0:00Onze
0:00[GEZANG]
9:54hulp en onze enige verwachting is in de naam des Heren, in de naam van die God die hemel en aarde uit niets heeft geschapen, die
10:06trouw blijft en leeft in de eeuwigheid en die nooit laat varen de werken van zijn handen.
10:12Amen.
10:14Geliefde gemeente, genade, barmhartigheid en vrede, zij u van God de Vader.
10:23Door Christus Jezus, de Heere, in de gemeenschap van de Heilige Geest.
10:28Amen.
10:31We zingen met elkaar uit Psalm 89, in daan van het negentiende vers.
10:3689, vers 19.
10:38Gedenk, o Heere, hoe zwak ik ben, hoe kort van duur.
10:42Het leven is een damp, de dood wenkt ieder uur.
10:45Het negentiende van 89.
10:47De
10:47[GEZANG]
13:18schriftlezing voor deze avond kunt u vinden in de brief van Paulus en de gemeente van Everse.
13:23We lezen eruit het vijfde hoofdstuk, de versen 1 tot en met 21.
13:28Everse 5, vers 1 tot en met 21.
13:31Daarna zingen we uit Psalm 36, het derde vers.
13:35Bij u, Heren, is de levensbron.
13:38Uw licht doet klaarder dan de zon ons het heugelijk licht aanschouwen.
13:43En wat er verder volgt.
13:45Daarna doen wij beleidenis des geloofs.
13:48Vanavond met het vijfde hoofdstuk van de Dordtse Leren Egels.
13:52Waarboven geschreven staat van de volharding der heiligen.
13:56De eerste vijf paragrafen.
13:59Paragraaf 1 tot en met 5 van de Duitse leerregels.
14:02Het vijfde hoofdstuk daarvan.
14:04Dat is de beleidiging voor vanavond nadat we gezongen hebben op Psalm 36 vers 3.
14:09En eerst gelezen hebben uit Everse 5 vers 1 tot 21.
14:16Zijd dan navolgers gods als geliefde kinderen.
14:20En wandelt in de liefde.
14:23Gelijkerwijs ook Christus ons lief gehad heeft en zichzelf en voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtovergode tot een welriekende reuk.
14:32Maar hoererij en alle onreinheid of gierigheid laat ook onder u niet genaamd worden, gelijkerwijs het de heiligen betaamt.
14:41Nog oneerbaarheid, nog zotgeklap of gekkenij, welke niet betamen, maar veel meer dankzegging.
14:48Want dit weet gij, dat geen hoererder...
14:52Of onreine of gierigaard die een afgodendienaar is.
14:56Erfenis heeft in het koninkrijk van Christus en van God.
15:00Dat u niemand verleiden met ijdele woorden.
15:03Want op deze dingen komt de toren gods over de kinderen der ongehoorzaamheid.
15:07Zo zijt dan hun medegenoten niet.
15:10Want gij waart eerdijs duisternis.
15:13Maar nu zijt gij licht in de heren.
15:16Wandelt als kinderen des lichts.
15:18Want de vrucht des geestes is in alle goedheid en rechtvaardigheid en waarheid, beproevende wat de Heere welbehagelijk is.
15:26En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veel eer.
15:32Want hetgeen heimelijk van hen geschiet, is schandelijk ook te zeggen.
15:36Maar al deze dingen, van het licht bestraft zijnde, worden openbaar.
15:41Want al wat openbaar maakt, is licht.
15:43Daarom zegt hij, ontwaak.
15:46Gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten.
15:51Zie dan hoe gij voorzichtiglijk wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen, de tijd uitkopende, terwijl de dagen boos zijn.
16:01Daarom zijt niet onverstandig, maar verstaat welke de wil des Heren is, en wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met de geest.
16:10Sprekende onder Elkander met psalmen en lofzangen en geestelijke liedekens.
16:14Zingende en psalmende de Heren in uw hart.
16:18Dankende allentijd over alle dingen God en de Vader in de naam van onze Heer Jezus Christus.
16:24Elkander onderdanig zijnde in de vrezen Gods.
16:27Tot zover de
16:29[GEZANG]
19:24Dordtse leerregels, het vijfde hoofdstuk.
19:28Waarboven staat van de volharding der heiligen.
19:33Die God naar zijn voornemen tot de gemeenschap van zijn Zoon, ons Heer Jezus Christus, roept en door de Heilige Geest wederbaart, die verlost hij wel van de heerschappij en slavernij
19:45der zonden, toch hij verlost hen in het leven niet ganselijk van het vlees en het lichaam der zonden.
19:51Hieruit spruiten de dagelijkse zonden der zwakheid en ook aan de allerbeste werken der heiligen kleven gebreken, hetwelk hun gestadige oorzaak geeft om zich voor God te verootmoedigen,
20:03hun toevlucht tot de gekruisde de Christus te nemen, het vlees hoe langer hoe meer door de geest des gebeds en heilige oefeningen der Godvruchtigheid te doden en naar het eindperk der volmaaktheid te zuchten
20:15totdat zij van het lichaam des doods ontbonden zijnde met het lam gods in de hemelen zullen regeren.
20:22Ter oorzake van deze overblijfselen der inwonende zonden en ook vanwege de aanvechtingen der wereld en van de Satan
20:30zouden de bekeerden in die genade niet kunnen volstandig blijven, zo ze aan hun eigen krachten overgelaten werden.
20:38Maar God is getrouw, die hen in de genade hun eenmaal gegeven, barmhartig bevestigt en ten einde toe krachtig bewaart.
20:48En hoewel die macht van God, waardoor hij de ware gelovigen in de genade bevestigt en bewaart, meer is dan dat zij van het vlees zou kunnen worden overwonnen,
20:58Zo worden de bekeerden nogthans niet altijd al zo van God geleid en bewogen.
21:03Dat zij in sommige bijzondere daden door hun eigen schuld van de leiding der genade niet zouden kunnen afwijken.
21:10En van de begeerlijkheden des vleesses verleid worden en die volgen.
21:15Daarom moeten zij gestadiglijk bidden en waken dat ze niet in verzoeking geleid worden.
21:21En zo zij dit niet doen, ze kunnen zij niet alleen door het vlees, de wereld en de zater tot zware en ook gruwelijke zonden vervoerd worden.
21:29Maar worden zij ook inderdaad door Gods rechtvaardige toelating daartoe soms vervoerd?
21:35Gelijk het droevige vallen van David, Petrus en andere heiligen dat ons in de schriftbeschrevenis bewijst.
21:44Met zodanige grove zonden vertonen zij Gods zeer.
21:48Vallen, vervallen in schuld van de dood.
21:52Bedroeven de heilige geest.
21:54Verbreken voor een tijd de oefeningen van het geloof.
21:58Verwonderzwaarlijk hun conscientie.
22:00En verliezen soms voor een tijd het gevoel der genade.
22:04Totdat hun, wanneer zij door ernstige boetvaardigheid op de weg wederkeren, het vadelijke aanschijn van God opnieuw verschijnt.
22:15De tekst voor de prediking voor deze avond kunt u vinden in het gedeelte dat we gelezen hebben.
22:20Everse 5 en daarvan het veertiende vers.
22:25Everse 5 vers 14 en daar lezen wij Gods woord als volgt.
22:30Daarom zegt Hij, ontwaak.
22:33Gij die slaapt en sta op uit de doden en Christus zal over u lichten.
22:40Zoeken wij samen eerst Gods heilige aangezicht in gemeenschappelijk gebed.
22:43Daarin doen wij ook voorbeden voor mevrouw Luime Aleman van de Modeweg 1M die ernstig ziek is.
22:55Laat ons bidden.
23:04Groot en eeuwig volzalig God in de hemel.
23:11Wij roepen uw grote en heilige naam aan.
23:14Nu we hier samen zijn gekomen in dit kerkgebouw of thuis of op een andere plaats.
23:20Deze dienst verbonden zijn.
23:23En wij danken u heren dat u ons zo in het midden van deze week.
23:27Hier de gelegenheid geeft om samen te komen onder de bediening van uw woord.
23:34We komen zo uit de werkelijkheid van elke dag.
23:37We hebben het vandaag misschien druk gehad.
23:40Op ons werk of met andere bezigheden.
23:45En dan mag er in de week.
23:47nog een moment zijn van rust.
23:50En dan betoont u daarin toch nog weer een God te zijn...
23:53die niet alleen zorgen wil voor de aardse dingen...
23:57die in uw voorzienigheid, uw schepping, onderhoud en regeert.
24:01Maar die ook betoont, heren, dat u niet een God alleen bent...
24:05voor de tijd ook, maar ook vooral voor de eeuwigheid.
24:10En daartoe wilt u ons ook samenbrengen.
24:13Omdat ons leven niet voorbij zou gaan met alleen maar die tijdelijke dingen.
24:17Hoe nuttig ze ook zijn.
24:19Hoe noodzakelijk ze ook zijn.
24:21En hoe zeer dat u ons ook de opdracht geeft om te werken.
24:26Voor ons dagelijkse brood.
24:29En om onze talenten te gebruiken in dit aardse leven.
24:34Maar beter dan dit tijdelijk leven is uw goede tierenheid.
24:40En heren, als we dan daar vanavond iets van mogen horen.
24:45Roept uit de duisternis tot uw wonderbaar licht.
24:48Hoe dat krachtdadig moet geschieden.
24:52Onwederstandelijk moet geschieden.
24:55Op een voor ons onverklaarbare, wonderlijke, zoete wijze.
25:02Die zoals onze leerregels in een ander hoofdstuk zeggen.
25:06Wat de kracht ervan betreft.
25:09Eigenlijk nog uitgaat boven de roep die in de schepping klonk.
25:14Daar zij ligt.
