Psalm 39: 5 - 8; De biddag in het licht van onze sterfelijkheid

woensdag 11 maart 2026 · 09:30 uur · Ochtenddienst · Knd G.H. Koppelman · 107 minuten

Transcript

0:00[GEZANG]

10:19Onze

10:24hulp.

10:25En onze enige verwachting.

10:28Is in de naam des Heren, Heren.

10:32Die hemel en aarde geschapen heeft.

10:35In de naam van die God.

10:38Die trouwe houdt.

10:40En die eeuwig leeft.

10:42En die nooit zal laten varen.

10:45De werken zijn er handen.

10:48Amen.

10:51Gemeente, zetten wij deze dienst voordoen met elkaar te zingen uit Psalm 25 en daarvan het eerste vers.

10:56Ik hef mijn ziel, o God der goden, tot u op.

11:00Gij zijt mijn God.

11:03Ik help op.

11:04U vertrouwt in noden, weer toch van mij.

11:07Schaamt en spot.

11:08En wat daar verder volgt in Psalm 25, het eerste vers.

11:12[GEZANG]

14:13Gemeente, de Heer zal deze morgen tot ons spreken vanuit zijn heilige en onfeilbaar woord en wel vanuit het Oude Testament.

14:19En wel de 39ste psalm.

14:22Dus de schriftlezing van deze morgen is psalm 39.

14:26Maar vooraf stellen wij ons voor de spiegel.

14:29En onder de tucht van Gods heilige wet.

14:33Toen sprak God al deze woorden zeggende.

14:36Ik ben de Heere uw God.

14:39Die u uit Egypteland uit het diensthuis uitgeleid hebt.

14:44Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.

14:48Gij zult u geen gesneden beeld, nog enige gelijkenis maken van hetgeen boven in de hemel is, nog van hetgeen onder op de aarde is, nog van hetgeen in de

15:00wateren onder de aarde is.

15:03Gij zult u voor die niet buigen, nog en dienen, want ik, de Heere uw God, ben een ijverig God, die de misdaad der vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde en aan

15:15het vierde lid.

15:17...dergenen die mij haten.

15:18En ik doe barmhartigheid aan duizenden...

15:21...dergenen die mij liefhebben en mijn geboden onderhouden.

15:26Gij zult de naam des Heren uw schots niet ijdelijk gebruiken...

15:30...want de Heer zal niet ontschuldig houden die zijn naam ijdelijk gebruikt.

15:37Gedenk de Sabbatdag, dat gij dien heiligt.

15:41Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen, maar de zevende dag is de Sabbat des Heeren uw schots, dan zult gij geen werk doen.

15:51Gij, nog uw zoon, nog uw dochter, nog uw dienstknecht, nog uw dienstmaagd, nog uw vee, nog uw vreemdeling die in uw poorten is.

16:02Want in zes dagen heeft de Heere de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en...

16:09Hij rustte ten zevende dagen.

16:12Daarom zegende de Heere de Sabbatdag en heiligde denzelven.

16:18Eer uw vader en uw moeder.

16:21Opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de Heere uw God geeft.

16:29Gij zult niet doodslaan.

16:32Gij zult niet echt breken.

16:35Gij zult niet stelen.

16:38Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste.

16:43Gij zult niet begeren uw snaasten huis, gij zult niet begeren uw snaasten vrouw, nog zijn dienstknecht, nog zijn dienstmaagd, nog zijn os, nog

16:56zijn ezel, nog iets dat uw snaasten is.

17:05Lezen wij verder psalm 39.

17:08Een

17:10psalm van David voor de noppenzangmeester voor Jeduten.

17:16Ik zeide, ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong.

17:21Ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.

17:28Ik was verstomd door stilzwijgen.

17:31Ik zweeg van het goede, maar mijn smart werd verzwaard.

17:36Mijn hart werd heet in het binnenste.

17:39In mijn binnensten een vuur ontbrandde.

17:41In mijn overdenking toen ik sprak met mijn tong.

17:45Heere, maak mij bekend mijn einde.

17:49Welke de mate mijner dagen zij dat ik weten hoe vergankelijk ik zij.

17:55Zie, gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld en mijn leeftijd is als niets voor u.

18:02Immers is in ieder mens hoe vast hij staat enkel ijdelheid.

18:07Sela.

18:09Immers.

18:10Wandelt de mens als in een beeld.

18:12Immers voelen zij eidelijk.

18:15Men brengt bijeen.

18:17En men weet niet wie het naar zich nemen zal.

18:20En nu, wat verwacht ik?

18:23O heren, mijn hoop die is op u.

18:28Verlos mij van al mijn overtredingen.

18:31Stel mij niet tot een smaardes dwazen.

18:34Ik ben verstomd.

18:36Ik zal mijn mond niet open doen, want gij hebt het gedaan.

18:41Neem uw plaag van op mij weg.

18:44Ik ben bezweken van de kastijding uw hand.

18:48Kastijd gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid.

18:52Zo doet gij zijn bevalligheid smelten als een mot.

18:56Immers is een iedermens ijdelheid.

19:00Sela, heren.

19:03Hoor mijn gebed en neem mijn geroep ter oren.

19:08Zwijg niet tot mijn tranen, want ik ben een vreemdeling bij u, een bijwoner gelijk al mijn vaders.

19:15Wend u van mij af, dat ik mij verkwikke eer dat ik heenga en niet meer zij.

19:25Tot zover de schriftlezing.

19:31Zullen we met elkaar de heren bidden en smeken om een onverdiende, maar zo onmisbare zegen over deze dienst.

19:37Maar ook over het nieuwe jaarseizoen.

19:41Laat ons bidden.

19:45Heren,

19:47allerhoogste God,

19:50almachtige schepper van hemel en van aarde.

19:57En wat is het toch een eeuwig wonder dat u een schepper bent.

20:04Want u maakt, u schept iets uit niets.

20:11En nou bent u niet opgehouden, heren.

20:15Met uw zorg voor deze aarde.

20:18Met uw zorg voor de schepping en het schepsel.

20:23En nou bidden we u, heren.

20:26Zou u dan vandaag vanuit uw hoge hemel nog zeer laag willen neerzien op ons?

20:36Nietig stof.

20:39Heren.

20:40Wij menen zo vaak zoveel te zijn.

20:44Wij menen ook dit jaarseizoen.

20:47Met onze arbeid.

20:50Met ons werk.

20:51Van alles te presteren.

20:55Onze schuren te vullen.

20:58Onze voorraadkasten.

21:01Onze bankrekening.

21:05Maar u zegt het zonder mij.

21:07Kun

21:09je niet iets doen.

21:11En heren daarom.

21:13Komen wij met verlegenheid.

21:16Tot u de almachtige.

21:20Heren we smeken u op deze biddag.

21:23Komt u ons te hulp.

21:27Want heren er is van ons geen verwachting.

21:33Wij maken ons druk.

21:35Wij brengen bijeen.

21:37Maar wij weten niet wie het naar zich nemen zal.

21:41O

21:43heren wij zijn maar beperkt.

21:48Wij zijn sterfelijk en

21:53doen ons dat geloven.

21:56Zodat we vanmorgen alle parmantigheid en alle doenerigheid...

22:01en alle zelfbeschikking in zouden kwijtraken.

22:07Zodat wij voor het eerst of opnieuw worden wie we zijn.

22:11Zondaar,

22:13sterfelijke zondaar.

22:16Een ziel geschapen voor de eeuwigheid.

22:20En heren, u kunt zelfs het kleinste kind in de kerk of...

22:24Bij de kerktelefoon met ons verbonden.

22:27Die ernstig opbinden.

22:30Het verschil tussen de tijd en de eeuwigheid.

22:36Het verschil tussen wie ik ben en wie u bent.

22:42Heren, dan smeken we het van u af.

22:47Onthoud ons dan ook deze morgen uw heilige geest niet.

22:50Als wij op zo'n diep ingrijpende wijs als u het geeft.

22:55Geconfronteerd zullen worden met wie wij zijn.

22:59En waar dan nog onze enige verwachting kan zijn.

23:04Ook voor het nieuwe jaarseizoen.

23:07Van biddag tot dankdag.

23:11Heren, en dan hebt u ons deze dag gegeven.

23:15In het bijzonder om uw zegen af te smeken.

23:19Over gewas, arbeid, over

23:24landbouw, over visserij.

23:27Over ons schoolwerk, over ons werk thuis.

23:30En heren, daarom smeken we het u.

23:34Wilt u ons uit onverdiende goedheid, uit genade een zegen bereiden.

23:43Zodat onze landerijen hun gewassen mogen voortbrengen.

23:49En we weten van voorgaande jaren, het

23:54kan zomaar te nat zijn.

23:56Het kan zomaar te droog zijn.

23:59En in onze ogen doet u het uiteindelijk nooit goed.

24:03En daarom smeken we het u heren.

24:06Voor al het gewas wilt u ons geven.

24:10Wat wij nodig hebben.

24:13Op de wijze die u goed acht.

24:15Op een wijze die ons aan u verbindt.

24:20Bij de voordeur.

24:22Als landbouwer.

24:24Als akkerbouwer.

24:26Als boer.

