PrekenHHG Ouddorp

Hebreeën 4: 9; Waar kom jij, waar komt u tot rust?

09:30 uurOchtenddienstDs. H. Ottema104 min
Nog niet gestart Kanttekeningen 3

Transcript

♪ Gezang De gemeente hier en thuis met ons verbonden. Allereerst de afkondigingen. Woensdagavond zal er een kerkdienst worden gehouden. In deze dienst zal dominee Aflietstra uit Harskamp voorgaan. De dienst vangt aan om 19.30 uur. En we roepen u op om ook de doordeweekse dienst erbij te wonen. De kerkelijke huwelijksbevestiging is aangevraagd door leendend Jan Cornelis Kiviet. Uit Oostgesplaat en Baaltje-Westdijk. Vissersdijk 12. En Lennart en Alice hopen op donderdag 12 november in het huwelijk te treden. Eventuele bezwaren tegen de kerkelijke bevestiging kunnen tot uiterlijk woensdag 30 september worden ingediend. Bij de script van de kerkenraad. En voor de genoemde data en tijden geldt zo de heren wil en wij leven zullen. Tot zover deze afkondigingen. Vangen wij samen deze dienst aan. Onze hulp en onze enige verwachting. Is in de naam des Heren die hemel en aarde geschapen heeft. Die de trouw bewaart van geslacht tot geslacht. Ja, tot in eeuwigheid. En die nooit zal laten varen enig werk dat zijn hand begon. Amen. Genade zij u en vrede van God de Vader. In Christus Jezus onze Heren. Door de Heilige Geest. Amen. Gemeente, zetten wij deze dienst voort met het zingen van Psalm 51, het vierde vers. Psalm 51, vers 4. Ontzondig mij met hisop en mijn ziel, nu gans meelaat zal rein zijn en genezen. En het vers eindigt met de regels. Zo wordt opnieuw het verbreizelde hart verheugd en in mijn geest de ware rust herboren. Psalm 51, het vierde vers. Zullen ♪ Gezang we ons ook deze morgen voor de spiegel van Gods heilige wet... En zingen daarna uit Psalm 132, het negende zangvers. Psalm 132 vers 9. Over die rust waarvan wij zo net al zongen opnieuw. Want Sion is van God begeerd. Het wordt met zijn woning hoog vereerd. Dus die woning van God is een vereering voor Sion. Hier sprak hij die het al beheert. Hier zal ik wonen naar mijn lust. Hier is in eeuwigheid mijn rust. Woorden van God over Sion. Psalm 132, vers 9, na de lezing van Gods wet. Toen sprak God al deze woorden, zeggende... Ik ben de Heere, uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. Gij zult u geen gesneden beeld... Nog enige gelijkenis maken van hetgeen dat boven in de hemel is. Nog van hetgeen dat onder op de aarde is. Nog van hetgeen dat in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, nog hen dienen. Want ik, de Heere, uw God, ben een ijverig God. Die de misdaad der vaderen bezoekt aan de kinderen. Aan het derde en aan het vierde lid dergenen die mij haten. En door barmhartigheid. Aan duizenden dergenen die mij lief hebben en mijn geboden onderhouden. Gij zult de naam des heren uw schots niet eidelijk gebruiken. Want de heren zal niet ons schuldig houden die zijn naam eidelijk gebruikt. Gedenk de Sabbatdag. Dat gij die heiligt. Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen. Maar de zevende dag is de Sabbat des heren uw schots. Dan zult gij geen werk doen. Gij, nog uw zoon, nog uw dochter. Nog uw dienstknecht, nog uw dienstmaagd, nog uw vee, nog uw vreemdeling die in uw poorten is. Want in zes dagen heeft de Heer de hemel en de aarde gemaakt, de zee en alles wat daarin is. En hij rustte ten zevende dagen. Daarom zegende de Heer de Sabbatdag en heiligde dezelfde. Eer uw vader en uw moeder opdat uw dagen verlengd worden in het land dat u de Heer, uw God, geeft. Gij zult niet doodslaan. Gij zult niet echt breken. Gij zult niet stelen. Gij zult geen valse getuigenis spreken. Tegen uw naaste. Gij zult niet begeren. Uw naaste huis. Gij zult niet begeren. Uw naaste vrouw. Nog zijn dienstknecht. Nog zijn dienstmacht. Nog zijn os. Nog zijn ezel. Nog iets dat uw naaste is. En Christus leert ons dit in een hoofdsom. In een samenvatting. Gij zult lief hebben de Heer uw God. Met geel uw hart. En met geheel uw ziel. En met geheel uw verstand. En met geheel uw kracht. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede aan dit gelijk is. Gij zult uw naaste lief hebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten. Amen. ♪ Gezang Gemeente, we willen samen de heren ook bidden. En we willen aan de heren opdragen. De rooddragende familie Kleinmeijer. Die in de afgelopen weken aan het graf stond. We willen ook bidden voor mevrouw Van der Lee Breukel. Vlietberglaan 107. Die zeer ernstig ziek is. En we willen de heren ook bidden om zijn zegen. Over de vergadering van het Colson Story. Morgenavond. Vragen we de heren om zijn onmisbare zegen. De opening van onze harten. En de verlichting ook deze morgen door zijn heilige geest. Laat ons samen bidden. God van hemel en van aarde. Drie ene God. Vader, Zoon en Heilige Geest. Wij komen samen. Tot u in het gebed. Op de rust. Dag. Door u bijeengebracht. Mogen we bij u zijn. En waar twee of drie. In uw naam vergaderd zijn. Wilt u dan naar uw belofte. In ons midden zijn. Met zoveelen. Bijeengekomen. Om uw woorden te vernemen. Te horen wat u tot ons te zeggen hebt deze morgen. In ons leven vol onrust. Jacht. Geef een ogenblik van rust. Op deze rustdag. En wat komen wij maar moeilijk tot rust. Ook op een rustdag. En zojuist hebben we al uit uw wet gehoord. Het vierde gebod. Die rustdag. En wij bidden u, heren, schenk ons die rust die overblijft voor uw volk. Schenk het ons alle in uw Zoon, Jezus Christus. En zo komen wij vanmorgen tot u. Met al onze noden, moeiten, zorgen, verdriet, pijn, vreugde, alle dingen. We willen aan u opdragen, heren, de