Zaterdagavondverhaal - Alleen op een wrak, deel-2

zaterdag 7 maart 2026 · 19:00 uur · Verhaal · A.J. Nelis · 45 minuten

Transcript

0:02Goedenavond luisteraars.

0:04De vorige keer hebben we gehoord van de schipbreuk van de Maassluise haringlogger Johannes Cornelis, waarvan de bemanning door een Engels vergat,

0:17de City of London, was gered, althans op Ena, Pieter Kramer de scheepsjongen, terwijl zijn vader verteerd

0:29werd door schaamte en vroeging.

0:32en zijn moeders hart in één kromp bij de gedachte aan het verlies van haar jongste kind, was het laatste wat we hoorden, dat het lezen van Psalm 139

0:44voor beiden, maar vooral voor de moeder, zeer vertroostend en bemoedigend was.

0:51Het laatste wat we uit haar mond hoorden was, ja, bij de heren is veel verlossing.

1:01Was er dan nog hoop voor Pieter?

1:03We gaan het horen in de tweede en laatste deel van het verhaal Alleen op een wrak.

1:14Alleen op zee.

1:16We hebben Pieter door zijn vader in de kooi zien brengen.

1:20Het luik was gesloten en daar lag hij nu in de voorkajuit.

1:26Een betrekkelijk grote ruimte.

1:28Het verblijf van alle matrozen.

1:32Hevige hoofdpijn en zenuwachtige aandoeningen deden hem luid wenen.

1:39Zijn kermen verminderden langzamerhand en eindelijk viel hij in slaap.

1:47Zijn krachten waren uitgeput.

1:50Onder zulke omstandigheden was de slaap een zegen voor hem.

1:57Maar hij wist niet welke gevaren hem boven het hoofd hingen.

2:02Wie leeft er eigenlijk die dit weet?

2:06Wat baat het de mens of hij waakt als God hem niet beschermt?

2:12Wie God bewaart is wel bewaard.

2:15Zijn slaap was zo diep dat hij niets hoorde van de zeilen die krakend weggesleurd werden, van de verschansing die tot splinters

2:27geklemd en gedrukt werd.

2:30Het hulpgeroep van de zeelieden bij de aanvaring was niet tot zijn oren doorgedrongen.

2:38Allen hadden een veiliger verblijf gevonden op de City of London, toen hij daar met koortsige rillingen op zijn bed lag uitgestrekt.

2:49Het schip was nu geheel een speelbal van de golven.

2:55Het zal tien uur in de morgen geweest zijn.

2:59Toen Pieter wakker werd, hij schrok geweldig toen hij een blik uit zijn kooi in de kajuit wierp.

3:07Alles wat aan de wanden hing, lag verbreizeld op de vloer.

3:13De klok was stuk, potten en pannen lagen aan scherven.

3:19De kisten van de matrozen waren omgekanteld, de inhoud lag verspreid op de bodem.

3:26Wat was hier gebeurd?

3:29Het schip hobbelt nog wel op de hoge golven, maar de storm, die schrik der zeelieden, hoort hij toch niet meer loeien.

3:40Maar hoe vreemd!

3:43Hij luistert.

3:44Het

3:46is zo stil op het dek.

3:48Hij hoort niemand praten of lopen.

3:52Hij roept, maar

3:55krijgt geen antwoord.

3:57Een hevige onrust maakte zich van hem meester.

4:01Pieter kleedt zich aan en gaat de trap op naar boven om zich te overtuigen van hetgeen de vrees hem influistert.

4:11Maar o wee, het zware luik zit zo vast dat hij er niet de minste beweging in kan krijgen.

4:20Maar een Hollandse jongen geeft niet dadelijk de moed op.

4:24Kan hij het met de handen niet klaar krijgen, dan zal hij er zijn schouders onder zetten.

4:31En dat helpt.

4:32Hij tilt het luik op en nu staart hij op het dek van het schip.

4:39Wat ziet hij?

4:41Het is één grote verwoesting.

4:44De verschansing is grotendeels weggerukt.

