0:01Goedenavond beste luisteraars.
0:04Het is wederom zaterdagavond.
0:07En op de zaterdagavond mag u van ons verwachten dat er weer een verhaal verteld mag worden met een bepaalde boodschap erin.
0:16En ook deze avond hebben we dat voor u weer gevonden.
0:21En een verhaal dat heet Wie heeft geroepen?
0:28Het Bulgenmeer.
0:31Ligt hoog in de bergen ingesloten tussen hoge steile rotsen en op een hoge berg.
0:36De Bulgenberg is 1220 meter hoog.
0:41De prachtige natuur van de Elsass is vanaf deze hoogte volop te bewonderen.
0:47Het Bulgenmeer heeft een heel schoon en helder water waarin je tot op de bodem kunt kijken.
0:54Je kijkt er ongeveer 20 meter in de diepte.
1:00Omringende Rotsen met aandacht bekijkt, die ziet dat het water vroeger ongeveer 12 meter hoger moet hebben gestaan.
1:08En elke keer wanneer tijdens een zware regenbui de waterstromen vanaf de bergen in het meer neervallen, zie je het waterpeil steeds hoger komen.
1:20Als in de winter de bergen met een sneeuwmantel zijn bedekt en als daarna een dooiperiode invalt en smeltwater in het meer stroomt, dan zwelt het water van het Bulgenmeer hoe langer
1:33hoe hoger.
1:34De sneeuwmassa's van al de bergen rondom het meer vallen in het meer, de diepte in.
1:41Het meer heeft maar aan één kant tussen twee hoge rotsen in een smalle uitwatering.
1:46Hier vormt het meer een smal beekje dat tussen twee smalle rotsen door het dal instroomt, ver naar beneden.
1:55In de weken voor de kerst van het jaar 1740 was er een grote hoeveelheid sneeuw gevallen.
2:02Ook had de hele herfsttijd het heel veel geregend.
2:06Het was na een periode van heel veel sneeuwval weer gaan dooien.
2:10De verschrikkelijke sneeuwstormen waren nu in onophoudelijke regenvlagen veranderd.
2:16Al het water werd opgevangen in het meer.
2:21Boven in de bergen, tussen de rotsen, woonde een molenaar met zijn gezin.
2:27Zijn molen stond aan de rand van de beek, waar het water uit het meer herdallen stroomt.
2:33De molenaar had een houtzaagmolen en door de kracht van het water kon hij met zijn molen het hout zagen.
2:41Door de vele regenval had hij voor zijn molen water in overvloed.
2:45Maar nu was hij er echter toch niet gerust op, want het water in het meer stond wel heel erg hoog door die vele sneeuw en regenbuien van de laatste maanden.
2:57Ook de bewoners van het dal in de dorpen Gubwiller en Issenheim en de andere dorpen in de vlakte waren erg bezorgd.
3:07De gesprekken in het dal gingen deze dagen allemaal over de zware sneeuw en regenval van de laatste maanden.
3:15Ze hadden op dit moment maar één zorg.
3:18Zou er een doorbraak in het gebergte van het meer komen?
3:22De dam met de sluis, die de twee rotsen waar het water naar beneden stroomde met elkaar verbond, was heel smal en zwak.
3:30De grootste angst van de mensen was dat de dam
3:35niet tegen de kracht van de steeds maar zwellende en onstuimige waterbestand zou zijn.
3:41Dit was ook de reden van de grote zorg van de zaagmolenaar, die daar hoog in de bergen naast de beek woonde.
3:49Daarom zei hij op een morgen tegen zijn vrouw, ik verlang er zo naar om toch eens eens te kijken hoe onze jongens, die in de Elfhals aan het werk zijn, het maken.
3:59Zullen wij vandaag de molen maar stil laten staan en naar Isselheim gaan om hen te bezoeken?
4:06Zijn vrouw was het daarmee eens.
4:08Misschien gaan de kinderen dan wel mee met ons naar huis, zei zij.
4:12Het is bijna kerst en dan heb ik de jongens toch graag thuis.
4:17Zij kleden zich warm aan en ook hun dochtertje, de kleine Anna, ging met hen mee.
4:22Ze liepen langs de beek naar Isenheim in het dal.