25:16Daar zij een uitspansel en
25:19wat u allemaal meer geroepen hebt en dat was allemaal op uw stem.
25:24Want u spreekt en het is er, uw gebied en het staat er.
25:29Maar nu is er een toestand heren die nog veel erger is als in die tijd dat er de aarde wel was, maar die nog woest en ledig was.
25:39Nu is er een schepsel dat dood is door misdaden en door zonden.
25:45Niet passief neerlicht in die zonden.
25:49Onbekwaam tot enig goed.
25:52Maar die vijandig dood is.
25:55Geneigd tot alle kwaad.
25:57U en de naasten te haten.
26:00En als wij om ons heen kijken.
26:02Dan zien wij dat ook op allerhande manieren.
26:05In de oorlogen.
26:06In het groot.
26:07In de wereld.
26:08Maar ook in de oorlogen.
26:10Oorlogen in het klein.
26:12In de ruzies die er zijn.
26:14In de oneenigheden.
26:16In het verbijten.
26:17In het vereten van elkaar.
26:18Waar er haat kan zijn in het hart.
26:21Als een wortel van de doodslag.
26:25En dan is het niet de vraag of wij wel buiten het paradijs leven.
26:29Want dat is wel duidelijk.
26:32En nu is de mens niet alleen geneigd tot alle kwaad.
26:36Maar hij doet het ook.
26:38Hij is vijand van u.
26:42Hij is onwillig om u te volgen.
26:44Want dat is wat u zegt, Heer Jezus.
26:46Gij wilt tot mij niet komen.
26:48Omdat gij het leven zou ontvangen.
26:50Hoe menigmaal heb ik uw kindertjes bijeen willen vergaderen.
26:53Gelijk in hen haar kuikens.
26:54Maar gij hebt niet gewild.
26:57En aan die boom van de onwil hangen dan ook de vruchten van de onmacht.
27:03En heren wilt u ons dat ook leren.
27:05Waar de eigenlijke kwaal zit.
27:07Waar het probleem ligt.
27:09Wij willen wel zalig worden.
27:12Wij willen wel vrede.
27:14Wij willen wel rust hebben.
27:15Want dat zijn we.
27:16Rust en vrede zoekers.
27:19Maar wij zijn er vijand van om ons vlees te doden.
27:22Om dat te kruisigen.
27:25We zijn er vijand van om onszelf te verlogenen en ons kruis op ons te nemen en u te volgen.
27:32Daar is de onwederstandelijke genadekracht van de Heilige Geest voor nodig.
27:37En daar bidden we u dan om ook, heren.
27:40Al moeten we u dan wel eerlijk beleiden dat we dan zo tegen onszelf inbidden.
27:46Maar wilt u het nogthans doen?
27:48Want dat
27:51lichaam der zonden en des doods, dat zal toch ook een keer moeten sterven.
27:57Dat zal weer in het graf gelegd worden.
27:59Daar zal het tot stof vergaan.
28:00Maar die ziel die gij ingeblazen hebt bij het ontstaan, bij de ontvangenis in de moederschoot.
28:08Die sterft nimmer meer.
28:11Die gaat mee over de dood en over het graf heen.
28:15En geef heren dat wij dat beseffen.
28:17Dat wij niet alleen een lichaam hebben, maar ook een ziel.
28:20Ja, dat wij een ziel zijn.
28:23En dat wij in onze geest voor u de heilige rechter gesteld zullen worden.
28:28Waarin alles vanuit die boeken zal worden geopenbaard.
28:32Het zij wat in het leven geschiet is.
28:34Het zij goed of het zij kwaad.
28:36En heren met het oog daarop roept u ook mensen bijeen.
28:40Ook op deze avond.
28:41Omdat u niet wilt dat mensen verloren gaan.
28:45Maar u wilt ze voorbereiden op de ontmoeting met u.
28:48En wilt u ons daarin toch ook leiden.
28:50Door uw geest en woord.
28:53Ook diegenen die genade hebben mogen ontvangen.
28:56Die geen vreemdeling zijn.
28:59Van die trekkingen met liefde koren uit de duisternis tot uw genade ligt.
29:04Die geen vreemdeling zijn van de droefheid naar u over de zonde.
29:08Die weet van het zoeken, van het verlangen, van het hongeren en dorsten naar de gerechtigheid.
29:14Die door zonnen des heils aan de kimmen hebben zien staan.
29:19Wellicht is hij ook opgegaan in het leven, de Christus der schriften.
29:24Zijn we bekend geworden met het bloed des kruises?
29:26Is dat gevallen in ons door schuldbesef getroffen en verslagen hart?
29:32Hebben we in de vrezen des Heren mogen leven?
29:34Van kracht tot kracht mogen leven?
29:37Was de zonde onze vijand?
29:39Hebben we de wereld de scheidbrief gegeven?
29:43Hebben we mogen proeven en smaken hoe goed dat u was en bent voor slechte mensen?
29:48Was het ons eten en drinken om in uw woord bezig te zijn?
29:52En konden we echt oprecht zeggen wat blijdschap smaakt mijn ziel.
29:56Wanneer ik voor u kniel in het huis dat gij u hebt gesticht.
30:00Hoe lief heb ik uw woning.
30:02De tento hemelkoning die u ter eer hebt opgericht.
30:08Maar als we nu heel eerlijk in ons hart kijken.
30:11Dan zullen er misschien ook zijn die moeten zeggen.
30:13Het is nu net alsof er niks gebeurd is.
30:17Het is nu net alsof ik nog dood ben door misdaden en door zonden.
30:22Zo lauw en zo flauw, zo koud en zo kil.
30:26Zo lusteloos en zo geesteloos.
30:30En moet het met smart worden gezegd, ik ben vleeslijk.
30:34Verkocht onder de zonde.
30:36En zo vaak ook zo verknocht aan de zonde.
30:40En blijft er alleen maar een roep van een ellendige zon daarover.
30:43Wie zal mij toch verlossen uit het lichaam deze doods?
30:48Heere, wilt u geven dat dan de roepstem van deze avond door mag klinken ook in de harten van hen die verachterd zijn in de genade.
30:57Ontwaakt gij die slaapt, staat op uit de doden en Christus zal over u lichten.
31:04Leid ons, Heere, in uw genadebaarheid en zegen ons met een bezoek uit de hemel, bekerend voor het eerst, levendwekkend of ook uit de dodige slaap.
31:16Weer levendig te mogen worden.
31:19Zoals eenmaal van Jacob stond geschreven toen hij het bericht kreeg dat Jozef leefde.
31:28En de geest van Jacob, hun vader, werd levendig, zo staat er.
31:33En Israël zeide, mijn zoon Jozef leeft nog.
31:37Ik zal gaan en hem zien.
31:39Heren, dat dat ook deze avond mag ervaren worden.
31:42Dat het een goddelijke boodschap mag zijn.
31:45Mijn zoon Jozef.
31:47Mijn heren, Jezus Christus leeft.
31:49Ik zal gaan en hem zien.
31:51En dat we niemand zullen zien dan Jezus alleen.
31:54De opgestane paaskonen, die heeft gesproken.
31:58Ik leef en heeft beloofd en gij zult leven.
32:03Heren, wilt u het bevestigen en toepassen aan het hart.
32:07Terwijl we ook bidden voor elkaar, heren, de omstandigheden van het leven die we hebben meegenomen naar de kerk.
32:12U weet van rouw en van verdriet.
32:14Om hem of haar die kortere tijd geleden of langere tijd geleden ons is ontvallen.
32:20Bij wiens geopende graffen hebben gestaan.
32:22En waarnaar het heimwee soms zo sterk kan zijn.
32:26Wilt u balsm gieten in de heren in de wonden die geslagen zijn.
32:30Weest u met oude van dagen.
32:32Die gevoelen dat het aardse huis van de tabernakel gebroken wordt.
32:37Weest u met de zieken.
32:38Ook met de hele ernstig zieken.
32:40We bidden u heen in het bijzonder van mevrouw Luimen.
32:43Wie in toestand ernstig is.
32:46Die verzorgd en verpleegd wordt.
32:48En van wie gevreesd wordt dat de laatste fase van haar leven is aangebroken.
32:53En als zij dan voor de poorten van de eeuwigheid ligt heren.
32:56Wat een plaats is dat.
32:58Maar geeft dan dat ze een toevoer zich mag hebben afkrijgen op u.
33:03Die toch gezegd hebt dat u de dood verslonden hebt.
33:07Dat overwinning.
33:08En die toch gekomen is om zondaren te zoeken.
33:12En die zalig te maken.
33:14Heren, wilt u dat ook aan haar hart bevestigen.
33:16Denk aan alle die om haar heen staan.
33:18Haar kinderen, kleinkinderen, de familie.
33:22En wees met innerlijke ontferming over haar en hen bewogen.
33:26Zo bidden we u voor elkaar, heren.
33:28In alle omstandigheden van het leven.
33:30Ook van de voorspoed en van de zegen.
33:33Wilt u ons onder beslag leggen van uw woord en geeft dat het een moment hier goed mag zijn.
33:39Omdat gij aan deze plaats was.
33:41Hoor ons uitgenade en omwille van hem die aan de rechterhand gods altijd leeft om voor zijn volk te bidden.
33:49Uw zoon, ons Heer Jezus Christus.
33:52Amen.
33:55Wij gaan zingen ter inleiding op de prediking uit Psalm 119.
34:02Allereerst het...
34:03Dertiende vers, 119, vers 13.
34:07Hoe kleeft mijn ziel aan het stof?
34:09Aai, zie mijn nood.
34:10Herstel mij, doe mij naar uw woord, herleven.
34:14En ook het laatste vers van deze psalm, het 88e.
34:19Gun leven aan mijn ziel.