24:29Want ook kunnen wij onze koeien niet de melk geven die wij zouden willen.

24:34Ook dat is afhankelijk van uw zegen.

24:38Of voor onze geitenhouderij.

24:41Of op welke andere wijze wij ook bij het agrarisch bedrijf betrokken zijn.

24:45Heren, wilt u uw zegen gebieden.

24:49En dan weet u ook hoe moeilijk het is.

24:53Al een wet en regelgeving die het ondernemen soms bijna onmogelijk maken.

25:00Waardoor er zoveel onzekerheid is op het boerenbedrijf.

25:03Zoveel spanning, zoveel stress.

25:05En dat het ons zo in beslag kan nemen dat wij u, de levende God, zomaar kunnen vergeten.

25:13Terwijl er juist bij u raad is.

25:17Want u werkt toch dwars door de onmogelijkheden heen.

25:23Heren, gedenk daarin ook de visserij.

25:27Ook daar zien we.

25:29De ene na de andere kotter moet gesaneerd worden.

25:33Alles loopt terug.

25:36En misschien ook onder de vissers hier in de gemeente wel spanning.

25:40Hoe gaat het verder?

25:43Krijgen we nog genoeg kwoten?

25:45Heren, u weet ervan.

25:48O, wil ook de vissers genadigd zijn.

25:52Geef dat ze het werk van hun handen mogen verrichten tot uw eer.

25:57En dat er ook in die arbeid vreugde mag wezen.

26:01En we bidden u, heren, geef een ommekeer ook in alle wetten en regelgeving...

26:05waardoor het vissen ook mogelijk blijft.

26:11Heren, gedenk alle andere arbeid op fabrieken.

26:14Op kantoren, op bouwplaatsen, in

26:19huizen.

26:21Ja, waar niet?

26:23Ook op de scholen.

26:26Heren, wilt u onze hand zegenen?

26:32Wilt u onze vlijt, onze ijver zegenen?

26:36Heren, geef dat wij niet lui zullen zijn, maar mogen doen naar ons vermogen.

26:43Geef daarbij alles wat nodig is, heren.

26:46Leer ons af te zien van eigen kracht en op te zien tot u.

26:52Heren, gedenk daarin ook.

26:55In het bijzonder ook de moeders thuis.

26:59Die ook vaak onder zoveel druk het werk moeten verrichten.

27:05De financiële lasten op het gezin zijn vaak zo zwaar.

27:09Dat ook een moeder soms genoodzakt is om een aantal dagen per week buiten de deur te werken.

27:16En de man en vader, als die er nog mag zijn, nog zoveel opdrachten heeft te vervullen.

27:22Naast zijn werk.

27:24Dat we soms niet weten hoe het rond moet komen.

27:26Heren, geef kracht.

27:29Betoon dat u er van af weet.

27:32Maar geef boven alles ook in onze gezinnen, heren.

27:35En binnen de huwelijken.

27:36Dat de man, profeet, priester en koning mag zijn in het gezin.

27:43Geef dat een vrouw dienen dienstbaar mag blijven aan haar man en haar kinderen.

27:47Als die door u gegeven zijn.

27:50En dat wij ons niet laten meeslepen.

27:53Door de eis van deze wereld.

27:56Door de hang naar succes en rijkdom.

28:00Want wij weten niet wie het na ons na zich nemen zal.

28:06Heren, gedenk het werk op de scholen.

28:10Dat u het onderwijs op gereformeerde grondslag zegenen.

28:15Maar er zullen nu misschien ook wel onderwijzers docenten zijn die op een openbare school werken.

28:21Heren, geef dat hun werkzaamheden...

28:25Mogen zijn als een zout en een licht.

28:29Heren, gedenk al het werk in de kerk.

28:33Ook nu we weer het winterwerk langzaam maar zeker uitgaan.

28:38Maar dat wil toch niet zeggen dat het klaar is.

28:43Want nou zoekt u vrucht.

28:45Op alle kategorisatielessen.

28:48Op alle bijbellezingen.

28:50Op alle verenigingswerk.

28:52En als er geen vrucht gevonden wordt.

28:55O heren, dan heeft u toch alle recht.

28:58Dat heeft u sowieso om te zeggen, wordt uitgehouden.

29:04Heren, dan

29:06kan het ons tot die angstige vraag komen.

29:09Hoe moet het dan verder?

29:11En David geeft ons het antwoord.

29:13Nu dan, o heren, wat verwacht ik?

29:16Mijn hoop, die is op u.

29:20Gedenk ons wanneer we niet kunnen werken.

29:24Omdat wij werkloos zijn.

29:28Omdat we op een andere manier...

29:31Niet in staat zijn om ons werk te doen.

29:33Wegen ziekte.

29:35Heer wil ook dan ons geven wat nodig is.

29:39En wil ons laten zien.

29:41Dat wij niet pas meetellen.

29:42Wanneer wij een loonstrook binnenkrijgen.

29:45In plaats van een uitkeringsbriefje.

29:49Heer wil ons laten zien.

29:50Dat u die God bent.

29:53Die wil zorgen.

29:56Ongeacht.

29:58Waar wij werken.

29:59Hoe wij werken.

30:00En of wij werken.

30:02Wanneer dat niet kan.

30:05Geef dat ook de werklozen.

30:07Hun oog op u zullen slaan.

30:10En geeft u ze werk, heren.

30:13Knieënwerk.

30:17Daar zou de gemeente toch nog goed mee zijn.

30:21Heren, weet u hoe dat er op deze dag zoveel kan zijn?

30:26Wat ons met verdriet en smart vervult.

30:30Ontferm u over de rouwdragenden.

30:33Ontferm u over de zieken.

30:36O, er zijn er ook uit de gemeente die voor de poorten van de eeuwigheid liggen.

30:42O heren, geef ons ook een gebed voor hen.

30:45Heren, geef wat nodig is voor de ziel.

30:50Om de dood Jordaan over te gaan.

30:53Als er nog geen ark staat, omdat er geen verzoening is.

30:57Heren, wil het nog doen.

31:00Om uw grote naams wil.

31:04Heren, gedenk.

31:07Zo naar de grootheid en de rijkdom van uw genade.

31:10En ontfermt u zich ook over de gemeente van Oudorp.

31:15Heren.

31:16Zegen al het pastorale werk.

31:18Door de broeders van de kerkraad.

31:21Door de pastoraal medewerkers.

31:24En heren.

31:25Zou u.

31:27Op uw tijd.

31:28En op uw wijze.

31:30De man naar uw hart.

31:33En naar uw raad.

31:35Aan deze gemeente willen verbinden.

31:39O grote koning.

31:41Zie nog neer op dit volk.

31:44Wil ze niet begeven.

31:45Wil ze niet verlaten.

31:48Werk nog wonderen, heren.

31:51Tot verbrokenheid van het hart.

31:54Tot verheerlijking van uw werk.

31:57Om Christus wil alleen.

31:59Uit genade alleen.

32:03Amen.

32:10Kinderen, ik

32:13ga vanmorgen maar eens anders beginnen dan anders.

32:19Ik wil je een vraag stellen.

32:22En die vraag luidt als volgt.

32:26Wat

32:27verwacht jij?

32:31Heb je die vraag eerder gehoord?

32:34Wat?

32:35Wat verwacht jij?

32:38Als het goed is wel.

32:40Als het goed is, is dat het jaarthema waar jullie mee werken.

32:44Onder andere op school.

32:47En nou ben ik eigenlijk wel heel benieuwd.

32:50Wat verwacht jij van de toekomst?

32:58Wat verwacht jij van biddag tot dankdag?

33:07Wat verwacht jij van vandaag?

33:15Ik heb nog een vraag.

33:17Wat verwacht je van deze dag?

33:26Ken je die gelijkenis van de rijke dwaas?

33:31Je weet wel die man die zag dat hij zo'n goede oogst had gehad.

33:37Dat hij dacht maar nu zijn mijn schuren te klein.

33:40Dus ik moet wel grote nieuwe schuren gaan bouwen.

33:44Nou dat ga ik dan doen.

33:46En hij bouwt grote nieuwe schuren.

33:48En al zijn oogst, al zijn voorraad slaat hij op in die schuren.

33:53En weet je wat hij dan zegt?

33:55En nou stop ik met werken.

33:57Want ik heb geld genoeg, ik ben rijk.

33:59Ik heb schuren vol met spullen.

34:06Wat kan mij nog gebeuren?

34:11En dan hoor ik de Heer Jezus zeggen, jij dwaas.

34:15Dwaas die je bent.

34:18Je zult vannacht sterven.

34:23En alles wat je hebt zul je dan een ander moeten geven.

34:29En als ik nou die rijke dwaas is die vraag had gesteld.

34:33Wat verwacht jij van de toekomst?

34:37Nou dan had hij gezegd,

34:39elke dag feest.

34:42Ik heb geld genoeg.

34:44En we halen die rijke dwaas maar even naar vandaag toe.

34:48Mooie auto, mooi huis.

34:51Ik zal me goed laten verzorgen.

34:55En wat verwacht je van dit jaar, van biddag tot dankdag?

35:00Oh, zegt hij.

35:02Ik ga eens kijken waar ik kan investeren.