rooddragende familie Kleinmeijer. Die afgelopen weken aan de groeven hebben gestaan. En moesten achterlaten. Een vrouw, moeder, oma. En we bidden u heren. Voor meneer Klein, voor de kinderen, voor de kleinkinderen. Troost u waar geen mens kan troosten. En doe dat dan ook vanmorgen bijzonder onder uw woord. En door uw woord heen. Dat ze uw stem mogen horen. Zich aangesproken weten door u. Uw liefdevolle stem mogen horen. Voor hen die bedroefd zijn. Maar geef ook heren dat uit dit sterven leven geboren mag zijn of worden. Dat het ons wakker schudt. En die ene vraag op ons afkomt. En niet alleen op de familie Klein. Maar ook op ons allemaal. Ben jij ook bereid? Zijt ook gij bereid? Er zijn maar twee antwoorden mogelijk. Geef heren dat we misschien met schroom. Of met meer vastheid en zekerheid toch ja mogen zeggen. We bidden u ook heren voor mevrouw van der Lee Breukel. Die zo zeer ernstig ziek is. En naar de mens gesproken naar het einde toe gaat. Zoals wij dat dan zeggen. Maar geef dat die overgang voor haar. Juist een goed begin mag zijn. Dat het beste nog komt. Als ze de laatste adem heeft uitgeblazen. Dat dan het beste aanbreekt. En dat dat niet alleen voor haar zo zal zijn. Maar dat dat ook voor ons allen mag gelden. En ook daartoe geeft u vanmorgen uw woord. We bidden u heren. Of u met mevrouw van der Lee wil zijn. In de laatste dagen. De laatste uren op enig moment. En dan nog de laatste minuten. O geef dat ze in uw zoon Jezus Christus mag zijn. En dat u dan heer Jezus. Door die dood zodan heen komt. En haar er doorheen draagt. Geef die wetenschap bij u vandaan. Ook die troost bij u vandaan. Wij bidden u heren zo voor alle rouwdragenden. Korter of langer geleden. Maar ook voor alle zieken in de gemeente. Wilt u zijn met hen die lichamelijk ziek zijn. Maar ook die psychisch ziek zijn. Chronisch ziek zijn. Langdurig. Zij die behandelingen ondergaan. Onderzoeken ondergaan of op uitslagen zijn wachtend. U weet alle dingen heren. Ook hoe dat ons zorgen kan geven. Onrustig kan maken. We bidden u heren voor de bewoners en het personeel van de vijver. Gedenken ook heren die u anders begaafd heeft. Wilt u ook met hen zijn in alle dingen. Als ook met hen die hen in liefde omringen. We bidden u heren voor alle psychische nooden in de gemeente. Wat kunnen er een zorg en een noden zijn. Soms. Alleen bij u bekend. Waar er een worsteling kan zijn. Met onszelf. Vragen over onszelf. Heren wilt u zich ontfermen. Over ons allen. Gedenken ook heren die een stil verdriet met zich meedragen. Buiten huis is er niets te zien. Maar binnen huis is in de hal al een groot kruis te zien. Nooit naar buiten. Maar het staat er toch. Gedenken die dat verdriet met zich meedragen. We bidden u heren voor deze uw gemeente in haar geheel. Waar u een herder en leraar hebt willen schenken. Gedenk dominee van de kamp met zijn vrouw. En ook alle die hen lief zijn. Maar wilt u hem zegenen en tot een rijke zegen stellen in het midden van de gemeente. Gedenk ook de broeders van de kerkraad. Gedenk ook het consestorie dat morgenavond zal vergaderen. Geef hun vergaderingen in liefde en eensgezindheid. En bedeel met wijsheid en alles wat nodig is. Gedenk heren uw kerk. In Nederland en wereldwijd. Bijzonder hen die vervolgd worden. Wij bidden u voor hen. Wij bidden u ook voor het volk van Israël. In alle noden en moeite. Wij bidden u heren. Voor regeringen wereldwijd. Wilt u doen regeren bij uw woord. Op de wereld. In ons land. In de provincie. En ook in deze plaats. Gedenk hen die pal staan voor uw woord. Wij bidden u heren om uw zegen. In de lezing van uw woord. Over de bediening der verzoening. En schenk uw heilige geest op de kansel. Raak onze lippen aan. Dat wij u, Heer Jezus, mogen schilderen geleid door de geest. Uw heilige geest. Maar kom ook onder de kansel in een rijke mate met uw geest. Opdat wij zullen horen en verstaan en bewaren. Zend de Satan heen. Geef dat hij vanmorgen in zijn invloed niet kan doen gelden. Maar dat is niet de grootste vijand. Want die zit van binnen. Bevrijd ons van onszelf, heren. Allereerst op de kansel. Maar ook daaronder. Zoveel hebben we u te vragen. Heren. Ziende op onszelf. Ziende op de week die achter ligt. Geen enkele grond om iets van u te vragen. Of om daarop te pleiten. Maar wij bidden het u. Om Jezus wil. Alleen. Amen. Wij lezen vanmorgen gemeente uit. Hebreeu 4. Nieuw Testament, de brief van de apostel aan de Hebreën. We willen met elkaar lezen het vierde hoofdstuk. En in Hebreën 4 komt Gods woord vanmorgen als volgt tot ons. Laat ons dan vrezen dat niet de enige tijd de belofte van in zijn rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijnen achtergebleven te zijn. Want ook ons is het evangelie verkondigd, gelijk als hun, maar het woord der prediking deed hun geen nut. Terwijl het met het geloof niet gemengd was in degene die het gehoord hebben. Want wij die geloofd hebben gaan in de rust. Gelijk hij gezegd heeft. Zo heb ik dan gezworen in mijn toorn. Indien ze zullen ingaan in mijn rust. Hoewel zijn werken van de grondlegging der wereld af al volbracht waren. Want hij heeft ergens van de zevende dag al dus gesproken. En God heeft op de zevende dag van al zijn werken gerust. En in deze plaats wederom. Indien zij in mijn rust zullen ingaan. Terwijl dan blijft. Dat sommigen in dezelfde rust ingaan. En degene wie het evangelie eerst verkondigd was. Niet ingegaan zijn vanwege de ongehoorzaamheid. Zo bepaalt hij wederom een zekere dag. Namelijk Heden. Door David. Zeggende zo lange tijd daarna. Gelijke wijs