer moeten noemen.

1:11:37En dat zegt dan ook die tollenaar, wees mij de zondaar genadigd.

1:11:41In één zin samengevat.

1:11:43Ongeveer zo zal het geweest zijn op de grote verzoendag.

1:11:47Toen de hoge priester al de overtredingen en ongerechtigheden en zonden van het volk Israël beleed met zijn handen op dat dier.

1:11:57En ik herhaal.

1:11:59Zo wil God dat wij onze zonden beleiden.

1:12:07Ziende op dat dier, dat lam Gods.

1:12:15Steunende op hem.

1:12:19Wanhopig als het gaat over ik moet het goed maken.

1:12:23Dat kan niet.

1:12:25Ik moet verzoening aanbrengen.

1:12:27Dat gaat niet.

1:12:29Maar vol hoop.

1:12:32En verwachting.

1:12:35Als ik zie dat dat dier daar staat.

1:12:37Door God zelf bepaald.

1:12:39Hij wilde het.

1:12:41Hij heeft het ingezet.

1:12:42Hij zegt daarmee wat in zijn hart is.

1:12:44Zijn gewilligheid om te verzoenen.

1:12:46Hij zegt als het ware.

1:12:48Beleid je zonden maar.

1:12:49Om ze voor eeuwig kwijt te raken.

1:12:52En zo mag Johannes in zijn eerste zendbrief.

1:12:55Hoofdstuk 1 vers 9 het uitroepen.

1:12:57Indien wij onze zonden beleiden.

1:12:59Hij is getrouw en rechtvaardig.

1:13:02Dat hij ons de zonden vergeeft.

1:13:05En ons reinigt van alle ongerechtigheid.

1:13:09Dat is niet misschien.

1:13:11Dat is niet waarschijnlijk.

1:13:14Maar dat is zeker.

1:13:17Als we onze zonden beleiden.

1:13:19Terwijl wij in geloofsovergave.

1:13:23Ons helemaal aan dat lam toevertrouwen.

1:13:27Gesymboliseerd met die hand leggen op de kop van die bok.

1:13:31Dan, o gemeente, dan is zonde beleidenis.

1:13:37Hoe bitter ook, toch

1:13:43zoet.

1:13:46Je zonden beleiden is zoeter dan je zonden bedrijven.

1:13:53Weet u dat ook?

1:13:55Zijn er van de jongeren en de ouderen die mogen zeggen, ja.

1:13:59Hoe bitter het ook is.

1:14:02Met Petrus, bitter wenen, dat versta ik.

1:14:05Het is toch waar.

1:14:07Als ik dan zie op de macht van dat offerland.

1:14:13Die zo sterk is dat hij die zonde last dragen kan.

1:14:18Als ik dan zie op de gewilligheid van dat offerland.

1:14:22Die zo vol genade is dat hij die zonde last dragen wil.

1:14:29Kan en wil.

1:14:31En dat van mij.

1:14:33O, dan is de beleidenis nog steeds wel bitter.

1:14:39Maar toch zoet.

1:14:41En zo wil de Heer dat u vanavond uw zonden beleidt.

1:14:44Niet los van Christus.

1:14:46Dat hoeft niet.

1:14:48Dat mag niet eens.

1:14:49Dat is Gods bedoeling niet.

1:14:51Dat is bitter alleen.

1:14:53Dat is donker alleen.

1:14:56Dat is wanhopig alleen.

1:14:59Ziende op hem.

1:15:00In het woord ons voorgesteld.

1:15:02Door de verkondiging ons uitgesteld.

1:15:05Omdat wij deze avond, ik hier, u daar en thuis.

1:15:09Wij allen zouden zeggen, heren Jezus.

1:15:12Bent u nu werkelijk het lam gods dat de zonde der wereld wegneemt?

1:15:17O, maar dan wil ik ook al mijn zonden aan u kwijtraken.

1:15:22En op u neerleggen.

1:15:24U voelt wel, dat komt de hoge priester niet letterlijk.

1:15:27Wij kunnen onze zonden niet op een ander leggen.

1:15:31Onmogelijk.

1:15:32Mijn zonde blijft mijn zonde.

1:15:36En uw zonde blijft de uwe.

