0:02Goedenavond luisteraars.
0:04Voor ons als kustbewoners heeft de zee altijd een bepaalde aantrekkingskracht.
0:12Menige keer reden we al naar de Brouwersdam om te genieten van het uitzicht over de altijd weer fascinerende zee.
0:22Die zee die voor het oog zo kalm en vriendelijk kan zijn, maar op een andere keer zo woest en dreigend kan tekeergaan.
0:34Daar weten onze vissers van mee te praten.
0:37Menige storm zal niet gauw uit hun herinnering vervagen.
0:42Van zo'n storm op zee spreekt ook het waar gebeurde verhaal van vanavond.
0:49Het draagt de titel
0:51Alleen op een wrak.
0:54Vanavond het eerste deel dat begint met het vertrek.
1:02Het is een van de laatste dagen van de maand september.
1:06Hoewel nog vroeg in de morgen heerst er in de kleine Zuid-Hollandse zeeplaats Maassluis een bedrijven gedrukte.
1:16In de ruime, flinke haven die het midden van de stad met de Maas verbindt, liggen enkele visserschepen, loggers genaamd, gereed om te
1:28vertrekken.
1:29Een paar dagen geleden zijn ze aangekomen na een verblijf van drie tot vijf weken op de Noordzee.
1:38Ze hebben hun rijke lading gelost, de netten uit het schip gehaald om ze te doen schoonmaken, tanen en boeten.
1:48Reders en matrozen waren tevreden over de besomming.
1:52De bemanningsleden hebben hun vrouwen de blanke geldstukken in de hand geteld, die ze met Gods hulp op de ranke kiel verdienden.
2:05Ze waren blij om eens enkele dagen genoeglijk onder hun huisgenoten en familie te verkeren.
2:12Nu viel het hun hart weer al zo spoedig de plaats in de huiselijke kring te moeten verwisselen met het vooronder van het zeeschip.
2:23Maar het moest, misschien nog één reis na deze, en dan zou het onze matrozen vergund zijn, minstens een paar weken.
2:33soms een paar maanden, onder de hunnen door te brengen.
2:39De vorige dag zijn schone netten aan boord gebracht.
2:43Tonnen met zand zijn in het ruim neergelaten om het schip de vereiste diepgang te geven.
2:50Als men op zee met de visserij gelukkig is, wordt de ballast buiten boord geworpen en men pakt de haring in de lege tonnen.
3:02Onder toezicht van douanebeamten is de nodige hoeveelheid zout uit het pakhuis naar het schip gebracht.
3:09Men is van alles voorzien, van vers drinkwater en bier, van aardappels, bonen, rijst, spek, scheepsbeschuit enzovoort.
3:22Alles is gereed.
3:24Nog één uur en men zal vertrekken.
3:30Daar ligt de sterk gebouwde logger Jan Cornelis aan de kade vastgemeerd.
3:35De vlag in top, de vaderlandse driekleur bovenaan en de plaatselijke eronder.
3:43De zeilen zijn nog niet gehezen.
3:46Dit gebeurt pas later.
3:48Een sleeboot zal de Johan Cornelis uit de haven langs de nieuwe waterweg naar zee brengen.
3:56Hoor die stoomfluiten keergaan.
4:00De kapitein van de stoomboot begint ongeduldig te worden en geeft een sein om wat voor te maken.
4:08Aan boord jongens, roept de schipper van de loggers met rozen toe.
4:13Nog een laatste kus, een afscheidskus, wordt de vrouwen en kinderen gegeven.
4:20Een laatste hartelijke handdruk die voor scheidenden en achterblijvenden zoveel betekent.
4:29Behouden reis, klinkt het nu uit aller mond.
4:32Er is kracht nodig voor die vrouwen en moeders om niet te huilen.
4:39Langzaam wordt het schip uit de haven gesleept tot aan de rivier, zodat de vrouwen gelegenheid hebben om mee te lopen tot het havenhoofd.
4:50Nog een luid algemeen vaarwel, weer klinkt.
4:56Menig een wist nu zich de tranen van de wangen.
