Zaterdagavondverhaal - De veilige Haven binnengelopen, deel-1

zaterdag 23 mei 2026 · 19:00 uur · Verhaal · A.J. Nelis · 56 minuten

Transcript

0:02Goedenavond luisteraars.

0:04U en jij kent allemaal wel het laatste vers van de bereimde psalm 107.

0:11Wie wijs is merken die dingen en geven verstandig acht op scheren handelingen, zo vol van gunst als macht.

0:22Scheren handelingen zijn telkens in onze voorleesverhalen het onderwerp, zo ook vanavond weer.

0:31Een oud verhaal.

0:32Op de titelpagina stond De veilige haven binnengelopen.

0:39Een ware gebeurtenis geschreven door Johanna.

0:44Het is een lang verhaal, daarom in twee delen, maar zeer de moeite waard om het te horen en te lezen.

0:54We beginnen maar gauw, op

0:59het spreekuur van de dokter.

1:02Wanneer men in de stoomtram zit die in Den Haag van het station van de Hollandse Spoor naar Scheveningen rijdt, dan ziet men, als men bijna aan het eind van

1:14de reis is gekomen, aan de rechterhand een gedeelte van het dorp dat men wel het donkerste deel van Scheveningen zou kunnen noemen.

1:24De treurige woningen die men daar te zien krijgt zijn in Scheveningen,

1:31Lang de enige niet.

1:33O nee, ze zijn er zo in menigte te vinden.

1:37Wat daar al zo wordt ontbeerd en geleden, is eenvoudig niet te beschrijven.

1:45Deze geschiedenis zal het trouwens ook wel duidelijk genoeg doen zien.

1:50Gelukkig worden er...

1:52Ook in Scheveningen vele weldenkenden aangetroffen die medelijden hebben met de arme mensen, vooral met hen die niet alleen arm, maar

2:04bovendien nog ziek en lijdend zijn.

2:07Ze hebben inrichtingen gesticht waar die behoeftige zieken liefderijk worden opgenomen en verpleegd.

2:16Zo woonde er nog niet lang geleden te Scheveningen een heel knappe dokter,

2:22die een paar uren per dag afzonderde uitsluitend voor mensen die niets betalen konden.

2:31Goede raad en alle mogelijke hulp gaf hij hen.

2:37Maar nog meer ontvingen zij.

2:39Er was vlakbij zijn huis een kleine inrichting die helemaal in stand werd gehouden door rijke en liefdadige mensen.

2:50Wanneer nu bij de dokter zich een man,

2:52vrouw of kind aanmelden en hij begreep dat ze in hun eigen huis nooit beter zouden kunnen worden, omdat ze daar gebrek aan ruimte, frisse lucht en

3:05versterkend voedsel hadden, dan stelde hij zo'n zieke voor, als deze in staat was om te lopen, om iedere morgen zo vroeg mogelijk bij hem in de

3:17inrichting te komen.

3:18Dan werden ze daar

3:20buiten op de veranda in de frisse lucht op een ruststoel neergelegd.

3:25En de hele dag door kregen ze bij tussenpozen heerlijke, versterkende middelen.

3:33En zo werden ze met grote zorg en liefdevol verpleegd.

3:39Juist aan die voorname dingen ontbrak het de meesten van die arme mensen.

3:44En daardoor deed deze behandeling

3:48hun zoveel goed, dat velen van hen weer spoedig gezond en sterk werden.

3:55Nu was op zekere dag dokter Welters weer druk bezig om in het spreekuur de arme mensen te behandelen, toen een kleine jongen aan de voordeur kwam.

4:07De portier die hem binnen liet, keek nog even buiten de deur, want hij verwachtte dat er nog iemand buiten stond.

4:16Het was toch niet te denken dat zo'n klein hulpbehoevend kereltje alleen op het spreekuur van de dokter zou komen?

4:26Welke ouders of familieleden zouden een ziek kind alleen die tocht laten ondernemen?

4:33Het feintje scheen de leeftijd van acht jaar nog niet eens bereikt te hebben.

4:39Hij was heel klein en tenger en zo vervuild dat hij, als hij een zwart kroeskopje had gehad, best voor een kleine neger had kunnen doorgaan.

4:50Maar zijn haren waren sluik en geel van kleur.

4:54Ze hingen ongekant langs zijn slapen neer.

4:58Hij had grote blauwe ogen.

5:09hoe hij nog had kunnen lopen.

5:11Het stumpertje had zich dan ook haast niet op de been kunnen houden.

5:16Langs de huizen was hij

5:20telkens uitrustend en zich hier en daar aan een hek vasthoudend hierheen gekomen.

5:27Geen moeder, geen ouder broertje of zusje, zelfs niet eens een buurvrouw had hem gebracht.

5:34Toen de portier eindelijk wel begrijpen moest dat de knaapje werkelijk alleen was, deed hij de deur dicht.

5:42Jij wou zeker de dokter spreken, vroeg de man.

5:46Ja, zuchtte het knaapje en liet zich op hetzelfde ogenblik uitgeput op de mat neervallen.

5:54De portier nam hem voorzichtig en zacht op en droeg hem naar de spreekkamer, waar hij hem op een stoel neerlegde.

6:04Wie heeft je hier naartoe, stuurmannetje?

6:07vroeg de dokter, nadat hij het patiëntje enige ogenblikken onderzoekend had aangekeken.

6:14Moeder, luidde het antwoord.

6:17Liet zij je hier alleen naartoe gaan?

6:20Ja, klonk het weer.

6:23Waarom ging ze niet met je mee?