34:20Dan looft mijn mond uw trouwe hulp.
34:23Stier mij in rechte sporen.
34:25En wat er verder volgt.
34:26U krijgt gelegenheid om uw gaven te geven voor de heren en zijn dienst.
34:30De eerste is voor de diakonie.
34:32De tweede voor de kerkvoogdij en de derde voor het verenigingsgebouw Ebena Ezer.
34:37De collecten worden hartelijk in uw mildadigheid aanbevolen.
34:41De heren zegenen u met uw gaven.
34:43Na de
34:43[GEZANG]
40:48prediking, na het amen, dan zingen we uit Psalm 97 het zevende vers.
40:54Gods vriendelijk aangezicht heeft vrolijkheid en licht voor alle oprechte harten ten troost verspreid in smarten.
41:02En wat er verder volgt uit het zevende vers van Psalm 97, wat we straks na de prediking met elkaar zingen.
41:11Gemeente, in de Bijbel wordt de dood nogal eens vergeleken met een slaap.
41:20Daarom hebben we zojuist gezongen op Psalm 89.
41:25Die bekende regels.
41:27Wie leeft er die de slaap des doods niet eens zal slapen?
41:32Wie redt zijn ziel van het graf?
41:36Of denk aan Johannes 11.
41:38Waar de Heer Jezus over de gestorven Lazarus zegt.
41:44Lazarus, onze vriend, slaapt.
41:49En zijn discipelen dachten dat Lazarus in de slaap van de rust lag.
41:57Dat zeiden ze ook.
41:57Als hij dan slaapt, zo zal hij wakker worden en gezond worden.
42:04Maar Johannes zegt, Jezus sprak niet van de rust van de slaap, maar van de dood.
42:13Allerlei overeenkomsten tussen de slaap en de dood.
42:17Want u heeft het misschien allemaal wel eens ervaren.
42:21Als je staat bij iemand die overleden is.
42:25Zeker als iemand plotseling overleden is.
42:27Of in de kracht van zijn leven.
42:29Dan sta je bij dat overleden lichaam en dan zeg je tegen elkaar.
42:34Het is net of ze slaapt.
42:39Zo onwerkelijk dat dat is.
42:43Of andersom.
42:48Een kindje hebt gekregen.
42:50Dan kun je wel eens bij het wichtje staan.
42:53Je hebt al een poosje niks gehoord en je gaat er eens naartoe.
42:56En dan denk je, het zou toch niet.
42:59Want je ziet het niet ademen.
43:01Het beweegt niet.
43:03Het slaapt.
43:04Maar zo diep, soms lijkt het net
43:08alsof.
43:10Daar ben je dan bang voor.
43:12Misschien herkent u het wel.
43:14Maar er is allerlei overeenkomsten tussen de slaap en tussen de dood.
43:22Als we naar een dode kijken en ook naar een slapende.
43:26Die heeft wel ogen, maar
43:29die zien niet.
43:32En die heeft wel oren, maar
43:35die horen niet.
43:38Er is een mond, maar
43:41die spreekt niet.
43:43Er zijn handen, maar
43:46die werken niet.
43:49En voeten, maar die lopen niet.
43:56En dat beeld, gemeente, dat moeten wij onthouden als we deze tekst lezen.
44:01En als we nadenken over die geestelijke...
44:07Doodstaat.
44:10En ook over de geestelijke doodigheid.
44:12Daar is onderscheid tussen.
44:14Een mens is van nature dood door misdaden en door zonden.
44:21Maar dan is er de wedergeboorte.
44:23Dan is er de levendmaking.
44:24Dan is er de vereniging met Christus.
44:27Maar zo iemand kan wel weer in een stand van doodigheid vervallen.
44:32Van geestelijke slaperigheid.
44:35Zodat het aan de buitenkant net lijkt alsof hij onbekeerd is.
44:40Dat hebben we net gezegd.
44:41Gelezen en beleden ook uit de Dordtse leerregels.
44:45We gaan er samen naar luisteren vanuit deze tekst.
44:49Waar de apostel Paulus, of er
44:53staat natuurlijk met een hoofdletter hij.
44:54Ik kom daar zo natuurlijk op terug.
44:57Waarin er staat, ontwaak.
44:59Gij die slaapt.
45:01En sta op uit de doden.
45:03En Christus zal over u lichten.
45:08Onder het thema, word
45:10wakker.
45:13Een wat hedendaagse manier van ontwaakt.
45:17Word wakker, dat schrijven we boven de preek.
45:19We letten ten eerste op de slaap van de zon daar.
45:23Ten tweede de roep tot de zon daar.
45:26En ten derde het licht over de zon daar.
45:31Word wakker.
45:34De slaap van de zon daar.
45:37De roep tot de zon daar.
45:40En het licht over de zon daar.
45:45Allereerst maar de vraag tegen wie zegt de apostel dit?
45:48Of wordt deze tekst nu gericht?
45:51Ontwaakt.
45:52Gij die slaapt.
45:54Tegen wie zegt de apostel, tegen wie zegt de Heer nou, word wakker.
46:00Nou al is maar in die context natuurlijk, hij zegt het tegen de Ephesiers.
46:06Paulus heeft die gemeente gesticht op zijn derde zendingsreis.
46:10Heeft daar drie jaren met veel zegen mogen werken.
46:15Maar op een bepaald moment heeft hij afscheid genomen van die gemeente.
46:20En hij heeft ook in deze brief beschreven.
46:24Hoe hij die gemeente heeft zien veranderen.
46:27Toen hij er kwam, zo schrijft hij in het tweede hoofdstuk.
46:31Toen waren ze dood door de misdaden en door de zonden.
46:38Het waren heidenen die in de begeerlijkheden des vleesses wandelden.
46:43Doende de wil des vleesses en der gedachten naar de wil van de overste machten der lucht.
46:53Maar God heeft daar verandering in gebracht in die gemeente van Eves.
46:56Onder de prediking van Paulus.
46:58Mensen werden wedergeboren tot een levende hoop.
47:01Ze werden met Christus opgewekt.
47:03Ze leren in de vrezen des Heren wandelen.
47:08Maar dan neemt Paulus op een bepaald moment afscheid van die gemeente.
47:11We lezen dat in handelingen 20.
47:14Vanaf het 17e vers.
47:16Waar Paulus de ouderlingen van de gemeente bijeengeroepen heeft.
47:21En dan staan ze daar op het strand.
47:23Paulus staat op het punt om met de boot weg te varen.
47:26Hij herinnert hen in dat gedeelte hoe hij hen al die jaren heeft gediend.
47:33Met alle ootmoedigheid en vele tranen en verzoekingen.
47:38Hij zegt, ik heb niets achtergehouden van hetgeen nuttig was.
47:41Ik heb bij de Joden en Grieken betuigd de bekering tot God en het geloof in onze Heer Jezus Christus.
47:50Maar dan wordt hij ernstig.
47:53Want dan zegt hij in vers 29.
47:56Dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen.
48:02Die de kudde niet sparen.
48:06En het wordt eigenlijk nog erger, want Paulus kijkt die ouderlingen dringend aan.
48:10En hij zegt, en uit uzelf, uit die ouderlingen dus, zullen mannen opstaan.
48:16Sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich.
48:21En
48:25dat Paulus...
48:26Niet te somber en niet te pessimistisch heeft gesproken.
48:30Dat zien wij als wij zo de gemeente van Everse volgen in de brieven van het Nieuwe Testament.
48:37Want we
48:39komen dat ook tegen in de eerste Timotheusbrief.
48:44Toen Paulus weggegaan is uit de gemeente van Everse.
48:46Toen is zijn geestelijke zoon Timotheus daar gekomen.
48:50En die jonge prediker heeft het ontzaggelijk moeilijk gekregen.
48:55Last gekregen van dwaarleeraren, Hymenaeus en Alexander.
48:58Die wet en evangelie hebben vermengd met elkaar.
49:01Allerlei oude en nieuwe zonden deden zich de intrede in de gemeente van Everse.
49:08Ze vervielen in een staat van verachtering, zo zegt Paulus.
49:12Ze gingen achteruit in de genade.
49:18En daar waarschuwt Paulus tegen.
49:20En hij beschrijft dat.
49:22En hij steekt zijn geestelijke zoon Timotheus een hart onder de riem.
49:27En hij bindt hem op het hart.
49:30Dat hij trouw moet blijven aan de leer die hij van Paulus heeft geleerd.
49:40Ze zijn in een staat van geestelijke slaperigheid gevallen.
49:43En om niet meer te noemen, in de openbaringen komen we dat nog een keer tegen.
49:47Als de opgestane en ten hemel gevaren Christus aan Johannes op Padmos verschijnt.
49:54Dan moet Johannes zeven brieven aan de gemeente in Klein-Azië schrijven.
49:59En de eerste brief die hij moet schrijven is aan de gemeente van Everse.
50:06En wat zegt dan de opgestane en ter hemel vare Christus tegen de gemeente van Everse?
50:12Ik heb tegen u dat gij uw eerste liefde hebt verlaten.
50:21En als we de kanttekening van de Statenvertaling daarbij lezen, dan zeggen de Statenvertalers dat betekent gij hebt de eerste ijver verlaten.
50:31Zo ijverig dat ze waren in die eerste oefeningen van het geloof.
50:36In het wandelen in de vrezen des heren.
50:38In het navolgen van Christus.
50:39In zijn geboden.
50:42Het is allemaal ingezakt en ingezonken.
50:45Een geest van slaperigheid is over die gemeente gekomen.
50:50En dan keren we terug naar de tekst.
50:56Daarom zegt hij.
51:00Ontwaak.
51:00Gij die slaapt.
51:02Daarom.
51:04Dat legt dus een verbinding met dat voorgaande.
