Zaterdagavondverhaal - De veilige Haven binnengelopen, deel-2

zaterdag 30 mei 2026 · 19:00 uur · Verhaal · A.J. Nelis · 52 minuten

Transcript

0:02Goedenavond luisteraars.

0:04We hebben de vorige keer gehoord hoe na ontdekking van het stelen van geld uit het zendingsbusje van de inrichting waar hij zo liefdrijk was opgevangen, de

0:16jonge Ari zijn schuld beleed voor God en zuster Weidhoff.

0:22Op het gebed van zuster Weidhoff was hij met een verlicht en verruimd hart op weg naar huis gegaan.

0:30Maar...

0:31Hoe was zijn thuiskomst?

0:34We gaan het horen.

0:37Probeer je weer om met lege handen thuis te komen, luilak, doe niet.

0:42Je bent dezelfde jongen niet meer van vroeger.

0:46Leren ze je soms daar bij die dokter om te luieren?

0:49Dan zal het uit zijn, dat zeg ik je, riep Arie's vader met een vreselijke vloek.

0:57En zwaar viel zijn sterke vuist neer op de smalle schouders van de knaap.

1:03Dit was het begin van een mishandeling, zo vreed en onmenselijk, dat mijn pen weigert daarvan een beschrijving te geven,

1:16schrijft de schrijfster.

1:19Maar onder en na die mishandeling deed Ari...

1:24wat zijn lieve vriendin hem had aangeraden.

1:27Hij hief zijn hart op tot God en vroeg Hem om sterkte.

1:33Toen ondervond hij wat iedereen ondervindt die in nood en strijd zich tot God begeeft.

1:44Het kwam zuster Weidhof voor alsof een andere jongen dan die van gisteren bij haar kwam.

1:52Toen Adi de volgende dag terugkeerde.

1:55Hij was haar niet uit de gedachten geweest en gedurig had ze een gebed voor hem moeten opzenden dat God dit arme kind toch wilde behoeden op de gevaarlijke

2:08levenszee en hem de veilige haven wilde doen binnenlopen.

2:13Het scheen haar toe alsof God in zijn genade en ontferming haar gebed letterlijk wilde verhoren, toen de jongen, voor hij die avond

2:26vertrok, verzocht haar even te mogen spreken.

2:31Zuster, zei hij, ik heb de hele avond en de hele nacht en de hele morgen over iets gedacht.

2:40Waarover dan, mijn jongen?

2:41Ik heb gedacht...

2:43Waarom ik niet even als al die andere jongens uit Scheveningen naar zee zou kunnen gaan?

2:50Ik zou even als zij willen gaan varen.

2:53Ik heb wel geen vader die mij meeneemt zoals andere vissersjongens, vervolgde hij droevig.

3:01Maar misschien bestaat er wel een vader die geen jongen heeft en die mij mee wil nemen.

3:07Ik wou, ik wou.

3:11Dat ik een gewone vissersjongen was en geen jongen van een...

3:17vervolgde hij met een snik.

3:20Maar toen hield hij opeens op met spreken en liet al de manhaftigheid waarmee hij begonnen was varen.

3:29Vroeger zou hij gerust gezegd hebben, de jongen van een dief en dronkaard.

3:34Maar hij wist nu...

3:36dat het Gods wil was dat hij zijn ouders zou eren en hun gebreken niet zo zou noemen en hij wilde Gods wil doen.

3:47Ik denk, ging hij verder, dat ik als ik op zee vaar flink geld verdienen zal, eerlijk zelf verdienen zal.

3:56Ik zou o zo erg mijn best doen en als ik dan thuis kwam een paar keer in het jaar en ik gaf vader...

4:05Telkens een zak vol geld.

4:07Ik geloof dat hij dan wel goed op me wezen zou en misschien zou hij zelfs blij zijn als ik thuis kwam.

4:14En moeder zou het prettig vinden als ik s'avonds verhalen deed van de zee en van de stormen.

4:22Vader en moeder zouden misschien wel naar me willen luisteren als ik hun dan ook eens vertellen zou alles wat ik hier gehoord heb.

4:31Nu willen ze nooit naar me luisteren, maar dan misschien wel.

4:37Zou dat niet heel goed kunnen, zuster?

4:40Ja, mijn jongen, dat zou zeker heel goed mogelijk zijn.

4:45Ik vind het een prachtig plan van je en ik beloof je dat ik er goed over na zal denken en alles zal doen wat ik kan om je te helpen.

4:57Het troostte en sterkte Adi alvast dat zijn vriendin ernstig over zijn voornemen nadenken wilde.

5:05Zuster Weidhoff deed echter nog meer dan denken en als Adi geweten had wat ze nog meer voor hem deed, dan zou hij zeker nog meer verblijd zijn geweest dan

5:17hij nu al was.

5:19Zuster Weidhoff kende een visser die al menige zeereis achter de rug had.

5:26Hij bezat enkel maar dochters, een heel troepje, grote en kleintjes, maar hij had geen enkele zoon.

5:33Hoe dikwijls had Rochmans niet tegen haar gezegd dat het zoon gemis voor hem was, het zonder jongen te moeten stellen.

5:42Andere vaders waren zo trots op hun flinke knapen als ze voor het eerst mee naar boord mochten nemen.

5:50Het was een genotse vertrouwt te maken met de geheimen van de visvangst,

5:55en met het leven op zee.

5:57Het was zo heerlijk om er koene zeevaarders en ferme vissers van te vormen, zoals ze zelf waren.

6:05Rochmans benijde de vaders die zonen hadden.