35:05Ik ga dit kopen, ik ga dat kopen.

35:07Ik ga misschien nog wel een heleboel geld beleggen.

35:12Wat verwacht je van vandaag?

35:16Nou, om tien uur komt de bakker een groot ontbijt brengen.

35:20Om twaalf uur gaat mijn kok voor mij een gezonde maaltijd koken.

35:24En vanmiddag reis ik weg naar een prachtig hotel.

35:29En vanavond stap ik op het vliegtuig en ik ga op vakantie.

35:34En de kerkdienst dan?

35:38Rijke meneer, wat ga je met de kerkdienst doen?

35:40O, die luister ik onderweg in het vliegtuig wel na.

35:44Moet nou eigenlijk gewoon even mijn eigen dingen doen.

35:48Wat verwacht u van de heren?

35:55Ja, die heeft mijn rijk gezegend.

35:59Mijn jonge vriend.

36:03En die rijke man die sterft.

36:07Weg alle plannen.

36:09En wat is er dan belangrijk?

36:12Wat is er dan werkelijk belangrijk als je sterft?

36:17Wat heb je dan aan je geld?

36:20Wat heb je dan aan je volle voorraad schuren?

36:23Wat heb je dan aan honderd diploma's?

36:29Helpen die jou voor de rechterstoel van de heren?

36:35Wat verwacht jij van de toekomst?

36:41Je zegt die is onzeker.

36:42Dat is waar.

36:43Er is oorlog.

36:47We leven in een land waar wij een homoseksuele premier hebben, minister-president.

36:56Wat verwacht je van dit jaarseizoen nou?

36:58Ik wil graag naar groep 8.

37:00Wil veel geld verdienen op het baantje.

37:04En de dienst van vandaag, wat verwacht je daarvan?

37:09Zeg eens,

37:11ben je vanmorgen naar de kerk gekomen?

37:16Ben je biddend naar de kerk gekomen en gezegd, heren, heren, nou ben ik nog zo jong, nou ben ik maar acht jaar oud en ik vind het best moeilijk op middag.

37:25Want ik weet niet goed waar het over gaat.

37:28Ik weet niet goed wat ik verwacht.

37:33Weet je, de heren wil je vanmorgen samen met je ouders, samen met de kerkenraad, samen met de gemeente thuis en hier in de kerk en samen met mij als jouw voorganger vandaag iets

37:46leren.

37:48Want wij hebben grote plannen.

37:50Wij hebben wel verwachting van heel veel dingen.

37:52Maar de heren die geeft ons vanmorgen een heel andere blik.

37:57En door jullie jaarthema kinderen kwam ik bij deze preek tekst.

38:04Zalm 39, de versen 5 tot en met 8.

38:11Waarvan ik alleen het achtste vers nog voorlees.

38:14En nu, wat verwacht ik o heren?

38:16Mijn hoop,

38:18dat is bijna hetzelfde als verwachting.

38:21Mijn vooruitzien, ik zie alleen op u.

38:29Ik heb boven de preek geschreven, een biddag in het licht.

38:34Van onze sterfelijkheid.

38:37Een biddag in het licht van onze sterfelijkheid.

38:41Drie gedachten.

38:41De eerste een aangrijpend gebed.

38:44Het vijfde vers.

38:45Ten tweede een ernstige conclusie.

38:48Vers zes en zeven.

38:50En ten derde een hartelijke beleidenis.

38:53Vers acht.

38:54Dus een aangrijpend gebed.

38:56Een ernstige conclusie.

38:58En een hartelijke beleidenis.

39:02We gaan er eerst samen van zingen.

39:04Upsalm 39.

39:06En daarvan zingen we met elkaar de versen 3 tot en met 5.

39:10Terwijl uw gelegenheid krijgt uw liefde gaven af te zonderen voor de heren en zijn dienst.

39:14En wij zingen vers 3.

39:16O heer ontdek mijn leven zijnd aan mij.

39:18Het vierde vers gaat niet de mens als in een beeld daarheen.

39:22En het vijfde vers.

39:23Nu dan o heren.

39:25Wat is het dat ik verwacht?

39:26Mijn hoop staat op u alleen.

39:30In

39:30[GEZANG]

46:55eerste gedachte noemden we u een aangrijpend gebed.

46:59Gemeente, wat denkt u?

47:01Zou het beseffen, het diep beseffen van uw eigen sterfelijkheid, van jouw sterfelijkheid, mijn jonge vriend, zou dat je gebed op de biddag veranderen?

47:14Zou dat de invulling van je biddag veranderen?

47:20Ach, misschien zeg je wel, moet de biddag nu zo beginnen?

47:25Moet ik nou vanmorgen stilstaan bij mijn eigen sterfelijkheid?

47:30Dat is toch geen biddag houden?

47:34Nou, misschien moet je die conclusie nog even uitstellen.

47:38Want op dit soort vragen geeft onze tekst, denk ik, een onderwijzend en eerlijk antwoord.

47:45Een psalm van David.

47:48Voor de opperzangmeester, voor

47:51Jeduten.

47:55We hebben de psalm gelezen.

47:57Een diepe psalm.

48:00David heeft zijn diepste zielenroerselen aan het papier toevertrouwd.

48:05Zijn worstelingen, zijn onmacht, zijn broosheid en zijn vergankelijkheid.

48:10Hij, de grote koning van Israël, hij beschrijft ze eerlijk.

48:15Hij heeft werkelijk onder ogen gezien wat het nou wil zeggen om mens te zijn.

48:22En hij voelt zich daar niet te groot voor.

48:26En hij voelt zich daar niet te veel koning voor om dit eerlijk onder ogen te zien.

48:33En die levensles die David heeft mogen leren, die deelt hij ook met ons.

48:41En dan vragen we ons wellicht af, gemeente, waar komen toch die diepe grondtonen in deze psalm vandaan?

48:49Wat is hier aan de hand?

48:51Wel, daar geeft de psalm niet direct een antwoord op.

48:56Maar door het noemen van Jeduten lijkt het erop dat deze psalm geschreven is op het moment dat de ark inmiddels teruggekeerd is in Jeruzalem.

49:07Want daarna werd Jeduten, Heman en Asaf door David aangesteld als de opperzangmeesters, de koorleiders.

49:17En dan is het waarschijnlijk zo dat deze psalm een terugblik is op die tijd dat hij vervolgd werd door Saul.

49:27Maar het kan ook zijn...

49:29En dan zie je maar weer, we weten het niet precies, vanwege een aantal parallellen die ik nu laat liggen met Psalm 38, dat David ziek is.

49:39Hoe dan ook, er is een zware strijd in zijn binnenste gaande.

49:45Twee dingen weten we echter wel over de directe aanleidingen van de woorden die nu tot ons komen.

49:53Wel, dat David niet wil zondigen met zijn tong.

49:58En hij melkorft zichzelf bijna.

50:02Hij sluit zijn mond als het ware af.

50:05Hij zegt, ik doe er een riem omheen.

50:07Ik doe mijn mond helemaal dicht, want ik wil niet spreken.

50:12En we weten dat er goddelozen op dit moment in zijn leven aanwezig zijn.

50:18En die combinatie veroorzaakt een grote strijd in zijn binnenste.

50:26En die strijd die dwingt hem bijna om tegen die goddelozen te gaan spreken.

50:31Mijn hart werd heet in het binnenste.

50:34Een vuur ontbrandde in mijn overdenking.

50:39Oh, hij is zo bang dat dat vuur ervoor zorgt dat hij zich zal misgaan met zijn tong.

50:46Dat hij zou zonden bedrijven.

50:48Dat hij in zijn haast en ongenoegen God ongeruimdheid zou toeschrijven en zou gaan mopperen.

50:55In opstand en ongelof.

50:58Hoe?

51:00Ach, David kon Asaf en Job een hand geven.

51:07Ziende de voorspoed van de goddeloze.

51:12En dan ziende zijn eigen leven.

51:16Hoe kan dat nu?

51:18En misschien is dat ook jouw vraag wel.

51:20Hoe kan dat nu dat de wereld soms zoveel voorspoed lijkt te hebben?

51:25En ik ben ziek.

51:27En ik heb geen succes.

51:29En mij breekt alles bij de handen af.

51:36Ik heb tegenslag en ellende.

51:41Zo zag David dat op dat moment ook.

51:44Totdat.

51:46Totdat.

51:48Hij bepaald wordt bij de kortheid van het leven.

51:53En dan komt opeens alles in deze psalm in dat perspectief te staan.

51:57En dat verandert zijn kijk op alles.

52:08Gemeente, als

52:11het ons zo...

52:13Tegen de wind gaat.

52:15Als het ons zo zwaar valt.

52:18Als wij van dankdag tot biddag zoveel tegenslag gekregen hebben.

52:25Heb

52:28je je tong.

52:30Heb je je mond gemuilkorft.

52:33Omdat je bang was om die God die je nog zoveel goedheid schonk.

52:39Anders zat je hier vanmorgen niet.

52:41Anders kon je vanmorgen niet meeluisteren.

52:44Hij die God verdriet zou doen.

52:47Vanuit dat ongenoegen.

52:52David zweeg zelfs van het goede.