gezegd is. Heden. Indien gij zijn stem hoort. Zo verhardt uw harten niet. Want indien Jozua hen in de rust gebracht heeft, zo had hij daarna niet gesproken van een andere dag. Er blijft dan een rust over voor het volk Gods. Want die ingegaan is in zijn rust, die heeft zelf ook van zijn werken gerust, gelijk God van de zijne. Laat ons dan ons benastigen om in die rust in te gaan. Opdat niet iemand in datzelfde voorbeeld der ongelovigheid vallen. Want het woord gods is levend en krachtig. En scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard. En gaat door tot de verdeling der ziel en des geestes. En der samenvoegselen en des merks. En is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten. En er is geen schepsel onzichtbaar voor hem. Maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen desgenen. Met welke wij te doen hebben. Waar we dan een grote hoge priester hebben. Die door de hemel en door gegaan is. Namelijk Jezus de zoon van God. Zo laat ons deze beleidenis vasthouden. Want we hebben geen hoge priester. Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden. Maar die in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest. Doch zonder zonde. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan. Tot de troon der genade. Opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen. En genade vinden om geholpen te worden te bekwamer tijd. Tot zover de lezing uit Hebreeu 4. En de kerntekst voor deze morgen vindt u in het negende vers. Deze zondagmorgen Hebreeu 4 vers 9. Er blijft dan een rust over voor het volk gods. En we verdelen dit vers in drie delen. Dat zijn ook de drie punten van de preek. Er blijft dan over. Dat is het eerste punt. Er staat nog iets uit. Er is nog iets overig. Er blijft dan over. En wat blijft er over? Een rust. Wat is dat? Een rust. Dat hopen we te horen in het tweede punt. En voor wie blijft die rust over? Voor het volk gods. Dat is het derde punt. Hebreeu 4 vers 9. Er blijft een rust over voor het volk gods. Er blijft dan over. Een rust voor het volk gods. En in het meelezen heeft u natuurlijk al gezien dat we hebben gelezen in vers 7 uit psalm 95. Daar is een citaat in gevoegd. En we gaan ook uit die psalm zingen, voorafgaand aan de verkondiging. Psalm 95, we zingen drie versen. Vers 4, want hij is onze God en wij zijn het volk van zijn heerschappij. Ook het vijfde vers. Verhart u niet, neemt zijn genade ootmoedig aan. En het zevende vers. Die heb ik door hun tergend kwaad op het hoogst vergramd dit volk versmaat. En wat er ook verder volgt in vers 7. En inmiddels wordt nog gecollecteerd. Er zijn drie collecten. De eerste collecte is voor de oase. Een rustplaats. De tweede voor de kerkvoogdij. En de derde de aflossing van de kerk. Deze collecten worden hartelijk in uw mildadigheid aanbevolen. Psalm 95, vers 4, 5 en 7. ♪ Gezang Er blijft dan een rust over voor het volk gods. Er blijft dan over een rust voor het volk gods. En als thema onder dit tekstvest, verdeeld in deze drie delen, schrijven wij vanmorgen een vraag aan u allen. Aan de jongeren, aan de kinderen, waar kom jij tot rust? En aan u, waar komt u tot rust? Al is ons eerste punt, er blijft dan over. Gemeente, wat zijn wij onrustige mensen? Om allerlei oorzaken, redenen, onrust in ons leven. Gebeurtenissen, mensen, wat een onrust. En Augustinus zei het al, onrustig is ons hart. Dat is niet altijd zo geweest. Laat ik maar gelijk bij de kern komen. Wij waren volledig op rust. In het paradijs. Waarom? Nou je had daar drie dingen. Drie voorwaarden zou je ook kunnen zeggen. Waar een mensenziel werkelijk van op rust is. Dat is bij God wonen. Met God spreken. En met hem wandelen. Dan ben je echt op rust. En dat waren wij. Ik kon bij God wonen, met hem spreken en met hem wandelen. Maar wat hebben we gedaan? Afscheid genomen van die God en daarmee ook afscheid genomen van die rust. En er is op de aarde en in al onze levens totale onrust gekomen. En vanuit die onrust onder ons leven en in ons leven is er maar één manier om weer tot rust te komen. En dat is eenvoudig genoeg. Weer bij God zijn. Je had precies die drie dingen. Bij hem wonen, met hem spreken en met hem wandelen. Maar wat doen wij? Alles behalve het bij God zoeken. En om dat uit te leggen aan de kinderen. Want jij hebt misschien ook wel een heel onrustig hart. Nou, dat weet ik eigenlijk wel zeker. Jij bent ook onrustig. Hoe kun je dat nou onthouden, die drie dingen? Nou, toen ik in het paradijs bij God woonde. Met hem kon praten, spreken. En met hem kon leven, wandelen. Dat is eigenlijk als een driehoek. Zie je dat voor je kinderen? Een driehoek. Wonen, wandelen, spreken en wandelen. En kinderen, nou moet je je voorstellen. Toen ik bij God vandaan ging. Eigen schuld, eigen keuze. Ik wil niet met uw leven. Toen is er in mijn hart een gat gekomen. Precies de vorm van een driehoek. Want toen kon ik niet meer bij hem wonen. Ik kon niet meer met hem spreken. En ik kon niet meer met hem wandelen. Toen is er in mijn hart. Toen ik afscheid nam van God. En ook in jouw hart, kinderen. Is er een gat gekomen. Precies de vorm van een driehoek. Nou ja. Dat gat, als dat weer vol is. Dat gat wat geslagen is. Dan ben je weer op rust. Hoe kan die driehoek nou weer vol worden? Nou wat doe ik? Wat doe jij van nature? Die grote driehoek. Zie je hem kinderen? Hele grote driehoek. In mijn hart is een gat van een driehoek. Maar ik maak hem even heel groot voor morgen. Hele grote driehoek. Wat doe ik van nature? Ik ga die driehoek volmaken. Met allemaal ronde dingen. Stel dat je dat