51:08Dat Paulus constateert dat die gemeente.
51:12Dat ze hun eerste ijver, hun eerste liefde verlaten hebben.
51:16Dat dat alles zo doods en ingezonken is.
51:18Dat er dwalingen zijn, dat er zonden, allerlei soorten van zonden zijn.
51:24Daarom
51:25zegt hij.
51:28En wie die hij is, ja het staat natuurlijk in onze vertaling al met een hoofdletter geschreven.
51:33Zodat u weet wie daar bedoeld wordt.
51:35De statenvertalers zelf die zeggen het is, het kan ook sommigen zeggen dat het ook Paulus is geweest.
51:42Een woord uit de schrift heeft geciteerd, uit Jezaja 60, zo noemen ze dat.
51:48Maak u op, wordt verlicht.
51:51Maar Calvin die zegt, nee, het is Christus zelf die hier aan het woord is.
51:56En ik wil het daarin navolgen, zoals ook de Statenvertalers dan uiteindelijk wel hebben gedaan, dat de Heer Jezus aan het woord is.
52:02Paulus spreekt dus hier als een apostel, als een gezondene, zo betekent dat van de Heer Jezus.
52:08En
52:11Paulus die haalt dan een woord aan van zijn meester.
52:14Die de heer Jezus zelf gesproken heeft in Johannes 5.
52:18De heer Jezus heeft daar gezegd.
52:20De uren komt en is nu.
52:23Dat doden zullen horen.
52:26De stem van de zonen gods.
52:29En die ze gehoord hebben.
52:31Zullen leven.
52:35En wat zegt die stem dan?
52:37Wat zijn dan de woorden die Christus spreekt?
52:42Nou dat kan Paulus hier dus zeggen.
52:45Ontwaakt.
52:46Gij die slaapt.
52:48Christus roept dus, wakker worden.
52:54En voor wie zijn die woorden nou allereerst bedoeld?
52:59Welke mensen worden hier nou allereerst aangesproken?
53:04Je zou het kunnen zeggen met die gelijkenis van de heer Jezus uit Matthäus 25.
53:10Daar gaat het over die tien meisjes, die tien maagden.
53:14Waarvan gezegd wordt, vijf van haar waren wijs en vijf van haar waren dwaas.
53:21Ze waren op weg naar de bruiloft.
53:25Maar de bruidegom vertoefde en toen vielen al die tien meisjes in slaap.
53:32Die vijf wijzen vielen in slaap met die vijf dwazen.
53:39En nu spreekt Paulus hier dus allereerst tot, en spreekt de heer Jezus allereerst hier tot die vijf wijzen maagden.
53:48Die met die dwazen in slaap gevallen zijn.
53:56Om heel even een klein uitstapje te maken gemeente, ik stond dus voor een kunstwerk.
54:00Waarin deze gelijkenis werd uitgebeeld.
54:04Van de wijze en de dwaze maagden.
54:08Daar waren geen tien meisjes te zien, maar
54:13negen.
54:16En wat zou nou de bedoeling zijn geweest van die kunstenaar?
54:21Die schilder die daar negen meisjes heeft geschilderd die daar slapend op de grond lagen.
54:31Nou de toeschouwer is de tiende.
54:35En bij wie horen wij nou?
54:37Want je kan aan de buitenkant vaak geen verschil zien.
54:40Zijn we nou wijs of zijn we nog dwaas?
54:46Dat is best een ontdekking als je zo voor een schilderij staat.
54:49En je beseft ik ben zelf een van die tien.
54:52Waar hoor ik nou bij?
54:55Nou dat even tussendoor.
54:56Maar de heer Jezus die heeft dus allereerst hier de vijf wijzen op het oog.
55:02Vijf wijzen die met die dwaas in slaap gevallen zijn.
55:07Kinderen gods die wedergeboren zijn.
55:11Die geen vreemdeling zijn van de droefheid naar God over de zonde.
55:15Die ook iets van de blijdschap in God kenden.
55:19Over de genade die ze in de Jezus Christus hebben mogen leren zoeken en vinden.
55:23Die iets hebben mochten leren beoefenen van de vrezen des heren.
55:26Maar bij wie alles weer zo ingezakt en ingezonken is.
55:32Het zij door een slordig leven.
55:36Het zij door nieuwe of oude zonden.
55:39Waarin ze gevallen zijn.
55:42En misschien ook wel een poosje al aan het leven zijn.
55:48Allerlei nalatigheden in het leven.
55:52Of misschien ook wel door beproevingen.
55:55Door verzoekingen bedroefd geworden zijn.
55:57Het hoofd laten hangen.
56:03Maar die, als je aan de buitenkant kijkt, net weer op een dode lijken.
56:12Nog even denken aan dat voorbeeld aan het begin van de preek.
56:15Ze hebben wel ogen, maar die zien niet op omhoog.
56:20En ze hebben wel oren.
56:24Maar de stem van God horen ze niet meer.
56:26De Heer spreekt wel, maar ze merken er niet op.
56:30En ze hebben wel een mond, maar er komt geen gebed van hun lippen.
56:34Laat staan, een lof zang tot eer van God.
56:36En ze hebben wel handen, maar die vouwen zich nauwelijks.
56:39Of alleen maar wat uitplichtmatigheid.
56:42Ze hebben wel voeten, maar die gaan niet in de vrezen des Heren.
56:47En zo aan de buitenkant, dan
56:51lijkt het net alsof ze een dode zijn.
56:55Net zo'n onbekeerde.
56:59Kijk, wat hun staat betreft, gemeente.
57:02Dan kunnen ze natuurlijk nooit meer terugvallen in die geestelijke doodstaat.
57:06Dat is onmogelijk.
57:07Want wat de Heere eenmaal begonnen heeft.
57:09Dat hebben we ook beleden met de Dordtse leerregels.
57:11Dat volhart hij.
57:13Hij bewaart zijn kinderen.
57:16In de staat van de genade.
57:19Eens bekeerd is altijd bekeerd.
57:22Al is daar natuurlijk heel wat bij op te merken.
57:25Dat besef ik me al te goed.
57:27Maar als je een kind van God geworden bent.
57:28Dan kun je nooit meer een kind van de duiven worden.
57:34Maar dat gaat nu even over de stand van het leven, dat ze niet leefden als kinderen van God.
57:40Maar dat ze slaperig, als het ware, als een dode daar neerlagen.
57:49En het
57:55was in hun leven weer net zoals eerst wat van vroeger was.
58:00Ze hadden geen oog voor God.
58:03Roepstemmen horen ze niet meer.
58:05Het is alles dodig en doorgesteld.
58:11En dat is ook een overeenkomstgemeente met het geestelijke doodstaat.
58:15Als ik het nog even breder mag trekken.
58:16Want allereerst gaat het natuurlijk over Gods kinderen die met die wijze maagden in slaap gevallen zijn.
58:25Maar ik zei al, er zijn ook allerlei overeenkomsten met het doodstaat.
58:30Zoals wij geboren worden, zijn we geestelijk dood.
58:36Dood, Paulus zegt, niet passief.
58:41En dat is natuurlijk het beeld van een dode wat wij hebben.
58:45En daarom gaat het beeld ook niet helemaal op als wij bij een overledene staan.
58:48Die ligt daar echt passief.
58:51Die ligt daar machteloos.
58:54En krachteloos.
58:57Maar de geestelijke doodstaatgemeente is actief.
59:02En het is ook nog vijandig dood.
59:06Zoals bijvoorbeeld ook die verloren zoon in die gelijkenis.
59:10De vader van die verloren zoon die zegt dat als die jongen terugkeert uit de wereld.
59:17Deze, mijn zoon, was dood.
59:22Niet letterlijk dood.
59:24Nee, die jongen was springlevend.
59:26Springlevend in de wereld en springlevend in de zonde.
59:30Maar als dood voor zijn vader.
59:32Want hij keek niet naar zijn vader.
59:33Hij werkte niet voor zijn vader.
59:35Hij sprak niet met zijn vader.
59:36Hij had zijn erfenis opgeëist.
59:38Hij had zijn vader doodverklaard.
59:40Hij was weggegaan bij zijn vader.
59:42Hij was als dood voor zijn vader.
59:44En die vader was als dood voor hem.
59:50En zo is het ook in onze geestelijke doodstaat.
59:54Dood voor God.
59:55We zien niet naar God, we roepen niet tot God, we werken niet voor God, we gaan niet in de wegen van God.
1:00:01Maar we leven van nature springlevend in de zonde en in de wereld.
1:00:07En dat kan dan overgoten worden met een godsdienstige sauze, met een kerkelijke gang.
1:00:13Maar in het hart, daar leeft de wereld en daar leeft de zonde.
1:00:19Dood voor God.
1:00:23En gemeente zijn we daar al bij bepaald in ons leven.
1:00:28Hebben we daar nou al last van gekregen?
1:00:31Dat zou eigenlijk al een goed teken zijn, want echt iemand die geestelijk dood is, die
1:00:39heeft er nog niet eens last van ook.
1:00:42En daarom zei een van de
1:00:44predikers van de afscheiding, Ledeboer, in de negentiende eeuw in zijn categorisatieboekje, onze grootste ellende is dat we onze ellende niet kennen.
1:00:58Of zoals mensen wel eens zeiden, de mens is dood voor de dood.
1:01:04Je hoort het wel, maar het dringt niet tot je door.
1:01:11Ik heb mijn beeld eens een keer gezien.
1:01:14Gemeente.
1:01:15Mijn zwager die heeft een slagerij nog.
1:01:18Maar dertig jaar geleden ongeveer slachtte hij nog zelf zijn stieren.
1:01:23En hij vroeg wil je dat een keer zien.