4:26Daar werkten de twee zonen van de zaagmolen als dorsers in de schuur van de rijke stadssecretaris van Issenheim, de heer von Eigelsheim.
4:37Hij woonde in Issenheim in een heel groot huis met goed gevulde wijnkouders.
4:44Toen de molenaar met zijn vrouw en dochtertje in Issenheim aankwamen, stond de heer von Eigelsheim net bij de schuur naar zijn werklieden te kijken.
4:54Toen de molenaar...
4:56De heer des Huizes zag staan, nam hij beleefd zijn muts af.
5:00Deze man was echt wel een hooghartig en een ongevoelig mens.
5:04Hij vroeg op basse toon, wie bent u en wat komt u hier doen?
5:10Ik ben de zaagmolenaar die aan de beek van het meer woont.
5:14En dit is mijn vrouw en dochter.
5:15Mijn beide zoons zijn hier aan het werk en we willen hen graag eens bezoeken.
5:20Dus u woont daarboven in de bergen bij de beek, vroeg de secretaris.
5:25Ja meneer.
5:27Wilt u ver van het meer verwijderd?
5:29Nee meneer, niet echt verder vandaan.
5:32Staat het water in het meer echt zo hoog als de mensen hier zeggen?
5:36Ja meneer, het is zeer hoog.
5:38Er bestaat grote angst dat het meer door de dam zal heen zou breken en dat zou een verschrikkelijk ongeluk zijn.
5:46Och, als het meer leeg loopt, dan zullen wij het weer wel vullen, zei de secretaris spottend.
5:52Dan zullen wij het met wijn vullen.
5:55Meneer!
5:56Antwoordde de zaagmolenaar ernstig.
5:58Ik begrijp niet hoe u over deze zaak zo kunt en durft te lachen.
6:04God zei mij en mijn gezin en alle bewoners van het dal genadig.
6:08Wanneer de dam van het meer doorbreekt, het zou ook beter zijn wanneer u ook hier ontbidt.
6:16Wel, wel, hoor me zo'n molenaar toch eens, zei de secretaris met verachting.
6:22Wat zouden we hier in de stad met water uit de bergen moeten doen?
6:26Het enige ongeluk dat mij hierbij zou kunnen overkomen is, dat ik met het vissen in plaats van forellen en snoeken, mogelijk zaagmolenaars en ander ongediert aan de haak zal slaan.
6:37En zo spotte de secretaris.
6:41De molenaar was ontzet over zulk een verregaande en een spottende overmoed van een nietig mens.
6:48Weet u, meneer, wie men uit het water zal trekken wanneer God ons dit ongeluk doet overkomen?
6:54Antwoordde hij zeer ernstig.
6:57U moet met uw zwaluwnesten daar tussen de rotsen zitten.
7:03Dicht bij de beek zult u toch zeker omkomen daarboven.
7:07Daar kan geen God u helpen.
7:11Ik geloof toch zeker dat God ons kan helpen, antwoordde de molenaar.
7:16Nu, dan zou er voor u een wonder moeten gebeuren, maar voor een zaagmolenaar gebeuren er geen wonderen.
7:23Bovendien...
7:23In onze verlichte tijd gebeuren er geen wonderen meer.
7:26God kan een wonder doen, meneer, sprak de molenaar op vaste toon.
7:32De heer von Eigensheim keerde zich nu om en zei spottend terwijl hij wegliep, rekent u dan maar op, maar het zal u niet veel helpen.
7:41Von Eigensheim liep weg en ging door de tuin naar zijn woning.
7:47De molenaar had nu gelegenheid zijn zonen te spreken die vol blijdschap
7:53Hun ouders en hun zusje Anna begroeten.
7:56De andere werklieden kwamen er ook bij staan.
7:58En een van hen zei tegen vader, u hebt de net meneer goed geantwoord.
8:03Zijn roekeloos spotten is verregaand gruwelijk.
8:07En God behoedde ons genadig voor het onheil en het gevaar dat er voor ons dreigt.
8:14Daarop ging de familie bij elkaar zitten.
8:16En ze spraken enige tijd met elkaar over dat waar hun hart vol van was.
8:21De moeder wilde het liefst dat haar zoons direct met hen mee naar huis zouden gaan en niet langer in dienst van die goddeloze man zouden blijven.