4:48Enkele splinters getuigen nog van het geweld waarmee dat is gebeurd.

4:54Alles wat los op het schip stond is verdwenen.

4:57De takels en touwen hangen slingerend om de mast.

5:02Van de matrozen ziet hij niemand, ook zijn vader niet.

5:08Hij gaat nu de kajuit van de schipper binnen.

5:11Ook die is leeg.

5:13Zonder vader, zonder scheepelingen, zwerft hij daar nu op de grote wateren van de zee.

5:21Waar zouden die mannen nu zijn, als een vaartuig het wrak gewaar wordt?

5:27Zal het waarschijnlijk de steven erheen wenden en hem opnemen.

5:32Pieter klimt in de most om te zien of het schip, of wellicht de kust, in de nabijheid is.

5:38Al gauw komt hij erachter en mismoedig gaat hij naar beneden.

5:44Hier sta ik, zo spreekt hij in zichzelf, als een verlatene.

5:51Wist ik maar waarheen ik sturen moest, of ik al huil.

5:56Wat baten mijn tranen?

5:58Laat ik maar moed houden.

5:59Voor de zon in het westen ondergaat, kan God redding schenken.

6:06De honger begon hem te kwellen.

6:08Een kok die hem iets smakelijks kon bereiden, was er niet.

6:13Daarom ging hij zelf naar beneden, smeerde goed wat boter op het harde scheepsbeschuit, sneed een paar schijfjes kaas en vulde zijn tinnenkroes met bier

6:26dat vrij zuur was en wilde gaan eten.

6:31Eerst vouwde hij achter zijn handen om God te danken dat hij hem tot hiertoe gered had en om zijn goddelijke bescherming in te roepen.

6:42In zijn eenzaamheid.

6:44Hij dwaalde rond als een schaap zonder herder en had in waarheid behoefte aan een gids die hem langs ongebaande wegen ter plaatse van zijn bestemming moest

6:56leiden.

6:57Onze Pieter, zoals jongens van zijn leeftijd doen kunnen, schikte zich spoedig in zijn toestand.

7:04Hij dacht wel aan zijn ouders, maar zich een denkbeeld te vormen van hun buitengewone ongerustheid

7:12Dit kwam niet bij hem op.

7:13Hij had nu in waarheid het ruim alleen.

7:17Hij kon doen en laten wat hij wilde.

7:20Als zijn eten op was, zou hij maar weer eens naar boven gaan.

7:25Daar valt zijn oog op een paar sigaren.

7:28Ze behoren hem wel niet toe, maar dat hij er één opgerookt heeft, zullen de matrozen hem niet kwalijk nemen, als hij ze nog eens levend voor zich ziet.

7:39Of zij zelf ze wel verbruiken zullen, is daar boven zeer twijfelachtig, denkt hij.

7:46Op redding heb ik goede hoop, maar of mijn ontredderd scheepje regelrecht naar de nieuwe waterweg toedrijft, zodat ik vanavond of morgen thuis ben, dat staat zeer

7:58te bezien.

8:00Onze jeugdige scheepsjongen, matroos en schipper, hij was nu alles tegelijk, scheen het beneden nog best te kunnen stellen.

8:09Hij ruimt de kisten een beetje op en legt de verspreide inhoud erin.

8:15Daar valt zijn oog op een fles jenever.

8:19Nee, zegt hij, van dat schiedomse vocht heb ik een afkeer.

8:24Het maakt zoveel mensen ongelukkig.

8:28Mijn vader drinkt geen jenever en ook geen andere sterke drank.

8:32Ik ben nog jong en hoop de verleiding te kunnen weerstaan.

8:38Nog eenmaal gaat hij naar boven om te zien of hij iets bijzonders op zee kan gewaar worden.

8:44Maar hij bemerkt niets dan dat het schip wordt voortgedreven door de wind en zo de golven klieft.

8:52Hij weet geen betere raad dan als stuurman op te treden en de Johan Cornelis te sturen in de richting door de wind aangegeven.