6:25Ze wou niet.

6:27Zo, en vertel mij eens hoe je heet.

6:31Arie van der Tong.

6:33Waar woon je?

6:35Het kind noemde de naam van de steeg waar hij woonde.

6:39Leven je vader en moeder nog?

6:42Ja, klonk het weer.

6:45Maar het ontging de dokter niet dat het kind bij dat antwoord in één kromp alsof iemand hem wilde slaan.

6:54De dokter vroeg niets meer, maar met behulp van een pleegzuster onderzocht hij het jongetje.

7:01Bij dat onderzoek kwam hij tot de treurige ontdekking dat niets dan gebrek, verwaarlozing en mishandeling het kind in deze deerniswekkende toestand

7:13hadden gebracht.

7:15Geef hem een bad, knip zijn haren af, doe hem schone kleren aan, leg hem buiten op een bed en geef hem een glas melk, een ei en een boterham.

7:26We zullen daarna zien wat we verder voor hem kunnen doen.

7:30zei de dokter tegen de verpleegster.

7:33Kom, Arie, ga maar met me mee.

7:36Dan zullen we eens proberen of we nog niet een flinke jongen van je kunnen maken, zei zuster Weidhoff tegen hem.

7:44Het is goed dat je hier gekomen bent, mijn jongen.

7:47En bij deze woorden nam ze het ventje dat even woog, weinig woog als een kind van twee of drie jaar, in haar armen en droeg hem naar de badkamer.

8:00Het ventje zei niet veel, terwijl hij de heilzame behandeling onderging, die dokter Welters had voorgeschreven.

8:08Het was daarvoor ook te beroerd en te ziek, en de lange, moeilijke wandeling naar het huis van de dokter had te veel van zijn krachten gevergd.

8:21Maar hoe stil de arme kleine jongen ook was, toch merkte zuster Weidhoff

8:28Tot haar ontroering op, dat hij gedurig schuw en angstig zijn grote blauwe ogen tot haar opsloeg en dat hij telkens in elkaar kromp, alsof

8:41hij verwachtte dat iemand hem een klap zou geven.

8:44Ook ontdekte ze tot haar groot afgrijzen en met diep medelijden dat zijn arm, vermagerd, onrein lichaampje vol blauwe

8:57plekken en rode striemen zat.

8:59Die plekken en striemen stonden in verband met die schuwe, angstige blik, dat begreep ze wel.

9:06En zo dikwijls...

9:08Zij die ogen ontmoette, sprak ze met al de zachtheid en liefde die ze in haar stem kon leggen.

9:16Ik zal je geen pijn doen, lieve jongen, wees maar gerust, hoor.

9:22Verwonderd en tevens dankbaar keek de kleine patiënt zijn nieuwe verzorster aan.

9:29Spoedig scheen het arme knaapje te begrijpen dat hij door deze vriendelijke dame niet geschopt of geslagen zou worden, want hij liet zich rustig door haar helpen

9:41en spoedig lag hij, fris gewassen, met schone kleren en kort geknipt haar op een heerlijk zacht bed, buiten op een groot terras, waar

9:53ook nog andere zwakke en zieke mensen en kinderen lagen.

9:59Nu ga ik wat lekkers voor je halen, Arie.

10:01Ik kom er heel gauw mee terug, zei zuster Weidhoff, hem vriendelijk toeknikkend.

10:08Even keek de jongen met grote verbaasde ogen rond in deze vreemde omgeving.

10:15Toen streek hij met zijn magere vingers, die nog nooit zo schoon en wit waren geweest als nu,

10:23Over het glanzende schone laken dat over hem was uitgespreid.

10:29Het was hem alsof hij in een nieuwe heerlijke wereld was gekomen.

10:35En alsof hij zelf een ander jongen was geworden.

10:38Een weldadig ongekend gevoel van rust en vreugde kwam over hem.

10:46En een blijde lach verhelderde zijn ingevallen scherpe trekken.

10:53En toen, toen

10:55gingen de grote blauwe ogen dicht en, met die lach nog op het gezicht, sliep de kleine Arie in.

11:04In deze toestand zag de pleegzuster hem terug.

11:08Ze had wel gedacht dat het ventje na zo'n lange vermoeiende wandeling en zijn bad

11:14heel spoedig in slaap zou vallen.

11:16Maar ze had toch nog een stille hoop dat de vreemde omgeving en het vooruitzicht op een lekkere boterham en melk hem nog enkele ogenblikken zouden hebben wakker gehouden.

11:29Ze kwam er zo gauw mee aandragen als ze maar kon.

11:33Maar dat had haar niet geholpen.

11:35Hij sliep, de arme jongen.

11:38Hij sliep zoet en zacht en zuster Weidhoff

11:43wilde hem niet wakker maken.

11:44Ze zette de boterham, het ei en de melk dicht bij hem op een tafeltje neer en schudde meewarig het hoofd toen ze naar het uitgeteerde gezichtje

11:56keek, waarop nog altijd dat tevreden lachje speelde.

12:02Ach, dat arme schaap, wie weet wat en hoeveel hij wel geleden heeft.

12:09Hoe vreselijk, hoe vreselijk toch, zuchtte zuster Weidhof, terwijl ze naar hem stond te kijken.

12:17Arie sliep lang en vast, maar eindelijk werd hij toch wakker en verwonderd keek hij rond.

12:24Zuster Weidhoff was dadelijk bij hem.

12:27Zodra ze bij zijn bed kwam, zag ze weer die onwillekeurige beweging, dat in elkaar krimpen en die schuwe, angstige blik, alsof hij bang was dat het, weldra

12:40een pak slaag en schoppen, op zijn arm lichaampje regenen zou.