8:29Maar de jongens hadden nog voor twee dagen werk en wilden dat niet opgeven.
8:34En ze dachten dat zij die nacht van 23 op 24 december voor het laatste de schuur van de heer van Eigersheim zouden slapen.
8:42De volgende dag wilden ze dan met de volle loon en mooie geschenken voor de kleine Anna naar hun ouders terugkeren.
8:50En dan hoopten ze samen de kerstdagen door te brengen in het huisje bij de houtzaagmolen.
8:55En zo bleef het afgesproken met een hartelijk God behoede u.
9:01En zo namen de ouders afscheid van hun twee kinderen.
9:05De moeder nam haar dochtertje aan de hand en liep met een zwaar gevoel van onrust in haar hart naast haar man naar huis.
9:13Het sneeuwde en regende niet meer zo erg.
9:16De lucht werd helderder.
9:18Maar het hart van de beide ouders was vol zorgen en bezwaren.
9:23Het is of ik er een voorgevoel van heb, zei vader, dat ons een groot ongeluk zal overkomen.
9:29En we mogen God wel vragen dat hij de doorbraak van het meer niet is.
9:35Want dan zijn we allemaal verloren.
9:38God kan helpen en God kan ook nu nog wonderen doen, antwoordde moeder.
9:44Ze haalde dezelfde woorden aan die haar man die morgen tegen de secretaris gezegd had.
9:50Wie op God vertrouwt, heeft zeker op geen zand gebouwd, voegde ze er bemoedigend bij.
9:57Zo gingen zij langs de hooggezwollen bruisende beek naar hun woning.
10:02De molenaar voelde zich ook weer wat lichter en opgeruimder.
10:07Tijdens het gebed vroeg hij de almachtige God om zijn zorg en bewaring voor allen en daarin vond hij troost en vrede.
10:16Het
10:18was de nacht van 21 december 1740.
10:22Drie dagen voor de kerst.
10:24De lucht was vol donkere wolken en af en toe kwam er even een ster tevoorschijn.
10:30De jacht sneeuw was opgehouden, de wind was er helemaal gaan liggen.
10:34Eigenlijk was er een verontrustende stilte in de natuur gekomen.
10:38De beide zonen van de molenaar zouden de laatste nacht in de schuur van de heer van Eigelsheim doorbrengen.
10:45Hun hart was vol onrust, waardoor zij niet in slaap konden komen.
10:50Ze hadden er nog spijt van dat ze niet diezelfde avond naar huis waren gegaan.
10:55Bij een hoop luik op de zolder van de schuur stonden zij met elkaar te praten, terwijl ze steeds naar buiten keken.
11:04De kerstgeschenken voor hun zusje lagen netjes ingepakt naast hen op het hooi.
11:09En in hun onrust keken de jongens steeds naar de richting waar hun ouderlijk huis lag.
11:14Maar ze konden door de duisternis van de nacht niets van de molen en van de rotsen die er rondomheen lagen zien.
11:23Terwijl zij zo in de duisternis stonden te turen, kwam er opeens een hevige rukwind van de kant van het gebergte.
11:32De jongens waren bang dat de schuur waarin zij waren zou instorten.
11:38En vanuit de verte hoorden zij opeens een vreselijke harde knal.
11:44Terwijl de wind hoe langer hoe meer opzette.
11:46De twee jongens voelden zich niets op hun gemak.
11:50Ze wisten niets waardoor die knal veroorzaakt werd.
11:54Ze hadden allerlei angstige gedachten.
11:56Ze verlieten zo snel als ze konden het luik en wierpen zich in het hooi.
12:01En wilden verder niets meer zien of horen.
12:05Ondanks het geluid van de hevige loeien van de storm die in de geberg te woeden, vielen zij toch in slaap.
12:12Ze waren zeer vermoeid van het werk.
12:15Hun slaap was niet rustig.
12:17Ze droomden.
12:21Al snel klonk er een hevig angstgeschrei en geroep om hulp.
12:26Dit drong zelfs in hun dromen tot en door.
12:29Een van hen werd wakker en hoorde roepen Help, help, red de kinderen en het vee.
12:35Het Bulgenmeer is doorgebroken.
12:38Wij zullen allemaal sterven.