52:54Ach, misschien doe je dat ook wel.

52:58Maar wees eens eerlijk.

53:02Heb je wel eens beseft hoeveel oneer wij de heren kunnen aandoen met onze tong?

53:09En meestal in het bijzonder op die momenten als het ons tegenloopt.

53:18Ja, maar dan zeg ik niks tegen de heren, wel tegen mijn buurvrouw.

53:21Ja, maar wat zeg je dan tegen de buurvrouw over de heren?

53:29Je mag best je nood uitklagen voor

53:33God.

53:35Je mag best je waarom vragen stellen.

53:37Maar stel die dan bij hem die de antwoorden heeft gemeente.

53:45Onze tong.

53:47Bedenk het.

53:49Jacobus zegt het is als een vuur.

53:53En één vuurtje kan

53:57een heel dorp platleggen.

54:00Eén keer je aansteker aan doen kinderen.

54:05Het hele oude dorp kan afbranden.

54:07Met één vuurtje.

54:09Zo is het ook met onze tong.

54:10Eén woord kan zoveel kapot maken.

54:16Paulus zegt het is een keel.

54:18Is een geopend graf, met hun tongen plegen zij bedrog.

54:23Slangenvernijn, slangen geven zonder hun lippen.

54:24Welker mond vol is van vervloeking en bitterheid.

54:28Ach, heb je het geleerd?

54:30Als dat nou je tong is, als dat nou je mond is.

54:33Dat die nou uiting geeft wat er aan je hart zit.

54:40Ach, als je het weet dat het waar is, dan is het tot smart en schuld voor God geworden.

54:46En als je dat nou niet weet, dan stem je het misschien wel toe met je mond.

54:50Maar je hart is ver bij die waarheid vandaan.

54:53En dan ten diepste, ten diepste volg je de hele strijd van David dan niet.

54:58Laten we naar het begin van zijn gebed gaan.

55:01Heren, maak mij bekend mijn einde.

55:04En welke de mate mijner dagen zij.

55:06Dat ik weet hoe vergankelijk ik zij.

55:11Heren.

55:12Vijf hoofdletters, de verbondsgod, de god van Abraham, Isaac en Jacob.

55:17Heren, u die alles weet, u die alles ziet, ik roep u aan.

55:23En David gaat nu toch spreken.

55:26Hij haalt als het ware zijn muilkorf eraf.

55:28Hij gaat toch spreken.

55:31En dan benadert hij zijn probleem wat indirect.

55:34Hij zegt niet, heren, waarom hebben de goddelozen voorspoed en moet ik lijden?

55:40Want dan zou hij eigenlijk zeggen, heren, u bent onrechtvaardig.

55:44Wat doet hij wel?

55:47Wel, David vraagt naar een verklaring voor de reden van zijn, maar ook van de hele mensheid van ons bestaan in het licht van de kortheid van ons leven.

55:58En dan vraagt hij drie dingen.

56:00Heren, maak mij bekend mijn einde, welke de mate mijner dagen zij, en dat ik weet hoe vergankelijk ik ben.

56:14Zou je dat de heren vanmorgen navragen?

56:16David vanmorgen navragen?

56:18Kinderen, zou je dat dan de heren vragen?

56:20Heren,

56:22maak mij bekend mijn einde.

56:25En welke de mate mijner dagen zij.

56:29Heren, vertelt u mij wanneer ik ga sterven?

56:31Hoe lang dat nog duurt?

56:43Dat vraagt David.

56:46David vraagt hier ten diepste om een diep...

56:50besef van de kortheid van zijn bestaan en de gevolgen daarvan.

56:55Daarom zegt hij dat ik weet hoe vergankelijk, hoe voorbijgaand, hoe eindig, hoe ophoudend ik ben.

57:06En aangrijpend, het woordje vergankelijk hier in onze tekst wordt ook wel vertaald met onwaardig.

57:17Al met al het gaat om de nietigheid, het niet in tel zijn van ons bestaan hier op de aarde in het licht van die oneindige eeuwigheid.

57:27Maar ook over ons bestaan onder de toren en onder de vloek van God.

57:34Gemeente, dit alles gaat over sterven.

57:37En wat is sterven?

57:40Sterven is een einde aan onze voorbereidingstijd op de eeuwigheid.

57:46O, dat zij wijs waren.

57:48Zij zouden dit vernemen.

57:50Zij zouden op hun einde merken, zegt Mozes.

57:55En wees eens eerlijk.

57:57Hoe vaak en hoeveel voelt u?

58:01Zeker als je ouder wordt.

58:03Voel je niet het afbrokkelen van je bestaan?

58:10Want de levenden weten dat zij sterven zullen, zegt de prediker.

58:16Ja, toch?

58:18Dat weet je toch?

58:19Je weet toch dat je zult gaan sterven?

58:23Of niet?

58:25Nou, juist als je het ontkent weet je dat het zo is.

58:28Want wij vechten daar van nature tegen.

58:33Want we zijn er allemaal wel achter gekomen dat de duivel de grootste leugenaar is die er bestaat.

58:39Want hij is de vader van alle leugenaars.

58:43Want wat had de duivel beloofd aan Adem en Eva, kinderen?

58:49De duivel had beloofd...

58:51Als je van die boom eet, zul je als God worden.

58:54Je zult niet sterven.

58:57Nee, je zult niet sterven.

58:58Dat komt best goed.

58:59Je wordt als God.

59:01Ja, ja.

59:04Maar zeg het maar.

59:05Wie heeft er gelijk gekregen?

59:07Heeft de duivel gelijk gekregen of heeft de heren gelijk gekregen?

59:15Als ik dan in mijn bijbeltje lees.

59:18In de beruimde psalmen.

59:20Wie leeft er die de slaap van de dood niet eens zal slapen?

59:24Wie redt zijn ziel van het graf?

59:27Dan blijkt het toch dat wij de duivel niet moeten geloven.

59:32Dan blijkt het toch dat hij de grotere leugenaar is.

59:36Heren, maak mij bekend mijn einde.

59:39En welke de mate mijner dagen zij.

59:42Dat ik weet hoe vergankelijk ik ben.

59:46Ten tweede een ernstige conclusie.

59:51Gemeente David weet ten diepste al het antwoord op de vraag.

59:55Hij zegt het eigenlijk al voor de heren uit.

59:57Zie.

59:58Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld.

1:00:02Mijn leeftijd is als niets voor u.

1:00:05Immers is in ieder mens hoe vast hij staat.

1:00:08Enkel ijdelheid.

1:00:10Sela.

1:00:11Hij zegt eigenlijk, heren, zo liggen de feiten toch, heren?

1:00:17Een handbreed gesteld.

1:00:19Dus de maat van mijn dagen, de lengte van mijn dagen, gemeente, is vergankelijk, een handbreed en in het licht van de eeuwigheid niets.

1:00:27Een handbreed.

1:00:30Het gaat hier in het Hebraeus over een maat.

1:00:33En het is de smalste maateenheid die er te bedenken is bijna in het Hebraeus.

1:00:38Een handbreed.

1:00:40Het gaat over dit.

1:00:41Dus niet over dit.

1:00:42Dat heb ik denk ik hier ook wel eens gezegd.

1:00:44Maar toen wist ik dit nog niet.

1:00:45Het gaat echt over dit.

1:00:46Dat is een handbreed.

1:00:50Vier vingers.

1:00:51Vouw je duim er maar eens achter kinderen.

1:00:53Vier vingers.

1:00:59En stel je nou eens voor, die vier vingers.

1:01:01En bedenk je nou eens een keer zo'n helder blauwe zomerdag.

1:01:07Dat de zee bijna overgaat in

1:01:12de lucht.

1:01:14Zo ver je kan kijken, blauw, blauw, blauw, blauw, blauw.

1:01:18Zo hoog je kan kijken, blauw.

1:01:21En dan die vier vingers, deze afstand.

1:01:24Zo'n kleine afstand.

1:01:26Bij die onmetelijkheid.

1:01:29Nou, dat is nou het verschil tussen de tijd en de eeuwigheid.

1:01:35Ik zal je nog een voorbeeld geven.

1:01:37Misschien zie je het wel eens.

1:01:38De afgelopen dagen heeft de zon zo heerlijk geschenen.

1:01:41En dan valt de zon zo naar binnen, misschien wel door die luxaflex heen.

1:01:45En dan zie je zo dat al die stofjes komen naar binnen.

1:01:51Al die stofjes komen naar binnen.

1:01:53Eén zo'n stofje, dat is je leven.

1:01:58En de hele wereld eromheen, dat is de eeuwigheid.

1:02:03Voel je nou het verschil?

1:02:06En wij zijn nu in dat kleine stofje, in de tijd.

1:02:15Dus je leven te meten.

1:02:20De eeuwigheid is niet te meten.

1:02:26En elke morgen als je wakker wordt, moet je maar even weer zo doen.

1:02:30Vouw je je duim naar binnen, dan kijk je even hier naartoe.

1:02:37Ik moet sterven.

1:02:40En als je je hand open doet, dan zie je hier een M in staan.

1:02:44Kijk maar eens bij jezelf.

1:02:45Heb jij ook kinderen?