6:09Hij was niet rijk, maar hij had toch nog heel wat willen missen, als hij ook een eigen jongen aan boord had kunnen hebben.

6:20Het zou voor zeker niet heel veel moeite kosten deze visser over te halen om het met Arie te proberen.

6:28Was Rochmans daartoe bereid, zo redeneerde zuster Weidhoff, dan moesten Arie's ouders nog voor het plan gewonnen worden.

6:37Misschien zou dat niet heel veel moeite kosten.

6:41Het vooruitzicht dat Arie een paar keer in het jaar met een buidrel vol geld bij hen komen zou, zou hen zeker wel toelachen.

6:50Vervolgens moest er nog een klein uitzet voor de jonge zeeman gereed gemaakt worden.

6:56Nu, dat laatste was niet zo'n groot bezwaar.

6:59Zuster Weidhoff had vrienden genoeg die haar hierin zouden willen helpen.

7:06Zuster Weithoff liet, toen ze Adi's plan nog eens rijpelijk overdacht had, geen gras over de zaak groeien.

7:14Ze ging in de eerste plaats naar zijn ouders toe, met het gebed in het hart dat God die aller harten neigt, ook hun harten zou neigen om hun toestemming

7:27te geven.

7:27En zie!

7:29Ze hadden er gelukkig niets tegen, omdat ze hoopten dat Adi's nieuwe werkkring hun voordeel zou opleveren.

7:38Daarna spoedde zuster Weidhoff zich naar Rochmans.

7:42Deze visser had al van zijn twaalfde jaar de zee bevaren.

7:46Al menigmaal was hij met een rijke vangst teruggekomen, maar ook had hij rijkelijk zijn deel gehad van de gevaren en verschillende wederwaardigheden die het

7:58wisselvallig vissersbedrijf opleveren.

8:01Toen zijn bezoekster met haar voorstel voor de dag kwam,

8:06was Rochmans zo opgetogen dat hij de jongen wel dadelijk wilde aanmonsteren.

8:13Ik zal van die kleine landrot eens een echte zeerot maken, juffrouw, zei hij lachend.

8:20Stuur hem maar dadelijk naar me toe, dan kan ik vast met hem beginnen.

8:24Een beetje geduld nog, Rochmans, zei ze eveneens lachend.

8:28We moeten het schip niet zo gauw van stapel laten lopen.

8:32Een dag of veertien moet hij nog bij ons blijven.

8:35Zijn kist moet nog klaargemaakt worden.

8:38Rochman schreef in zijn handen van genot bij het vooruitzicht van een zeekind te krijgen, zoals hij Arie noemde.

8:47Hij verlangde met veel meer ongeduld dat de jongen bij hem aan boord zou komen dan de knaap zelf.

8:56Vader zegt...

8:58Met deze tijding kwam Arie de volgende morgen bij zuster Weithoff en hij zei het op een blijde toon.

9:05Vader zegt dat ik maar naar zee moet gaan.

9:08Hij vindt het goed en moeder ook.

9:11Hij zegt dat er anders toch niets van me terecht zal komen.

9:15Ik denk zuster dat de lieve heren gezorgd heeft dat hij zo denkt.

9:21Want vroeger wou hij er nooit van horen.

9:25Ja, lieve jongen, dat denk ik ook, antwoordde zuster Weithoff.

9:29En als God deze weg zo voorspoedig maakt, dan kun je hem ook met een gerust hart bewandelen.

9:36O, ik zal zo blij zijn als ik zeeman ben en ik zal zo mijn best doen, riep Adi vrolijk uit.

9:44Het was of er nieuw leven in hem was gekomen, nu hij zo'n goed voor uitzicht had gekregen.

9:52In de veertien dagen die nog verlopen moesten, eer Arie voor het eerst zou uitzeilen, wist hij geen groter genoegen te bedenken dan om Rochmans, zijn

10:05aanstaande zeevader, te gaan bezoeken en te luisteren naar al de voorvallen die deze al op zee beleefd had en naar de onderrichtingen die hij vast

10:17vooruit ten beste kreeg.

10:19Ook was het een genot voor hem naar zijn nieuwe uitrusting, die grotendeels uit baaien ondergoed bestond, te kijken.

10:29Het zou zo heerlijk zijn om die nieuwe kleren, die zo netjes en schoon waren, altijd aan te mogen hebben en ze niet s'avonds te moeten verwisselen voor vuile,

10:41armoedige lompen.

10:44Ieder stukje dat klaar was, werd door zuster Weidhoff in de nieuwe kist gelegd.

10:50Die kist stond onder haar persoonlijk beheer en werd door de kleine zeeman op dienstdringend verzoek minstens twee keer per dag van binnen en van buiten bekeken.

11:02Op de bodem van die kist lag ook een nieuwe bijbel van niet al te groot formaat.

11:10Mijn jongen...

11:11sprak zuster Weidhof toen ze hem die Bijbel gaf, ik ben geen zeeman, ik heb zelfs nog nooit op zee gevaren, maar één ding weet ik toch zeker, ik weet dat

11:23ieder schip een kompas en een roer moet hebben, anders kan het geen koers houden en is er niet veel kans dat het zijn tocht goed volbrengen en veilig de haven

11:36binnenlopen zal.

11:37Dit boek is voor de mens nog nodiger dan een kompas en een roer voor een schip.

11:44Want zonder Gods woord kunnen ook wij geen koers houden en kunnen we de weg naar de veilige haven niet vinden.

11:53Gebruik het dus alle dagen, Ari, alle dagen en vergeet dat nooit.