1:01:25Het was net in de tijd dat mijn leven ging veranderen.
1:01:29En dat ik met mijn dood liep.
1:01:31En daar kwamen die twee dikbillen.
1:01:34Enorme beesten.
1:01:35De eerste werd uit die wagen geleid met allemaal kettingen, een ring in zijn neus.
1:01:40Zo'n beest is natuurlijk oersterk, dus die moet in bedwang gehouden worden.
1:01:43Hij werd naar de slagplaats geleid.
1:01:47En dan krijgt zo'n beest zo'n soort pen op zijn kop.
1:01:50Hij wordt doodgeschoten, gelijk op zijn kop.
1:01:54Kop eraf, poten eraf, geslacht.
1:01:56En na een half uur, een uurtje, dan kwam die tweede stier.
1:02:00En dat beest kwam daar zo aan sukkelen.
1:02:03En dan stond hij daarbij.
1:02:05Dat is een maat waarmee hij nog net in de wagen had gestaan.
1:02:08En hij stond ernaar te kijken.
1:02:09En ik dacht, dat is nou mijn beeld.
1:02:13Hij zou de volgende zijn.
1:02:14En hij staat erbij te kijken alsof er niks aan de hand is.
1:02:19Hoe vaak gemeente staan wij zo niet bij een dode.
1:02:22Staan wij zo niet bij het graf.
1:02:25En dringt het niet tot ons door.
1:02:28Ik kan de volgende wel zijn.
1:02:31Zo dood voor de dood.
1:02:33Dat je er niet eens last van hebt.
1:02:35Dat er een eeuwigheid aan komt.
1:02:41Maar gemeente, als de Heer in je leven gaat werken.
1:02:45Wonderlijk en tegenstrijdig misschien.
1:02:48Als God je tot leven wekt, dan krijg je last van je dood.
1:02:54En hoe levendiger een mens wordt, hoe meer hij last krijgt van zijn doodstaat.
1:03:00Zodat je net als David gaat zeggen, ik leg gekneld in de banden van de dood.
1:03:05Dat de angst der heil mij alle troost deed missen.
1:03:10Of zoals Heeman dat zegt in Psalm 88, een bange kerker die doet mij zuchten.
1:03:15Ik kan die banden niet ontvluchten.
1:03:19Dan krijg je last van je doodstaat.
1:03:22En dat is al een zegen als dat mag gebeuren.
1:03:28En nou is het gemeente ook na ontvangen genade zo.
1:03:32Dat een mens voor de buitenkant althans.
1:03:35Voor je eigen besef wel weer helemaal terugvalt.
1:03:37In zo'n geestelijke doodstaat.
1:03:42Ik zeg aan de buitenkant natuurlijk.
1:03:45Want dat levensbeginsel dat blijft er wel in.
1:03:47Dat houdt God wel warm.
1:03:50Maar aan die buitenkant ik zei al.
1:03:52Een slapende die kan je soms niet onderscheiden van een dode.
1:03:56Het is net of hij slaapt.
1:03:58Zo zeggen we dan van een overleden iemand.
1:04:00Of als iemand ligt te slapen.
1:04:03Dat hij zo diep in slaap is dat je zijn adem niet eens ziet.
1:04:06Maar je moet wel voelen, dan voel je dat hij toch warm is.
1:04:11Apollos gebruikt hier een woord in vers 7.
1:04:15Hij zegt, weest hun medegenoten niet.
1:04:19Hij noemt daar de kinderen der ongehoorzaamheid, dus de onbekeerden.
1:04:24Die nog in die geestelijke dood staat leven.
1:04:26Weest hun medegenoten niet, zegt hij.
1:04:29Ga niet met ze meedoen.
1:04:33En die voorbeelden die komen we tegen in de schrift.
1:04:36Dat mensen weer mee gaan doen.
1:04:38Kinderen van God die meedoen met de kinderen van de ongehoorzaamheid.
1:04:45Kunnen jullie een voorbeeld noemen jongens en meisjes.
1:04:47Van iemand die een kind van God was.
1:04:49Maar die mee ging doen met de wereld.
1:04:55Denk eens aan Salomo.
1:04:59Die was van de baarmoeder af.
1:05:01Een gekende van God.
1:05:03Jedidja.
1:05:04Beminde des heren.
1:05:06En hoeveel beloofd.
1:05:08En hoe geestelijk is deze Salomo begonnen.
1:05:11Mocht al jong in de vrezen des heren leven.
1:05:13Verlangde geestelijke wijsheid om het volk van God te besturen.
1:05:20Maar kijk eens aan het einde van zijn leven.
1:05:23Is Salomo in de strik van de rijkdom en van de macht en van de eer gevallen.
1:05:31Salomo met al die vrouwen.
1:05:34En hij heeft voor die vrouwen tempels gebouwd.
1:05:37En hij knielt samen met die vrouwen neer voor die afgoden.
1:05:42Salomo.
1:05:45Zo vaak een type van Christus.
1:05:48Maar als je op het einde van zijn leven kijkt en alleen maar naar de buitenkant kijkt, dan denk je die man is onbekeerd.
1:05:59En het is dat we, dat is toch in de theologie algemene lijn, in het boekje Prediker zijn geestelijke testament mee hebben gekregen.
1:06:07Dat wordt over het algemeen beschouwd als wat hij na die tijd geschreven heeft.
1:06:13En als een soort bekering en als een soort ontwaken uit die slaperigheid waarin hij lag.
1:06:20Maar de geschiedenis uit de koningen en de kronieken, die eindigt in de zonde.
1:06:27Hij was een medegenoot van die heidense vrouwen.
1:06:29Of neem Petrus in het Nieuw Testament.
1:06:33Petrus, die zo groot van zichzelf dacht.
1:06:37De heerde Jezus had hem gewaarschuwd.
1:06:39Simon, Simon, de Satan heeft u zeer begeerd te ziften als de tarwe.
1:06:44En Simon Petrus protesteerde.
1:06:46En toen de heer Jezus het nog een keer zei.
1:06:48Erehaan driemaal gekraaid zal hebben.
1:06:49Tweemaal gekraaid zal hebben.
1:06:51Zul je driemaal gezegd hebben dat je mij niet kent.
1:06:53En Petrus stond op zijn achterste benen.
1:06:55En hij zegt.
1:06:56Al zullen ze u ook allemaal verlogenen.
1:06:58Dat Thomas het doet.
1:07:00Ik kan het geloven.
1:07:01Maar ik nooit.
1:07:04En ik ben bereid om met u te sterven.
1:07:05Ik ga naast u hangen aan het kruis.
1:07:11Maar een paar uur later.
1:07:12Dan zien we deze Petrus in de hof van Kaaier vast.
1:07:16En waar zit hij dan?
1:07:19Bij het vuur.
1:07:21En daar zit hij zich te warmen.
1:07:23En naast hem zitten de soldaten en de tempelpolitie.
1:07:26En hij zit nota bene.
1:07:28Hij zit nog met die mensen te praten ook.
1:07:30Want ze kennen hem aan zijn dialect.
1:07:33Voorwaar, gij zijt een van deze.
1:07:35Want u komt uit Galilea.
1:07:36Ik hoor het.
1:07:41Zo in korte tijd.
1:07:44De reëzen zat hem nog gewaarschuwd.
1:07:47Waakt en bid dat ge niet in verzoeking komt.
1:07:49Want Petrus was in slaap gevallen.
1:07:51Geestelijk.
1:07:52Een medegenoot van die soldaten.
1:07:54En hij zat daar te praten.
1:08:00Geestelijke slaperigheid.
1:08:02Geestelijke dodigheid.
1:08:05Ingezonkenheid.
1:08:06Verachtering.
1:08:09En om niet meer te noemen gemeente.
1:08:11Het volk van Israël in de woestijn.
1:08:14Uitgeleid uit Egypte.
1:08:17Door een machtige en krachtige hand van God.
1:08:20En ze hebben God geloofd en gedankt.
1:08:22En ze hebben bij de...
1:08:24Berg Horeb gezegd, heren wat moeten wij doen om u te danken, om u te vrezen.
1:08:28En de Heer heeft zijn wet gegeven, nou dan moet je geen andere goden navolgen.
1:08:32Dan moet je geen gesneden beelden maken.
1:08:33Je moet mijn dag eren, je moet mijn naam heilig enzovoorts.
1:08:37En wat kwam er van terecht?
1:08:41Murmureren, mopperen, klagen.
1:08:45Notabene over het brood der engelen, over het mannen dat uit Zuid de hemel ging.
1:08:50Onze ziel walg ervan.
1:08:53Het is niet te eten, zeiden ze op een bepaald moment.
1:08:57En ze verlangen terug naar de vleespotten en naar de ajuinen in Egypte.
1:09:01Waren we maar daar gebleven.
1:09:02In plaats van dat we hier in deze ellendige woestijn moeten sterven.
1:09:10Nou zo laaggemeente kan het dus aflopen met een kind van God.
1:09:14Die echt geen vreemdeling is van genade.
1:09:17Die echt wederom geboren is.
1:09:19Die echt wel kennis heeft gekregen aan God.
1:09:22En aan zichzelf.
1:09:23En aan Christus.
1:09:27Maar zo in slaap gesukkeld is.
1:09:33Een maagrijd aan je ziel.
1:09:36Geen oefeningen meer van het geestelijke leven.
1:09:40Geen kenmerken meer op te merken in je hart.
1:09:44Ja, het hart dat klopt nog wel.
1:09:47En het leven dat heeft de Heer erin gelegd, dat gaat er niet uit.
1:09:51Maar aan de buitenkant is
1:09:54het net een dode.
1:09:59Geen optie meer tot God.
1:10:02Geen echt gebed meer van je lippen.
1:10:05Geen echt horen meer van de stem van God.