1:02:48Twee keer een M in beide handen.

1:02:51Memento mori.

1:02:53Gedenk te sterven.

1:02:55We hebben die preek van de heren meegekregen.

1:02:58Elke dag een handbreed en memento mori.

1:03:02Gedenk te sterven.

1:03:04Denk aan de kortheid van het leven.

1:03:06En mijn leeftijd is als niets voor u.

1:03:10Dat onderstreept het nog maar eens.

1:03:12Want wat zegt Psalm 90?

1:03:13Gij doet de mens wederkerend tot verbreizeling.

1:03:16En zegt, keert weder, gij mensenkinderen.

1:03:19Want duizend jaren zijn in uw ogen als de dag van gisteren.

1:03:23Als hij voorbij gegaan is als een nachtwaak.

1:03:30Duizend jaren zijn in uw ogen als de dag van gisteren.

1:03:34Zo ziet de Heer de dingen.

1:03:42Zo ziet de Heer de dingen.

1:03:45En de Heer heeft zich bewezen als een God die de waarheid spreekt.

1:03:50Dus als de Heere nou vanmorgen tegen mij zegt, je leven is vier vingers breed, is een stofje.

1:04:02Dan moet ik dat toch ook aanvaarden als de waarheid.

1:04:11De Heere weet de dingen.

1:04:14En voor onze volwassenen, de Heere heeft het eeuwigheidsperspectief.

1:04:19Hij overziet de eeuwen.

1:04:22Hij overziet de tijden.

1:04:24Ja, hij heeft de tijden zelfs in zijn hand.

1:04:27Zo groot is hij.

1:04:30En de Heere concludeert dan over mijn leven.

1:04:33Kort, zeer kort in het licht van de eeuwigheid.

1:04:36En wat zegt dat ons dan?

1:04:39En gelijk het de mensen eenmaal gezet is te sterven.

1:04:42En daarna het oordeel.

1:04:48En na die ontzettend korte tijd van honderd jaar leven.

1:04:53En de meesten halen dat niet eens.

1:04:58Moet ik sterven?

1:05:01En waar kom ik dan?

1:05:03Voor Gods rechters toe.

1:05:05Dan moet ik rekenschap afleggen hoe ik die korte tijd van honderd jaar heb doorgebracht.

1:05:16En dan weten wij allemaal,

1:05:19zoals ik geboren ben, kan

1:05:24het niet blijven.

1:05:25Want als ik sterf zoals ik geboren ben en zo voor Gods rechters toe kom, oh dan...

1:05:32Moet hij mij voor eeuwig van voor zijn aangezicht wegvagen.

1:05:40Dus dat ene kleine stofje die hand breekt.

1:05:45Die tijd gaat er niet in de eerste plaats om hoe succesvol kan ik worden.

1:05:50Hoe groot kan mijn bedrijf worden.

1:05:52Hoeveel vruchten kan ik van mijn akker halen.

1:05:55Nee, hoe ga ik mij voorbereiden op die tijd die erna komt.

1:06:01De eeuwigheid.

1:06:07Het is voorbereidingstijd op de eeuwigheid.

1:06:11Die hand breed.

1:06:13Daarom ben je er nog.

1:06:14Om je voor te bereiden op de eeuwigheid.

1:06:17Wat toch een onuitsprekelijk wonder.

1:06:20Dat de Heer ons dat nog geeft gemeente.

1:06:23Nadat wij tegen hem zijn opgestaan.

1:06:25Hij had ons voor eeuwig van voor zijn aangezicht kunnen wegvagen.

1:06:28En gedacht hebben.

1:06:29Nou kijk ik deze mensen nooit weer aan.

1:06:32Ik begin wel ergens anders opnieuw.

1:06:33Maar dat doet de Heer niet.

1:06:35De Heer laat ons geboren worden en de meesten van ons krijgen voorbereidingstijd.

1:06:42Genadetijd.

1:06:43Weet je wat dat zeggen wil, genadetijd?

1:06:46Wat is genade?

1:06:47Onverdiende goedheid.

1:06:50Dus ik krijg onverdiende goedheid tijd.

1:06:55Want die tijd heb ik niet verdiend.

1:06:58Wil je eerlijk weten wat je verdiend hebt?

1:07:02Het loon, de bezoldiging der zonden.

1:07:05Is de dood.

1:07:07Dat betekent niet alleen dat ik nu sterf.

1:07:09Maar dat wil ook zeggen dat ik geestelijk gestorven ben.

1:07:12En dat ik eeuwig ga sterven in de hel.

1:07:14Als ik verloren ga.

1:07:16Dat is wat ik verdiend heb.

1:07:23Gemeente.

1:07:25Gelooft u dat?

1:07:28Gelooft u dat?

1:07:32Dat je genadertijd krijgt om je voor te bereiden op de eeuwigheid.

1:07:38Mag ik het nog iets aanscherpen?

1:07:41En ik doe dat uit liefde gemeente.

1:07:44Wil ik nog iets aanscherpen?

1:07:48Als ik tegen u zeg, als

1:07:51je onbekeerd bent, dan

1:07:55ga je

1:07:56inderdaad verloren.

1:08:00Maar dat is niet waar.

1:08:04Daarmee troosten we onszelf.

1:08:06Daarmee kun je het nog voor je uitschuiven, die voorbereidingstijd.

1:08:10Want dat is straks aan het einde van mijn leven, dat ik verloren ga.

1:08:16Weet je wat de bittere werkelijkheid van mijn leven nu is, mijn jonge vriend?

1:08:22Dat ik verloren ben.

1:08:26Het is al zo.

1:08:32Dat is niet iets van de toekomst.

1:08:37Nee.

1:08:41Luister maar wat Paulus zegt tegen de Colossensen.

1:08:43En tegen de Ephesiers.

1:08:45En u heeft hij medelevend gemaakt.

1:08:48Daar gij doodwaard.

1:08:50Er staat niet doodziek.

1:08:53Zo van dan ga je aan het eind wel een keer sterven.

1:08:56Nee.

1:08:56Daar gij doodwaard door de misdaden en de zonden.

1:09:00Dus je gaat niet verloren.

1:09:02Je ligt verloren.

1:09:06En als je sterft, blijf je op de plaats waar je bent.

1:09:10Maar dan eeuwig, eeuwig onder de toon van God.

1:09:14Eeuwig uitgesloten van de algemene genade die het leven op aarde leefbaar maakt.

1:09:20Eeuwig in de plaats van eeuwige pijn en straf.

1:09:27Geloof je dat?

1:09:32Ik heb ooit eens zo'n aangrijpend beeld gelezen, gemeente.

1:09:35Bij een oudvader.

1:09:38Maar die stelt het wel zo scherp.

1:09:41Dat ik er van huiver om het te moeten zeggen.

1:09:45Hij zegt, weet je waar wij zo blind voor zijn?

1:09:47Als wij onbekeerd zijn, gemeente.

1:09:50Dat wij aan een dunne, rotte draad, die elk moment kan breken, boven de hel hangen.

1:10:04Dat is wat het zeggen wil.

1:10:05Dood zijn in zonden en in misdaden.

1:10:12Bij het sterven knapt die draad en dan blijf je waar je bent, voel je.

1:10:16Je gaat niet verloren.

1:10:17Je bent verloren.

1:10:20Zonder een nieuw hart.

1:10:22Zonder de Heer Jezus Christus.

1:10:24En als de Heer nou wel geloof schenkt.

1:10:27Als de Heer nou wel bekering schenkt.

1:10:28Dan word je in de zachtste liefde armen weggedragen van die plaats.

1:10:33Want dan is Christus voor je die plaats ingegaan.

1:10:36En heeft voor je schuld betaald.

1:10:39Heeft je straf gedragen.

1:10:41Heeft je zonde verzoend.

1:10:45Maar weet je gemeente.

1:10:49Wij stellen die noodzakelijke voorbereiding maar altijd uit.

1:10:53Toch?

1:10:53Of is het anders?

1:10:55Dat is een godswerk.

1:10:58Want een mens die geschapen is om te leven gaat sterven.

1:11:04Maar dat gelooft hij niet.

1:11:06Als God zijn ogen daarvoor opent.

1:11:08O bid dan.

1:11:09Of God door zijn heilige geest je daarvan wil overtuigen.

1:11:14Want dan wordt alles anders.

1:11:16Dan gaan we ons haasten, dan gaan we ons spoeden.

1:11:18En dan zetten we ons met alle macht en kracht in door Gods geest gewerkt.

1:11:23Op een goede voorbereiding op de eeuwigheid.

1:11:26En dan wordt het zo waar.

1:11:28De banden des doods hadden mij omvangen.

1:11:30En de angsten der hel hadden mij getroffen.

1:11:32Maar ik vond benauwdheid en droefenis.

1:11:36Maar ik riep de naam des Heren aan.

1:11:38Zeggen toch Heren, bevrijd mijn ziel.

1:11:43En als David deze observatie gedaan heeft.

1:11:46Keert hij zich even af van zijn eigen leven en kijkt hij naar de mensheid in zijn geheel.

1:11:50En dan zegt hij immers, en dat betekent ja, een ieder, iedereen, ieder mens, hoe vast hij staat, is enkel ijdelheid.