9:03De verschansing was wel weggeslagen,

9:06Maar er was geen lek in het schip.

9:10Zo verliepen er enige uren zonder dat er iets belangrijks voor viel.

9:16Onze jonge stuurman klom in de middag weer in de mast.

9:20Hij ziet iets heel in de verte.

9:23Zou het land wezen?

9:25Een zwarte streep roept hij uit.

9:29Het is land.

9:30Maar of ik in Holland of in Eiland terecht kom, weet ik niet.

9:35Nog een beetje geduld.

9:37Dobbert daargens geen scheepje?

9:40Ja, echt.

9:42Zonder aarzelen en zo hard hij kan, schreeuwt hij met allebei zijn handen als een scheepsroeper voor zijn mond.

9:51Nood!

9:52Nood!

9:53Help!

9:54Help!

9:55De

9:57drie scheepelingen van het kleine bootje vangen het geluid op dat door de wind wordt meegevoerd.

10:04Ze richten hun blik richting het wrak en besluiten erheen te varen.

10:10Toen ze de logger naderden, zagen ze de ontredderde toestand waarin deze zich bevond.

10:18Twee van hen komen Pieter te hulp, terwijl de derde hun eigen scheepje naar de wal zal sturen.

10:26Die twee mannen willen met Pieter gaan spreken, maar ze kunnen elkaar niet verstaan.

10:32Et tu Hollandaise?

10:34vragen ze.

10:35Ja, zegt Pieter, ik kom uit Holland.

10:38De gebarentaal moet nu de rol vervullen van de spreektaal.

10:43Met stukjes en beetjes merkt hij dat hij zich op de Franse kust bevindt en dat men hem en het schip naar Calais zal voeren.

10:54Eén voor één gingen onze Fransen naar beneden om te zien of ze iets van hun gading vonden.

11:01Ach,

11:03Had Pieter dat kunnen vermoeden, dan had hij de flesje nee veroverboord geworpen, toen hij nog alleen was, want spoedig bemerkte hij dat ze hem gevonden hadden.

11:15Hij kon het aan hun ogen zien en aan hun opgewondenheid merkte hij dat ze er al te veel van geproefd hadden.

11:24Angstige ogenblikken stond hij uit.

11:26Ze waren druk met elkaar in gesprek, die drinkenbroers, maar waarover?

11:32Gelukkig keken ze hem niet wantrouwend aan, maar toch was zijn toestand niet benijdenswaardig.

11:40Hun zakken waren volgestopt met het meest begeerlijke dat hun ogen in de voor- en achterkajuit zagen.

11:49Het andere zouden ze straks wel aan veilige handen toevertrouwen.

11:57De torens van de Franse stad werden al zichtbaar en Pieter verblijde zich.

12:04in het vooruitzicht straks voet aan vaste wal te kunnen zetten.

12:09Hij zou zijn moeder van zijn behouden aankomst kunnen verwittigen.

12:14Spoedig kon hij wellicht naar haar vertrekken om te horen wat er van zijn vader en diens medematrozen geworden was.

12:23Calais was spoedig bereikt, maar dat scheepje zonder zeilen was een vrij onhandelbaar vaartuig.

12:31Men kon het niet precies brengen waar men wilde.

12:34Pieter bemerkte dat.

12:36Hij wenste eraf te komen.

12:39Het schip met de inhoud gaf hij voor zich graag aan de Fransen geschenk, als hij het leven er maar afbracht.

12:46Wat nu?

12:47Na een heftige woordenstrijd maakte een van de Fransen met rozen zich gereed door het niet al te diepe zeenat naar de kust te zwemmen.

12:57Ze beduiden Pieter door gebaren dat hij dat ook moest doen.

13:03De tranen kwamen de arme jongen in de ogen.

13:07Zo dicht bij het land en mij nu nog aan zo'n groot gevaar blootstellen, dacht hij.

13:14De Fransen bemerkten zijn angst.

13:17Ze zochten een sterk touw op en bonden dat stevig vast.