12:46Je moet niet bang voor mij zijn, Harry, klonk het vriendelijk.

12:51Ik zal je geen kwaad doen.

12:53Kijk eens wat hier bij je bed op je staat te wachten.

12:56Dan moet je nu eens opeten en uitdrinken.

12:59En als alles naar binnen is, dan kom ik je wat vertellen.

13:04Het zachtgekookt eitje, de melk en de lekkere boterham waren een ongekende weelde voor het arme, verwaarloosde kind.

13:14Op ongeregelde tijden werd hem wel eens door zijn moeder een homp brood toegeworpen en een enkele keer schonk ze hem wel eens wat koude, drabbige koffie

13:26in.

13:26Maar meestal moest hij zelfs zijn kostje maar bij elkaar zien te krijgen, met bedelen en stelen.

13:34Hij wist niet hoe hij het had toen hij dat smakelijke kostje voor zich zag.

13:40Het waren ware lekkernijen in zijn ogen.

13:43Hij kon geen woorden vinden om uitdrukking te geven aan hetgeen hij voelde toen hij begreep dat deze heerlijkheden werkelijk voor hem bestemd waren.

13:56Hoe gelukkig was het toch dat de buurvrouw smorgens tegen zijn moeder gezegd had,

14:03stuur die topper toch naar dokter Welters.

14:07Je kunt niet beter doen.

14:09Hij zal er wel een vent van maken die zijn kost kan verdienen.

14:13Zo heb je toch niks aan.

14:15Ze brengen hem nog eens dood bij je thuis.

14:19Hoe gelukkig dat zijn moeder naar de buurvrouw geluisterd had en dat ze hem, al was het dan ook onder vloeken en stompen, de deur uit en de straat naar dokter Welters opgejaagd

14:31had.

14:32Die erg harde stomp in zijn rug, waarmee zijn moeder de woorden had vergezeld, gauw een beetje, maak dat je 1, 2, 3 bij de dokter komt, die zulke ellendige wormen als jij bent weer beter

14:44maakt.

14:46Toch kon hij nog voelen, maar hij voelde die pijn met een zeker genoegen, terwijl hij zijn lekkere maaltijd gebruikte.

14:55Nog nooit had hij zich zo gelukkig gevoeld als op dit ogenblik.

15:01Nieuwe, zoete, blijde aandoeningen overmeesterden hem en brachten hem aan het schrijen.

15:09Toen de maaltijd gebruikt was en Ari zich weer behagelijk in zijn witte bedje had genesteld, kwam zuster Weidhof bij hem, zitten met een groot, dik

15:21boek op haar schoot.

15:23Maar Ari hoefde niet te denken dat hij alleen te horen zou krijgen wat er in dat boek stond.

15:30Nee, oh nee, uit verschillende hoekjes en gaatjes sprongen er nu eensklaps enkele krulkopjes tevoorschijn.

15:40Scherpe oogjes hadden opgemerkt dat de lieve pleegzuster nu niets anders meer te verrichten had dan te vertellen.

15:49En de vertellingen van zuster Weidhoff waren in hun ogen veel meer waard dan hun speelgoed.

15:58Mogen wij ook komen luisteren?

16:00klonken verschillende stemmetjes.

16:02Daarop ontstond er een groot gedraaf en gevlieg op het terras en spoedig was zuster Weidhoff omringd door een troepje kleuters die allen hun best deden om

16:14zo dicht mogelijk bij haar te komen.

16:18Ja, ja, kleintjes, jullie mogen er wel bij zijn, maar stil hoor en niet zo dringen en duwen.

16:26Kijk eens, hier ligt een ziek jongetje dat geloof ik nog nooit iets gehoord heeft uit dit mooie boek.

16:33De kleintjes keken allemaal vol belangstelling en nieuwsgierigheid naar het zieke jongetje dat nog nooit iets gehoord had uit het mooie boek en natuurlijk ook nog nooit

16:45een van die platen daaruit gezien had.

16:48Hij moet vandaag alles het best zien en horen.

16:52Begrijpen jullie?

16:54Ze schenen dat wel te begrijpen, de kleine jongens en meisjes, want ze lieten de kant van het bed helemaal vrij en drongen nu alle naar de andere kant van de pleegzuster.

17:07Platen had Arie wel eens meer gezien als hij voor een boek of plaatwinkel stond, maar nog nooit had iemand hem iets van die platen uitgelegd en hij had ook nooit begrepen

17:19wat ze voorstelden.

17:21Nu zag hij voor het eerst in zijn leven platen waarvan hem iets verteld werd.

17:28Nu hoorde hij woorden die hem nog nooit in de oren geklonken hadden.

17:35Nieuwe, heerlijke woorden.

17:37Die zachte, lieve stem van zijn vriendelijke verzorgster vertelde hem van God

17:44De hemelse Vader en van zijn Zoon Jezus Christus, die op aarde is gekomen om zondaren zalig te maken en in de hemel te brengen.

17:55Dat was voor het knaapje iets nieuws en iets onbegrijpelijks schoons, dat zijn hartje niet bevatten kon.

18:05Hij luisterde naar die lieflijke woorden en tuurde ingespannen naar de platen uit de kinderbijbel.

18:14Eén plaat was er die zijn belangstelling in bijzondere mate gaande maakte.

18:19Het

18:22was de plaat die de heiland voorstelde toen hij de kinderen zegende en de voor alle jongens en meisjes zo heerlijke woorden uitsprak.