12:01Nee, zuster, dat beloof ik u, antwoordde de jongen.

12:05In latere jaren zag zuster Weidhoff nog dikwijls in haar gedachten de jongen zo voor haar staan met de Bijbel in zijn handen.

12:16Er was een vastberaden trek op zijn gezicht die zijn woorden bezegelde.

12:21Dat beloof ik u.

12:25Zo levendig bleef het beeld van de knaap op het ogenblik waarop hij het boek des levens in ontvangst nam, haar voor de geest staan, dat het haar nog dikwijls daarna tot een rijke

12:37troost was.

12:38Mag ik de Bijbel zelf een plaats geven in mijn kist?

12:42Hij moet een vaste plaats hebben, want ik moet altijd weten waar ik hem vinden kan, zei Ari.

12:48En zuster Weidhoff zag waar hij het boek neerlegde en toen rees uit haar hart de stille bede op tot God dat hij de knaap tot een getrouwd dienstknecht

13:01van hem wilde maken, die zich in alle omstandigheden des levens aan hem alleen vasthield.

13:10De

13:12vermiste verrekijker Zuster Weidhoff!

13:17Sprak een van de verpleegsters van de inrichting ongeveer een week voor Adi's vertrek.

13:24Mag ik u een ogenblikje spreken?

13:26Er wordt wat vermist.

13:29Zuster Weidhoff schrok.

13:31Bij het vernemen van deze tijding nog veel erger dan toen ze de droevige ontdekking had gedaan van het vermiste geld uit het zendingsbusje.

13:42Als Adi zich nu weer aan diefstal had schuldig gemaakt, dan ging ze de moed voor hem verliezen.

13:49Dan vreesde ze dat haar beschermeling al haar goede verwachtingen voorgoed zou teleurstellen.

13:57Ze had er zo vast op vertrouwd dat hij zijn vorig misdrijf oprecht betreurd had en dat hij na die tijd een wakend en biddend leven had geleid.

14:10Ze had gemeend dat geen slechte invloeden uit de ouderlijke woning, ja zelfs geen bedreigingen of mishandelingen, hem zouden doen wankelen in zijn besluit om

14:22voortaan een eerlijk leven te leiden.

14:25Als dit slechts bedrog of een ijdel voornemen was geweest, als hij nu met het uitzicht op het nieuwe leven, dat hij weldra zou intreden,

14:35toch weer tot oneerlijkheid en bedrog was vervallen, dan had ze alle reden om voor haar beschermeling met grote vrees vervuld te zijn.

14:47Wat wordt er vermist?

14:49vroeg ze zacht.

14:51U weet wel, die mooie aardige verrekijker die bovenop de kast stond, die is spoorloos verdwenen.

15:00Die verrekijker was een geschenk van een van de bezoekers van de inrichting en dat geschenk werd door iedereen in heel grote waarde gehouden.

15:10Het was zo aardig om aan het strand door die verrekijker te turen ver over de zee.

15:17De schepen die aan de verre horizon zich heel langzaam voortbewogen, leken dan erg dichtbij.

15:25Er was al wat door die wondervolle glazen gekeken, zowel door het personeel van de inrichting als door de kinderen die daar verzorgd werden.

15:35En als het mooie instrument werkelijk verdwenen was, zou dat zeker een groot verlies genoemd moeten worden.

15:44De verrekijker moet weggenomen zijn, vervolgde de pleegzuster.

15:50Ik heb er overal naar gezocht, maar te vergeefs.

15:53Ik ben bang.

15:55Dat Arie de schuldige is.

15:57Hij loopt rond, overal waar hij wil.

16:00En het is te begrijpen dat hij graag zo'n verrekijker mee zal willen nemen, of anders heeft hij er geld voor gemaakt.

16:08De arme jongen is grootgebracht bij diefstal en bedrog.

16:12Het zou dus niets geen wonder wezen, als ook hier het appeltje niet ver van de boom viel.

16:18Zuster Weidhoff gaf geen antwoord.

16:21De spreekster had wel gelijk, maar toch.

16:25Het viel haar zo moeilijk en zwaar haar jongen van zo'n groot kwaad te verdenken.

16:32Juist op datzelfde ogenblik kwam Arie, niets kwaads vermoedend, de zaal binnen.

16:38Hij zag er zo vrolijk en opgeruimd uit, want de tijd waarnaar hij zo vurig verlangde was nu dichtbij.

16:47De

16:48lach bestierf echter op zijn gezicht, want hij merkte onmiddellijk

16:54dat de beide dames een gewichtige zaak aan de hand hadden.

16:58Zijn lieve vriendin zag er zo ernstig en onrustig uit en wierp een onderzoekende en treurige blik op hem.

17:08Hij bleef stilstaan en zag haar vragend aan.

17:13En dat bracht haar, als het wezen kon, nog meer in de war met de zaak.

17:20Kon de jongen haar zo ondervangen en rustig aankijken wanneer hij schuldig was, dan zou hij tot de sluuste en onverbeterlijkste bedriegers

17:32behoren.

17:33Ze vond het hard om dit te moeten denken van de knaap, die ze zo lief had gekregen en van wie ze vooral nu hij in zijn nieuwe werkring komen zou, zoveel goede verwachtingen

17:45koesterde.

17:47Maar de verpleegster, die haar de treurige tijding had gebracht, dacht er heel anders over.

17:53Zij twijfelde er niet aan of Arie had de verrekijker weggenomen.

17:58Hij had immers de zendingsbus wel bestolen, niet één keer, maar tien, twintig malen.