voor mij zou moeten doen. Je krijgt voor mij een hele grote driehoek. En je moet hem volmaken. En je krijgt voor mij hele grote cirkels. En nog kleinere cirkels. En nog kleinere. En ook hele kleine cirkeltjes. En ik zeg, die driehoek moet je volmaken voor mij. Dus die ligt er op de grond. Of die zie je zo voor je. Aan de muur. Hele grote driehoek. En je krijgt allemaal cirkels. En je moet die driehoek vol gaan maken. En lukt dat? Nou zeg je, heel eind dominee. Maar dat laatste puntje. Dat red ik niet, want dat lukt niet met een cirkel. Wat bedoel ik? Nou kinderen, die driehoek die je probeert te vullen met ronde dingen... dat is wat ik doe en jij doet en papa en mama denk ik ook doet... en opa en oma denk ik ook. Ik probeer dat gat wat in mijn hart zit vol te maken met ronde dingen. Er is geen eind van. Ik probeer die onrust weg te drukken. Door me helemaal te verliezen in mijn werk. Bijna alle uren van de week ga naar mijn werk. En ik hoop dat dan die onrust weg is. En heel vaak doe je dat ook nog onbewust. Heel hard werken, veel werken. En misschien zie jij papa wel heel veel werken. Nou, dat is zo'n grote cirkel. Het kan ook zijn dat je denkt, nou, ik heb zoveel stress en zoveel spanning. Ik moet eens wat met een hobby doen. Nou, dat kan helpen. Maar het is ook een cirkel. En mensen in Ouderop doen het ook nog op een andere manier. In Ouderop gaan ze dan op bezoek. Ze werken veel. En ze hebben ook hobby's. Maar ze zoeken elkaar ook op. De een naar de ander. En de dagen zijn zo gevuld. En de avonden even zo. Maar het helpt niet. Want je hart blijft onrustig. Kinderen, dat is die driehoek vullen met ronde dingen. Er is geen eind van. En het lukt niet op die manieren die ik gezegd heb. Want je komt er niet mee bij God. Of misschien een klein beetje. En kan het wat helpen. Maar nooit echt helemaal. En om ons gemeente eraan te herinneren. Waar de echte rust te vinden is. Namelijk bij God. Heeft hij in zijn genade ons twee herinneringen. Je zou kunnen zeggen hulpmiddelen gegeven. Dat u, jij en ik het nooit meer zouden vergeten. Dat er nog een rust over is. Wat bedoelt u nou? De heer heeft twee herinneringen gegeven. En die wijzen dus wel de weg. Het zijn tekens naar de echte rust. En wat is het eerste teken? Nou, dat is de dag als vandaag. Dat is ook wel gezegd. De rustdag. Meestal noemen wij het een zondag. En ik heb dat ook al een keer gezegd vanmorgen. Maar eigenlijk is een veel betere aanduiding voor deze dag. De rustdag. Des Heren. En God heeft die zevende dag gegeven. Nu de eerste dag. Kinderen wanneer is dat omgegaan? Van de zevende naar de eerste. Wanneer moest je eerst naar de rust toewerken? En mag je nu vanuit de rust. Je werk gaan doen en leven. Met de komst van Jezus. Mag je vanuit de rust leven. En vanaf de schepping. Elke zeven dagen een herinnering. Mens in Aldorp. Kind in Aldorp. Zul je niet vergeten. Die echte rust. Waar je echt tot rust kan komen. Dat is bij God. Elke week weer. En dat kun je ook zien in vers 4. En God heeft op de zevende dag van al zijn werken gerust. Dus dat is de eerste herinnering. De zevende dag. En God heeft nog een herinnering gegeven. Dus elke rustdag. Elke zondag. Zo u wil. Maar God heeft ook zijn volk Israël door de woestijn geleid. Door de woestijn van dit leven geleid zou je kunnen zeggen. En ze in het land Kanaan gebracht. En dat noemen wij ook wel het land van de rust. Dus wat er met het volk van Israël gebeurt. En ze komen in het land van de rust. Waar God onder hen wil wonen. Dat is ook een herinnering. Zoals dat met dat volk ging, zo moet dat met ons ook gaan. Maar nogmaals, het zijn maar herinneringen. Twee. Want er is nog iets over. Er is nog meer. Het zijn maar tekens. Elke rustdag, zoals ook deze dag, die verwijst ergens na. Die verwijst naar de rust die er nog over is. Kijk maar naar vers 8. Want als Jozua hen in de rust gebracht heeft, zo had hij, dat is God bij monden van David, daarna niet gesproken van een andere dag. Dus eenvoudig gezegd. Het volk van Israël had de Sabbat, de rustdag. Hebben wij ook. Het volk van Israël was in Kanaan. Ze hadden al 3000 jaar de Sabbat. Ze waren al 400 jaar in Kanaan. En dan zegt David ineens in Psalm 95. Er is nog een rust over. Want die Sabbat en het land waar je nu in bent. Dat zijn alleen maar heenwijzingen. Je bent er nog niet. Nog niet in die echte rust. Er blijft dan een rust over. Er staat nog iets uit. Voor dat volk toen. En dat is voor ons ook. Wekelijkse rustdag. Maar het is een heenwijzing naar de echte rust. Bij God. Want wat is die rust? Dat is ons tweede punt. We hebben dus nu iets gehoord. Er blijft dan over. Twee tekens gekregen. Naar die echte rust. Maar wat is dan die echte rust? Nou kinderen. Als je vers 9 zou lezen in het Grieks. Dan staat er een woordje wat een beetje een aanduiding geeft. Wat een beetje richting geeft. Er blijft dan een rust over. Als ik het woord in het Grieks zeg, dan hoor jij wel waar het naartoe gaat. Er blijft een sabbatismus over. En welk woord hoor jij daarin? Nou zeg je, dat is niet zo moeilijk dominee. Ik hoor het woord sabbat. En dan moet je weten dat dit de enige keer is dat dit woord in het Nieuwe Testament voorkomt. Er blijft een Sabbatsrust over. Ja, zeg je dan maar, die woorden in vers 1 dan, daar gaat het ook over de rust. En in vers 3 en in vers 4. Ja, dat is ook een woord van rust. Maar dat is net een ander woord. Daar zit het woord pauze in. Nou, wat is een pauze? Je gaat inmiddels alweer een poosje in een school kinderen. Op een gegeven moment gaat er een bel en dan is het pauze. Dan denk je, nou, nu hebben we even geen les. Dat is wel lekker. Maar ja, je weet, de pauze, daar is zoveel bij. En dan moet je weer terug naar het lokaal of naar de volgende les. Dan moet je ook weer op tijd wezen. Dus dat is altijd maar even. Een pauzerust. Even rust en dan weer verder. Dat is deze dag natuurlijk ook. We mogen nu op adem komen. Maar morgen gaat de werkweek weer beginnen. Even rust. Een pauze. Maar hier in vers 9 gaat het over de Sabbats rust. Wat is dat voor een rust? En hoe lang duurt die rust? Nou, dan moeten we voor de Genesis 1 en 2. Na de eerste scheppingsdag klinken die woorden. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest. De eerste dag. En bij de tweede dag klinkt dat even zo. De derde, de vierde, de vijfde. En de zesde dag, toen was het avond geweest en het was morgen geweest. De zesde dag. Al die zes scheppingsdagen zijn keurig afgesloten scheppingsdagen. En dan beginnen we te lezen in Genesis 2. Al zo zijn volbracht de hemel en de aarde en al hun heer. Als nu God op de zevende dag volbracht had zijn werk dat hij gemaakt had, heeft hij gerust. Op de zevende dag van al zijn werk. Dat hij gemaakt had. God heeft de zevende dag gezegend. En die geheiligd. Dat hij op dezelfde gerust heeft van al zijn werk. Het welk God geschapen had om te volmaken. Toen was het avond geweest. En dat was. Dat staat er niet. Die zevende dag. Waarop God is gaan rusten van al zijn werk. En die goddelijke rust in de hemel is begonnen. Die duurt nog steeds voort. En daar moet je in. In die rust van God. En weet u wat nou zo bijzonder is? Gemeente. God heeft van zijn werk gerust. God is volkomen op rust. En wij mensen hebben onrust gebracht in deze wereld. Eigen schuld. En wat gaat God doen? Hij wil die onrustbrengende en onrustige mensen. Ook in Oudorp. Bij zich hebben. Dus hij gaat ons vanmorgen laten horen. Heb je erg in mijn rust. Want je hebt een rustdag. En je weet dat het volk in Canaan is gekomen. Maar er is nog een rust over. En dat is mijn rust. Van eeuwigheid. Mijn rust. En ik wil jou. U. Bij me hebben. En daarom laat ik je allereerst weten. Dat mijn rust er is. Want u, jij en ik. We zijn alleen op rust bij God. Als we bij hem kunnen wonen. Met hem kunnen spreken. En met hem kunnen wandelen. Hoe kan dat weer gaan gebeuren? Want ik was volmaakt op rust bij God. Elke dag bij hem. Hij bij mij. En toen ben ik in die onrust gestort. Het was zo heerlijk geschapen. En het is één chaos en onrust geworden. Om ons heen en in onszelf. En wat is er nodig dat het weer tot die rust kan komen? Dat is dat God gaat herscheppen. Dan kom ik weer tot rust. Want dan kan ik bij hem wonen, met hem spreken, met hem wandelen. Kinderen, dan is die driehoek weer vol. Weet je nog? Toen ik in de schepping van God afviel. Nadat ik geschapen was heb ik afscheid genomen van God. En zit in mijn hart een gat in de vorm van een driehoek. En pas als die drie dingen er weer zijn. Dan is die driehoek er weer. En dan is heel mijn hart weer vol. Wonen, spreken en wandelen. Maar hoe weet ik nou zeker dat God dat wil? Hoe weet ik zeker dat het Gods wil is? Dat u, jij en ik bij hem zullen wonen. En met hem zullen spreken en met hem zullen wandelen. Want dat is natuurlijk wel mooi, maar hoe weet ik dat nou? Daar is een bijzondere vraag voor de kinderen voor nodig. Kinderen in Oudorp, ik heb een hele makkelijke vraag. Misschien is het antwoord al moeilijk, maar de vraag is niet zo moeilijk. Toen Adam en Eva uit het paradijs werden gestuurd, kinderen, naar welke kant moesten ze toen oplopen? Anders gezegd, welke kant werden ze toen uitgestuurd? De kant waar de zon opgaat, het oosten. Of juist helemaal de andere kant moesten ze naar het westen, daar waar de zon onder gaat. Of moesten ze naar het noorden lopen. Of moesten ze naar het zuiden lopen. Tja zeg je, dat is echt een rare vraag. Wat maakt dat nou uit? Maakt dat uit dan welke kant ze uit moesten lopen? Ja, dat maakt heel veel uit. Kinderen, welke kant moesten ze op? Ze moesten lopen naar het oosten. Lees maar na. Genesis 3, het laatste vers. En net voordat ze het paradijs uitgaan, passeren ze. Als ze omkijken, zijn ze eruit gegaan, kijken ze terug. Zien ze Gerubim, engelen. Ze lopen naar het oosten het paradijs uit, eruit gedreven. En omziend, God stelt Gerubim, engelen. Ze kunnen niet meer terug. Niet meer bij God wonen. Niet meer met hem spreken. Niet meer met hem wandelen. Kan niet meer. En dat is totale onrust, als dat niet meer kan. En hoe weet ik nou dat God wil dat wij terugkomen? Op Sinaï geeft de Heer een tekening aan Mozes van de Tabernakel. En waar zit de ingang? Aan de oostkant. Als je dat gaat zien, gemeente. Dat alleen al. Wat een vreugde. Wat een voorrecht. Wat een onvoorstelbare genade. Dat God sowieso de mogelijkheid geeft om bij hem terug te komen. Maar ook dat die weg duidelijk maakt, precies tegenovergesteld als wat ik moest gaan, eruit naar het oosten, mag ik ook weer vanuit het oosten terugkomen bij hem. Je kunt het al zien aan de vorm van de tabernakel. En ja, op de deuren van het heilige der heiligen, maar ook nog elders, daar waar God woont. Wat is daarin gegraveerd op die deuren, kinderen? Net voordat je weer bij God komt. Engelen. Gerubem. Naar het oosten weg. Vanuit het oosten weer terug. Om bij hem te wonen. Nou dat is die rust. Bij God wonen. Gemeente. Jongeren. Kinderen. Waar kom je echt tot rust? Kinderen waar komt papa tot rust? Waar komt mama tot rust? Als hij zij bij God woont. Hoort u dat gemeente? Je kunt van alles overhoop