18:33Laat de kinderen tot mij komen en verhindert ze niet, want der zulken is het koninkrijk der hemelen.

18:42Toen Arie een poosje met al zijn aandacht naar die plaat gekeken had, legde hij zijn hand erop, hiermee zijn verlangen te kennen gevende dat dit blad nog niet ongeslagen

18:55moest worden.

18:56Toen bezorgde hij echter opeens zuster Wijthof een schrik door een vraag die haar erg pijnlijk aandeed.

19:06Op de afbeelding van de heiland wijzende vroeg Arie ernstig

19:12Sloeg hij de kinderen nooit?

19:15Die vraag was zo ongehoord dat ze de andere kinderen zeker aan het lachen zou hebben gebracht, indien Arie haar niet zo ernstig had uitgesproken.

19:26Nu keken ze allemaal zuster Weidhoff onderzoekend aan, in afwachting van hetgeen deze zou antwoorden, en lieten slechts een onderdrukt, oh,

19:38hoort dat eens, horen.

19:43Slaan, maar nemen jongen, dat deed hij nooit, antwoordde ze toen ze van de eerste verbazing bekomen was.

19:53Sloeg hij ze nooit, ook niet als hij boos op hen was?

19:58Het kwam er weer zo ernstig uit, alsof hij het haast niet geloven kon.

20:04Arme jongen, die zich niet kon voorstellen dat iemand in aanraking met kinderen kon komen zonder hen te slaan.

20:13Arme jongen, die niets wist en niets begreep van die oneindige liefde en die goddelijke ontferming van de grote kindervriend.

20:26Nee, Ari, vervolgde zuster Weidhoff, hij werd nooit boos op de kinderen.

20:32Hij had erg veel medelijden met hen en als ze verdrietig waren en als ze stout en ongehoorzaam waren geweest, dan wilde hij hun graag,

20:43Al hun zonden vergeven, hen leren om Gods wil te doen, opdat ze eenmaal in de hemel zouden kunnen komen, waar ze voor altijd gelukkig zouden zijn.

20:56Dus hij sloeg ze nooit, herhaalde Adi met een zucht.

21:01En hij zag opnieuw in het boek vol verlangen.

21:05om meer te horen van hem die niet alleen nooit een kind sloeg en nooit boos erop was, maar wiens hart altijd vervuld was met een tedere liefde tot hem.

21:17Het was moeilijk om deze onwetende jongen enig begrip te doen krijgen van die goddelijke en heerlijke waarheid, waarmee andere kinderen al van

21:29moederschoot aan vertrouwd zijn.

21:32Maar dit arme hartje, dat nog meer dan andere kinderharten bedorven was door slechte voorbeelden en een door en door goddeloze omgeving,

21:44was begerig om meer te horen van de Heere Jezus, de Zoon van God, die uit de hemel was nedergedaald en op aarde had gewoond om ook hem

21:57voor eeuwig gelukkig te maken.

22:00Hij was nog niet vele dagen in de inrichting, of hij kende al die grote wonderbare geschiedenis, die meer dan enig andere geschiedenis het

22:12vertellen waard is, het verhaal van de geboorte van de heiland.

22:19Zolang Ari ziek was en door en door zwak, mocht hij ongestoord in de inrichting blijven, dag en nacht.

22:29Het streed wel tegen de regels, maar voor hem werd een uitzondering gemaakt.

22:34In het eerst vreesde de dokter dat de knaap te veel geleden had om het er bovenop te halen.

22:41Maar God zegende de middelen en de goede zorgen en er kwamen langzamerhand tekenen van beterschap en terugkerende krachten en na die eerste

22:53tekenen nam zijn herstel snel toe.

22:58Spoedig kon hij met de andere kinderen meespelen en was hij een van de vrolijkste en dartelste van het troepje.

23:07Aan die beterschap nu was een grote schaduwzijde verbonden, want als hij hersteld was, dan moest hij de inrichting verlaten en terugkeren

23:20tot zijn oude omgeving.

23:21En dan...

23:24Dan zou hij niet alleen misschien weer ziek worden, maar wat nog meer te vrezen was, hij zou weer allerlei slechte dingen zien en leren.

23:33Ja, zelfs gedwongen worden om goddeloze daden te verrichten.

23:38En ach, wie weet hoe spoedig hij al de goede indrukken die hij hier had ontvangen, weer vergeten zou.

23:49Daarvoor bestond het grootste gevaar.

23:53En daarom zag zuster Weithoff ieder bewijs van terugkerende gezondheid met zorg aan.

24:00Dikwijls bad zij dat God in zijn genade dit arme lam behoeden wilde voor het grote gevaar dat hem dreigde.

24:10Ari zelf leefde helemaal op in deze omgeving.

24:15Hij was zo vrolijk als een vogeltje dat altijd in een benauwde kooi op een donker plekje is opgesloten geweest en dat zij nu in de heerlijke vrijheid naar

24:28harte lust bewegen mocht.

24:30Hij verlangde natuurlijk niet naar huis, arme jongen.

24:35Hoe dik wil zagen zij die hem verzorgden hem het medelijden aan.

24:41En wat deden ze hun best om hem zo lang mogelijk bij zich te houden.

24:47Maar eindelijk, ja eindelijk moesten ze hem toch afstaan.

24:52Zijn vader en moeder hadden gehoord dat hij zoveel beter was geworden en nu wilden ze hem weer thuis hebben.

24:59Met veel praten kon men van hen alleen nog gedaan krijgen dat hij iedere morgen in de inrichting mocht komen en daar blijven.