1:15:39Maar voor Gods heilig aangezicht.

1:15:43In de heilige hemelse rekenkunde.

1:15:50Rekent God die heilige rechter.

1:15:55Alsof dat lam die zonde droeg.

1:16:05Ik ben zonder.

1:16:07Hij niet.

1:16:09Maar God maakt hem tot zonde.

1:16:13Schrijft Paulus in 2 Korinther 5.

1:16:16O onbegrijpelijke diepte.

1:16:18En daar zie je dat dier gaan.

1:16:21Het wordt uitgelaten.

1:16:22De woestijn in.

1:16:23Om nooit meer terug te keren.

1:16:26Hoe ver moet hij de woestijn in?

1:16:29Wat heb je net gezongen?

1:16:32Zo ver het west verwijderd is van het oosten.

1:16:37Dat kunt u niet meten.

1:16:39Zo ver heeft hij om onze ziel te troosten.

1:16:44Van ons.

1:16:45De schuld en zonde door die weggaande bok.

1:16:50Uit te laten in de woestijn.

1:16:52Van ons weggedaan.

1:16:54Dat is de taal van de symbolische handeling.

1:16:59Daarom die tweede bok.

1:17:00Om aanschouwelijk voor heel Israël te laten zien.

1:17:04Dat de Heer de zonde helemaal weg doet.

1:17:07Buiten het legerkamp de woestijn in.

1:17:10Weg het land van de dood.

1:17:12De weggaande bok.

1:17:15Voor altijd wordt die zonde weggedaan.

1:17:18En nu is de grote zaak, wanneer we dit alles zo in korte bewoordingen overdenken, voor wie is nu deze verzoening?

1:17:31Zou dat ook voor mij zijn?

1:17:34Heeft misschien wel een Israëliet in die tijd gedacht.

1:17:40Een oppervlakkige Israëliet zal dat misschien wel niet hebben gedacht.

1:17:45Wel nee.

1:17:47Misschien dacht hij helemaal niet aan verzoening omdat hij niet dacht aan zonde.

1:17:51En zolang God geen werkelijkheid voor je is in zijn heiligheid en rechtvaardigheid.

1:17:56Is zonde ook geen werkelijkheid in je vloekwaardigheid en doenwaardigheid.

1:18:01Maar als Gods majesteit realiteit wordt.

1:18:07Dan wordt zonde en dus ook verzoening van de zonde.

1:18:12Een zaak die je niet meer naast je neer kunt weg.

1:18:16En dan kan die vraag zo komen.

1:18:18Is dat ook voor mij?

1:18:21Voor wie is dat eigenlijk?

1:18:24Wel, zegt de Heere, een en andere maal in dit hoofdstuk.

1:18:29Misschien is het u niet opgevallen bij het luisteren en meelezen.

1:18:33Maar u kunt het rustig nog eens nalezen.

1:18:36Het is voor het hele volk van Israël.

1:18:42Welk volk?

1:18:45Waar zijn ze op dat moment?

1:18:48Aan de voet van de Sinaï.

1:18:50Wat hebben ze daar gedaan?

1:18:53Een tabernakel gebouwd.

1:18:55En net daarvoor een gouden kalf neergezet.

1:19:00Wie had dat gedaan?

1:19:02De eerste, straks de eerste hoge priester.

1:19:08De meest ongeschikte man om hoge priester te worden is Aaron die dat gouden kalf maakt.

1:19:15Maar God houdt geen rekening met onze geschiktheid en waardigheid.

1:19:22Nee, dan had Aaron het nooit geworden.

1:19:25Dan waren alle anderen beter dan hij.

1:19:28En meer geschikt dan hij.

1:19:29Maar God zegt.

1:19:30Die man moet ik hebben.

1:19:31Die dat gouden kalf maakt.

1:19:33Die de dood heeft verdiend.

1:19:34Dan mag hij hoge priester worden.

1:19:36O gemeente.

1:19:38Daar heeft dat volk gedanst rondom dat kalf.

1:19:40Daar hebben ze gezegd.

1:19:41Dit zijn uw goden.

1:19:43God in het aangezicht geslagen.

1:19:46Dat is het volk Israël.

1:19:49Over wie het gaat in Leviticus 16.