1:10:09En je handen die blijven rusteloos liggen.
1:10:13Rustend liggen in dat woord van God.
1:10:15Dat gaat niet meer open.
1:10:16Of alleen maar wat pleegmatig.
1:10:17Maar je leest er eigenlijk niks in.
1:10:19Er staat niks voor je in.
1:10:22De prediking.
1:10:23Je gaat er wel onder.
1:10:24Maar het wordt meer een sleur en een slentergang.
1:10:27Dan dat je er echt wat aan hebt.
1:10:31En misschien is er iemand in de kerk of thuis die zegt.
1:10:34Dat is nou precies mijn beeld.
1:10:39Als ik nou naar vroegere tijden keek.
1:10:41Hoe anders dat het was.
1:10:44Hoe teer dat het lag.
1:10:47Hoe levend dat het was.
1:10:50Hoe het gebed zo vanzelfsprekend was.
1:10:54Het was als de adem.
1:10:56Zo vanzelf ging dat gebed.
1:10:59De kerkgang, dat was mijn lust en mijn leven.
1:11:03Van zondag tot zondag sprak de Heer het op me.
1:11:07Het woord, het was mijn eten en mijn drinken.
1:11:12Elke dag mocht ik wat ontvangen.
1:11:16Maar het is nu allemaal zo anders.
1:11:24En wat nu dan?
1:11:27Ja, wat nu?
1:11:31Nou, de Heer Jezus zegt...
1:11:34Word wakker.
1:11:37Ontwaak.
1:11:38Gij die slaapt.
1:11:40Sta op uit die doden.
1:11:43De roep tot de zon daar.
1:11:45En
1:11:52als we het breder trekken in gemeente.
1:11:54Dan komt die roep niet alleen maar tot mensen die doodig zijn.
1:11:59Of slapenrug zijn.
1:12:03Maar het komt eigenlijk tot iedereen van nature.
1:12:06Die nog dood zijn door misdaden en door zonden.
1:12:11Doden zullen horen de stem des zoons gods.
1:12:17Ontwaakt.
1:12:17Wordt wakker.
1:12:23Daar zegt iemand, maar
1:12:27dat
1:12:29kan een mens toch zomaar niet?
1:12:30Je kan toch niet zomaar besluiten om wakker te worden?
1:12:32Je kan toch niet zomaar besluiten om op te staan uit die doden?
1:12:38Dat kan toch alleen maar de Heren doen?
1:12:45En daarmee hebben we natuurlijk een Bijbelse waarheid aan onze kant.
1:12:50Het is niet desgenen die wil, het is niet desgenen die loopt, maar het is ontfermende gods.
1:12:54En u kunt er vast nog wel allerlei teksten bij noemen.
1:12:57Er moet een wonder in mijn leven gebeuren.
1:12:59Een mens kan zomaar niet dit en zomaar niet dat.
1:13:03En er is geen spel tussen te krijgen.
1:13:07En toch, gemeente, het staat altijd weer in die gebiedende wijs.
1:13:11Hier ook.
1:13:12Een opdracht.
1:13:13Ontwaakt.
1:13:15Staat op.
1:13:19Bekeert u.
1:13:21Gelooft.
1:13:26En dat is ook de opdracht in de prediking.
1:13:28Een
1:13:31prediker, gemeente, dat is geen schilder.
1:13:35En dan bedoel ik een kunstschilder die hier vanavond...
1:13:40Een schilderij staat eruit te schilderen van het geestelijke leven.
1:13:46Die schildert hoe de wedergeboorte in zijn werk gaat.
1:13:50En hoe een mens van dood levend wordt.
1:13:53En wat er dan allemaal beleefd wordt.
1:13:56En daar zit je dan als toeschouwer naar te kijken.
1:13:58En je vindt het mooi of je vindt het niet mooi.
1:14:03En je bent het mee eens of je bent het niet mee eens.
1:14:08Je vindt het te zwaar of je vindt het te licht.
1:14:11Of wat je er ook van vindt.
1:14:12Maar je zit er als een toeschouwer bij.
1:14:18Een beschrijvende prediking.
1:14:20En voor alle duidelijkheid gemeente.
1:14:22Ik zeg niet dat er geen beschrijving van het geestelijke leven in de preek moet plaatsvinden.
1:14:27Dat moet er ook bij tijden wel zijn vanuit de tekst.
1:14:31Hoe gaat dat dan?
1:14:33Maar prediking is allereerst verkondiging.
1:14:38En wat moet er verkondigd worden?
1:14:40Dat we zeggen met last en volmacht.
1:14:43De Dorsaleren zeggen het in hoofdstuk 2.
1:14:47Aan alle volken en aan alle mensen moet zonder onderscheid verkondigd worden.
1:14:54Dat wie in de gekruisende Christus gelooft niet zal verderven maar eeuwig zal leven.
1:15:01En hoe moet een prediker dat dan doen?
1:15:05Nou niet met een vrome wens van och mocht het nog eens komen te gebeuren.
1:15:10Maar met bevel van bekering en van geloof.
1:15:16Dat is verkondiging.
1:15:19Ontwaakt.
1:15:20Gij die slaapt.
1:15:23Sta op.
1:15:25En bekeert u.
1:15:27En gelooft.
1:15:28En
1:15:33gemeente laten wij erg hebben in ons hart.
1:15:37En wat zegt de profeet Jeremia van ons hart?
1:15:44Arglistig is ons hart.
1:15:47Meer dan enig ding.
1:15:49Ja, dodelijk is het.
1:15:51Wie zal het kennen?
1:15:56En zo'n waarheid.
1:15:58Als dat God het moet doen.
1:16:00Daar nemen we niets van af, gemeente, voor alle duidelijkheid.
1:16:05En dat er een wonder in ons leven gebeuren moet, we zetten er een streep onder.
1:16:13Maar zo'n waarheid komt ons soms maar al te makkelijk uit.
1:16:19En je hoort het er al te veel.
1:16:21Ja, God moet het doen.
1:16:22En dat moet je gegeven worden.
1:16:26En de broeders zullen het wel herkennen, ook op huisbezoek.
1:16:30Altijd maar, ja maar.
1:16:35Maar gemeente, we moeten wel eerlijk zijn naar onszelf.
1:16:38En als ik heel eerlijk, ik houd me bij mezelf persoonlijk.
1:16:41Als ik heel eerlijk ben aan mijzelf, ja natuurlijk wil ik wel naar de hemel.
1:16:45Ik wil zalig worden.
1:16:49En ik wil ook in dit leven wel een beetje rust en een beetje vrede hebben.
1:16:56Maar wat ik niet wil, dat
1:16:59is mijn vlees kruisigen.
1:17:02Dat wil ik niet.
1:17:03Dat haat ik.
1:17:05Daar ben ik een vijand van.
1:17:07En wat ik niet wil, dat
1:17:10is om de leden die op deze aarde te zijn te doden.
1:17:14En ik wil mijn kruis niet op mij nemen.
1:17:17En ik wil mezelf niet verlogenen.
1:17:19En ik wil de heer Jezus niet volgen.
1:17:23Dat is eerlijk.
1:17:25Als je dat eerlijk voor God beleidt.
1:17:33Het bedenken van mijn vlees is vijandschap tegen God.
1:17:40En wat doet God nou in de wedergeboorte gemeente?
1:17:43Dan gaat hij die wil veranderen.
1:17:46Dat zeggen de leerlingen ook heel duidelijk.
1:17:48Hij geeft die wil die boos was, die wordt goed.
1:17:52Die niet wilde gaat nu wel willen.
1:17:55En dan kom je erachter dat
1:17:58je niet kan.
1:18:00Want het is waar, wij kunnen niet.
1:18:02Wij kunnen ons niet bekeren.
1:18:03Wij kunnen niet geloven.
1:18:04Je kan niet besluiten.
1:18:06En dan zeg ik het even heel een beetje gechargeerd.
1:18:09Als ik vanavond om half elf zo nog even van mezelf wat te stille tijd heb.
1:18:13Dan ga ik even een poosje geloven.
1:18:16Dat ligt niet in de macht van de mens.
1:18:22Dat geloven is een gave gods.
1:18:26Maar ons hart is boos.
1:18:28Ons hart is onwillig.
1:18:29En daarom kunnen wij niet.
1:18:32Kijk en als de Heer je een nieuwe wil geeft.
1:18:34En je gaat het wel willen.
1:18:35Dan kom je erachter en ik kan het niet.
1:18:38Nou moet ik geloven.
1:18:40En ik kan het niet.
1:18:42Dan moet ik me bekeren.
1:18:45En ik kan het niet.
1:18:48En dan krijg je God nodig.
1:18:50En dat is ook de rechte predik in gemeente.
1:18:52Dat je te horen krijgt.
1:18:53Je moet.
1:18:55En je kunt niet.
1:18:57Dat is ook de rechte beleving.
1:18:58Te weten dat ik moet.
1:18:59Dat God een heilig recht heeft op mijn leven.
1:19:01En een heilig recht heeft om te zeggen.
1:19:03Ontwaakt.
1:19:05Sta op.
1:19:08En dat hij daar ook geen milligram van afhaalt.
1:19:13En dat we voor zijn aangezicht zullen verstommen straks.
1:19:16Als ze zullen zeggen, ja maar, ik kon toch niet?
1:19:19Of ja maar, ik moest toch uitverkoren zijn?
1:19:21Of ja maar dit, of ja maar dat?
1:19:23De gemeente voor gods aangezicht straks, dan zullen al die excuses verstommen.
1:19:28En dan zal de Heer zeggen, nee, gij hebt niet gewild dat ik koning over u zou zijn.
1:19:34Dat is het eindoordeel.