5:00Dag man, dag Pieter, roept een vissersvrouw van middelbare leeftijd haar man en haar jongste zoon toe, die allebei op hetzelfde schip varen.
5:12Dag moeder, roept de vijftienjarige jongen met bevende stem.
5:18Dag moeder, tot weerziens.
5:22Nog eens gewuifd met zakdoeken en petten, nog een blik op het schip en allen gaan huns weegs.
5:32Op het schip is het onze zeelieden, de eerste tijd zo koud, zo ongezellig.
5:39Langzamerhand zien ze de toren achter de bomen verdwijnen.
5:43Ze zien de duinen al.
5:45De sleeboot voelt hen tussen de hoofden door naar zee.
5:51De zeileneisser, klinkt het, de sleept los, los.
5:57Daar keert de stoomboot terug en de Johan Cornelis stijgert als een waterros op de golvende baren van de Noodzee.
6:08De stuurban heeft aan het roer plaatsgenomen, het kompas staat voor hem.
6:14Naast hem bevindt zich de schipper.
6:17Ze spreken met elkaar af waarheen ze zullen zeilen.
6:21De schipper zegt, op 51 graden noorderbreedte en 20 graden oosterlengte hebben we de laatste keer zo'n goede vangst gehad.
6:32We moesten daarheen maar koers houden.
6:36Wellicht praaien we nog wel een logger die van de visserij naar huis keert en ons raad kan geven, antwoordt de stuurman.
6:45De matrozen die nog niet tot het werk geroepen worden, zitten met elkaar te praten op het dek.
6:52Aangename en ongename herinneringen spelen allen min of meer door het hoofd.
7:00Hier ziet men een glimlach, daar een sombere blik.
7:06In het oog van Pieter glinstert een traan, die zijn vader niet in staat is te drogen.
7:13Kom op jongen, zegt Kramer tegen zijn zoon, over een paar weken ben je weer bij moeder.
7:21Maar vader, ik heb zo'n bang voorgevoel.
7:25Het is mij of...
7:27En hier begon Pieter te schrijen.
7:31De vader probeert hem op te beuren, maar laat hem na vergeefse pogingen de vrije loop om zijn gevoelens te verwerken.
7:42Aan een voorgevoel valt weinig te doen, denkt hij.
7:46Het is zo ongegrond.
7:49En daarboven menig heen kwam na een innerlijke vrees gezond en wel weer thuis.
7:55En al mocht het wel eens gebeurd zijn van niet, het is bij mijn jongen een heimwee naar zijn lieve moeder.
8:04Smiddags begon de kok aanstalten te maken voor zijn gewone taak.
8:09Een eenvoudig maar krachtig middagmaal stond weldra op tafel.
8:15Het gebed werd niet vergeten.
8:18Aan het einde van de maaltijd las de schipper een gedeelte van Gods woord voor.
8:24De Bijbel en de Godvruchtige Zeeman zijn twee boeken die bijna op alle schepen aanwezig zijn.
8:36De Haringvangst.
8:38Na drie dagen gevaren te hebben, kwamen ze eindelijk op een plaats waar zij hun viswerk wensten te hervatten.
8:49Hier en daar zag men een scheepje dobberen.
8:52Zelfs was men zo gelukkig geweest een schip te praaien, waardoor men te weten kwam dat hier nogal wat te vangen was.
9:01Het werk zal nu beginnen.
9:03Iedere matroos weet wat hem te doen staat.
9:06De netten worden uit het ruim in de zee geworpen, het kleine zeil wordt gehesen en het grote gestreken.
9:16Over een lengte van een kwartier gaans drijven nu de netten in zee.
9:23Hier en daar is een drijvende ton geplaatst, waarin een stok staat met een vlaggetje bovenop.
9:30Aan de bovenkant worden de netten drijvend gehouden door stukken kurk.
9:35Van anderen hangen ze vrij naar beneden.
9:39Stil drijven de scheepjes daarheen.
9:43Wanneer de maan helder schijnt, zwemmen de haringen soms met de rugvin boven water.
9:49Scherp licht schijnen ze niet te kunnen verdragen.
9:53Overdag zwemmen ze dan ook dieper dan s'avonds.