12:40Daardoor klonk het gejoel van de wind.
12:42Zo angstig was het om bang van te worden.
12:47Ik droom zeker nog, dacht de jongen in zichzelf, terwijl hij met de hand over zijn voorhoofd streek.
12:53We horen al dagen over niets anders spreken dan over de doorbraak van het meer.
12:57En daarom beangstigt ons dit zo in de dromen.
13:02Luister, Frits droomt er ook van.
13:05Ga stevig tussen de sluis staan, dan zal ik Anna de rotsen opdragen, riep Frits in zijn slaap.
13:11terwijl hij zich onrustig in het hooi omkeerde.
13:14Hij droomt net als ik, dacht Adolf, om zich gerust te stellen, terwijl hij weer in het hooi ging liggen, gelukkig dat het maar een droom is.
13:24Maar wat is dat?
13:26Wat hoor ik daar?
13:28Help!
13:29Help!
13:30Omgodswil!
13:31Help!
13:32Hoorde hij nu duidelijk iemand roepen.
13:34Daartussendoor klonk het geloeien en het geblaad van koeien en van schapen.
13:38Boven het gehuil van de wind kon hij heel duidelijk het luiden van de noodklok van Isenheim horen.
13:45Alles bij elkaar was het heel erg angstwekkend en akelig in het holst van de nacht.
13:51Verschrikkelijk, het is geen droom, riep Adolf nu verschrikt opspringend.
13:56Hij snelde naar het dakluik en wat een ontzettend tafereel zag hij daar.
14:01Nu zag hij duidelijk dat het geen droom was.
14:05Daar beneden hoorde hij het water ruisen.
14:08Hij zag het licht van brandende fakkels in de bruisende golven terugkaatsen.
14:13Uit een van de vensters van het huis van de secretaris zag hij een witte gestalte met een lantaarn in de hand zich voorover buigen en om hulp roepen.
14:23Bij het schijnsel van de licht herkende hij Heer von Eigensheim in zijn nachtkleding.
14:28Van alle kanten klonk het geroep om hulp.
14:31Het geloei van runderen en het blaffen en huilen van honden klonk door de lucht.
14:37Maar het verschrikkelijkste klonk het gegil van de rijke stadssecretaris.
14:42In doodstangst hing hij uit het raam.
14:46Aan degene die hem zou redden beloofde hij al zijn rijkdommen en schatten.
14:51Frits, Frits, riep de jongen vol ontzetting.
14:54Frits, word wakker.
14:55Het Bulgemmeer is doorgebroken.
14:58O, onze arme vader en moeder en die lieve kleine Anna.
15:01Je droomt zeker dat als ik gedroomd heb, zei Frits, terwijl hij verschrikt overeen kwam.
15:07Nee, nee, ik droom niet.
15:08Kom hier, kom eens bij het luik kijken, kijk eens.
15:12Frits sprong op en kwam bij het luik.
15:15Maar wat een vreselijk gezicht.
15:17Aan alle kanten waren er onstuimige watergolven.
15:21De beide jongens klommen zo snel ze konden de ladder af, zonder dat ze echt wisten wat ze moesten beginnen.
15:27De schuur stond beneden al vol water, bijna negentig centimeter hoog.
15:32Ze klommen snel weer naar boven om op de zolder zo lang mogelijk veilig voor het water te zijn.
15:38Hier hoorden zij weer een gillende en de angst geschrei van de secretaris, die als een redder 10.000 gulden en even later 50.000 gulden beloofde.
15:50Zij zagen met ontzetting dat het water hoe langer hoe hoger steeg.
15:55Ze hoorden dichtbij en in de verte allerlei angstkreten.
16:02Opeens begon de schuur.
16:04waarin ze zich bevonden, te wachelen.
16:07Eerst dachten zij dat ze zich vergisten, maar nee, ze hoorden nu het water onder zich klotsen en ze voelden nog een keer, en nu heel duidelijk, een geweldige ruk, de haren rezen en van
16:19angst te bergen, toen de hele hooischuur plotseling op een kant geworpen werd.
16:25O Adolf, we zijn verloren, riep Frits, terwijl hij zich in het hooi vast probeerde te klemmen.
16:31Het water rukte de hele schuur weg.