1:19:41En nou even terug naar die mensen die met die wijze maagden.
1:19:44Die wijze maagden die in slaap gevallen zijn.
1:19:46En die zo dode gesteld zijn.
1:19:48En die soms zo mee kunnen doen met de wereld.
1:19:50En die soms zo als een dode weer neerliggen.
1:19:55Tegelijkertijd.
1:19:56En dat is dan wel het tegenstrijdige.
1:19:58Tegelijkertijd.
1:19:58Ach, wat kun je je diep ongelukkig voelen.
1:20:03U die genade mag kennen.
1:20:05Maar bij wie het zo onder het stof ligt.
1:20:07Wat kun je je tegelijk diep, diep ongelukkig voelen.
1:20:11En dat je met Paulus moest zeggen, ik ellendig mens.
1:20:15Want als je nou die Bijbelheiligenis volgt.
1:20:17Ik heb er net twee genoemd, Salomo en Petrus.
1:20:20Maar je kunt er natuurlijk meer noemen.
1:20:22Die ook in hetzelfde plaatje passen.
1:20:24Als je hun brieven leest, als je hun psalmen leest.
1:20:27Wat hoor je ze kernen, wat hoor je ze kreunen.
1:20:31David bijvoorbeeld, het meest bekende voorbeeld.
1:20:34David die wilde ook niet buigen, die wilde zijn vlees niet kruisigen.
1:20:37Die wilde zijn badsebani kwijt, die wilde niet.
1:20:41En hij sprak niet tot God.
1:20:43Hij bad niet.
1:20:45En dan schrijft hij in Psalm 32.
1:20:47Toen ik zweeg.
1:20:48Toen ik dus niet beleed.
1:20:50Toen ik niet bad.
1:20:52Toen
1:20:56werden mijn beenderen verouderd.
1:20:58Van binnen stierf die man.
1:21:01Diep ongelukkig.
1:21:03Want dat leven is begint.
1:21:04Zodat er bleef er toch in.
1:21:10Totdat hij Nathan op bezoek kreeg.
1:21:15En die zijn vinger uitstrekt.
1:21:16En die zei.
1:21:17Gij zijt die man.
1:21:18En de heilige geest kwam mee.
1:21:21En David brak al zijn geestelijke botten.
1:21:26En hij lag daar door schuldbesef getroffen en verslagen op de grond.
1:21:29En hij was weer op zijn plek.
1:21:30O God, gena, hoor mijn gebed.
1:21:37En dan kan de Heer er soms wel eens nodig achter dat een mens een doorn in zijn vlees krijgt.
1:21:41Een engel des zaterdags die je met vuisten slaat.
1:21:44Of dat de Heer je een zwaar kruis oplegt.
1:21:48Dat hij je met harde hand wakker schudt.
1:21:53Dat moet je moeder misschien ook wel eens doen, jongens en meisjes.
1:21:56Als je wakker geroepen wordt en
1:21:59je hoort mama wel roepen.
1:22:01Maar je luistert niet en je ligt zo lekker en je draai je nog eens om.
1:22:05Dan heeft ze tien keer geroepen en dan komt ze op een gegeven moment naar boven.
1:22:08Dan schuts je je bij je arm of ze trek je uit je bed en nou opstaan.
1:22:13Zo moeten heren dat wel eens doen.
1:22:16Ik zou zeggen laat het daar niet op aankomen.
1:22:18Laat zulke dwang voor u niet nodig wezen.
1:22:22Want als God straks een lief pand van je afneemt.
1:22:25Dan keert dat ook nog als schuld bij je terug.
1:22:29Heden, zo gij zijn stem hoort in deze dag van de zaligheid.
1:22:34Verhaart uw hart niet.
1:22:38God roept nog.
1:22:43En dan moeten wij ook tot God leren roepen.
1:22:47En als iemand zegt, ja wat moet ik dan roepen?
1:22:48Ik heb de Heer al zo lang laten staan.
1:22:51Nou keer dan maar terug naar het allereerste psalmversje wat je misschien geleerd hebt.
1:22:57Waarin de Heer als het ware je het in de mond gelegd heeft.
1:22:59Doe nou je mond maar open.
1:23:02En dan mag je nog eisen ook.
1:23:03Nee, niet op grond van wie je zelf bent.
1:23:08Niet op tranen als je die hebt.
1:23:12Niet op een
1:23:14hele of een halve bekering.
1:23:16Niet op wat gemoedelijkheden, maar op mijn trouwverbond.
1:23:19Omdat ik getrouw ben en omdat ik geen lust heb in de doden als goddeloze.
1:23:23Daarom mag je de vinger leggen bij de schrift.
1:23:25Heren, u zegt het toch.
1:23:27Dat u geen lust hebt in die dood van de goddeloze.
1:23:30U zegt het toch.
1:23:32Wendt u naar mij toe en wordt behouden.
1:23:34O alle geëinden der aarde.
1:23:41Zou u het zeggen en het niet doen.
1:23:46En gemeente, ik kan u natuurlijk niet wakker roepen.
1:23:49Een dominee kan een mens niet bekeren.
1:23:54Maar Paulus zegt, een dominee moet wel mensen proberen te bewegen tot het geloof.
1:24:00Proberen in je geweten te komen.
1:24:04Maar toen Luther zegt, in de prediking moet een zonder als het ware van Gods rechterstoel gedaagd worden.
1:24:12Er loopt een lijn van de preekstoel naar de rechterstoel van God.
1:24:18En stel gemeente, jongens en meisjes, ouderen, jongeren.
1:24:21Stel nou eens dat
1:24:27je zaterdag zult sterven.
1:24:30Je hebt nog een paar dagen om te leven.
1:24:35Hoe zou je nou die laatste dagen doorbrengen?
1:24:44Zou je dan gaan bidden?
1:24:46Als je dat nou zou weten.
1:24:49Nog twee, nog drie dagen en dan ben ik er niet meer.
1:24:52Zou je dan gaan roepen?
1:24:57Zou je dan je bijbeltje dicht laten?
1:24:58Of zou je erin gaan lezen?
1:25:00En biddend lezen.
1:25:01En aanhoudend vragen aan God.
1:25:04O God, wees mij toch genadig.
1:25:14Op kategorisatie vroegen zij.
1:25:17De dominee die ik toen had.
1:25:19Dominee van der Ent heette die.
1:25:22Je moet je bekeren.
1:25:24Wanneer moet ik me bekeren?
1:25:25Vroeg een van die jongens.
1:25:27Eén minuut voor je dood, zei de dominee.
1:25:31Ja, zegt hij, maar ik weet niet wanneer ik sterf.
1:25:33Nee, zegt die dominee.
1:25:34En daarom heiden.
1:25:36Zorg hij zijn stem hoort.
1:25:38Bekeert u.
1:25:41Laat het er niet op aankomen.
1:25:46Paulus die zegt, de heer Jezus die zegt, Christus zal over u lichten.
1:25:54Het licht over de zon daar.
1:25:57Nog even kort.
1:25:59En als het licht opgaat, gemeente, als
1:26:03je wakker wordt.
1:26:05En je ziet dan het licht door de gordijnen heen vallen.
1:26:07Ja, dan zie je dingen die je eerst niet zag.
1:26:11Als
1:26:12God het licht van zijn aanschijn laat vallen in je hart.
1:26:17Als hij je dus gaat ontdekken.
1:26:19Nou, dat gaat natuurlijk niet bij ieder mens op dezelfde manier.
1:26:22Maar de Heer volgt wel altijd een bepaald patroon van ellende, van verlossing en van dankbaarheid.
1:26:29En als God licht in je leven laat vallen.
1:26:32Dan ga je jezelf zien, althans in het begin, zoals dat God je ziet.
1:26:37En dan hoor je die Bijbelheiligen daar allemaal over spreken en over klagen dan.
1:26:42Je zaaier bijvoorbeeld, wee mij.
1:26:47Want mijn ogen hebben de heren der heerscharen gezien.
1:26:50En ik ben een man van onreine lippen.
1:26:56En Job die zegt, met mijn oren heb ik gehoord, maar nu ziet u mijn oog.
1:27:00En daarom vervoeien ik mij in stof en as.
1:27:05En zo kunt u allerlei getuigenissen in de Bijbel wel bijeen krijgen.
1:27:10Om te zien dat, heren, dat patroon volgt als Christus gaat lichten.
1:27:14Als hij gaat spreken door zijn woorden, door zijn geest.
1:27:20Dan word je wie je bent voor God.
1:27:25En als Christus gaat lichten, als Christus zijn genade in je leven gaat verheerlijken.
1:27:32Ja, en wie doet hij dat?
1:27:35Mensen die hun leven al een beetje hebben verbeterd en een beetje hebben gereformeerd.
1:27:39En die toch al een beetje hebben kunnen bidden.
1:27:40Die al een beetje hebben kunnen wenen.
1:27:44En noemt u allemaal maar op die nog...
1:27:46Als halfbekeerde zon daar dan toch al naar hem toe kunnen komen?
1:27:49Nee, gemeente, dan
1:27:53word je een goddeloze.
1:27:56Christus zijn licht valt over goddelozen.
1:28:02In Romeinen 5 zegt Paulus, Christus is de zijne tijd toen wij nog krachteloos waren.
1:28:08Voor goddelozen gestorven.
1:28:11Dan
1:28:16hoor je je naam noemen.
1:28:19Dan ben jij die goddeloze.
1:28:21Dan
1:28:23ben jij die krachteloze.
1:28:27En dan hoor je in het woord, al zo lief heeft God de wereld gehad.
1:28:34Maarten Luther trouwens die heeft over dat woord in een van zijn tafelgesprekken gezegd.
1:28:39Hij was bezig met de vertaling vanuit het Latijn en vanuit het Grieks naar het Duits.