1:12:02Sela.

1:12:04Ieder mens, en dat staat hier, de sterfelijke mens.

1:12:08Het Hebreeuwse woordje voor de sterfelijke mens.

1:12:10Hoe vast hij staat.

1:12:11Hoe sterk je bent.

1:12:14Dus je zegt, ja, iedereen in mijn familie wordt honderd.

1:12:19Ieder mens zal sterven.

1:12:22Hoe rijk je bent.

1:12:25Al heb je zoveel geld als Elon Musk.

1:12:27Je

1:12:29kan nog niet één seconde genadentijd erbij kopen als je sterft.

1:12:38Hoe zeker van je zaak ook.

1:12:42Ook Gods kinderen.

1:12:44Ieder mens.

1:12:45Hoe gelukkig je ook bent.

1:12:48Ieder mens.

1:12:50Niets kan het uit de weg ruimen.

1:12:52Ja, iedereen is alleen maar ijdelheid.

1:13:00Je zegt, gaat dat over dat wat de spreukendichter zegt, ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.

1:13:06Ja, inderdaad, dat is hetzelfde.

1:13:08Het woordje voor ijdel is lucht, dat is adem.

1:13:12Nou, zie

1:13:15je mijn adem gaan?

1:13:17Nee hè, er blijft niets van over, het is weg.

1:13:19Dat is nou mijn leven, het is een voorbijgaande schaduw.

1:13:26En wat doet een mens die jaagt maar achter wind en achter lucht aan?

1:13:31Iets dat alleen maar even is en niet eeuwig blijft.

1:13:37Geloof je dat nu?

1:13:43Weet je waar ik bang voor ben?

1:13:45Dat wij er niets van geloven dat ons leven maar een ademtocht is.

1:13:51We zijn er zo aan gewend geraakt.

1:13:56Dat we er bijna doof voor geworden zijn.

1:14:00Schrikken wij nog van de dood?

1:14:08Of praten wij over sterven bijna

1:14:13net zo makkelijk als over boodschappen doen?

1:14:20Ja, het maakt wel indruk als er een jongere sterft van dertien of veertien of een baby.

1:14:26Of heel plotseling iemand in de kracht van het leven.

1:14:29Maar vertel eens eerlijk, wie was de laatste die in Oudorp stierf?

1:14:35Weet je het nog?

1:14:39En dan nu de volgende vraag, wat heeft het uitgewerkt?

1:14:44Wat heeft uitgewerkt?

1:14:45Is het sterven van die persoon het leven voor u geworden?

1:14:50Heb je je eigen sterfelijkheid onder ogen gezien en tot God het uitgeroepen?

1:14:55O God, wees mij genadig.

1:15:00Al die mest om onze levensbomen.

1:15:08En dan geen vruchten, gemeente?

1:15:11Van geloof, een bekering?

1:15:14O, dan is het wachten op de grote wijngaardenier en zien de een vijgenboom aan de weg.

1:15:20Ging hij naar hem toe en hij vond niets aan dezelfde dan alleen maar bladeren.

1:15:24En zei tot hem, uit u worden geen vrucht meer in de eeuwigheid.

1:15:28En de vijgenboom verdorde terstond.

1:15:33Kijk, dan is het te laat.

1:15:36Dan is het voor eeuwig te laat.

1:15:43Cela.

1:15:45Wat betekent dat?

1:15:47De meeste uitleggers zeggen pauze.

1:15:49Dan

1:15:52konden de mensen in het...

1:15:54Orkest in de tempel een ander instrument pakken.

1:15:59Een ander die zegt.

1:16:00Dat wil zeggen dat het vers dat het laatst gelezen is.

1:16:05Nog een keer gelezen moet worden.

1:16:07Omdat het zo belangrijk is.

1:16:10Precies weten we het niet.

1:16:11Dus we laten het rusten.

1:16:12We gaan verder met vers 7.

1:16:14En dat begint opnieuw met een immers, een ja, een plechtige bevestiging van de waarheid dat het mensenleven maar een adem is.

1:16:21Immers wandelt de mens als in een beeld.

1:16:24Immers woelen zij eidelijk.

1:16:26Men brengt bijeen en men weet niet wie het naar zich nemen zal.

1:16:31Nog een beeld voor ons korte menselijke leven.

1:16:38Weet je hoe je dit zinnetje eenvoudig kan lezen?

1:16:41Ja, de mens wandelt als een voorbijgaande schaduw zijn levenspad af.

1:16:49Wat is nou een schaduw?

1:16:52Je kan de schaduw niet oppakken en je het in je broekzak stoppen.

1:16:55Een schaduw is een schaduw.

1:16:58Dat is verder niks.

1:17:02Zo wandelen wij ons levenspad af.

1:17:05Matthew Henry maakt er een heel helder voorbeeld bij.

1:17:08Hij zegt, de mens is maar een ijdele vertoning.

1:17:12Hoe mooi, hoe schitterend ook.

1:17:14Hij zegt, het is net als met de regenboog.

1:17:19Hoe schitterend zijn de kleuren niet van een regenboog.

1:17:24Als er een regenboog staat, nou moet je maar eens opletten.

1:17:26Je kan het bij iedereen op de status zien, want er was weer een regenboog.

1:17:29Iedereen die wordt geraakt door hoe mooi zo'n regenboog is.

1:17:34Maar waar bestaat die regenboog nou uit?

1:17:38Als de dragende kracht van die regenboog wegvalt, is de regenboog weg.

1:17:43Een wolkje.

1:17:45Een wolkje.

1:17:47Als de wolk weg is, als de regen weg is, is de regenboog weg.

1:17:52Zo is het met mijn leven.

1:17:55Een damp die spoedig verdwijnt.

1:17:58En wat doet nou die mens die wandelt als zo'n damp, als zo'n voorbijgaande schaduw?

1:18:03Nou, die, ja, die woelt eindelijk.

1:18:09Die maakt zich druk om wind, om niets.

1:18:13Is rusteloos bezig.

1:18:16Om bijeen te brengen, opeen te hopen.

1:18:20Dat zegt het vervolg.

1:18:22Men brengt bijeen.

1:18:25Hetzelfde woordje vind ik terug in de geschiedenissen van Jozef.

1:18:28Al zo bracht Jozef zeer veel koren bijeen.

1:18:32Als het zand der zee tot men ophield met tellen.

1:18:36Want daarvan was geen getal.

1:18:41Dan bent u toch van plan.

1:18:44Daarvoor zitten we toch bij elkaar om straks op één te kunnen hopen.

1:18:48In onze voorraad schuren.

1:18:51Op onze bankrekening.

1:18:57Of heb je een andere zegen nodig?

1:19:03Maar dan de vraag.

1:19:05Wat brengt men bij één?

1:19:08Wat zegt David?

1:19:09Wat brengt men bij één?

1:19:11Kijk eens goed.

1:19:11Wat staat er?

1:19:16Inderdaad.

1:19:18Dat staat er niet bij.

1:19:20En dat lijkt nu precies te benadrukken.

1:19:23Wat je ook maar bijeenbrengt, het is niet belangrijk.

1:19:28In het licht van de eeuwigheid en van mijn sterfelijkheid, o gemeente, dan is het waardeloos.

1:19:37O, zegt iemand, als dat zo is, dan stop ik nu met werken.

1:19:42Dan is deze middag het begin van mijn stoppen met werken.

1:19:45Want het is toch waardeloos, zegt de man op de preekstoel.

1:19:50Maar dat kan niet.

1:19:51In het zweet uw aanschijn zult gij uw brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, terwijl gij daaruit genomen zijt, want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.

1:20:04Maar gemeente, we moeten nog een stukje verder en het wordt er niet makkelijker op.

1:20:10Al ons zwoegen en al ons zweten wordt nog meer te vergeefs als ik lees en men weet niet wie het naar zich nemen zal.

1:20:24In het Hebreus heeft het iets in zich van terwijl iemand het aan het bijeenvergaderen en het opstapelen is, is iemand anders alweer bezig het naar zich toe te nemen.

1:20:35Al zoals het in prediker 2 staat, vers 21.

1:20:40Want er is een mens wiens arbeid in wijsheid en in wetenschap en in geschiktheid is.

1:20:46En nog dan zal hij dien overgeven tot zijn deel.

1:20:50Aan een mens die daaraan niet gearbeid heeft.

1:20:53Dit is ook ijdelheid.

1:20:55Een groot kwaad.

1:20:58Nou gemeente.

1:20:59Dan zitten we dan op middag.

1:21:03We dachten een zege te vragen over gewassen arbeid.

1:21:06En dan krijg je deze boodschap.

1:21:09Onze arbeid en haar vrucht.

1:21:11Het is maar voor een moment.

1:21:12Een ademtocht.

1:21:13Je doet het voor de dingen die vergankelijk zijn.

1:21:19Weet je wat Calvin zegt?

1:21:22Dit tekent het dwaze mens.

1:21:24Zonder God, want met een onverzadigbare begeerte te verzwelgen zij alle schatten der wereld, alsof zij honderd eeuwen te leven hadden.