18:04Een jongen die dat had durven doen, kon ook wel andere dingen wegnemen, waarom niet?

18:10Zuster Weidhoff mocht hem vertrouwen, zij vertrouwde hem voor geen halve cent.

18:16En in die argeloosheid waarmee hij nu vroeg wat er aan de hand was, zag ze een vernieuwd bewijs van zijn doortrapte listigheid en verharding in de boosheid.

18:28Hoe kon het ook anders?

18:30Een kind van zulke ouders, uit zulke verdorven omgeving.

18:35Zuster Weidhoff zou verstandig doen als ze die kleine booswicht maar opeens flink aanpakte, in plaats van hem zo treurig aan te kijken.

18:46Maar daar zij zo verstandig niet scheen te zijn, zou zij de koe maar eens bij de horis vatten.

18:52Ze keek de knaap streng en onderzoekend aan en zei, Arie, we hebben een treurige ontdekking gedaan.

19:00Er is weer iets weg.

19:03Op dat weer legde ze de volle nadruk.

19:07En de jongen voelde onmiddellijk wat dit betekenen moest.

19:11Hij werd opeens bloedrood en stamelde verwart.

19:15Wat is er weg, zuster?

19:18De verrekijker is weg, de verrekijker die bovenop de kast heeft gestaan en waardoor we allemaal zo dikwijls gekeken hebben.

19:26Ik geloof dat zo'n verrekijker op zee jou wel te pas zal komen.

19:31Die woorden waren maar al te duidelijk.

19:34Ze waren zo goed als een openlijke beschuldiging.

19:39Adi voelde dat en zuster Weithof niet minder.

19:43Houd op, riep deze uit.

19:46Ga niet verder, u weet het immers nog niet.

19:49Laten we eerst horen wat Arie te zeggen heeft.

19:51Het is onrechtvaardig om iemand onschuldig te verdenken.

19:58Onschuldig, klonk het smadelijk.

20:00Hij was zeker ook onschuldig aan de dieftel uit het zendingsbusje.

20:05De rode kleur week van Arie zwangen.

20:09Hij werd wit, tot zelfs zijn lippen toe, toen hij antwoordde.

20:15Dat geld heb ik gestolen, dat is waar.

20:19Maar de verrekijker heb ik niet weggenomen.

20:22O lieve zuster, riep hij uit, terwijl hij zich met een plotselinge beweging naar zuster Weidhof keerde en in tranen losbarste.

20:32Echt waar, ik heb de verrekijker niet weggenomen.

20:36U wilt me toch immers wel geloven?

20:41Als ze nog een ogenblikje getwijfeld had, dan verdween het laatste overblijfsel van haar twijfel nu helemaal.

20:52Zuster Weidhoff voelde zich onuitsprekelijk verlicht en terwijl ze haar armen liefkozend en beschermend om hem heen sloeg, antwoordde ze van ganser

21:04harte, ja mijn jongen.

21:07Ik geloof je, ik weet dat je je vorige zonden met oprecht berauw beleden hebt, dat je alle dagen God vraagt je te helpen, strijden om het

21:19kwade in je hart te kunnen overwinnen.

21:21Ik vertrouw je en ik weet zeker dat je de verrekijker niet hebt weggenomen.

21:29Dan is het goed, zei Ari, terwijl hij zijn tranen afwiste, als u mij maar vertrouwt.

21:37Arie merkte duidelijk dat iedereen in de inrichting hem aanzag voor de dief van de verrekijker.

21:44En dit wierp een schaduw op zijn geluk.

21:47Maar als het hem al te zwaar werd, dan herhaalde hij maar gedurig in zichzelf de woorden De lieve zuster vertrouwt mij toch.

21:57Zij gelooft niet dat ik het gedaan heb.

22:01Het was een grote en gewichtige dag voor de kleine zeeman.

22:06Toen hij gestoken in zijn nieuw en wijd visserspak, zijn vriendelijke beschermster, de dokter en de andere verpleegster, benevens zijn jonge vriendjes verwelzei, om

22:19voor de eerste maal in zijn leven het ruime sop te kiezen.

22:24Ik wil een flinke visser worden en als ik erg mijn best doe, wie weet of ik dan nog niet eens matroos word.

22:32En...

22:33Hij wilde nog iets hogers noemen dan matroos, dat toch al iets heel voornaams was in zijn ogen.

22:40De eerzucht was in de jongen ontwaakt en hij was vol boed en vol goede verwachtingen, nu hij afscheid nam van zuster Weidhoff.

22:50Als je maar in de allereerste plaats je weg met God gaat en zijn woord niet vergeet, mijn jongen, er staat geschreven dat wie hem lief heeft,

23:03Ook al de beloften bezit van dit leven.

23:07Als je je weg met hem bewandelt, ben je ten alle tijde zo veilig geborgen.

23:13O, verlaat hem toch nooit, sprak ze ernstig, de opgewonden knaap in de reden vallende.

23:22Met dezelfde ernst en bezield, met hetzelfde goede voornemen dat hij bezat, toen hij zijn Bijbel in de kist legde, zag hij zuster Weithoff aan en zei, ja zuster, ik

23:34zal het doen, ik zal het zeker doen.

23:38Er worden zoveel goede beloften uitgesproken, maar ach, worden ze altijd vervuld.

23:46Zuster Wijthof kon niet nalaten deze vraag in haar hart te doen, toen ze de kleine zeeman aankeek die nu op het punt stond haar te verlaten.