halen. En ik heb het zelf ook gedaan. Het helpt allemaal niks. Je komt alleen tot rust. Je komt lichamelijk misschien een beetje tot rust. En je komt psychisch misschien een beetje tot rust. Maar waar komt je ziel tot rust? Alleen als je bij God woont. En ik zeg het tegen u en ik zeg het net zo hard tegen mezelf. Want wat is dat moeilijk? En om dan te zien dat om dat mogelijk te maken, God onder mensen is komen wonen. In het Oude Testament, in het Heilige der Heiligen, eenvoudig gezegd. Waar woonde de God dan, kinderen? Jongeren? Ja, in het Heilige der Heiligen, maar waar? Boven het verzoendeksel. Boven de ark. En dan gaat het ons steeds meer helder worden. Ik woonde in het paradijs, in Christus bij God. En God komt boven die ark, boven het verzoendeksel. Bij en in Christus. Onder zijn volk wonen. We hebben ervan gezongen. Psalm 132. Dat God zelf zegt. Hier zal ik wonen naar mijn lust. Hier is in eeuwigheid mijn rust. Oud testament is. Daar waar de ark is. Daar waar Christus is. Daar kan God onder en bij zijn volk wonen. En in het Nieuwe Testament nog veel meer. Daar komt Hij in ons wonen. Nou gemeente, dan kom je pas echt tot rust. Dan komt er een laag onder je leven, een vloer onder je leven, dan komt er rust in je leven. Ik mag bij u wonen, maar u komt ook in mijn hart wonen. Ik mag bij God wonen. Welzalig die gij hebt verkoren, die gij uit al het aardse gedruis, ook in ouderen en omgeving, doet naderen en uw heilstem horen, ja. Wonen in uw huis. En ja, dat geldt ook. Waar twee of drie in mijn naam vergaderd zijn. Daar ben ik zelf in hun midden. En dat is dus de andere kant. God die ook komt wonen onder mensen. Waar twee of drie vergaderd zijn naar zijn belofte. Maar ook in je hart. En je vindt het zo mooi in psalm 68. Dan vind je die beide dingen. Dat God onder zijn volk wil wonen. Ook in Oudorp. Deren die hem verkozen heeft. Dat is de berg Sion. Nieuw Testament is zijn kerk. Uit Jood en Heiden die in Christus geloven. Dus de Heer die hem, zijn kerk, verkozen heeft. Die trouw houdt en eeuwig leeft. Zal hier ook eeuwig wonen. Dat zal onder zijn volk, bij zijn volk, met zijn volk en ook in zijn volk. Maar dan het negende vers uit Psalm 68 beruimt. Met gave tot der mensen troost op dat zelfs. Wederhorig kroost. Wederstrevige mensen die zich maar blijven verzetten tegen God. Op dat zelfs wederhorig kroost. Altijd bij u zou wonen. Nou dan kom je dus tot rust. Bij God. Bij God wonen. Daar waar zijn kinderen verzameld zijn. En dat is bijzonder op de rustdag in zijn huis. Tot rust komen bij God. Iets van het hemel leven al hier op aarde. Als je onder zijn woord bent. En hoort opnieuw. Oh ik ben uit Christus geraakt. Bij hem weg gegaan zelf. En in Christus kan ik weer bij God wonen. Bij hem zijn. Het liefste wat ik wil. Bij hem zijn. Nou als je dat een beetje in de gaten gaat krijgen. Dan krijg je zo'n verlangen. Om op de rustdag. Heel dicht bij God te zijn. Wat een vreugde om in zijn huis te zijn. Daar waar zijn kinderen verzameld zijn. Bij hen te zijn. Bij hem te zijn. Nou, dat is alleen nog maar het eerste. Wonen. Ik weet niet wat was het tweede. Dat was wonen. En wat kwam er hier ook alweer? Spreken. En we hebben net gezien. Je kunt alleen bij God wonen in Christus. Daar waar die ark is. Daar waar het verzoendeksel is. Dat is Nieuw Testamentisch nog zo. Je kunt niet buiten Christus om bij God wonen. Onmogelijk. Buiten Christus. Verterend vuur. Eeuwige gloed. Je kunt onmogelijk bij God wonen. Dat is natuurlijk oud testamentisch ook zo. Nog even terug. Even terug nog. Kijk eens naar dat altaar. Er ligt een brandoffer. Dat verteert volkomen. Dat moet aan jou gebeuren. Om met God contact te hebben. Omgang te hebben. Maar dat offer ligt daar. Zodat jij daar niet hoeft te liggen. Omgang met de heren. Wonen. Maar ook spreken. Een sprekende God en sprekende mensen. Dat was zo in het paradijs. Adem en Eva. Sprekend met God. Hij met hen. En er is een radicale streep doorheen gegaan. Weg. Ik moet dat paradijs uit. Ik kan niet meer met God spreken. Wat een onrust. Wat een eenzaamheid. Wat een duisternis. Wat een ellende. Niet meer met God spreken. Nou zegt de jongere, valt wel mee hoor dominee. Ik zeg eigenlijk nooit wat tegen God en ik hoor ook nooit wat van hem. Maar ik heb een prima leven. Prima leven. Ik heb God helemaal niet nodig. Dat denk je. Maar dat is echt niet waar. Je denkt dat je een fijn leven hebt. Maar het is een zeebel. Wat gebeurt er met een zeebel? Nou die drijft even in de lucht en dan knapt hij. Hoef je niet eens wat aan te doen. Hij knapt en hij is weg. Je ziet er niks meer van. Helemaal niks meer. Dat zijn leven buiten God is als een zeepuil. Lijkt heel wat. Glinsterd en schitterd. Prachtige kleuren, vonkeling. Maar het is maar even. En dan is het voorbij. Alles weg. Leven met de Heer en spreken met hem. Oud-testamentisch. Door de priesters en door de profeten. Nieuw-testamentisch. Door zijn dienaren vanuit zijn woord. En hoe kan je dan wat tegen God zeggen? Nou, in je gebeden. En op de rustdag. In de liturgie. Maar ook thuis. Wat heeft God gegeven. Om tot hem te spreken. De psalmen. Oude wets he. Moet er een beetje uit. O ja. Al 3000 jaar doen ze mee. De medicijnkast voor de zielen van Gods kinderen. Het hart van Gods kinderen. Geschilderd en verklaard. Maar nog veel meer. Gods hart in de psalmen verklaard. Want elke psalm kun je op de lippen van Christus leggen. Woorden aan ons gegeven om tot hem te uiten. En ik weet niet of u wel eens aan een sterfbed hebt gezeten. We hebben zojuist gebeden voor mevrouw