1:21:33Maar wat een dwaasheid is het dat zij zich zonder vrucht te kwellen met ijdele zorgen die nog einde nog maat hebben.

1:21:43Weet je wat het probleem is?

1:21:45Wij mensen, wij proberen de hemel en de aarde te vermengen.

1:21:51Wij willen een hemel leven op aarde.

1:21:53Waar het voor ons gevoel alles goed is.

1:21:56Waar het alles mooi is.

1:21:57Waar het alles prachtig is.

1:22:01Gemeente, samengevat.

1:22:03Onze kwetsbaarheid.

1:22:04Onze zwakheid.

1:22:06Onze vergankelijkheid.

1:22:07Is een noodzakelijk deel van ons leven geworden.

1:22:11Na onze diepe val in het paradijs.

1:22:14En dat niet alleen.

1:22:16In onze nietigheid.

1:22:18In onze zwakheid.

1:22:21In onze vergankelijkheid leven wij ook nog eens onder de oordeel en het toren van God.

1:22:27En wat blijft er dan over als er na dit leven voor u, voor jou, geen leven is, maar een eeuwige dood?

1:22:37En in dat perspectief moeten we nu alles van vanmorgen lezen.

1:22:42Wat blijft er nu over van alles wat ik doe?

1:22:46Als er na dit leven niet een eeuwig leven voor me is, maar een eeuwige rampzaligheid.

1:22:51Waar heb je dan voor geleefd?

1:22:54Wat is dan je levensdoel?

1:22:56Waar werk je voor?

1:22:59En dan kom ik weer terug bij de vraag, waar bid je om?

1:23:02Op de biddag, kinderen.

1:23:04Wat bid je dan om?

1:23:07Wat verwacht je?

1:23:11Waar hoop je op?

1:23:13Wat wil je bijeenbrengen?

1:23:15Waarom?

1:23:17Voor wie?

1:23:20Besef je wie je bent?

1:23:23Besef je waar je kracht vandaan komt.

1:23:30Ach, misschien zegt iemand, man, wil je nou iets positiefs gaan zeggen?

1:23:39Want wat doe ik het nog allemaal voor?

1:23:41Waar span ik me nog voor in?

1:23:44Mag ik je iets vragen?

1:23:46Zoek je iets van eeuwigheidswaarde?

1:23:49Zoek je iets dat door de dood mee gaat het eeuwige leven in?

1:23:57Hoor eens wat Paulus zegt.

1:24:001 Timotheus 6, vers 6 tot 11.

1:24:03Als u het een moeite waard vindt, kunt u meelezen.

1:24:06Doch de godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging.

1:24:12Wat zegt dat?

1:24:13Wat zegt de kanttekening?

1:24:14Dat is met een gemoed dat genoeg heeft en tevreden is met hetgeen de Heere hem verleent.

1:24:21Want die Christus heeft, die heeft alles met hem.

1:24:25Want, zegt Paulus verder, wij hebben niets in de wereld gebracht.

1:24:30Het is openbaar, het is bekend dat wij ook niets daaruit kunnen dragen.

1:24:35Job zei dat toch?

1:24:37Naakt ben ik uit mijn moeders buik voortgekomen.

1:24:40Naakt zal ik daar heen en weder keren.

1:24:43Maar zegt Paulus verder, als wij voedsel en bedekking hebben, zullen wij daarmee vergenoegd zijn.

1:24:49Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking en in strik.

1:24:54En in vele dwazen en schadelijke begeerlijkheden.

1:24:57Welke de mens doen verzinken in verderf en ondergang.

1:25:01Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad.

1:25:05Tot welke sommigen lusthebbende zijn afgedwaald van het geloof.

1:25:10En hebben zichzelf met veel smarten doorstoken.

1:25:13Maar gij, o mens gods, vliet deze dingen.

1:25:20Jaag naar de gerechtigheid, godzaligheid, geloof, liefde, leidzaamheid en zachtmoedigheid.

1:25:30Gemeente,

1:25:33heeft u op deze biddag genoeg aan Christus en zijn gerechtigheid?

1:25:41Want als u genoeg heeft aan Christus...

1:25:44Dan heeft u ook genoeg aan zijn hemelse vader.

1:25:48Die zo schatrijk is.

1:25:50Die zulke volle voorraad schuren heeft.

1:25:54Die hoeft maar te spreken en tisser en te gebieden en het staat er.

1:25:58Hij wordt van geven niet minder.

1:26:00Hij wordt van inhouden niet meer.

1:26:04Van hem is het zilver en het goud.

1:26:06Het vee op duizend bergen is van hem.

1:26:13Jaagt u dat na?

1:26:15Maakt u daar haast mee?

1:26:18Wie dat mag hebben.

1:26:20Die mag ook op deze biddag.

1:26:23Zo onder de laag hangende oordelen van God.

1:26:26Want de tijd waarin we leven mensen.

1:26:27We voelen het allemaal wel aan.

1:26:29Het is het laatste der dagen.

1:26:31En toch zo'n heilzame.

1:26:33Zo'n heilige ontspanning.

1:26:38Nee daar word je niet lui van.

1:26:40Als je mag weten dat je zo'n schatrijke vader in de hemel hebt.

1:26:43Oh nee.

1:26:44Want Gods eer staat op alles.

1:26:47Dan wil je werken tot ereverheerlijking van zijn naam.

1:26:51Dan ben je ook niet werkloos, want door het werk van onze handen wordt hij ook verheerlijkt.

1:26:58Dan is het aan je te zien en aan je te horen dat de Heer je overtuigd heeft.

1:27:03Van daarom wees niet bezorgd, zeggende.

1:27:06Wat zullen wij eten?

1:27:07Of wat zullen wij drinken?

1:27:09Of waarmee zullen wij ons kleden?

1:27:11Wie zich bezighoudt met zulke vragen...

1:27:14Die doet als de heidenen.

1:27:15Want uw hemelse vader weet dat gij al deze dingen behoeft.

1:27:21Wat moet ik dan doen, Heer Jezus?

1:27:24Zoek eerst het koninkrijk van God.

1:27:27En zijn gerechtigheid.

1:27:29En al deze dingen zullen u toegeworpen worden.

1:27:33Zijt dan niet bezorgd tegen de morgen.

1:27:35Want de morgen zal voor het zijne zorgen.

1:27:38En elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.

1:27:46Gemeente.

1:27:47Het is of David, de dichter van deze psalm, niet eens zozeer om de antwoorden op zijn gestelde vragen verlegen is.

1:27:57Maar het is in hem, je ziet hier die strijd om genade te verkrijgen.

1:28:02Om te leren leven met de feiten zoals die zich voor zijn ogen zichtbaar worden.

1:28:08Met de feiten zoals ze zijn in het menselijke bestaan.

1:28:12En daarom roept hij uit in de derde en korte gedachte.

1:28:15En nu, wat verwacht ik o heren, mijn hoop die is op u.

1:28:23David zegt heren, ik heb niet gezien, geen verwachting in het schepsel.

1:28:29Geen verwachting in de schepping, maar wel verwachting in u, de schepper, in gemeenschap met u.

1:28:38En nu,

1:28:40het alles wat ik zojuist gezegd heb, zegt David, als het er nu zo voor staat, heren, wat verwacht ik?

1:28:50Hij verwacht verder niets.

1:28:52Kijk maar naar vers 7.

1:28:56En daarom niet de vraag wat verwacht ik, maar wie verwacht ik?

1:29:02En in plaats van te zien naar iets, ziet David naar iemand.

1:29:07O het inzicht in de kortstondigheid van het leven.

1:29:11Breng David bij deze uitkomst.

1:29:15Gemeente, u voelt met mij wel aan toch?

1:29:18Als de heren je er niet van overtuigen.

1:29:20Dat je sterfelijk bent.

1:29:25Zou je dan,

1:29:26zou je dan de

1:29:29heren vragen.

1:29:31Zou je dan naar God gaan vragen.

1:29:33Als je er niet van overtuigd bent.

1:29:36Dan denk je dat je het zelf kunt.

1:29:43Ach zegt iemand.

1:29:45Ik zie het wat mijn einde is.

1:29:48Ik zie wat de mate van mijn dagen is.

1:29:50Ik weet hoe vergankelijk ik ben.

1:29:53Ik zie het.

1:29:53Ik moet sterven.

1:29:54Ik moet God ontmoeten.

1:29:56En wie weet hoe spoedig al.

1:29:58Oh het is verloren.

1:29:59Voor eeuwig verloren met me.

1:30:03Zeg zoek je vastheid.

1:30:04Zoek je zekerheid.

1:30:06Zoek je toekomst.

1:30:07En nu dan wat verwacht ik.

1:30:10Oh heren.

1:30:11Mijn hoop, die is op u.

1:30:15En dan is wachten in de Bijbel niet iets passiefs.

1:30:17Zo van, ik ga op mijn stoeltje zitten en ik wacht wel tot het voorbij komt.

1:30:22Dat is van de duivel.

1:30:26Het is geloof dat zich uitstrekt naar de vastheid die er is in God.

1:30:34Dat is wat zegt, o Heer, ik doe mijn mond wijd open op deze biddag.

1:30:40En u zult hem naar uw belofte vervullen.