1:19:52Dat volk.

1:19:54Zo bedorven.

1:19:58Zo slecht.

1:19:59Niet.

1:20:02Om verzoening te ontvangen.

1:20:06Ja, als je het moest maken.

1:20:08Zelf.

1:20:09Moest meewerken.

1:20:11Moest meehelpen.

1:20:13Het was eeuwig kwijt.

1:20:15Maar nee.

1:20:16Het volk hoeft niets te doen.

1:20:18Hoeft alleen maar te zien.

1:20:20In het geloof.

1:20:21Net als bij die koperslang.

1:20:22Te zien.

1:20:23En ze werden genezen.

1:20:24Te zien.

1:20:25Op dat dier dat geslacht werd.

1:20:27Dat bloed dat gebracht werd.

1:20:28Ze konden niet verder kijken.

1:20:30Het was verder allemaal verborgen.

1:20:32Maar dan toch die andere bokken.

1:20:33Daar gaat hij.

1:20:34Beladen met mijn zonden de woestijn in.

1:20:37Voor altijd weg.

1:20:39Oh wat een taal van het geloof.

1:20:41Als het geloofsoog zo zag.

1:20:43En dan mocht iedere Israëliet zeggen.

1:20:46Dat is nou ook voor mij.

1:20:49Wij kunnen daar erg mee zitten.

1:20:52Het kan ons zachtelijke aanvechting in het hart zijn.

1:20:56Zou het wel voor mij zijn.

1:21:01Christus.

1:21:02Is hij voor mij geboren.

1:21:05Voor mij gestorven.

1:21:09Heen en weer gesleerd.

1:21:11Omdat de ernst van zonde en Gods heiligheid.

1:21:15Je verbieden het zomaar te geloven.

1:21:20En zomaar voetstoots te veronderstellen.

1:21:24Je wilt je niet bedriegen.

1:21:26Het moet waarheid zijn.

1:21:28En daarom gemeenten is Leviticus 16 nog steeds een taal tot in de Nieuw Testamentische tijd.

1:21:33Vol van onderwijzing omdat God een en ander maal zegt dat het voor de hele gemeente van Israël is.

1:21:40Beschikbaar is.

1:21:42Genoeg is.

1:21:43En dat betekent dat elke Israëliet, ook al heeft hij de dag daarvoren zichzelf zo helwaardig gemaakt.

1:21:53Dat hij zich zo diep...

1:21:55Moet schamen voor de Heer dat hij nooit meer de ogen durft opheffen.

1:21:58Net als die tollenaar.

1:22:01Dan mag hij toch die volgende dag.

1:22:05Grote verzoendag.

1:22:07Zien en horen.

1:22:10Al die zonden.

1:22:13Verzoend.

1:22:14Ook van jou.

1:22:16Ook van jou.

1:22:18Slechtste van al die Israëlieten.

1:22:22Zult u het onthouden geliefden.

1:22:25Dat het voor heel Israël is.

1:22:30Nou zegt u, dat klinkt wel heel mooi, maar

1:22:36ik ben geen Israëliet.

1:22:39In Oudorp wonen geen Joden of amper.

1:22:43Dus ja, is

1:22:45het nou wel voor mij?

1:22:47Het was niet voor de Filistijnen toch?

1:22:50Het was niet voor de Egyptenaren.

1:22:53Het was niet voor de Moabieten, Ammonieten enzovoort.

1:22:57Alleen voor Israël.

1:22:59Het volk uit Abraham gesproten.

1:23:03Dat zoveel gunsten had genoten.

1:23:06Het volk dat ja zeker wel heel slecht was.

1:23:09Gouden Kalf en de andere zonden die nog zouden komen in de woestijntijd.

1:23:13Denk aan Korachdaten en Abiram en de tien verspieders en zoveel meer.

1:23:18Maar toch het was wel Israël.

1:23:20En als je daar nou niet bij hoort.

1:23:22Wat moet je dan?

1:23:23Dan kun je Leviticus 16 wel lezen.

1:23:25Dat is een prachtig hoofdstuk.

1:23:26En het stelt je heel erg als het ware vol jaloersheid en verlangen.

1:23:30Maar je staat er wel buiten.

1:23:33Of niet.