9:56Een zacht licht lokt hen, daarom plaatsen de vissers nachts lantaarns op hun schepen.
10:04De
10:05haring zwemt gewoonlijk bij scholen van duizenden.
10:09Soms ziet de zee er zilverwit uit van de blanke ruggen van de opeengepakte zeediertjes.
10:17Enige uren ligt het schip nu aan de vleet.
10:21Dan worden de netten opgehaald.
10:24Vrolijkheid staat op het gezicht van de vissers te lezen, want de vangst is groot.
10:31Alle handen op het dobberende vaartuig dus aan het werk.
10:38De tonnen worden naar boven gehaald en opengeslagen.
10:42Het zout binnen het bereik geplaatst.
10:45De mesjes zijn al gescherpt, zodat het kaken vlug van de hand gaat.
10:51De haring wordt dan in de tonnen gelegd, gezouten en vindt weldra beneden in het ruim een plaats.
10:59De vleet is binnengehaald.
11:02Veertig tonnen zijn gevuld.
11:05In elke ton zitten zeven à achthonderd haringen.
11:10Men
11:11is dankbaar en voldaan.
11:13Als straks de kok zijn versgebakken haring op tafel zet, zal de schipper de heren danken voor zijn rijke zegeningen en hem boven die stoffelijke
11:26weldaden een zegen vragen voor de zielen van de schepelingen.
11:33Een donkere wolk.
11:35Zo gaat het de Johan Cornelis voor de wind.
11:41Maar zal het zo blijven?
11:43Drie nachten achtereen werd er gewist, zodat er al een grote voorraad haring aan boord was.
11:52De laatste morgen was de lucht nog zo helder als kristal.
11:57Maar toch was de zee...
12:01Niet zo rustig en kalm als men bij zulk mooi weer verwachten kon.
12:06De deining van de zee was bijzonder groot en dit is altijd een teken dat een storm is vooraf gegaan of dat deze volgen zal.
12:19De schipper ging naar zijn kujuit om de stand van de barometer waar te nemen.
12:25Het kwik was heel erg gedaald.
12:29en kondigde wind en regen aan.
12:32Men vreesde evenwel nog voor niets, daar de natuur nog geen verandering aantoonde.
12:38De morgen ging rustig voorbij, maar in de middag draaide de wind naar het noordwesten.
12:46Aan de horizon bemerkte men een wolk die steeds naderde en aangroeide.
12:54De zachte wind werd al gauw een stijve bries, die het schip dobberend de golven deed klieven.
13:01De
13:02zon ging onder.
13:04De blauwe hemel van straks herkende men niet meer.
13:10Donkere wolken bedekten het azuur en slechts daarginds in het verre westen zag men nog de rode gloed van de ondergaande zon.
13:21Een innerlijke vrees voor de naderende nacht beving onze matrozen.
13:27Een stem in hun ziel sprak, wachter, wat is er van de nacht?
13:35Er werd besloten de netten niet uit te werpen, daar men groot gevaar zou lopen ze te verliezen.
13:43Het is acht uur.
13:45De matrozen die de wacht hebben staan aan het roer.
13:49De lichten zijn opgestoken.
13:52Men zal proberen in het ruime sop te blijven, ten einde niet aan lager wal te geraken, waar het gevaar groter is dan in volle zee.
14:02De andere schepelingen zijn in het vooronder.
14:05De een kijkt bedeesd voor zich.
14:09Anderen zitten met elkaar te praten en geven weerkundige opmerkingen ten beste.
14:16Pieter staat naast zijn vader, die de rookwolken uit zijn pijpje blaast.
14:23Vader, wat denk je van het weer?
14:27Ja jongen, ik vrees dat het vannacht wel wat zal spoken op zee.
14:32Ben je bang?
14:33Kom, wees ferm.
14:35Je moet niet zo bang kijken.
14:37Ga maar eens mee naar boven.
14:40Beiden stapten de trap op en plaatsten zich bij de matrozen op wacht.
14:45Het was al gaan regenen en duchtig ook.
14:49De Zuidwesten was op het hoofd gedrukt en de Odejas aangetrokken, zodat men tegen een bui bestand was.