13:22Een van de zeelieden nam Pieter op en zette hem op de rug van de andere.

13:27Met de handen stevig om de hals van de vreemdeling vastgeklemd,

13:32daalden beiden af in de zee.

13:35Gedragen door een gespierd en geoefend zwemmer naderde de arme schipreukeling weldra het strand.

13:44Spoedig bereikten ze een waadbare plaats en nu werden toch de voet verder afgelegd.

13:51Daar stond Pieter eindelijk op de Franse kust.

13:55Hij had vaste grond onder de voeten.

13:57Een gevoel van oprechte dankbaarheid vervulde hem.

14:02Onzichtbaar voor het oog van de mensen, maar door God gehoord, steeg uit zijn ziel een juichtoon naar boven.

14:11Gelooft zij God, die in de nood mijn redder is geweest.

14:18In den vreemde Onze Pieter was het voorwerp van meer dan gewone nieuwsgierigheid en belangstelling, die zich op allerlei wijze uitte bij

14:30de toegesnelde mensenmenigte.

14:33Vele vragen werden tot hem gericht, maar hij moest ze alle schouderophalen beantwoorden.

14:40Een medelijdende vrouw, zelf moeder van kinderen, die ter zee voeren, greep de Hollandse jongen bij de hand.

14:49Ze wilde hem meenemen naar haar woning om daar zijn natte plunje, waarin hij stond te bibberen, voor een droge te verwisselen.

14:59Maar dat wilde Peters Redder niet.

15:02Hij besloot met hem de weg naar de stad in te slaan om bij de burgemeester, strandvonder, verslag uit te brengen van de verschillende zaken.

15:12Zo gezegd, zo gedaan.

15:15Spoedig waren ze op het kantoor van Carles burgemeester.

15:20De Franse metro's richtten zich beleefd tot hem en zei, meneer.

15:25Deze middag zeilden wij met ons drieën in zee, toen we een nood geschreid tot ons goden doordringen van een schip dat een wrak bleek te zijn.

15:34We spoeden ons erheen en brachten het in de nabijheid van het strand.

15:39Aan boord vonden we alleen deze jongen.

15:42Hij schijnt een Hollander te zijn.

15:45Meer kunnen we niet van hem te weten komen, aangezien we elkaar niet verstaan.

15:50Mag ik u?

15:52Als hoofd van de gemeente belasten met de zorg van deze jonge zeeman?

15:56Het is nog maar een kind.

15:59Wel zeker, zei de burgemeester.

16:02Zulke vreemdelingen hebben recht op een menslievende behandeling.

16:06Het zal hem aan niets ontbreken.

16:09Maar burgemeester, hoe moet het met het wrak?

16:13Hoor eens goede vriend, volgens de wet moet het schip als strandvonderij worden aangegeven.

16:19Ik zal een bewaker aanstellen die er een oogje op houdt.

16:24Wil de rederij in Holland het terug laten halen, tegen een billijke vergoeding natuurlijk, mij goed, anders verkopen we het.

16:33Een derde deel is dan voor u en uw vrienden, een derde voor de gemeente en de rest voor het land.

16:41De matroos ging heen.

16:43En we behoeven zeker niet te zeggen dat voor het schip naar een betere legplaats gehaald en een bewaker aangesteld was, de drie Franse metrozen zorgden hun

16:55deel van de roerende goederen uit de beide kajuiten van de Johan Cornelis in handen te krijgen.

17:02Dat was alvast binnengesmokkeld.

17:06En Pieter?

17:08Het duurde niet lang of hij werd in de gelegenheid gesteld nieuwe droge kleren aan te trekken.

17:14Het was een andere jongen geworden, alleen jammer dat hij tegenover zijn vriendelijke weldoener stommetje moest blijven spelen.

17:24Is er, zo sprak de burgemeester, in Calais niemand die Hollands verstaat?

17:31Men wist niemand en kon derhalve geen maatregelen nemen.

17:36Wel werd aan Pieter een atlas voorgelegd waarop hij zo ongeveer kon aanwijzen waar hij woonde, maar op alle vragen bleef hij het antwoord schuldig.