1:28:45En toen kwam hij bij die tekst uit Johannes 3 vers 16.
1:28:50Al zo lief heeft God de wereld gehad.
1:28:55En Maarten Luther die las die tekst.
1:28:57En hij las hem nog eens.
1:29:00En hij las hem nog eens.
1:29:03En toen ging die tekst Maarten Luther lezen.
1:29:07Al zo lief.
1:29:09Heeft God, zo schrijft hij dat al zo lief, heeft God dokter Maarten Luther gehad.
1:29:13Dat hij zijn enige geboren zoon gegeven heeft.
1:29:16Op dat dokter Maarten Luther niet zou verderven, maar eeuwig zou leven.
1:29:23Als God door zijn heilige geest gemeente in je hart werkt.
1:29:26Je zou kunnen zeggen, nou vergaat de wereld, want je bent wereld.
1:29:30Ik word die wereld.
1:29:31Die wereld leeft in mij.
1:29:33Die wereld leeft niet buiten mij.
1:29:35Maar ik ben die wereld.
1:29:36Zo goddeloos en zo verdorven.
1:29:40Nou vergaat de wereld.
1:29:43Als hij ontdekkend en ontgrondend in je werkt.
1:29:51Maar als je dan net als Maarten Luther ook nog zo'n ervaring krijgt als bij Johannes 3 vers 16.
1:29:57Wat een wonder wordt het dan dat God nou al zo lief zo'n wereld heeft gehad.
1:30:03Die wereld die verbrand moest worden, die verdeldigd moest worden.
1:30:06Dat God nou zo'n wereld lief heeft.
1:30:09Ja, dat de Heer nou zo'n zonder als mij lief heeft.
1:30:16En dan vergaat de wereld nog eens.
1:30:18Want dan zeg je weg wereld en weg schatten.
1:30:20Want gij kunt niet bevatten hoe rijk of ik ben.
1:30:23En dan raak je alles kwijt.
1:30:26Wat je eerst zou bekoren.
1:30:28Maar als je Jezus mag hebben verkoren.
1:30:30Wat dan rijkdom is dat.
1:30:40Ontwaakt.
1:30:41Gij die slaapt.
1:30:42Christus zal over u lichten.
1:30:44Je moet wel opstaan zegt de heer Jezus ook.
1:30:48Want je kan natuurlijk ook gemeente.
1:30:49Je kan natuurlijk ook ontwaken.
1:30:52Maar elke ontwaakte ziel is nog geen geredde ziel.
1:30:59Daar is in de Bijbel ook wel een voorbeeld van.
1:31:02Agrippa, koning Agrippa, die werd wakker.
1:31:05Paulus die preekte heel indringend.
1:31:07En Agrippa die zat sidderend op zijn troon.
1:31:09En die zei, jij beweegt mij bijna om een christen te worden.
1:31:14Hij werd wakker.
1:31:18Maar hij stuurde Paulus weer weg.
1:31:23En zo kan het zijn dat je wel wakker geworden bent.
1:31:26Je hebt het misschien wel eens meegemaakt.
1:31:27Een preek raakte je.
1:31:29Je ging de kerk anders uit.
1:31:30En je voelde dat in je hart er iets moest veranderen.
1:31:35Of naar zo'n ernstige roepstem.
1:31:39Iemand uit je gezin of uit je familiekring kwam om het leven.
1:31:44Of er kwam een ernstige roepstem voor jezelf, je werd ziek.
1:31:47En
1:31:51er kwam even een beroering in je ziel.
1:31:54Maar na verloop van tijd, toen zag het leven er toch weer anders uit.
1:31:59En
1:32:02het leven kabbelde weer door.
1:32:04En je bent weer in slaap gesukkeld.
1:32:11Als we dan op zo'n grote zaligheid geen acht geven.
1:32:16Dan zegt Paulus, dan hebben we te vrezen.
1:32:20Om in de handen te vallen van deze God.
1:32:25Ontwaakt.
1:32:26Gij die slaapt.
1:32:27Staat op uit te doden.
1:32:29Christus zal over u lichten.
1:32:33Als de Heer Jezus Christus zich gaat openbaren.
1:32:39Aan zo'n hunkerende ziel.
1:32:40Als iemand die gaat verlangen.
1:32:43Die gaat zoeken.
1:32:44Mijn God u zoek ik met verlangen.
1:32:46Zo ras wij het morgenlicht ontvangen.
1:32:48Mijn ziel en lichaam heigen en dorsten naar u.
1:32:51In een land dat dor en mat van droogte brandt.
1:32:58Christus gaat zich openbaren, hij gaat lichten.
1:33:02En dan gaat die zon des heils natuurlijk langzaam op gemeente.
1:33:05Daar staat nooit een zon direct aan het hoogste punt.
1:33:09De zon des heils gaat aan de kimmen staan, de heer Jezus Christus.
1:33:13Als hij in het leven gaat werken, dan is hij natuurlijk aanvankelijk nog verborgen als zaligmaker, als priester.
1:33:20John Bunyan tekent dat ook zo mooi in zijn Christenreis.
1:33:26Dat het bij de enge poort gaat.
1:33:29Om Christus, maar dan in zijn profetische bediening.
1:33:33Hij spreekt, maar
1:33:36hij is nog verborgen in zijn priestelijke bediening.
1:33:39Want het pak van de zonde valt pas af als Christen bij het kruis is.
1:33:43Maar het is ook Christus die spreekt bij de enge poort.
1:33:47Het is ook Christus die de wet gods leert, zo zegt zondag 2.
1:33:52Waaruit weet gij dat, uw ellende, uit de wet gods?
1:33:54Hoe luidt uw wet?
1:33:55Dat leert ons Christus.
1:33:57Die spreekt al.
1:33:59Het is uit Christus.
1:34:00Het zijn vruchten uit Christus.
1:34:01Alleen zijn persoon als zaligmaker is dan nog eigenlijk wel onbekend.
1:34:06Maar er is wel een verlangen.
1:34:07Er is wel een trekking.
1:34:09Er is wel een hunkering.
1:34:14Om meer en meer te leren kennen van hem.
1:34:17Hem te mogen zien.
1:34:19Dat ik hem mag kennen.
1:34:21In zijn namen.
1:34:23In zijn naturen.
1:34:25Mens en God.
1:34:27In zijn staten van vernedering en van verhoging.
1:34:31Dat ik hem ken in zijn opstandingskracht.
1:34:37Dat die zon des heils mag lichten.
1:34:40Hoger mag gaan schijnen.
1:34:43Hij moet wassen.
1:34:45En ik minder worden.
1:34:48Dat zijn levensbeginselen.
1:34:50Dat zijn levensbegeerten.
1:34:52Waaruit je mag zien dat je wakker geworden bent.
1:34:55Zaligmakend wakker geworden.
1:34:57Dat je ziel naar Christus heigt.
1:35:00Want het gaat nooit buiten Christus om.
1:35:03Wij kunnen nooit enige verzekering van onze staat krijgen buiten de Heer Jezus.
1:35:08Dat kan niet.
1:35:11Het is in Hem alleen te vinden.
1:35:13Wie de Zoon heeft, heeft het leven.
1:35:16En wie de Zoon van God niet heeft, die heeft het leven niet.
1:35:20En daarom was het op.
1:35:23In de kennis en in de genade van ons Heer Jezus Christus.
1:35:26Staat op uit te doden.
1:35:28Christus zal over u lichten.
1:35:31Amen.
1:35:32Laat
1:35:32[GEZANG]
1:37:56ons nog danken en bidden.
1:38:01Ook moedig danken wij u heren dat u vanavond nog hebt willen spreken.
1:38:05Uw woord mocht open liggen.
1:38:08Het mocht verkondigd worden.
1:38:12U bent nog met de belofte van het evangelie gekomen.
1:38:16En dat met bevel van bekering en van geloof.
1:38:19Tot doden die onmachtig in een doodstaat liggen.
1:38:26Maar ook tot dodigen.
1:38:28En dan weet u volmaakt heren hoe het met ons gesteld is.
1:38:34Niet alleen of er kinderen van u zijn die in de vrezen des Heren mogen gaan.
1:38:39En ook in deze tijd zich mogen baden in uw vriendelijke licht dat van uw aanschijn komt.
1:38:47Maar ook of er zijn die zo dodig zijn en zo slaperig.
1:38:51Heren, wilt u dan dat woord toepassen aan het hart en geven.
1:38:56Dat er herstel mag komen, dat er een ontwaken mag komen.
1:39:00Wilt u zelf dan zo de naprediker zijn.
1:39:03En uw zegen geven over de prediking.
1:39:05Ga met ons mee naar huis.
1:39:06Breng ons veilig op de plaats waar wij naartoe gaan.
1:39:09Ook als dat een stille en een eenzame woning is.
1:39:12Wees ons nabij in alle omstandigheden van het leven.
1:39:15Gedenk ons.
1:39:17Bewaar ons voor een onverzoende dood.
1:39:19En breng ons ook aanstaande rustdag weer bijeen.
1:39:22We vragen het uit genade om Jezus wil.
1:39:25Amen.
1:39:28Psalm 84 vers 6 zingen wij tot slot.
1:39:31Want God de Heere zo goed.
1:39:34Zo mild is te allen tijden een zon en schild.
1:39:37Het zesde van 84.
1:39:38[GEZANG]
1:42:21Ontvangt met een bindend hart de zegen des Heren.
1:42:25De Heren zegenen u en hij behoeden u.
1:42:29De Heren doen zijn aanschijn aan uw lichten en hij zij u genadig.
1:42:34De Heren verheffen zijn aangezicht over u en hij geven u zijn vrede.
1:42:40Amen.
1:42:41[GEZANG]