14:57Dat het weer al zo ruw was, had onze kramer niet gedacht.
15:03De wind vloot hen om de oren en de kille regen deed Pieter huiveren, zodat het verblijf op het dek niet van lange duur was.
15:15De nacht daalde.
15:18Stilte.
15:19Rust en vrede bleven echter verre.
15:24Integendeel, alles op de Johan Cornelis was in beweging.
15:28De wind was tot een storm aangegroeid.
15:31De onstuimige golven verhieven zich bruisend en schuimend ten hemel.
15:37Soms dreef de storm het water voor zich uit.
15:42Bulderend loeide de storm door de touwen van het schip.
15:46Het grote zeil had men bij tijds gereefd, maar een krachtige windtruk had een kleiner zeil krakend aan frarden gescheurd.
15:57De matrozen moesten nu besluiten waar ze wezen wilden.
16:02De luiken moesten gesloten worden, daar er anders zoveel water in het schip kwam.
16:08Een viertal ging naar beneden, waaronder ook de kleine zeeman Pieter.
16:14Zijn vader met de overige schepelingen stonden boven op het dek om de schipper geschaard.
16:21Deze stond aan het roer.
16:23Waarom?
16:24Om te sturen?
16:26Ach nee, het zou vergeefse moeite geweest zijn, maar toch hield hij als uit gewoonte zijn hand aan de helmstok geslagen.
16:36Pijnzend staat hij voor zich, maar rondom is alles stikdonker.
16:41De matrozen waggelen op hun voeten, de een houdt zich vast aan de mast, een ander heeft zich uit vrees van weggeslagen te worden met een touw vastgebonden.
16:53O God, behoed ons, wij vergaan!
16:57Dit woord weer klinkt in de bange gemoederen.
17:01De schipper zendt een vuurig gebed op, tot de Almachtige, wiens naam ontfermer is.
17:10om bijstand in de nood.
17:13Bange uren werden daardoor leefd.
17:16De pijnlijke onzekerheid van hoop en vrees putte de matrozen uit.
17:22Maar het gevaar was te groot om een ogenblik aan de slaap te kunnen denken.
17:28Een licht gestommel deed zich van onder horen.
17:31Men opende het luik en de vier matrozen, die gedrag hadden te rusten, wensten boven te komen.
17:40Men gaf gehoor aan hun wens.
17:43Daar stonden nu allen.
17:46Zeevaartkunde, kompas, nog roer, vermochten iets tot afwering van het dreigend gevaar.
17:56In
18:01doodsgevaar.
18:03In die toestand kwam geen verandering.
18:07Men leefde bij het ogenblik.
18:10Indien het uw wil is, o God,
18:13Dat wij de onze niet meer zullen zien, dat wij voor uw rechterstoel verschijnen moeten, wees dan om uw lieve zoon onze zielen genadig.
18:25Zo klonk een gebed op de knieën tot God opgezonden.
18:30Zou er redding opdagen, of zouden die golven hun graf worden?
18:35Ach, was de morgen maar aangebroken, en de morgen zou aanbreken.
18:43Maar onder welke omstandigheden?
18:46Pieter stond van angst en kou te beven.
18:50Jongen, zegt zijn vader, jij kunt hier niets doen.
18:54Ga naar je kooi en bid daar tot de trouwe God.
18:59Maar vader, vader, ik ben zo bang.
19:03O, mijn lieve moeder, ach moeder, kijk eens, ach.
19:08Een golf kwam aanrollen en riep het schip omhoog.
19:13Pieter schrok zo dat hij plat neerviel zonder een woord te kunnen spreken.
19:20Kramer schrok hevig.
19:21Met behulp van een matroos hielp hij zijn zoon naar beneden en legde hem in zijn bed.
19:28Daar lag nu de arme jongen, helemaal alleen en zo ver van zijn lieve moeder, die hem in zijn koortsige droom angstig wenkend verscheen.
19:42Het zal vijf uur in de morgen geweest zijn.
19:46Men zag al verwachtend uit naar het oosten, wellicht zou er met de dag uitkomst komen, maar alles was nog in het nachtelijk donker gehuld.