17:50Tegen de avond evenwel vervoegde zich ten huize van de burgemeester een van de pastoors van Kelle.

17:59Hij had vernomen dat men iemand zocht die als tolk van de Hollandse jongen kon optreden.

18:07Ik ben, zo zei hij, in België geboren.

18:11In mijn naaste omgeving werd naast de Franse taal ook de Vlaamse gesproken.

18:17En ik geloof wel dat ik de jonge matroos zal kunnen verstaan.

18:22Kan ik u dus van dienst zijn, burgemeester?

18:25U kunt over mij beschikken.

18:27Heel graag, meneer pastoor.

18:29Ge zult er ons een grote dienst mee bewijzen.

18:33We zullen dan de Hollandse jonger maar dadelijk laten komen.

18:37Pieter trad weldra de spreekkamer van de burgemeester binnen.

18:42De eerste indruk joeg hem vrees aan toen hij, protestant, daar een pastoor zag zitten.

18:49Met zo iemand had hij nooit gesproken.

18:53Wat zou men met hem voorhebben?

18:56Hij werd ongerust.

18:58Hij had in zijn jeugd wel eens boeken en boekjes gelezen waarin pastoors...

19:03in een minder aantrekkelijke vorm voor zijn geest optraden.

19:08Hij kon zich onmogelijk een pastoor anders voorstellen dan als een vervolger van de protestanten.

19:16En nu stond hij tegenover zo iemand in levende lijven, en dat in een vreemd land.

19:24Terwijl de gedachten zich in hem vermenigvuldigden, werd hij ontnuchterd door het horen spreken van zijn moedertaal.

19:33Zijn gezicht helde erop toen diezelfde Rooms-Katholieke priester hem in het Hollands aansprak.

19:41Goedenavond, mijn jonge matroos.

19:43Hoe gaat het je?

19:45Goed, meneer pastoor.

19:47Hoe heet je, mijn jongen?

19:49En waar woon je?

19:50Ik woon in Maassluis in de provincie Zuid-Holland, dicht bij Rotterdam.

19:55Ik heet Pieter Kramer.

19:58Zo, en ik hoor dat je heel alleen met het schip naar Calais bent komen stevenen.

20:04Je wist zeker de weg niet goed naar je moeder, is het wel?

20:08Pieter glimlachte, maar zweeg.

20:11Heb je nog een vader, mijn jongen?

20:14Terwijl de ogen door tranen verduisterd werden, stamelde Pieter, ik weet het niet, meneer pastoor.

20:23Langzamerhand kwam de tong los.

20:25En onze Hollandse jongen vertelde de pastoor alles wat hij wist.

20:30Natuurlijk werd voor de burgemeester alles in het Frans vertaald.

20:34Men toonde medelijden met de jonge matroos.

20:37De pastoor sprak hem moed in en verzekerde hem dat hij weldra zijn moeder zou weerzien.

20:44Jouw vader en de andere matrozen zullen waarschijnlijk wel gered zijn in die vreselijke stormachtige nacht, zei de pastoor.

20:53Dat geven God.

20:55zuchtte Pieter.

20:57De priester vroeg of hij bij hem de nacht wilde doorbrengen.

21:04Schoorvoetend zei hij dat dit goed was.

21:07Maar eigenlijk vond hij het niet prettiger bij een Roomse te wezen.

21:11Maar ook die vrees verdween.

21:14Toen ze beiden aan tafel gezeten waren, begonnen ze meer vertrouwelijk met elkaar te spreken.

21:21De pastoor bleef hem nog even hartelijk behandelen nadat hij begrepen had met een protestant te doen te hebben.

21:29Zijn gewoon gebed voor en na het avondeten moest hij op aandrang van de priester hardop opzeggen.

21:39Deze eerbiedigde zijn geloof en verblijde zich in Pieter een jongen te zien die God vreesde en een vijand was van sterke drank.

21:51Pieters ouders hadden door bemiddeling van zijn weldoener een telegram ontvangen wanneer ze hem thuis konden verwachten.