23:58Ze had zulke goede verwachtingen van hem, maar ze wist het zo goed en de geschiedenis van het zendingsbusje had het haar bij vernieuwing weer bewezen dat de macht van het kwade

24:10zo groot is.

24:12Denk erom, Ari, vervolgde ze, terwijl ze de hand van de jongen vast in de haren drukte, dat er geen dag voorbij zal gaan waarop ik niet voor je bidden zal tot God

24:24en hem niet vragen zal dat hij je bewaren en ten allen tijde nabij zij.

24:32Ontroerd hoorde Ari deze belofte aan.

24:35Hij gaf er geen antwoord op, omdat zijn hart te veel bewogen was om te kunnen spreken.

24:42Wat een heerlijke gedachte was het dat de gebeden van de lieve zuster, die zoveel voor hem gedaan had, hem zouden vergezellen over de grote wateren.

24:55Ik moet even wat zeggen, zei de pleegzuster, die ontdekt had dat de verrekijker verdwenen was, terwijl ze om een hoekje van de deur keek.

25:06Ga nog niet weg, Arie, jongen.

25:08Het spijt me zo.

25:10Ik heb je onrechtvaardig beschuldigd.

25:13De verrekijker is terecht.

25:16Vergeef mij dat ik zo slecht van je gedacht heb en dat ik je niet heb willen geloven.

25:22O, is de verrekijker terecht?

25:25Hoe blij ben ik daarover, riep Arie verheugd uit.

25:29En nog voor ik weg ben.

25:31Als u hem één dagje later gevonden had, had ik het niet meer kunnen horen.

25:36O, hoe blij ben ik daarover!

25:39Waar hebt u de verrekijker gevonden?

25:42vroeg zuster Weidhoff.

25:44Hij was op een verkeerde plaats gelegd.

25:46Ik vond hem daar even in de tuinkamer tussen de boeken in de kast.

25:50Het spijt me dat ik zo voorbarig ben geweest en er dadelijk zo'n drukte van heb gemaakt.

25:58Maar Arie gaf daar niets meer om.

26:00Zijn blijdschap dat de verrekijker terecht was gekomen, nog voor zijn vertrek, was groter dan alle andere gevoelens.

26:10Nu vertrouwt u mij heel zeker niet waar, vroeg hij aan zuster Weidhoff.

26:15Dat deed ik toch al, zoals ik je heb gezegd, en dat zou ik hebben blijven doen, ook al was de verrekijker nooit terechtgekomen.

26:24Maar ik ben blij dat God gezorgd heeft dat hij gevonden werd.

26:29Ik ook, zei Arie van ganser harte.

26:33En van deze nieuwe blijdschap vervuld, verliet Arie de inrichting om op de grote wateren zijn geluk te beproeven.

26:46in de veilige haven er gingen vele dagen en weken voorbij voordat men in het dorp enige tijding van de vissersvloot vernam

26:58de schepen bleven langer weg dan anders en men begon ongerust te worden te meer daar de kranten melding maakten van zware stormen

27:10Ach, de harten van de vissersbevolking aan de kusten zijn altijd vol ongerustheid, want ze zijn er niet bijna altijd geliefde betrekkingen op zee, blootgesteld

27:23aan allerlei ellende ten prooi aan de grootste gevaren.

27:29Eindelijk, eindelijk kwam er bericht.

27:33De vloot was binnengelopen, maar er werden schepen vermist.

27:39er was grote schade en wat het ergste was er waren mensenlevens te betreuren zuster wythoff ontstelde hevig

27:52toen ze deze treurige tijding hoorde

27:55Haar hart was bekommerd over Ari, over de jongen die ze lief had gekregen.

28:01Hoe dikwijls had ze na zijn terugkomst van zijn eerste zeereis verlangd?

28:06Hoe had ze zich hem voorgesteld thuiskomende, gebruind door de zon, kloeker van gestalte en vol verhalen over zijn nieuwe leven?

28:18Zou het aan zijn verwachting beantwoord hebben?

28:21Zo vaak als zuster Weidhoff de stormvlagen hoorde loeien om het huis heen en zij de wilde hoge golven op het strand zag komen aanrollen en in

28:33de nieuwsbladen de berichten las van storm en schipbreuk, had ze haar gebeden verdubbeld.

28:41En nu deze laatste tijding het vissersdorp bereikte, nu sidderde haar hart met niet minder onrust dan de harten van de moeders in het dorp.

28:51De onrustbarende tijding werd zeer spoedig gevolgd door de terugkomst van de mannen die behouden waren gebleven.

29:00Maar onder hen bevond Ari zich niet.

29:05Hij zou geen tien minuten op het dorp hebben kunnen zijn zonder het vriendelijke thuis op te zoeken waar men hem zo liefderijk had opgenomen toen hij als een hulpbehoevend, bijna

29:18stervend knaapje daar binnen was gekomen, waar hij zijn gezondheid en zijn krachten had herkregen, waar hij zoveel liefde en zorgen had ondervonden en waar

29:30hij het grootste geluk had leren kennen.

29:33Dat te huis zou zijn hart aantrekken met onweerstaanbare kracht.

29:38Ach, hoe dikwijls had zuster Weidhoff al door het venster naar hem uitgekeken, naar haar jongen, haar kleine zeeman.

29:49Maar hij kwam niet.

29:51Zijn vlugge voetstappen werden niet gehoord.

29:55Zijn vrolijke stem werd niet vernomen.

29:59Zijn vriendelijke jongensgezicht vertoonde zich niet.

30:04Aan de avond van dezelfde dag, waarop het zeevolk was thuisgekomen, wandelde met trage schreden een visser naar de ons

30:17reeds zo bekende inrichting.