19:57Een enkele ster schoot haar stralen naar de aarde, maar licht bracht ze niet.
20:05Was het gevaar al groot en de hoop op ontkoming nog gering, veel groter werd de spanning toen ze in de verte een lichtje waarnamen.
20:16Een kustlicht kon het niet wezen, dus was het een schip.
20:22Men kon aan het licht zien dat het de Johan Cornelis naderde.
20:31Daar naderde het vieren fregat de City of London.
20:38Hoewel sterker gebouwd dan onze logger, was het toch ook een speelbal van de golven.
20:44Een gedeelte van de lading die uit graan bestond, was reeds nat geworden en dus bedorven.
20:53De reeder zou er wel niet vriendelijk om kijken, maar, dacht de kapitein,
20:59Hij mag wel dankbaar zijn dat we nog niet genoodzaakt zijn geweest een deel van de lading overboord te werpen.
21:07Een rukwind wierp het fregat weer verder.
21:11Op de logger zag men met vreze en beving dat het op hen afkwam.
21:18Met opzet?
21:19Wel nee, zo vreed zou niemand zijn en vooral geen zeeman die zelf in nood verkeert.
21:27En daarboven, de lichten op de Johan Cornelis waren uitgewaaid, zodat men van het fragat de logger niet eens bemerkte.
21:36Schipper, wend het roer, riep een matroos.
21:40Maar het was te laat.
21:42Het fragat achterhaalde hem.
21:46Hup, hup, riepen de matrozen de bemanning van het vreemde schip toe.
21:52Heren, behoed ons, we vergaan.
21:55Hoort men op de logger.
21:57De Engelsen bemerkten spoedig van welke kant het noodgestrij kwam.
22:03Alle beschikbare touwen en ladders werden vastgemaakt en overboord gehangen.
22:09Krakend gleed het fregat langs de bakboordverschansing van de logger.
22:15Het hout scheurde en spleet.
22:18De splinters en stukken vlogen naar alle kanten.
22:22Men dacht niet anders.
22:25Of er was een gat in gevaren, waardoor het water wel naar binnen zou stromen.
22:30Er bleef dus voor onze Hollandse matrozen niets anders over dan de touwen en de ladders te grijpen en met achterlating van schip en goed de toevlucht te nemen op het Engelse
22:43schip.
22:44Binnen enkele seconden, met een verbazingwekkende snelheid, hadden alle matrozen de logger verlaten.
22:52plaatsgenomen op de City of London.
22:55Wat
22:57een uitkomst in het bang gevaar.
23:00Het schip was wel verloren en zou met de lading weldra zinken.
23:05Maar toch, hun leven was gered.
23:07Ze zouden toch de hunnen weerzien.
23:10Wellicht reeds na enkele dagen.
23:13De arme schepelingen dankten de heren.
23:19Jongens, zijn we er allemaal?
23:22Laten we eens tellen, sprak de schipper.
23:26Hij meende niet anders of allen van de kleinste tot de grootste waren gered.
23:32Maar dit woord was als een hamerslag die Kramer trof.
23:38Hoe kon hij hem vergeten, zijn zoon, zijn Pieter?
23:44O, hij zelf is gered, maar zijn jongen zit daar gins in dat drijvende wrak.
23:49Hij ligt daar ziek.
23:51Wellicht heeft het zeewater zijn kooi al genaderd, zodat hij worstelt met de dood.
23:57Moet hij dan behouden thuiskomen met achterlating van zijn zoon?
24:02En als men dan naar zijn zoon vraagt, zal hij zich dan niet wegschamen en zichzelf moeten verwijten zijn vaderplicht verzuimd te hebben?
24:14Schrik en ontzetting grijpt Kramer aan.
24:18Met bevende knieën nadert hij de schipper, die in gebroken Engels met de kapitein staat te praten, over het rapport dat beiden bij hun rederij moeten uitbrengen, over de omstandigheden
24:31waaronder de aanvaring plaats had.
24:35Kramer vraagt niet of hij hen in hun gesprek stoort.
24:38Met gillende stem roept hij, schipper, schipper, mijn jongen, mijn jongen.
24:46Wat is er met hem?
24:47vraagt de schipper.