25:11tot laat in de middag.

25:13Dat was nodig, zo bracht de dokter zijn ouders met kracht en klem aan het verstand, om de jongen gezond te doen blijven.

25:23Hij was nog zwak en zou zonder twijfel weer ziek worden wanneer hij weer helemaal zijn oude leventje moest leiden.

25:32Onder deze voorwaarden, dat Adi altijd s'avonds om zes uur weer thuis zou zijn, stemden man en vrouw eindelijk toe.

25:43Ongetwijfeld zouden ze dit nog niet gedaan hebben, wanneer het hun niet in hun voordeel was geweest.

25:49Maar de jongen helemaal uit de kosten hebben en hem s'avonds thuis te krijgen, versterkt door het goede voedsel, dat kon geen nadeel opleveren.

26:00Hij zou dan in de avonduren zoveel te beter geschikt zijn op de een of andere manier geld voor het huishouden bijeen te brengen.

26:12De oude natuur.

26:15Het was iedere avond een droevig schouwspel om het arme knaapje te zien vertrekken.

26:22En de dokter en de verpleegster bejammerden het dat ze hem niet altijd bij zich mochten houden.

26:30Er lag een pak goede kleren voor hem klaar in de badkamer, waar hij altijd eerst behoorlijk gewassen, gereinigd en gekleed werd.

26:39Maar s'avonds moest het nette pak weer verwisseld worden voor zijn oude vodden.

26:45Het was zo treurig hem die te zien aantrekken.

26:48Hij schaamde er zich voor.

26:51Hij trok ze altijd aan met de grootste haast en met bevende vingers en het was of hij met zijn vuile lompen ook iets van zijn vroegere leven weer aantrok, want alle vrolijkheid

27:03en zachtheid week uit zijn gezichtje.

27:06Er kwam een norse uitdrukking op en zonder iemand meer aan te zien en bijna zonder te groeten, holde hij weg in zijn armelijke plunje als een

27:18gejaagd hert.

27:20Arm ventje, hij had het genoegen leren kennen om gekleed te mogen gaan als een fatsoenlijke jongen.

27:28Wie zou niet met hem kunnen meevoelen wat het voor hem wezen moest als hij die goede, nette kleren aflegde en weer als vroeger zich in die vuile lompen gestoken zag?

27:41Eens, toen zuster Wijthof s'avonds een boodschap moest doen, zag ze Arie staan, geleund tegen het raam van een vuile kroeg.

27:51Hij moest daar zeker wachten op zijn ongelukkige vader.

27:55Hij stond in de meest mistroostige houding die iemand kan aannemen.

28:02Zodra hij zuster Wijthof in het oog kreeg, werd hij zo rood als vuur en hij keerde zich om, zeker in de hoop.

28:11dat hij door haar niet opgemerkt zou worden.

28:13Het was droevig te moeten denken dat Adi weer in zijn oude omgeving was teruggekeerd.

28:21En duidelijk komen al aan de jonge merken dat hij weer onder verkeerde invloed was gekomen.

28:28Ach, de macht van het kwade is ook zo groot.

28:33Iedere morgen mocht Adi, zodra hij gewassen en gekleed was, de geliefde platenbijbel zien.

28:40Zuster Wijthof vertelde hem daaruit.

28:43Daarna ging hij altijd met de andere kinderen een poosje spelen en dan, dat was ook een van zijn grootste genoegens, dan mocht hij zuster Wijthof helpen

28:55met het opruimen en wegbergen van het speelgoed.

29:00Hij was er trots op dat hij dit doen mocht en hij voelde zich heel gestreeld als zuster Wijthof zei dat ze een handig knechtje aan hem had.

29:11Op zekere morgen verscheen de jongen met een knorre gezicht in de inrichting.

29:17Zijn gezicht werd zelfs niet opgeruimd en vrolijk toen hij zijn verfrissen bad gebruikt, zijn nette kleren aangetrokken en zijn boterham met melk genuttigd had.

29:30Hij luisterde ook niet zo oplettend als anders naar de geschiedenis die zuster Weithof hem als naar gewoonte uit de platenbijbel vertelde.

29:40Ja, hij verstoorde zelfs onder het vertellen de rust en de goede stemming door een van de kleintjes aan het haar te trekken en door een ander in zijn hals

29:53te blazen.

29:54Meer dan eens moest zuster Weidhoff met vertellen ophouden om hem te verbieden.

30:00Wat mankeerde de jongen toch, welke boze geest was in hem gevaren.

30:06Deze vragen waren duidelijk te lezen in de ogen van de pleegzuster als ze naar hem keek.

30:13Maar Ari ontweek haar blik en trachtte zo onverschillig mogelijk om zich heen te kijken.

30:19Eindelijk was het ogenblik aangebroken waarop de soep werd rondgediend.

30:25En nu maakte hij het zo bond als maar mogelijk was.

30:29De soep die hem altijd zo lekker smaakte,

30:33schoof hij onwillig van zich af, zodra ze voor hem was neergezet.

30:38Hij zette zijn ellebogen op de tafel en riep met een brutale stem, Ik wil vandaag niet eten.

30:46Ben je ziek, Harry?

30:48Scheelt er wat aan?

30:49vroeg zuster Weidhoff bezorgd, want de jongen had nog nooit het lekkere kostje geweigerd, maar had altijd alles met veel smaak op.

31:01Nee.

31:03Antwoordde hij lomp.

31:04Maar ik wil niet.

31:06Waarom niet?

31:08Daarom niet.

31:09Dat was nu toch meer dan grof.