van der Lee. Na het zich laten aanzien gaat ze sterven. En stel dat u daarbij zou zitten, jongeren. Stel dat jij aan zo'n sterfbed zit. Dan weet je toch niet meer wat je moet zeggen. Wat moet je nou zeggen? Als je ziet... Nou, dit is nog maar een uur. Dit is nog maar een kwartier, denk ik. En dan is het voorbij. Wat moet je dan nog zeggen? Pak je psalmboek maar. En zing maar een psalm. Dan komt er zoiets bijzonders als God het geven wil in zo'n klein kamertje of in een grotere kamer. Een gezongen psalm. Woorden van hem gegeven om tot hem te uiten. Hoe kan dat, dat we weer met hem kunnen spreken? Want we konden ook niet meer. We konden niet meer bij hem wonen. Kon ook niet meer met hem spreken. Hoe kan het. Dat een heilige God. Met onheilige mensen omgang kan hebben. Uit Christus geraakt. Niet meer kunnen spreken. En je hoort het al aan hoe ik het zeg. Hoe kan je weer met God spreken. Praten. In Christus. Waar wordt dat duidelijk. Als de heer Jezus. Op Gogota. Uitroept het is volbracht. En zijn ziel in de handen van zijn vader geeft. Overgeeft. Ter bewaring geeft. Scheurt het voorhangsel van boven naar beneden. Daar komt een open toegang. Dan ga je vers 14 begrijpen. Omdat terwijl wij dan een grote hoge priester hebben. Die door de hemelen doorgegaan is. Zoals die ark oud testamentisch in de tabernakel kwam. Zoals die ark in de tempel kwam. Later bij Salomo. Zo is Christus als de ark in de hemel gegaan en is de toegang in hem vrij. Laat ons dan vers 16 met vrijmoedigheid toegaan. Vrijmoedigheid is wat anders dan vrijpostigheid. Vrijpostigheid vindt zijn grond in mezelf. Ik vind of ik denk nog wel wat van mezelf, dan ben ik vrijpostig. Iets van mezelf waarop ik het durf. Maar hoe zou een onheilig mens durven tot God te spreken? Dan heb je niks aan vrijpostigheid, dan heb je wel wat aan vrijmoedigheid. Want vrijmoedigheid, de grond is niet in mij, maar de grond is in Christus. Laat ons dan, op grond van zijn offer, zijn werk, zijn verdiensten, laat ons dan met vrijmoedigheid. De grond is buiten mijzelf en daarom durf ik het aan. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan. Tot! De troon der genade. Dat is dat verzoendeksel. Dat is daar waar God in Christus bij mensen woont. De troon der genade. Dat verzoendeksel. Dat staat er eigenlijk letterlijk in het Grieks. Laat ons dan toegaan met vrijmoedigheid tot de troon der genade. Nou, wat heb je nodig? Waar ga je om vragen? Nou ja, dat het morgen weer goed gaat op mijn werk. En dat ik eindelijk een beetje kan omgaan met die lastige collega. En dat ik niet zo verdrietig word van dat vervelende jongetje in mijn klas. Mag u ook allemaal vragen. Allemaal. Maar wat zegt ons tekst? Wat hebt u nodig? Wat heb je nodig voor je ziel? Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade. Opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen. En genade vinden. Dat God zich over je ontfermt. Dat je zijn ontferming over zo'n moedwillige, boosaardige... Zonder ervaart. En dan. Je ogen opheft. En genade. In zijn ogen vindt. Hoe is het mogelijk. In Christus. Kom maar. Wat heb je te vragen. Nou heren. Allereerst. Wees mij genadig. Vergeef me al mijn zonden. Al mijn ongerechtigheden. Al mijn misdaden. In mijn gedachten. In mijn woorden. In mijn werken. O heren vergeef. En opnieuw ontvremt hij zich. Vind je genade. En dan mag je ook al die andere dingen vragen. Aan hem voorleggen. Die je bezetten. En bezwaren. Die je onrust geven. Want ik doe van alles. Toch? U, jij ook. We doen van alles om van onrust af te komen. En ik ga die eens bellen. En ik ga een ander raad plegen. En ik zoek een hulpverlener. Dat is allemaal goed. Maar waarom ga je niet naar God? Waarom? Spreek je niet met hem? Allerlaatste. Bidden, dat kan ik altijd nog doen. Dat is ook waar. Maar dat is niet de goede volgorde. Bidden moet je als eerste doen. Wat hebben wij de neigingen? Dan begin ik maar bij mezelf. Er gebeurt iets naars, iets vervelends. Of een omstandigheid, of een persoon. Een man, een vrouw. En dan ga ik die vriend bellen. Wat moet ik hier nou weer mee? En dat mag. Maar voor je het weet krijg je heel veel medelijden. En dat is natuurlijk fijn. Maar helpt het dan? Jongeren eerst maar eens vragen. Heren, leer mij u te volgen. Leer mij u te vertrouwen. Ook al begrijp ik het niet, heren, leer mij dat. Kan er zo'n rust komen in je hart. En dan lezen in zijn woord. En als je heel diep zit, lees dan vooral de psalmen. Dan vind je taal en dan denk je, dat ben ik. En in zo'n psalm vind je niet alleen de omstandigheden en de situatie beschreven, maar ook de uitweg. En nogmaals, in elk psalm is Christus op zijn lippen gelegd. Spreken. We kunnen weer bij hem wonen in Christus. We kunnen in Christus met hem spreken. We kunnen in Christus ook met hem wandelen. Wat is met God wandelen? Dat is leven naar zijn geboden, levend uit zijn belofte. Nou zeg ik heel veel. Dat is een levenslange leerles. Levenslange les om te leren. Leven aan zijn geboden. Levend uit zijn belofte. En weet je waar Christus dat zelf zegt. Heer Jezus. Die hele bekende tekst Matthijs 11. Daar komen die dingen samen. Met hem wandelen. In Christus met God wandelen. Nou dat kan ook alleen maar in Christus. Want hij zegt vanmorgen. Tegen u allen. En jong, ziek en gezond. Komt herwaarts tot mij. Alle die vermoeid en belast zijn. En ik zal u rust geven. Neemt mijn juk op u. Wat is dat kinderen, een juk? Dat is zo'n ding om bijvoorbeeld melkemmers vroeger te dragen. Die emmers droeg je niet zo met je handen. Maar dan had je een houten juk. En daar