1:30:44Psalm 25 zegt, ja, niemand die u verwacht, dat is Gods belofte, zal beschaamd worden.

1:30:51Zij zullen beschaamd worden die trouwlooslijk handelen zonder oorzaak.

1:30:56David zegt het nog eens een keer in Psalm 40.

1:30:59Ik heb de heren lang verwacht en hij heeft zich tot mij geneigd en mijn geroep gehoord.

1:31:06Hoort u gemeente?

1:31:08Op deze biddag, je zult de heren nooit te vergeefs verwachten.

1:31:15U zegt, daar geloof ik helemaal niets van.

1:31:17Ik verwacht hem al zo lang.

1:31:21Maar dan is er nog iets bij het woordje verwachten.

1:31:25Het woordje verwachten in de Bijbel wordt heel vaak verbonden aan iets anders.

1:31:31Namelijk met een dagelijkse toewijding aan dat verwachten.

1:31:37Want ons verwachten, ik weet niet hoe het bij u is, maar ons verwachten is toch heel vaak, heren.

1:31:44Wat heb ik u nodig?

1:31:45En ik weet dat u het kan.

1:31:46En ik zeg amen en ik draai me om en ik weet niet meer wat ik gebeden heb.

1:31:49Nou, dat is niet verwachten.

1:31:52Dagelijkse toewijding.

1:31:53Het gaat met je mee van stap tot stap.

1:31:57Denk maar aan Psalm 25.

1:31:59Ik verwacht u de ganse dag.

1:32:03Jeremia en klaagliederen 3.

1:32:05De Heer is goed degene die hem verwacht en de ziel die hem zoekt.

1:32:11Ze worden dus geduldig verwachten en actief zoeken.

1:32:17Onlosmakelijk aan elkaar verbonden.

1:32:18En weet je wat wij niet zien?

1:32:21Wat wij niet zien is wat er vanuit de eeuwigheid gebeurt.

1:32:24Een ziel die gaat zoeken is door God zoekend gemaakt.

1:32:27En daarom kan zo'n ziel niet stoppen met zoeken.

1:32:31Daar ligt die toewijding in.

1:32:33Die dagelijkse toewijding.

1:32:35Kijk dan zul je volharden.

1:32:37Dan ga je niet nalaten.

1:32:38Maar die de heren verwachten.

1:32:40Moet je opletten.

1:32:41Vier keer.

1:32:41Die de heren verwachten.

1:32:43Zullen de kracht vernieuwen.

1:32:45Zij zullen opvaren met vleugelen gelijk een arend.

1:32:48Zij zullen lopen en niet moe worden.

1:32:50Zij zullen wandelen en niet mat worden.

1:32:56Gemeente, ik kan u niet overtuigen.

1:32:59Want dat is het werk van de Heilige Geest.

1:33:01Maar u kunt na vandaag niet meer zeggen dat u geen richting hebt in uw leven.

1:33:06Na punt 1 en 2.

1:33:08U weet, ik ben sterfelijk.

1:33:12Ik lig sterfelijk.

1:33:14Verloren zonder genade.

1:33:17U kunt ook niet zeggen.

1:33:19Ik kan geen biddag meer hebben nu.

1:33:21Omdat ik zo vergankelijk ben.

1:33:25U weet nu wat het belangrijkste is.

1:33:30Laat dat ook het zwaarste wegen.

1:33:32En nu wat verwacht ik o heren.

1:33:34Mijn hoop die is op u.

1:33:37Het woordje hoop dat strekt zich uit naar iets buiten mij.

1:33:42Het is alsof ik Petrus het hoor zeggen.

1:33:45Heren.

1:33:46Tot wie zullen wij anders heen gaan?

1:33:49Gij hebt de woorden des eeuwige levens.

1:33:54O gemeente, wat is er dan nog voor verwachting buiten de heren?

1:34:02Eigenlijk keert de dichter terug naar het begin.

1:34:05Hij zegt, wat verwacht ik eigenlijk?

1:34:07Was het wilde?

1:34:09Was het gezondheid?

1:34:10Was het overwinning op de vijanden?

1:34:12Was het vrijheid van vervolging?

1:34:15Nee, als het erop aankomt, heren, als het erop aankomt, te midden van de vijanden, dan is het enige wat ik wil, is dat ik u mag overhouden.

1:34:25Dat is het enige wat zin heeft in een vergankelijk leven.

1:34:30Hij bidt, heren, gedenk mij toch in genade en warmhartigheid.

1:34:34Vers 13.

1:34:35Hoor, heren, mijn gebed en neem mijn geroep ter oren.

1:34:40Zwijg niet tot mijn tranen.

1:34:42Want ik ben een vreemdeling bij u.

1:34:44Een bijwoner gelijk.

1:34:46Al mijn vaders.

1:34:50Gemeenten gaan eindigen.

1:34:53Er is nog verwachting.

1:34:57Op deze biddag.

1:34:58Voor een arme sterveling.

1:35:00Voor een Adamskind.

1:35:02Weet u waarom?

1:35:03We

1:35:05leven in de lijdenstijd.

1:35:08Omdat er voor de Heer Jezus Christus in de diepste duisternis niet één enkele verwachting had, was.

1:35:16Gods oog, Gods oor, het hart van zijn vader was voor hem toegesloten dat hij het moest uitroepen.

1:35:24Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten?

1:35:29Dat hij moest needalen ter helle met mijn zondenschuld beladen.

1:35:35O, wat een onpeilbaar diepe liefde.

1:35:39Dan kan hij mij rein voorstellen voor zijn vader.

1:35:42Dan heb ik het kostbaarste bezit.

1:35:46Dan heb ik iets waarmee ik door de tijd uit de tijd kan.

1:35:52Wat is je enige troost bij de leven en sterven?

1:35:55Dat

1:35:57ik niet van mezelf ben.

1:35:59Maar dat ik van Jezus Christus ben.

1:36:01Die mij met zijn dierbaar bloed gekocht heeft.

1:36:05O gelukkig volk dat het mag weten.

1:36:07Ik ben met Christus gekruist.

1:36:10En ik leef.

1:36:11Hoor je dat?

1:36:12Een sterveling kan leven.

1:36:14Ik leef.

1:36:15Nog niet meer ik, maar Christus leeft in mij.

1:36:18En hetgeen ik nu nog in het vlees leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God.

1:36:24Die mij lief gehad heeft.

1:36:26Die zich voor mij overgegeven heeft.

1:36:30Ach, wat zegt dan de apostel op een andere plaats?

1:36:34Zal hij ons dan ook niet met hem?

1:36:39En dan zeg ik erbij op deze biddag.

1:36:41Alle dingen schenken.

1:36:44Amen.

1:36:47Zingen we samen Psalm 49,

1:36:50het derde vers.

1:36:51Hij kan die prijs der zielen dat ransoen.

1:36:54Aan God nog tijd en eeuwigheid voldoen.

1:36:56En wat daar verder volgt in 49 vers 3.

1:36:59[GEZANG]

1:40:01Organist, ik wil straks graag opent uw mond zingen.

1:40:0481-12.

1:40:05Zullen we nog danken en bidden.

1:40:09Heren, wij

1:40:11openen onze mond.

1:40:15En u zegt het, doe je mond maar wijd open.

1:40:20En ook op deze biddag, heren, en wilt u hem dan vervullen.

1:40:24Met zelfkennis.

1:40:28Met eerlijkheid.

1:40:32Maar ook met Christuskennis.

1:40:35Met verwachting van u.

1:40:39Hoop op u.

1:40:41De levende God.

1:40:44Die zo schatrijk is.

1:40:46Die precies weet wat ik nodig heb.

1:40:51En het strijdperk van dit leven.

1:40:54O heren, dan weet u hoe dit woord van morgen in uw gemeente ontvangen is.

1:41:03O heren, wilt u er iets goeds voor u den heren uit voort laten komen.

1:41:09En geef dat wij met dit besef onze reis zullen vervolgen.

1:41:16Ook naar de komende biddag als we die beleven zullen.

1:41:22Heren,

1:41:24onze verwachting.

1:41:27Onze hoop.

1:41:28Die is op u.

1:41:30Doe genadig verzoening over het ons.

1:41:33In het spreken en het luisteren.

1:41:35Verheerlijk om Jezus wil al het uwe.

1:41:39Ontvang onze dank.

1:41:40Voor wat u schonk.

1:41:42In de prediking en in het luisteren erna.

1:41:45Uw trouw is groot.

1:41:47Heer Jezus.

1:41:48U bent het eeuwig waard.

1:41:51Om alle lof weer en aanbidding te ontvangen.

1:41:53Tot in eeuwigheid.

1:41:56Amen.

1:41:59Zingen we dan op Psalm 81, vers 12.

1:42:02Opent uw mond.

1:42:03We willen

1:42:04[GEZANG]

1:43:40nog danken met de zegebeden uit de avondzaal.

1:43:46O Vader,

1:43:47dat uw liefde ons blijkt.

1:43:51O Zoon, maak ons uw beeld gelijk.

1:43:56O Geest, zend uw troost ons neer.

1:44:01Drieënig God, u zij al de eer.

1:44:06Amen.

1:44:07[GEZANG]