31:13Zuster Weidhoff keek hem eerst heel ernstig aan.

31:17Daarna keerde ze zich van hem af, zonder iets meer te vragen of te zeggen.

31:22Ze was zulk gedrag van haar kleine beschermeling niet gewend.

31:26Ze begreep wel...

31:28dat er thuis zeker iets heel vreselijks moest gebeurd zijn.

31:32Maar daarom mocht de jongen zich toch niet zo ongepast aanstellen.

31:37Hij moest inzien dat hij nu groot kwaad deed.

31:41Berouw moest hij tonen en om vergeving vragen.

31:45De soep werd weggenomen en de kinderen mochten weer gaan spelen.

31:50Onder het spel scheen Arie geheel te vergeten dat hij zich zo ondeugend had gedragen, want alsof er niets gebeurd was kwam hij daarna naar zuster Weidhoff toe om

32:02haar als naar gewoonte te helpen met het opruimen van het speelgoed.

32:07Nee Arie, ga maar weg.

32:10Vandaag hoef je me niet te helpen.

32:12Ik zal het zonder jou doen, zei zuster Weidhoff, wel zacht, maar toch beslist.

32:21Verbijsterd keek de jongen haar aan.

32:23Nog nooit had ze hem weggezonden, nog nooit zijn hulp afgeslagen.

32:29Nee, Arie, klonk het even ernstig.

32:32Jongens die ongehoorzaam zijn en brutaal, moeten gestraft worden.

32:38Ik wil vandaag je hulp niet gebruiken.

32:42Ach, wat schrok de jongen daarvan.

32:46vroeger toen hij nog niet in de inrichting was geweest zou hij zeker onverschillig zijn weggelopen maar nu kon hij zich niet gelukkig gevoelen bij het bewustzijn van zijn schuld en bij

32:58de gedachte dat hij zijn lieve verpleegster gegriefd en bedroefd had zijn geweten sprak en opeens barstte hij in een tranenvloed uit liep naar zuster

33:12sloeg zijn armen om haar hals en riep alsnikkend uit, ik vergeef het u, ik vergeef u alles, ik zal nooit meer zo'n deugende jongen zijn, ik vergeef

33:24het u.

33:26Zuster Wijthoof moest om deze ontboezeming toch even lachen, maar ze onderdrukte het, opdat Adie het niet merken zou.

33:35Ik vergeef u, had hij gezegd in zijn welgemeend schuldbezef.

33:42Het moest juist andersom zijn, maar de bedoeling was goed.

33:45Hij had ingezien dat hij kwaad had gedaan.

33:49Hij had oprecht berauw getoond en toen kon zijn goede verzorgster niet langer boos op hem blijven.

33:56Ze vergaf hem graag zijn verkeerde gedrag en vroeg hem of hij niet vergeten had om die dag aan de heren te vragen hem toch te leren en te helpen

34:08strijden tegen zijn ondeugd.

34:12Ja, antwoordde hij berouwvol, ik heb er vanmorgen niet aan gedacht.

34:18Zou hij me morgen toch weer willen helpen, nu ik het vandaag vergeten heb?

34:24Zeker wil hij dat, Adi, je weet immers toch wel wat hij gezegd heeft toen hij nog op aarde was.

34:34Laat de kinderken stok meekomen en verhindert ze niet, want hunne is het koninkrijk der hemelen.

34:42Zei Ari.

34:43Het was de eerste tekst die hij geleerd had en hij vergat die niet.

34:48Juist, Ari, nu.

34:50Hij zei immers duidelijk dat hun er het koninkrijk der hemelen is, dat ze daar mogen komen.

34:58En zou dan de liefdevolle heiland, die de kinderen in zijn koninkrijk wil brengen, hen niet willen verlossen van hun zonden?

35:08Ho, riep Adi snikkend uit.

35:11Laat ik u maar alles vertellen, lieve zuster.

35:14Ik was zo vreselijk boos toen ik hier kwam en de hele boel kon me niks meer schelen.

35:21Vader heeft me weer zo geslagen omdat ik gisteravond zo weinig geld thuisbracht.

35:28Vroeger vond ik het wel erg als vader me sloeg, maar nu nog veel erger.

35:34Toen vergat ik het gauw en de volgende dag maalde ik er al niet meer om, maar nu kan ik het niet vergeten.

35:42Daarom had ik zin om weer ondeugend te zijn zoals vroeger.

35:47Dat is toch dom, mijn jongen, want nu maak je jezelf dubbel ongelukkig en vind je niet dat één ongeluk al erg genoeg is?

35:57Zuster Weidhoff sprak de knaap verder nog wat moed in en een tijd lang ging alles zo goed mogelijk.

36:04Ari bleef geregeld alle dagen komen en gedroeg zich naar behoren.

36:10Maar toen gebeurde er weer iets zeer verdrietigs, dat zuster Weidhoff de moed bijna helemaal benam.

36:20De

36:25zendingsbus.

36:26Er

36:29was in de inrichting een ruime speelkamer waar de kleine patiëntjes, als het regenachtig weer was, zich mochten vermaken.

36:37Er waren daar...

36:38Kasten vol speelgoed, blokkendozen, legpuzzels, sprintenboeken, knikkers, tollen, poppen en andere dingen waar kinderen zich graag mee bezighouden.

36:51Arie vond het altijd heel prettig en hij stelde er zijn eer in om die kamer als de kleintjes haar verlaten hadden netjes op te ruimen zodat er niets op viel aan te merken.