zaten dan kettingen aan of touwen. En daar zaten die melkemmers dan aan. Zodat je ze met je schouders kon dragen. En niet alleen met je handen of je armen. Een juk. En de Heer Jezus zegt neem mijn juk op u. En leert van mij dat ik zachtmoedig ben. En nederig van hart. Want mijn juk is zacht en mijn last is licht. Wat is dat juk? Wat je opgelegd krijgt. Mijn leer. Bestaande in mijn geboden. O, denk je, zie je wel, dan heb je het al niet te dragen. Nee, verder lezen. Mijn leer bestaande in mijn geboden en beloften. Wandelen met God, levend naar zijn geboden. In Christus, die de wet volkomen heeft volbracht. Levend uit zijn beloften. In Christus, in wie alle beloften ja en amen zijn. Alle beloften ja en amen. Ga je beloften lezen in de Bijbel, gegrond in Christus. Dan komt er een rust in je ziel en over je ziel. Wanneer begint dat dan? Als je sterft? Nee, veel eerder. Dat begint al vandaag, de rustdag. Lees het maar na in de katechismes. Dat ik in zonderheid op de rustdag onder het woord kom. De sacramenten, als die bediend worden. De collecten, ook nog. En de woordbediening. Het woord en de sacramenten, de collecten. En het gebed. En dat ik al de dagen van mijn boze werken rust. En de Heer het door zijn geest in mijn werken laat. En zo de eeuwige Sabbat. In dit leven. Hoor je dat? In dit leven. De Sabbatsrust. Aanvang. Nou dat wil natuurlijk iedereen. Bij wijze van spreken moet je in Oudorp dranghekken neerzetten. Want we doen er alles aan om tot rust te komen. Geven er ook nog wel geld aan uit. Maar nou heb je gehoord waar de echte rust is. Dus de mensen zijn niet meer te houden hier. Nee hoor. Eigenlijk nauwelijks. Nauwelijks interesse. Ik geloof er eigenlijk niet. Ik geloof er niks van. Ik doe het ook niet. Ik ga het echt niet doen. Bij God wonen. Dat hoeft voor mij niet hoor. Met hem spreken. Dat kost veel te veel tijd. Met hem wandelen. Geboden en beloften. Nou die geboden heb ik geen zin in. En die beloften het zal allemaal wel. Dat klinkt misschien heel hard. Maar zo gaat het toch. Je zit nu in de kerk. En je hoort het. Man, vrouw, jongeren, kinderen. Daar is de rust. Bij God wonen, met hem spreken, met hem wandelen. En dat kan in Christus. En jij denkt, bijna koffie met een koekje erbij. En dat gebeurde met het volk is er al precies zo. Die gingen door de woestijn. En God zegt, ik beloof je, je komt in Canaan. Ze zeiden, daar geloven we niks van. En toen dat lang aanhield, hun ongeloof. Om met u te spreken, Gods gewone doen is liefdevol zijn. Maar als je heel lang zijn genadeaanbod en ook zijn aanbod van rust blijft weren. Dan tenslotte moet God boos worden. En dat doet hij ook. Hij zegt, je komt, ik zweer het, die rust niet in. Want je gelooft mijn woorden niet. God doet er een eten op. Dat is heftig. Je gelooft mijn woorden niet. Je zult nooit die rust inkomen. En nou andersom. Met dezelfde kracht. Dezelfde eed. Dat ongelovigen niet de rust in zullen gaan. Zo vast. Zo zeker. Zullen mensen toen in de woestijn. En nu in Oudorp. In die rust ingaan. Die zijn woorden geloven. Welk woord geloven? Wat moet je geloven jongeren? Er is een gestorven Christus. Ook voor jou. Dat zegt hij vanmorgen. Er is een gestorven Christus. In wie de rust te vinden is. En er wordt ook jou verkondigd. Geloof in hem. Bekeer je tot God. En God is nu bezig om zielen. De vader is bezig om zielen tot de zoon te trekken. Opdat de zoon ze bij de vader zal brengen. Want dan ben je op rust. Verder nergens. En God heeft... Je kunt het niet voorstellen. God heeft ons zo graag bij zich. Dat hij je sowieso elke week een rustdag geeft. Maar het nu ook laat zeggen. In mijn zoon. O geloof dan toch mijn woord. Opdat niet iemand van ons. In die onrust. In de woestijn. Zou achterblijven. Niemand. Laten we dan heel goed opletten. In de gemeente of er nog ongelovigen zijn. En ze bij Christus brengen. Laten we alles op alles zetten. Dat niemand van ons straks als de heer Jezus terugkomt. Dat duurt niet zo lang meer. Einde der eeuwen. De laatste tijd. Zegt de apostel aan het begin van de Hebreeuwe brief. Wanneer weten we niet. Maar zo heel lang duurt het niet meer. Dat niemand van ons die hier nu zit. En met ons mee luistert. Dan in de onrust achter zou blijven. Maar wij allen. In die rust. Laat ons dan vrezen, vers 1. Laten we heel goed opletten op onszelf en op anderen. Laat ons dan ons benaarstigen. Laten we alles op alles zetten. Om in die rust in te gaan. Want er is een rust die overblijft. Voor het volk van God. Amen. Zingen we nu Psalm 73, 13e vers. Wie heb ik nevens u, naast u omhoog. Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog op aarde, levens u toch lusten. Laten ♪ Gezang wij danken en bidden. Wij bidden u met elkaar, voor elkaar. Geef dat niemand in de onrust achter zou blijven. Terwijl uw belofte nog open staat. Die is nog nagelaten, die staat nog open. Dat we in die rust kunnen ingaan. Die eeuwige rust van u, o God. Geef dat wij allen. In die rust ingaan. Zodat wij aan ons doel zullen kunnen beantwoorden. En dat is u eeuwig loven en prijzen. Terwijl wij bij u mogen wonen. Met u mogen spreken. En met u mogen wandelen. Tot in eeuwigheid. Om Jezus wil. Amen. Een vooruitblik. Het zachtmoedig volk zal eens de volle vrede genieten in de zoetste rust verblijt. 37 vers 6. De ♪ Gezang gemeente gaat u heen in vrede, ontvangende met een biddend hart de zegen des Heren. De Heren zegenen u en behoeden u. De Heren doen zijn aangezicht over uw lichten en zijn u genadig. De Heren verheffen zijn aangezicht over u en geven u vrede. Amen. ♪ Gezang