30:19En toen hij daar eindelijk was aangekomen, vroeg hij om zuster Weidhof te mogen spreken.

30:27Deze verbleekte.

30:29want een inwendige stem voorspelde haar dat deze zeeman, dezelfde onder wiens hoede Adi was meegegaan, wel eens de brenger kon zijn van een treurige

30:41tijding aangaande haar pleegzoon.

30:44En één blik op het verweerde gelaat van Rochmans maakte haar duidelijk dat haar bangvermoeden niet ongegrond was.

30:55Ze zag haar bezoeker enkele ogenblikken aan zonder een woord te kunnen spreken, zonder hem een vraag te doen.

31:02En de man voor haar scheen ook geen woorden te kunnen vinden.

31:07Hij stond op zijn voeten te draaien en bewoog onrustig zijn handen.

31:15Eindelijk kreeg zuster Weithoff haar spraak terug.

31:19Ga zitten, Rochmans, zei ze, en vertel mij alles.

31:25Je hebt me zeker wat mee te delen van...

31:28Van Ari.

31:31Ja, juist, van Ari.

31:33Hij scheen blij te zijn dat de stilte nu verbroken was en dat het hem gemakkelijk gemaakt werd om zijn verhaal te doen.

31:42Ja, juist, van Ari, van de jongen, herhaalde hij.

31:47En toen overmeesterden hem zijn aandoeningen en wist hij met zijn grote ruige hand een traan af die langs zijn verweerd gezicht naar beneden viel.

32:01Wat is er met hem?

32:03trachtte de pleegzuster zo kalm mogelijk te vragen.

32:07Is er een ongeluk met hem gebeurd?

32:11Een ongeluk?

32:13Ja, de mensen noemen het een ongeluk.

32:17Maar wat de mensen een ongeluk noemen, is het daarom nog niet altijd, hernam de zeeman, zich onder het spreken vermannende.

32:29Wat wij een onheil noemen, is dikwijls een geluk.

32:34En, en

32:37nu klonk de stem van de zeerop opeens zeer plechtig en indrukwekkend, de jongen is gelukkig, juffrouw.

32:47Hij is de veilige haven binnengelopen.

32:52De

32:55veilige haven binnengelopen, sprak zuster Weidhoff de visser na.

33:00Die weinige woorden hielden zoveel in.

33:04Ze betekenden dat Arie zijn graf had gevonden in de golven, dat haar jonge beschermeling van zijn eerste zeereis niet zou weerkeren.

33:16Afgesneden was dat jeugdig leven, ze zou hem niet weerzien.

33:22Maar de woorden, de veilige haven binnengelopen, betekenden ook dat zijn ziel was heengegaan naar die zalige, blijde plaats,

33:34waar ze voor altijd beveiligd zou zijn voor verleiding, voor slechte voorbeelden, voor zonde, strijd en ondergang.

33:44Het zeevolk geniet rust en blijdschap wanneer het na het doorstaan van doodsgevaren en worsteling tegen de golven en winden, die het wrakke scheepje dreigden stuk te slaan,

33:56behouden en gered de veilige haven binnenloopt en de zaligheid van het weerzien smaakt.

34:05Maar deze rust en vreugde

34:09is slechts een flauwe afschaduwing van de zaligheid die het kind van God moet gevoelen, dat, dankzij de genade en de liefde van de Zaligmaker,

34:21aan het verderf van deze wereld, haar moeite en gevaren ontkomen is en de blijde kusten van het hemels vaderland betreden

34:33mag.

34:34De veilige haven binnengelopen.

34:38O, hoe dikwijls had zuster Weidhoff voor de jongen, die ze zo lief had gekregen, het allerbeste en allerhoogste van God afgesmeekt.

34:49Hoe dikwijls had ze hem niet opgedragen aan zijn almachtige, liefderijke hoede.

34:55En als God het in zijn ondergrondelijke wijsheid het beste voor hem vond, hem vroeg weg te nemen van deze zondige aarde en hem middenuit het stormgewoel

35:07over...

35:08Over te brengen ins hemels eeuwige zonneschijn en heerlijkheid, moest zij dan niet verblijt zijn om zijn het wil?

35:15Moest de God niet dankbaar zijn dat hij eens ter goeder uren de schreden van de knaap hierheen had gericht en dat hij haar had willen gebruiken als een middel om dit

35:28lam van zijn kudde naar de veilige schaapskooi te leiden?

35:33Al deze gedachten vlogen door het hoofd van de pleegzuster, terwijl ze naar de visser keek, die haar alles vertellen zou van Arie's laatste levensdagen.

35:50Ik noemde hem mijn zeekind, zoals u weet, ging de zeeman verder.

35:55Ik heb nooit een eigen jongen gehad aan wie ik de kunst van varen en vissen en alles wat daarmee in verband staat heb kunnen leren.

36:04Maar voor Arie kreeg ik dadelijk een gevoel alsof het mijn eigen jongen was.

36:10Wonderlijk was het, maar waar.

36:12Wat had ik een schik in hem, want hij begreep mij dadelijk en zo goed alsof hij al een paar keer mee had gevaren.

36:22Ijverig was hij en vlug van begrip.

36:25En een wakker ventje.

36:26Hij zou een visser geworden zijn van Stavast, als hij in het leven had mogen blijven.

36:33Ik had dat al dadelijk in de gaten.

36:36En als ik zoiets tegen hem zei, dan lachte hij zo vrolijk, dat ik van de weersomst uit even hard aan het lachen ging.

36:44Dan had hij dagenlang schik.