37:03Hij was een handig baasje en hoewel hij thuis geen goed voorbeeld had gehad, zo had hij toch een zekere zin voor orde en netheid.

37:13Zuster Weidhoff had dikwijls gedacht dat onder goede leiding er bepaald wel iets goeds uit hem groeien kon.

37:22Bovenop de grote speelgoedkast stond een busje.

37:26De inhoud daarvan was bestemd voor de zending.

37:29Dat busje bracht uitsluitend, bracht jaarlijks een aardig sommetje op, in aanmerking genomen dat de gelden uitsluitend bijeengebracht werden door tijdelijke bewoners van de

37:41inrichting, die toch grotendeels bestonden uit niet rijke mensen en kinderen.

37:48Zuster Wijthof telde op zekere dag het geld uit het busje na en de som bedroeg toen zo weinig.

37:57dat ze niet nalaten kon bij zichzelf de opmerking te maken dat de opbrengst al bijzonder achteruit ging in de laatste tijd.

38:06Ja, zoiets kon gebeuren en zuster Wijthoff had nog geen kwade vermoedens.

38:13Na die tijd wijde ze echter wat meer dan vroeger haar aandacht aan het busje.

38:20Ze telde de inhoud die uitsluitend uit centen bestond

38:26Van tijd tot tijd na en toen ze na verloop van tijd zich nog meer verwonderen moest over de uitkomst, wierp ze op zekere avond een dubbeltje in het busje.

38:38De volgende avond opende ze het weer en het dubbeltje was verdwenen.

38:45Dat was een ontdekking die haar erg verontrustte en haar de zekerheid gaf dat er een dief wezen moest.

38:54Maar wie zou de dief zijn?

38:56Ja, wie?

38:57Er was niemand die zuster Weidhoff durfde beschuldigen.

39:02Maar één moest zich toch vergrepen hebben.

39:05Dat kon niet anders.

39:07Er kwam een vermoeden in haar hart op, dat ze dadelijk ver van zich wierp.

39:14Zou Arie zo slecht kunnen zijn?

39:17Arie, de jongen van wie ze zoveel goeds verwachtte, die ze zo lief had gekregen, nee, dat kon ze niet geloven.

39:27Ze sidderde bij deze gedachte, maar hoe vreselijk ze het ook vond, toch was ze verplicht hem op de proef te stellen.

39:37Het stuitte haar tegen de borst, maar ze moest het doen.

39:41Ze telde het geld dat zich in het busje bevond nauwkeurig na.

39:46Daarna zetten ze het weer op zijn plaats.

39:49Toen liet ze Arie de kamer als naar gewoonte opruimen en zorgde ervoor dat hij daar helemaal alleen bleef.

39:58Ik ben klaar, zuster.

39:59Al het speelgoed is opgeruimd, sprak de knaap.

40:02Zal ik nu maar weer weggaan?

40:05Nee, Arie, wacht nog even.

40:07antwoordde ze.

40:08Blijf nog even hier staan.

40:10Ze liet hem in het portaal achter en ging naar de speelkamer, nam met bevende handen het busje van de kast en telde het geld na.

40:22Meer dan de helft was eruit verdwenen.

40:26Er was geen twijfelen meer mogelijk.

40:29Arie, de jongen van wie ze verwachten dat hij goede indrukken had ontvangen,

40:34had haar hoop beschaamd.

40:36Hij had de zendingsbus bestolen, niet één, maar verscheidene keren.

40:43Ze was door deze droevige ontdekking zo ontdaan, dat ze over al haar leden begon te beven en al haar zelfbeheersing bijna verloor.

40:54Maar ze moest handelen, hoe moeilijk haar dat ook viel.

40:59Arie, riep zuster Weidhof, kom eens hier.

41:04De jongen kwam dadelijk aangelopen, nog niet vermoedende wat hem te wachten stond.

41:10Maar toen zuster Weidhof zijn handen vastgreep, hem naar binnen trok, daarna de deur achter hem dicht sloot en hem met een gezicht, waarvan alle kleur geweken was,

41:23enkele ogenblikken doordringend aanzag, voelde hij zich niet langer op zijn gemak.

41:31Arie, arme jongen!

41:34Wat heb je gedaan?

41:36vroeg zuster Weidhoff, terwijl ze naar het regenbusje en naar het geld dat ernaast lag op de tafel wees.

41:44Beken maar welk kwaad je hebt gedaan.

41:48Nog even scheen de jongen erover te denken om op zijn oude manier zich door een leugen te redden, maar de woorden bestierven hem op de lippen toen hij het ontroerde gezicht

42:00van zijn lieve verpleegster aanzag.

42:03O, sla me maar, sla me maar, riep hij opeens uit met een woestheid die zuster Weithoff verschrikte.

42:11Ik heb het gedaan, al vele dagen heb ik het gedaan.

42:15Dubbeltjes en centen heb ik weggenomen.

42:18O, ik weet wel dat ik een dief ben, een slechte jongen.

42:22Het helpt niet dat de mensen hier goed voor me geweest zijn.

42:26Ik ben toch een dief.

42:27Sla me maar en laat me in de gevangenis brengen, want ik zal toch nooit een andere jongen worden.

42:33Nooit, nee nooit.

42:34Ik heb het wel geprobeerd, al zo lang, maar het helpt me niets.

42:38Ik zal een slechte man worden, net als vader, en in de gevangenis terechtkomen.

42:46Arie begon nu zo wanhopig te snikken, dat zuster Wijthofs medelijden steeds groter werd.

42:53Zacht legde ze haar hand op zijn gebogen hoofd en zoveel liefde en zachtmoedigheid in haar stem leggende als haar mogelijk was, vroeg ze.