24:49Ach schipper, mijn Pieter is er nog in.
24:52Hij lag te slapen.
24:53Oh, ik vergat hem te redden.
24:55Laat ons toch naar het wrak terugkeren.
24:58Kramer
25:00staart met een angstige blik naar de donkere stip die nu en dan achter de hoge golven verdween.
25:08Zijn hart klopt hem tegen de borst.
25:11Zijn geweten beschuldigt hem van achterloosheid, van plichtsverzuim.
25:16De gedachte aan zijn thuiskomst zonder Pieter maakt hem radeloos.
25:22Zou er nog redding mogelijk zijn?
25:25vraagt Kramer aan de schipper.
25:27Deze spreekt er met de kapitein over.
25:30Maar, oh jammer, het antwoord is beslist ontkennend.
25:36Ik zou in dit weer mijn eigen schip erbij kunnen verliezen.
25:41Ik zou uw leven en dat van de overige schepelingen in de waagschaal stellen, wanneer we naar het wrak voeren.
25:50Immers de golven konden het met zo'n geweld tegen mijn fregat aanwerpen, dat we schipbreuk zouden leiden en de zee ons graf werd.
26:00Het is hard, zeer hard.
26:03Ik gevoel het, maar voor één zoveel mensenlevens te wagen, dat is onverantwoord.
26:12God zij de ziel van uw zoon genadig.
26:17Kramer wierp zich in wanhoop voorover op het dek.
26:21Hij stond weer op.
26:22Een ijselijke gedachte vloog hem door het hoofd.
26:26Hij kon zwemmen en goed zwemmen ook.
26:30Zou hij het wagen in zee te springen en trachten het wrak te bereiken?
26:36Maar de afstand was groot, te groot zelfs voor een geoefend zwemmer als hij was.
26:43En toch, wat was zijn leven waard bij het verlies van zijn zoon?
26:48Wat betekende zijn redding waar hij zijn Pieter moest achterlaten?
26:53De schipper vermoedde waaraan Kramer dacht.
26:57Jongen, bedenk wat je doet.
27:01De zee is onstuimig.
27:03Je bent een kind des doods, zo je jouw wild en uitvoel brengt.
27:08Ja, schipper, maar bij jongen in dat wrak.
27:11Hij zal vergaan.
27:12Hij zal wegzinken in de diepte wanneer ik...
27:16En hier begon Kramer luid te schrijen.
27:20Hij gevoelde zijn verantwoordelijkheid, maar meer nog zijn onmacht.
27:26Ik voel iets van jouw toestand, goede vriend.
27:30Het is hard je kind te moeten overlaten aan de onstuimige golven, zelf gered, maar zonder Pieter thuis te komen.
27:39Wat zal je vrouw, zijn moeder, wel schrijen?
27:43Maar wat zou er van haar en van je kinderen worden als wij haar de treurige, de dubbeltreurige tijding moesten meedelen dat jij door de zee verzwolgen
27:56werd?
27:57Terwijl je je zoon wilde redden, denk daar ook eens aan, stort je ziel uit voor God en wees gelaten in je lot.
28:07Kramer lag daar wenend, terwijl hij de heren vroeg zijn kind genadigd te zijn.
28:18Op de lange, bange nacht volgde eindelijk tot zo lang voorbij de morgen.
28:26Aan de oosterkin brak de zon door de wolken en bescheen de woeste wateren.
28:31De storm was uitgewoed en was nu als geketend.
28:37Dankbare gedachten vervulden de arme schepelingen.
28:41Alle vrees was voorbij en hoopvol zag men de toekomst tegemoet.
28:47Onder de matrozen bemerken we ook Kramer, met wiens lot allen begaan zijn.
28:55Ze trachten hem te troosten, maar hun woorden gaven hem geen vrede.
29:02Terug in het vaderland.
29:05Het is waar, de nacht was voorbij gegaan en de morgen was gekomen.
29:11De storm was bedaard.
29:13Er bestond geen vrees voor gevaar meer.
29:18Kramer zag niets meer van het wrak.
29:22Hij wist zelfs niet in welke richting hij moest staren.
29:26Hij vreesde het ergste.