36:46En deed dubbel zijn best.

36:48En daarbij was hij altijd zo hartelijk en hulpvaardig.

36:52Ik behoefde niet altijd te spreken.

36:55Hij keek meest naar mijn ogen en raadde vanzelf wat ik van hem verlangde.

37:00Als een pijl uit de boog vloog hij voor mij.

37:03Als het avond geworden en er niets bijzonders meer te verrichten was, ging hij altijd naar de kajuit waar zijn kist stond.

37:12En dan haalde hij daaruit zijn boek.

37:15Als het mooi kalm weer was, ging hij boven op het dek naast me zitten en dan vroeg hij of hij hardop mocht lezen, want dan kon ik het ook horen.

37:26Nu, juffrouw, vele woorden en vele geschiedenissen uit de schrift zijn mij wel bekend, omdat ik ze dikwijls in de kerk gehoord heb, maar er is ook veel dat ik nog niet weet.

37:39U moet denken, ik heb in mijn jeugd nooit lezen geleerd en heel vroeg moest ik het zegat uit.

37:46Het was voor mij een genot om de jongen te horen voorlezen.

37:51En ik luisterde graag als mijn zeekind naast mij zat met zijn bijbel op zijn knieën.

37:57Hij las zo goed en zo duidelijk dat niet alleen ik, maar ook de andere mannen heel graag kwamen luisteren.

38:06En zo verzamelde zich altijd een groepje om ons heen.

38:10En ik begon te vinden dat de jongen een zegen werd voor ons allen.

38:16Maar mij tenminste was hij dat zeker.

38:19Ik zal ze ook nooit vergeten.

38:21Die schone goede woorden die hij voorlos uit Gods woord met zijn heldere flinke stem.

38:28Menig woord bewaar ik als een schat in mijn hart al de dagen van mijn leven.

38:33En ik denk dat ze mij op mijn sterfbed nog sterken en troosten zullen.

38:38Gods Zoon kwam om te zoeken en zalig te maken wat verloren was, is een van die heerlijke woorden.

38:46Het bloed van Jezus Christus reinigt van alle zonden is een ander woord.

38:52En zo zijn er nog meer schriftwoorden die de goede jongen mij voorlas en waarover ik na ging denken.

38:59We hadden vele avonden waarop het weer het toeliet om op het dek te zitten.

39:04Vele avonden achtereen, want in het begin van de reis ging alles voorspoedig en was het voortdurend kalm en stil op de zee.

39:14Maar toen opeens op de terugreis, daar kwam de storm.

39:18De vreestelijkste die ik ooit in mijn leven heb bijgewoond.

39:22Waarom heeft die storm niet mijn leven gekost?

39:26Waarom bleef ik gespaard om het aan te moeten zien dat mijn zeekind, mijn beste jongen, zijn dood in de golven vond?

39:36U hebt nog een vrouw en dochters.

39:39Onze jongen is de veilige haven binnengelopen, sprak zuster Weidhof zacht in de stilte, die volgde op die jammere klacht van de oude man.

39:49Ze kon het kalm zeggen, haar ziel was rustig geworden bij de gedachte dat haar jongen de veilige haven was binnengelopen.

39:59Ja, juffrouw, daar hebt u gelijk in.

40:02Het is waar wat u zegt, dat moest ik altijd boven alles blijven bedenken.

40:08Maar och, hoe is een mens, u weet het ook wel juffrouw, hoezeer hij geneigd is om het beste over het hoofd te zien en naar de donkere kant te kijken.

40:20Maar laat ik verder vertellen.

40:22Die vreselijke storm duurde lang en woedde zo hevig dat de schepen van elkaar geraakten en we de andere pinken al heel gauw uit het oog verloren.

40:33We konden niet veel moeite doen om bij elkaar te blijven.

40:37We hadden al meer dan genoeg met ons eigen schip te stellen.

40:41We deden alles wat we konden om het te redden, zoals dat gaat in zulke tijden.

40:47We deden het bovenmenselijke, maar al onze moeite scheen vruchteloos te zijn, want er kwam een lek in het schip en ik begreep dat we naar de kelder zouden gaan.

40:59Zolang er nog enige hoop was, bleven we aan het werk.

41:03En ook Ari deed wat hij kon en volgde trouw en ijverig mijn bevelen op.

41:09Toen de nood op het allerhoogst geklommen was, zie ik hem opeens verdwijnen naar de kajuit.

41:17Slechts enkele ogenblikken bleef hij weg.

41:20Toen keerde hij terug.

41:22Hij had zijn Bijbel uit de kist gehaald, hield hem omhoog en riep luid, Mag ik lezen?

41:30Hij kwam naast me staan op de wachelende, bijna zinkende boot.

41:35En de andere mannen kwamen en schaarden zich om ons heen.

41:40Geen anker, geen roer, geen menselijke kracht kon ons meer helpen.

41:46Maar toen, toen voelde ik wat Gods woord doen kan.

41:51Dat alleen, boven het gloei van de storm,

41:56Boven het bruisen van de beroerde wateren klonk zijn heldere stem als lieflijke, vertroostende muziek.

42:05Allen hoorden in die vreselijke uren des gevaars met de dood voor ogen het troostwoord aan dat hij voorlos.

42:15Uw hart worden niet ontroerd.

42:19In het huis mijns vaders zijn vele woningen.

42:24Ik ga heen om uw plaats te bereiden en zo wanneer ik zal zijn heengegaan en uw plaats zal bereid hebben, zo kom ik weder en zal u tot

42:36mij nemen, opdat gij ook zijn moogt waar ik ben.