1:23:36Hoe zit dat?

1:23:38Laten we eens kijken.

1:23:40Hoe Johannes de Doper het mag zeggen.

1:23:44Ik heb het al aangehaald.

1:23:46Ik ga het nog een keer zeggen.

1:23:48Wanneer hij die volkomen vervulling.

1:23:53Van de grote verzoendag.

1:23:56Daar ziet komen.

1:23:58Hij wandelt daar bij de Jordaan.

1:24:01Dan strekt hij zijn hand uit en zegt.

1:24:03Zie het lam gods.

1:24:07Dat de zonde.

1:24:09Van Israël?

1:24:16Nee.

1:24:19Der wereld

1:24:21wegneemt.

1:24:23Hoor je daarbij of niet?

1:24:25Bij die wereld.

1:24:28Bij die goddeloze wereld.

1:24:31Bij die schuldige wereld.

1:24:34Bij die godbeledigende wereld.

1:24:37Bij die doemwaardige wereld.

1:24:41Hoor je daarbij?

1:24:44Luister dan naar Johannes die het niet zelf verzon.

1:24:47Oh, als ik het heel menselijk zou zeggen.

1:24:51Dan zou ik zeggen, hoe durft Johannes dat te zeggen?

1:24:58De wereld.

1:25:00Johannes, dat kan toch niet?

1:25:02Dat is toch te ruim?

1:25:04Dat is toch te groot?

1:25:07Dat kan niet waar zijn.

1:25:09Romeinen, Grieken,

1:25:12Filistijnen, Egyptenaren,

1:25:16Nederlanders.

1:25:18Kan toch niet, Johannes?

1:25:20Dat is te ruim.

1:25:21Hoe durft u het te denken, Johannes?

1:25:26te zeggen, man.

1:25:27Maar ja, Johannes heeft niks te durven, hè.

1:25:30Hij is daar knecht van God.

1:25:33De voorloper van de Heer Jezus.

1:25:36De wegbereider van de Heer Jezus.

1:25:38Die door de Vader is gezonden om de borg aan te wijzen.

1:25:45En dan mag hij daar voor de oren van Israëlieten op dat moment, want anderen waren daar niet bij, toch al zeggen.

1:25:52Straks na Pinksteren wordt het ook wereldwijd uitgebazuind.

1:25:56In alle steden van het Romeinse Rijk en daar buiten tot in Oudorp toe.

1:26:01De zonde der wereld.

1:26:03Wat toen daar tijd op grote verzoendag voor heel Israël gold.

1:26:08Dat ze gebruik mochten maken van deze grote genade.

1:26:12Dat ze zich toen mochten vertrouwen aan deze gaarne vergevende God.

1:26:18Elke Israëliet.

1:26:20Oudste, jongste, slechtste, vuilste enzovoort.

1:26:24Dat geldt nu ook van heel de gemeente van Oudorp.

1:26:29Er is nou niemand die terecht op

1:26:33grond van het woord zou mogen zeggen.

1:26:37Die verzoening is er niet voor mij.

1:26:42O, kom maar.

1:26:44Als totaal onwaardig aan zijn voeten.

1:26:51Aan zijn troon.

1:26:53Want dat schrijft Paulus later.

1:26:56Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan.

1:26:58Tot de troon der genade.

1:27:00Dat is die genadestoel die dat verzoendekselt.

1:27:04Op dat wij barmhartigheid mogen verkrijgen.

1:27:07En genade vinden om geholpen te worden ter bekwame tijd.

1:27:10Ja maar mag ik dan komen?

1:27:12Ach, nog één ding.

1:27:14En dan gaan we stoppen.

1:27:15Wat gebeurt er op grote verzoendag van het Nieuwe Testament?

1:27:19Goede vrijdag.

1:27:20Die kruisdag, wanneer Jezus zijn geest in de handen van zijn vader beveelt.

1:27:30Nadat hij heeft mogen zeggen, het is volbracht, gebeurt er in Jeruzalem iets waar de priesters zeer van zijn geschrokken.

1:27:40En

1:27:41waar godskinderen van alle eeuwen en plaatsen zeer vertrouwd door mogen worden.

1:27:48Het voorhangsel scheurt.