16:34Enige angstige ogenblikken volgden en daarop begon de hooischuur heen en weer te slingeren, net als een kinderwieg.
16:42Wij moeten sterven, Frits.
16:44Vader en moeder en ons lieve zusje zijn zeker ook al verdronken.
16:48Kijk, de hele schuur wachtelt.
16:51Het wachtelen van de schuur werd hoe langer hoe sterker.
16:54Plotseling kwam er nog een geweldige ruk.
16:57O heren, help ons, bad Adolf met biddende lippen.
17:02Frits stemde met deze beden in, terwijl zij elkander vast omklemden, niets anders denkend dat hun laatste uur gekomen was.
17:12Dit was niet zo.
17:14De schuur bewoog zich vooruit.
17:16Hij bleef op het water drijven.
17:19Langzaam heen en weer, schommelend over de golven van de vloed, dreef zij daarheen.
17:24Het ene angstige uur na het andere verliep heel langzaam.
17:30Tot eindelijk het morgenlicht opkwam.
17:34De schuur dreef nog steeds over het water rond.
17:38Pas in de loop van de dag begon het water te zakken.
17:41En tegen de avond werd het land zegbaar.
17:45De beide jongens klommen nu naar buiten.
17:49Ze waren gered.
17:50Maar zij vergaten bijna God voor het behoud van hun leven te danken.
17:55Ze hadden nu nog een grotere angst over hun ouders en zijn zusje.
18:01De grote verwoesting zagen die er rondom hen had plaatsgevonden.
18:04In het arme Ischenheim waren veertien huizen helemaal vernieuwd.
18:09De andere zo erg beschadigd dat zij zeker afgebroken en opnieuw gebouwd moesten gaan worden.
18:15Het huis van de secretaris was helemaal verdwenen.
18:19Er was geen spoor meer van te vinden.
18:22Net als van de heer von Ingersheim zelf.
18:25Ook zijn lichaam was niet te vinden.
18:27Hoe er ook naar gezocht werd.
18:29Ook in Guepwiller waren grote verwoestingen aangericht.
18:34De hutten van de bewoners uit de dal waren allemaal weggespoeld.
18:38Frits en Adolf zagen dit alles huilend aan.
18:43In onbeschrijfelijke angst zochten zij de weg naar een ouderlijk huis.
18:49Hoe zou het daar zijn?
18:51Na een lange, treurige wandeling kwamen zij eindelijk op de plaats waar de zaagmolen gestaan had.
19:01Poor meer van te zien.
19:02De hele plek was veranderd.
19:05Geen boom stond er meer.
19:07Geen steen wees de plaats aan waar het geliefde ouderlijk huis had gestaan.
19:13Niets dan slijk en rotsklompen en
19:17laag struikgewas was er te zien.
19:19In diepe smart vrongen de arme jongens hun handen.
19:23Niets anders denkend dan hun geliefde ouders en zusje allemaal ongekomen waren.
19:29Na een tijdje, nadat ze enige tijd over mand of verdriet daar gestaan hadden, kwamen zij tot het besluit om naar de hut van de kolenbrander te gaan.
19:39Deze man was een vriend van hun ouders en ze wilden hem vragen of ze daar de nacht door mochten brengen.
19:46Zijn woning lag hoog op een rots, veilig voor het water.
19:50Door slijken en rotsklompen over omgevallen bomen heen klouteren zij.
19:56De rotsen op, totdat zij bij de hut van de kolenbrander bereikten.
20:01Maar hoe zag die hut eruit?
20:03God de Heer had werkelijk een wonder gedaan.
20:06De vorige avond zat
20:10de zaagmolenaar nog rustig aan zijn werk.
20:14Hij was bezig een vogelkooi te maken.
20:16En toen ineens tegen het raam geklopt werd en hard geroepen werd, Zaagmolenaar, u moet met uw vrouw en kind naar de kolenbrander gaan.
20:26De molenaar schrok.
20:28Die stem was hem onbekend.
20:30Hij ging naar het raam en riep, is daar iemand?
20:33Wat moet ik daar gaan doen bij de kolenbrander?
20:35Ik heb hem vandaag nog gesproken.
20:38Hij kreeg geen antwoord.