29:30Nog diezelfde dag bereikte de City of London de rede van Newcastle aan de oostkust van Engeland.
29:39De Hollandse matrozen werden aan wal gebracht en bedankten de Engelsen voor de hulpvaardigheid en menslievendheid die zij hun in de nood betoond hadden.
29:53Daar stonden de Hollanders in de vreemde.
29:57Wie zou hem nu helpen?
30:00Ze vervoegden zich bij de Nederlandse consul, de Newcastle.
30:05Deze tekende hun lotgevallen op en gaf hun zoveel geld in voorschot dat ze zich van het nodige konden voorzien.
30:15Reeds de volgende dag vertrokken ze met een stoomschip naar Rotterdam, zodat ze weldra op de plaats van hun woning aankwamen.
30:24De reeder had men uit Engeland een telegram gezonden van de volgende inhoud.
30:30De Johan Cornelis is in de storm vergaan.
30:35De bemanning is gered.
30:38Van het ongeval met de scheepsjongen Pieter Kramer had men niets gemeld.
30:44Bij elke stoomboot die van Rotterdam te Maassluis aankwam, zag men een aantal mannen en vrouwen staan die de komst van de schipreukelingen afwachten.
30:56Eindelijk kwamen ze.
30:58Een onderdrukt pijnlijk gevoel stond te lezen op het gezicht van de reeder, wie het verlies van het schip met de aanwezige voorraad Haring bijzonder
31:10trof.
31:12Deze was de bemanning naar Rotterdam tegemoet gereisd en was dus van alle omstandigheden en lotgevallen goed op de hoogte.
31:23Blijdschap straalde uit de ogen van de vrouwen toen ze hun geliefde echtgenoten weer zagen.
31:30Geld en goed was wel weg, maar het leven hadden ze eraf gebracht.
31:35God had ze hun weer teruggegeven en wat er verder aan ontbrak,
31:41zou wel weer in orde komen.
31:43Zo dacht ook vrouw Kramer.
31:46Ze wist nog niets van de donkere wolk die haar boven het hoofd hing.
31:51Daar stapt Kramer naar haar toe.
31:55Wel man, zei ze, wat ben ik blij dat je weer hier bent.
32:00Ik had je niet kunnen missen.
32:03Ik heb geen woorden genoeg om God te danken voor jouw redding.
32:07Maar,
32:08waar is onze jongen?
32:11Waar is Pieter?
32:13Kramer zou in tranen kunnen uitborsten, maar hij hield zich mannelijk.
32:20Moeder, zei hij, die komt zo, laat ons maar even vooruit lopen.
32:25Nee man, ik moet eerst mijn jongen zien, mijn lieve Pieter in mijn armen drukken.
32:31Ze wilde zich al omkeren om naar de stoomboot te gaan, ten einde haar Pieter te zien.
32:37Maar een matroos houdt haar staande en zegt.
32:42Vrouwtje, ga met je man naar huis.
32:44Ik kom zo met...
32:47Nee, nee, ik wil, ik zal, ik moet hem zien, gilde ze.
32:52Zou haar bange vrees gegrond zijn?
32:55Zou het schrikbeeld van haar geest werkelijkheid zijn geworden?
32:59Zou Pieter er wel zijn?
33:02Man, zegt ze, is mijn jongen op de stoomboot of...
33:07Meer kan ze niet zeggen.
33:09Ze begint te wenen.
33:12Ze bevindt zich nu tussen andere vrouwen die de verschrikkelijke oplossing van het raadsel al vernomen hebben.
33:20Met zachte drang duwen ze haar vooruit en troosten haar met te zeggen, misschien zit hij al thuis dat hij je wilde verrassen.
33:31Zou het waar zijn?
33:33Zou hij vooruitgelopen zijn?
33:35Haar hart klopt van spanning.
33:37Ze gaat zich nu haasten om haar woning te bereiken.
33:42Haar man volgt haar, met bevende knieën, met betraande ogen vreest hij haar te moeten zeggen dat Pieter op het wrak is achtergebleven.
33:56Maar hij zal het niet hoeven te zeggen.
33:59Het huis binnentredende hoort hij haar al gillen.