42:43Nauwelijks had hij die laatste woorden uitgesproken toen het schip een slingerende, draaiende beweging maakte en toen...

42:54Toen zonk het weg onder onze voeten en zonken we allemaal in de golven.

43:01Nog eenmaal zag ik hem weer, mijn lief zeekind, met de Bijbel stijf tegen zijn hart gedrukt en met de ogen omhoog geslagen,

43:13werd hij door een hoge golf weggedragen.

43:18Daarna zag en voelde ik niets meer.

43:24Ik beval mijn ziel aan Gods genade aan en hoopte dat ik weldra in het huis met de vele woningen, waarvan ik mijn jongen had horen lezen,

43:36wezen zou.

43:38Toen ik mijn ogen weer opendeed, lag ik in een ruime kajuit van een grote stoomboot.

43:46Ik was één van de drie mannen van de visserspink die door de bemanning van de stoomboot gered werden.

43:54Ook Arie was nog opgehaald, maar helaas, de pogingen om ook bij hem de levensgeesten nog op te wekken, waren vruchteloos geweest.

44:05Hij was heengegaan naar het huis met de vele woningen.

44:09Hij was de veilige haven binnengelopen.

44:14Hij heeft een eerlijke, plechtige zeemansbegrafenis zo gehad.

44:20Ik wilde dat u hem had kunnen zien liggen.

44:24Vredig, zo kalm en met de Bijbel nog krampachtig in zijn handen geklemd.

44:33Niemand dacht eraan hem die te ontnemen.

44:37Daarmee werd hij begraven in de golven der zee.

44:41O juffrouw, nooit zal ik die jongen vergeten.

44:46Altijd zag ik hem daar voor mij zien.

44:50Altijd zal ik hem daar voor mij zien staan, op het zinkende schip, druipnat van het zeewater, met de Bijbel in zijn handen, die gezegende woorden

45:03voorlezende.

45:05Het zijn de laatste woorden geweest die zijn mond gesproken heeft.

45:10Maar wie zal zeggen wat ze nog hebben uitgewerkt voor de arme kerels die in die verschrikkelijke storm hun graf in de golven hebben gevonden?

45:21Het korte leven van de knaap ging de pleegzuster voorbij de geest.

45:26Ze zag hem als een doodziek verwaarloosd kind, verlaten van vader en moeder.

45:32Wat een ongelukkig ventje was hij toen en hoe weinig hoop had er bestaan dat hij beter zou worden.

45:40Toen zag ze hem met de dag bijkomen en sterker worden en zag ze hem luisteren, aandachtig en oplettend, naar wat ze hem vertelde van de heiland der wereld.

45:51Ze zag zijn strijd, zijn terugzinken in het oude kwaad, zijn berauw, zijn vurig verlangen om een eerlijke jongen te worden, om als een dienstknecht des heren te leven.

46:04En tenslotte zag zij in haar verbeelding, hoewel haar lichamelijke ogen dat niet hadden aanschouwd, de jeugdige knaap op het zinkende schip en in banden des doods

46:17zich vasthouden in het geloof aan hem die kwam.

46:22om de zijnen te ontsluiten de poorten van het vaderhuis met de vele woningen.

46:29Ze zag hem met de ogen des geestes daar staan, te midden van de mannen.

46:34Ze hoorde hem die gezegende woorden en beloften van de heiland uitspreken.

46:40Niet alleen voor zichzelf, maar ook om zijn oudere kameraden, zijn lotgenoten,

46:47troost en kracht te geven in de laatste ogenblikken van hun leven.

46:52Zijn korte levenstaak was volleindigd.

46:57Hij was de veilige haven binnengelopen.

47:03En

47:06hiermee, luisteraars, zijn we aan het eind gekomen van het waargebeurde verhaal, de veilige haven binnengelopen.

47:16En zoals u in de kerkbode hebt kunnen lezen, was dit tegelijk ook het laatste verhaal voor dit seizoen.

47:24Na de heren danken wij de kerkraad en de kerkvoogdij die het mogelijk maakten dat we telkens weer opnieuw om de veertien dagen een verhaal konden voorlezen.

47:37Zoals we aan het begin van dit laatste verhaal zeiden, waren het steeds verhalen die als onderwerp hadden

47:45scheren handelingen zo vol van gunst als macht.

47:51Ook

47:52dank aan de mannen van de techniek die achter de schermen het uitzenden mogelijk maakten.

47:59Wij drieën als voorlezers hebben dit eenvoudige werk met vreugde mogen doen en meerdere keren in het zoeken naar verhalen en de voorbereiding van

48:11het lezen zelf ook een zegen mogen wegdragen.

48:16Wij wensen dit ook u als luisteraars van harte toe.

48:21De heren geven zijn zegen erover en we hopen elkaar, mocht het zijn, allen weer in het nieuwe seizoen digitaal te ontmoeten met nieuwe en

48:33oude verhalen.

48:36Voor nu wensen wij u een goede voortzetting en voor morgen een gezegende zondag.

48:43Er zal nog voor u gezongen worden, naar aanleiding van het verhaal, Psalm 73 vers 12.

48:51Ik zal dan gedurig bij u zijn, in al mijn noden, angst en pijn, u al mijn liefde waardig schatten, wil gij mijn rechterhand woud vatten,

49:03gij zult mij leiden door uw raad.

49:06O God mijn heil, mijn toeverlaat en mij hiertoe door u bereid opnemen in uw heerlijkheid.

49:17Psalm 73 vers 12

49:19[GEZANG]