20:40Hij deed het venster open en keek in de duisternis rond, maar zag niemand.
20:45Een sombere stilte heerst er in het dal.
20:47Alleen het bruisen van het meer was te horen.
20:51Wat zou daar de nachtig moeten doen, dacht de molenaar bij zichzelf.
20:57Maar hij ging maar weer aan het werk.
20:59Hij zat nog maar net of er werd weer geklopt en diezelfde stem riep hetzelfde als de vorige keer.
21:06De molenaar ging weer naar het raam en vroeg, wie is daar?
21:10Geen antwoord.
21:12Wanneer iemand een boodschap voor mij heeft, kan mij hiermee eerlijk voor de dag komen, riep hij toen naar buiten.
21:18Wat moet ik bij de kolenbrander doen?
21:20Is hij ziek geworden?
21:22Of zijn vrouw?
21:23Of een van zijn kinderen?
21:25Weer geen antwoord.
21:27De molenaar wist niet wat hij hiervan denken moest.
21:30Even later kwam zijn vrouw binnen.
21:32Zij had niets van het alles gehoord.
21:34En hij vertelde haar de bijzondere gebeuren.
21:38Kom, je hebt zeker gedroomd, antwoordde zij.
21:41Of heb je het verbeeld?
21:43De molenaar geloofde dit op het laatste ook.
21:47En hij ging weer aan het werk.
21:48Zijn vrouw deed kleine Anne haar nachtkleding aan en bracht haar naar bed.
21:53Het kind deed haar avondgebedje.
21:56Toon ons uw goedheid, uw macht, door uw bescherming deze nacht.
22:01Behoed ons tegen rampenleed en blijft het onze hulp gereed.
22:06Toen zij het gebed geëindigd had, zei ze, Vader, wordt er buiten geklopt?
22:12Vader en moeder keken naar het raam.
22:14Toen hoorden zij opeens, dringender dan de vorige keer, roepen, Molenaar, u moet met uw vrouw en kind direct naar de kolenbrander gaan.
22:24Toen zei de vader, vrouw.
22:26Kleed Anna maar weer aan.
22:27Wij moeten ons direct klaarmaken om daarheen te gaan.
22:30Zijn vrouw maakte direct zonder tegenspreking alles klaar om te gaan.
22:34En al snel waren ze alle drie klaar.
22:37De molenaar sloot de molen, nam zijn lantaarn in de ene hand, zijn kind in de andere hand de lantaarn.
22:45Met zijn vrouw, aan de andere zijde naast zich, gingen zij samen de donkere avond in.
22:50Langs het smalle, rotsige pad naar de hut van de kolenbrander.
22:55waar zij gelukkig behouden aankwamen.
22:58Hun vriend was over dit onverwachte later bezoek natuurlijk heel erg verwonderd.
23:04De molenaar vertelt hem wat er gebeurd was, waarop hij antwoordde.
23:08Het is goed dat u hier bent.
23:10Ik heb er al zo vaak naar verlangd om jullie eens op een stille winteravond bij ons te hebben.
23:14Nu kunnen we eens vertrouwelijk met elkaar praten.
23:17Kom, laten wij eens gezellig samen gaan zitten.
23:21Maar de molenaar was helemaal niet in stemming om op zijn gemak te gaan zitten.
23:27In zijn hart was er een gedurige onrust.
23:30Hoe staat het met het meer?
23:31vroeg hij na een poos.
23:33Het is wel erg hoog, zoals ik je vanmiddag ook al gezegd heb, maar de dam kan nog wel jaren uithouden.
23:39Het is niet zo gevaarlijk als jij wel denkt.
23:42Ik heb het meer wel vaker zo vol gezien.
23:45Hij had dit nog maar net gezegd, toen een vreselijke knal werd gehoord.
23:51Een hevige windvlaag deed de hut schudden en kraken, zodat een ogenblik het gezelschap het horen en zien verging.
24:00Al de kinderen van de kolenbrander en de kleine Anna begonnen van schrik luid te schreeuwen, terwijl hun ouders van ontzetting geen woord konden uitbrengen.
24:11Wat was dat?
24:13vroeg de kolenbrander eindelijk.
24:15Maar het was duidelijk aan zijn gezicht te zien dat hij maar al te goed wist, maar dat hij...