34:05De bedroefde, wanhopige moeder ziet haar man aankomen.
34:10Ze loopt naar hem toe en vraagt met doordringende stem, is Pieter verongelukt?
34:20Kramer kan niet spreken.
34:23Hij zakt neer op een stoel en begint luidkeels te wenen.
34:28Zijn geweten beschuldigt hem, terwijl zijn hart bloedt van smart.
34:36Ach, mijn Pieter is weg, mijn arme jongen is verdronken.
34:42Zwijg maar niet man, ik zie wel dat het waar is.
34:46Beken het maar, hij is niet met jou meegekomen.
34:51Vrouw, snikt Kramer, onze oudste is achtergebleven op het wrak toen we aangevaren werden.
35:00We hielden zo veel van hem, maar hij is niet meer.
35:04Graag had ik mijn leven voor hem gegeven, maar dat zou hem niet hebben gebaat.
35:10Hij is van ons weggegaan om nooit meer onder ons dak in te keren.
35:18Wie zal de droefheid en de smart schetsen waarin die eenvoudige mensen gedompeld werden?
35:26Geen woorden zijn in staat te zeggen wat die avond en die nacht in dat huis geleden werd.
35:35De vrouw, de moeder, die hete tranen schrijde over het verlies van haar zoon.
35:42De vader, wiens geweten hem beschuldigde, dat er misschien nog redding mogelijk geweest was, zo hij bij de aanvaring zich naar beneden had gespoed om
35:54zijn kind te wekken.
35:57Voor men zich bij Kramer ter ruste legde, werd de Bijbel ter hand genomen.
36:05Niet uit gewoonte, o nee, hoor maar eens, wat een diepe indruk die goddelijke woorden maken op het geschokte gemoed van de
36:17bedroefde ouders.
36:20Uit de diepten roep ik tot u, o heren, heren, hoor naar mijn stem, laat uw oren opmerkende zijn op
36:32de stem mijner smekingen.
36:35Zo gij, Heren, de ongerechtigheden gadeslaat.
36:41Heren, wie zal bestaan?
36:44Maar bij u is vergeving, opdat gij gevreesd wordt.
36:49Ik verwacht den Heren, mijn ziel verwacht, en ik hoop op zijn woord.
36:56Mijn ziel wacht op den Heren, meer dan de wachters op den morgen.
37:02De wachters op den morgen.
37:05Israël hopen op den Heere, want bij den Heere is goedertierenheid en bij hem is veel verlossing.
37:16En hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.
37:24Die verootmoediging, dit gebed gaf kracht om de lange nacht door te worstelen.
37:35klonk het met enige aandoening van vrouw Kramer's lippen,
37:41bij den heren is veel verlossing.
37:46Dat woord ruiste als de stem van een vriendelijke bode door de ziel van de bedroefde vrouw.
37:58Luisteraars, zou er dan toch nog hoop zijn dat de arme Pieter ooit nog thuis zou komen?
38:09We kunnen het u helaas niet laten horen, want onze tijd is om.
38:14Maar we willen met een woord van de heiland zelf eindigen.
38:19Wat bij de mensen onmogelijk is, is mogelijk bij God.
38:27En hoe?
38:29Dat hopen we bij Leven en Welzijn volgende week te beluisteren.
38:35We danken u voor uw aandacht.
38:38En wensen u voor vanavond een goede voortzetting en voor morgen een gezegende zondag.
38:44Er zal nog voor u gezongen worden uit Psalm 107, de versen 12, 13 en 14.
38:53Psalm 107, vers 12.
38:57Zij die de zee bevaren, met schepen rijk bevracht, zien op de grote baren Gods wijsheid, gunst en macht.
39:07Vers 13, hij wekt met slecht te spreken een stormwind voor hun oog.
39:14Dan beeft het al, dan steken de golven het hoofd omhoog.
39:20En vers 14, zij dansen, wachelen, vallen, gelijk een dronken man.
39:26De wijsheid van hen allen, hoe groot, bezwijkt ervan.
39:32Het zijn de versen 12, 13 en 14 van Psalm.
39:36107
39:37[GEZANG]