43:04Mijn arme jongen, zeg me eens de volle waarheid.

43:09Waarom heb je dat gedaan?

43:11Zeg het me maar eerlijk.

43:13Spreek je hart vrij uit en houd niets voor mij achter.

43:19Het was niet om te snoepen.

43:22riep Adi hartstochtelijk uit.

43:24Nee, daarvoor deed ik het niet.

43:27Daarvoor zou ik nu niet meer willen stelen.

43:29Nee, nooit meer.

43:31Het was omdat ik s'avonds altijd centen moest thuisbrengen en ik durfde en wilde niet meer bedelen bij de badgasten en hun vertellen dat vader dood was en

43:43moeder ziek lag en er zes kleine kinderen schreeuwden van de honger.

43:48vroeger kreeg ik daar mijn centen mee en als ik ze niet bij elkaar had dan gapte ik ze uit de winkels of waar ik ze maar krijgen kon maar ik kwam niet langer betelen en ook niet stelen

44:01en ook niet in de gevangenis komen vroeger dacht ik dat ik daar vast heen zou gaan net als vader die er al vijf keer geweest is maar ik wilde er niet komen en

44:13toen ik het busje zag

44:15en merkte dat er geld in was, nam ik daar telkens wat uit.

44:19En nu, en nu zal ik toch in de gevangenis komen.

44:25Onder horten en stoten kwam dit alles eruit.

44:28En het zou moeilijk geweest zijn om te zeggen wie er meer ondaan en geschokt was, de schuldige knaap of zijn verzorster, die zich zo droevig bedrogen

44:41zag in haar goede verwachtingen.

44:44Wat kon ze in dit moeilijke ogenblik anders doen dan te gaan tot hem, die niet alleen de zonden vergeven wil, maar die ook door zijn geest het

44:56hart wil reinigen en herscheppen.

45:01Ik weet wel dat het heel slecht van me was, luidde Arie's bekentenis.

45:07Toen ik het de eerste keer deed, voelde ik me zo ongelukkig.

45:12Maar toen ik het geld aan vader gaf, liet hij me met rust en sloeg en vloekte niet.

45:19En toen nam ik een paar dagen daarna weer wat weg.

45:22Toen ging het met me beter af.

45:25Ach, had u het de eerste keer maar gemerkt.

45:28Dat wou ik, ja dat wou ik.

45:30Dan zou het zeker niet weer gedaan hebben.

45:34De arme jongen toonde groot en welgemeend berouw en hij stortte zijn hele hart uit voor zuster Weidhoff en verborg niets voor haar en telkens

45:47brak hij zijn schuldbekentenis af met de uitroep, had u het toch maar dadelijk gemerkt.

45:55Arie, mijn jongen, het is goed dat je me nu alles verteld hebt, maar weet je, wie het ook nog zeggen moet?

46:04Zeg alles aan Jezus, juist zoals u het mij verteld hebt.

46:09Hij kan je helpen en sterken en je in het vervolg voor zulke grote zonden bewaren.

46:17O Ari, ik ben zo bang dat je niet bij hem gebleven bent.

46:25Ik zal hem alles zeggen, antwoordde Ari vastberaden, maar weet u, hij was zo goed.

46:34Hij deed nooit kwaad.

46:35Zou hij werkelijk wel weten hoe moeilijk het is om geen slechtheid te doen?

46:43Ja, Ari, daar weet hij alles van.

46:46Hij is ook in verzoeking geweest en hij weet hoe sterk de verleiding wezen kan.

46:55Er is een mooi versje dat jij van buiten leren en levenslang onthouden moet.

47:01Het is alsof het voor jou gemaakt is.

47:05Die in ons oog de moeite leest, toont ons zijn medelijden.

47:10Hij is als wij verzocht geweest en helpt ons als wij strijden.

47:18Probeer het eens mijn jongen, om me op hetzelfde ogenblik als de verzoeking tot je komt, hem aan te roepen om hulp.

47:27Je zult ondervinden dat hij helpt en sterkt en het je mogelijk maakt om de zwaarste verzoekingen te verdragen en het kwade te overwinnen.

47:40Onder het gebed dat zuster Weidhoff met

47:44En voor Ari opzond, gevoelde Ari al de heerlijke kracht en waarheid van haar woorden.

47:52En met een hart dat onuitsprekelijk verruimd en verlicht was, omdat de zonde last ervan was weggenomen, ging Ari daarop naar huis.

48:05En hier luisteraars, moeten we voor dit keer eindigen.

48:10Ari mocht met een verlicht en verruimd hart naar zijn ouderlijk huis gaan.

48:15Dat was echter niet naar de zin van de duivel en daarom stond hem daar niet veel goeds te wachten.

48:23We hopen u bij Leven en Welzijn volgende week weer verder te mogen lezen over Gods wonderlijke leidingen met gevallen mensenkinderen.

48:34Voor nu...

48:35Dank voor uw aandacht en voor morgen en overmorgen gezegende Pinksterdagen.

48:42Er zal nog gezongen worden van Psalm 25, de versen 9 en 3.

48:51Eerst dus vers 9, sla op mijn ellende de ogen, zie mijn moeite, mijn verdriet.

49:00En dan vers 3.

49:02Denk aan het vaderlijk medogen, heren, waarop ik biddend pleit.

49:07Milde handen, vriendelijke ogen zijn bij u van eeuwigheid.

49:13En wat er verder volgt in de versen 9 en 3 van Psalm 25.

49:19[GEZANG]