24:21te bang was om het uit te spreken.
24:24Het ontzettende gedruis daarbuiten duurde voort en kwam hoe langer hoe dichterbij.
24:30Het is gebeurd, God zij ons genadig, riep de zaagmolenaar terwijl hij zijn handen naar de heem lief.
24:37Het is zo, het is gebeurd, herhaalde de kolonbrander zitterend, die net als de molenaar doodsbleek van schrik was geworden.
24:46Wat een ontzetting!
24:48Zal op de jongste dag de mensen het aangrijpen, dat ze niet bereid zijn voor God te verschijnen, wanneer de zee met haar volheid zal bruisen en de krachten van de hemelen zullen
25:00bewogen worden.
25:03De rots waarop de hut stond schudde onder hun voeten.
25:06Het leek of zij zou instorten, slag op slag, sterker dan het gebulder van kanonnen door kliefde de lucht en het geklots van de onstuimige watergolven.
25:20Golven die rotsen en bomen omver rukten en hen tegen de rots waarop hun hut gebouwd was slingerden.
25:28De watervloed kwam steeds dichterbij.
25:30Het water bruisde zo hoog op dat 600 stapels brandhout die niet ver van de hut lagen weggerukt werden.
25:39Maar tot het huis zelf steeg het water echter niet.
25:42De arme bewoners vrezen ieder ogenblik dat zij door de woeste golven in de afgrond zouden geslingerd worden.
25:51In doodsangst brachten zij die vreselijke nacht door.
25:55Toen de dag aanbrak en de molenaar uit het raam keek, zag hij een hele grote schuimende watervloed.
26:02Hij zag hoe de omgeslagen bomen met groot geweld in het dal naar beneden stortten.
26:07Hij dacht natuurlijk al zijn huisje en de molen die vast en zeker ook een prooi van de golven geworden waren.
26:14Ook dacht hij aan de waarschuwende stem die hij de vorige avond gehoord had.
26:20God heeft werkelijk een wonder gedaan, sprak hij.
26:23Hij zal onze jongens ook niet vergeten hebben.
26:28Die avond van diezelfde dag kwamen de beide zonen Frits en Adolf veilig in de hut van de kolenbrander aan.
26:37Groot was hun vreugde en verbazing toen ze daar hun geliefde ouders en zusje gezond en wel terugvonden.
26:44Ze hadden gedacht dat zij omgekomen waren in de golven.
26:48Uit hun mond hoorden zij de geschiedenissen.
26:51Van een wonderlijke redding.
26:53Ook de blijdschap en de verwondering van de ouders was niet minder.
26:57Toen de jongens vertelden hoe zij door het losgerukte schuur, die voor hen als een ark van Noach geworden was, over de onstuimige wateren heen en weer gedragen en zo gered waren.
27:09De molenaar had door de overstroming wel zijn huis en goed verloren.
27:13Maar hier klaagde hij niet over.
27:16Hij boog zich met zijn geliefd gezin voor die almachtige God neer, om hem voor zijn warmhartigheid en hulp met een dankbaar hart te loven en te prijzen.
27:26Ze hebben nooit van iemand gehoord wie hen die nacht geroepen heeft, maar ze hebben het toch geweten.
27:34Tot
27:37zover het verhaal Wie heeft geroepen?
27:42We
27:44willen als laatste deze avond nog zingen met elkaar.
27:48Psalm 141 en daarvan het eerste, tweede en derde vers.
27:56Het eerste vers.
27:57Ik roep Heer in angst tot u gevloden.
28:00Hij haast u tot mijn hulp en redt.
28:02Hoor naar de stem van mijn gebed dat ik u aanroep in mijn noden.
28:08Het tweede vers.
28:10Mijn bee of mijn gebed met opgeheven handen klimt voor uw heilig aangezicht als reukwerk voor u toegericht.
28:18Als offers die des avonds branden.
28:21In het derde vers zet heren een wacht voor mijn lippen.
28:25Behoed deuren van mijn mond, opdat ik mij tot genen stond.
28:30Iets onbedachtzaams laat ontglippen.
28:34141, het eerste, tweede en het derde vers.
28:37Ik wens jullie allen een goede en gezegende zondag toe.
28:41[GEZANG]