1:27:52Van boven naar beneden.

1:27:54De weg is open.

1:27:56Tot het hart van God.

1:27:59Amen.

1:28:00Eindigen wij met dankgebed.

1:28:04Ach heren.

1:28:06Trek ons dan allen tot u.

1:28:09Dat we niet achterblijven.

1:28:12Maar dat wij gebruik maken.

1:28:15Al durven we het niet.

1:28:18Toch.

1:28:20En al weten we niet hoe het zou mogen.

1:28:24Of moeten.

1:28:26Maar dan kunt u ons toch wel leren.

1:28:28Deze avond nog.

1:28:31Gebruik maken.

1:28:33Van dat grote wonderwerk.

1:28:37Van die man van Smarten.

1:28:40Zijn bloed gestort.

1:28:42De last der zonde gedragen.

1:28:46Die straf geboet.

1:28:49Uw deugden doen schitteren.

1:28:52Uw naam verheerlijkt.

1:28:55Uw...

1:28:57Ewige liefde.

1:29:00Zichtbare gestalte gegeven.

1:29:04O drie enig ontfermer.

1:29:07Wil het toch ons allen leren.

1:29:10Bij aanvang en wedderen voortgang.

1:29:13Dat die taal van grote verzoender.

1:29:16Ook ons nodig.

1:29:18Om vrijmoedig.

1:29:20Te

1:29:22steunen.

1:29:23Op de volkomen genoegdoening.

1:29:28Gerechtigheid.

1:29:29En heiligheid.

1:29:31Van uw lieve zoon.

1:29:33Jezus Christus.

1:29:35Uit genade.

1:29:37Amen.

1:29:38Wij

1:29:40zingen van psalm 65.

1:29:42De eerste drie versen.

1:29:45Psalm 65 vers 1.

1:29:47De lofzang klimt uit Sions zalen.

1:29:50Tot u met stil ontzag.

1:29:53Daar zal men u o God betalen geloften dag bij dag.

1:29:58Gij hoort hen die uw heil of zaligheid verwachten, hoorder der geween.

1:30:05Dus zullen allerlei geslachten, niet alleen Israëlieten, ootmoedig tot u treinen.

1:30:11Of zoals in de onbereinde psalm staat, tot u zal alle vlees komen.

1:30:19Dat heeft de dichter toch al geweten, ook over de grenzen heen.

1:30:24Samaritanen, Romeinen.

1:30:27En heidelen van alle landen.

1:30:30Ja, tot die hoorder der gebeden.

1:30:33Vers 2.

1:30:33Als ik kom, ik ben zo bang, want mijn geweten klaagt mij aan.

1:30:39Een stroom van ongerechtigheden had de overhand op mij.

1:30:47Maar ons weer spannig overtreden verzoend en zuivert gij.

1:30:53Niet ik, niet wij, maar gij.

1:30:58Wel zalig die gij hebt verkoren.

1:31:00Dat volk van Israël was het verkoren volk.

1:31:04De gemeente van Jezus Christus apart gezet.

1:31:08Die gij uit alle taarts gedruis doet naderen.

1:31:11En uw heilstem van verzoeding doet horen.

1:31:14Ja, wonen in uw huis.

1:31:15Daar zal ons het goede van uw woning verzaden.

1:31:19Reis op reis, keer op keer.

1:31:21En het heilig deel, o grote koning van uw geducht paleis.

1:31:28Het verzoendeksel.

1:31:30Geducht, onzagwekkend.

1:31:32De hoge priester beefde.

1:31:34Maar wij mogen met vrijmoedigheid naderen.

1:31:37Gij, gij zult vreselijke of onzagwekkende dingen ons in gerechtigheid doen horen.

1:31:43En ons blij doen zingen van het heil.

1:31:46Die verzoening.

1:31:48Voor ons bereid.

1:31:51De eerste drie versen van psalm 65.

1:31:54[GEZANG]

1:38:04Verheft uw harten tot God, dragende met u de zegen des Heren.

1:38:08De Heren zegenen u en behoeden u.

1:38:13De Heren door zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig.

1:38:19De Heren verheffen zijn aangezicht over u en geven u vrede.

1:38:25Amen.

1:38:25[GEZANG]