22:00In een kamertje naast het vertrek van de pastoor was een zacht bed toebereid, waarop onze jonge held zijn vermoeide leden kon uitstrekken.

22:11Na een dag zo vol verschillende aandoeningen en gewaarwordingen was hem de rust zoet.

22:20Alles kwam hem nog even voor de geest.

22:22Hij vergat de nabijheid van de rooms-katholieke geestelijke en sprak op hoorbare toon, zulke goede pastoors als deze hebben er vroeger zeker niet

22:34geleefd.

22:35Ik zal mijn leven lang aan hem blijven denken.

22:39En voor hij de ogen sloot om de zoete slaap te genieten, gevoelde hij de ware ernst van de woorden, die hij uit de aandrang van zijn gemoed luid

22:51moest uiten.

22:53Ik wil u, o God, mijn dank betalen, uw prijzen in mijn avondlied.

22:58Het zonlicht mogen nederdalen, maar gij, mijn God, begeef mij niet.

23:05Gij woudt mij met uw gunst omringen, meer dan een vader zorgdet gij.

23:10O milde bron van zegeningen, zulk een ontfermer, waard gij mij.

23:20Het telegram.

23:23Wat kan er in enkele dagen toch veel gebeuren.

23:27In Maassluis lieten we Kramer en zijn vrouw in grote zorg en verdriet achter, hoewel het lezen van Gods woord enige hoop deed reizen op de redding van hun jongste

23:40zoon Pieter.

23:42Onwetend van een telegram dat van Calais naar Maassluis onderweg was, brachten ze die lange nacht na de terugkomst van Kramer worstelend in gebed

23:54door.

23:59Dan breekt de morgen aan.

24:02Tegen tien uur zag men de besteller van het telegraafkantoor met een telegram in de hand aanbellen bij de reder van de Johan Cornelis.

24:12Benieuwd wat dit zal zijn, tekent hij haastig af.

24:16Tot zijn niet geringe verwondering en blijdschap leest hij

24:21De Johan Cornelis is in beschadigde toestand hier komen aandrijven en door ons in bewaring genomen.

24:30Pieter Kramer is gered.

24:32Het lot der overige bemanning is ons onbekend.

24:37Was getekend de burgemeester van Kelle.

24:42Verstond staat de reden voor zich.

24:46Kon dit wrak nog zo lang drijven, hebben de matrozen het dan in hun angst niet te snel verlaten?

24:53Hier leest hij toch dat zijn schip te Calais ligt.

24:57Het is waar, het is in de Franse taal geschreven, maar hij begrijpt het toch helemaal.

25:04Misschien, ja waarlijk, de lading Haring nog aan boord.

25:09Het zal mij, zo zegt hij bij zichzelf.

25:12Nog heel wat centen kosten voor het schip hier goed en wel in de haven ligt.

25:18Want in Calais zal men het schip met zijn inhoud als strandvonderij beschouwen en ik moet het eerst loskopen en dan laten opknappen.

25:28Het is voor mijn beurs een duur grapje.

25:31Ik heb er een slecht jaar door.

25:33Maar kom aan, dat zal wel loslopen.

25:36Ik zal nu eerst de bedroefde familie Kramer de blijde boodschap gaan meedelen.

25:42Wat zullen ze in hun schik zijn, die arme mensen.

25:46Bij hen zal vrolijkheid en blijdschap nu weldra de plaats innemen van een benauwde geest.

25:52Laat ik de zaak maar zo voorzichtig mogelijk aanpakken.

25:56Het zou het eerste geval niet zijn dat iemand door een blijde verrassing, door een onverwachte uitkomst, zo vreselijk schrok dat het laatste erger was dan

26:09het eerste.

26:12Diezelfde morgen ging de schipper van de Johan Cornelis zijn matrooskramer ook bezoeken, om te zien hoe het met zijn vrouw in de droeve omstandigheden maakte.

26:26Een smartelijke geschiedenis blijft altijd nieuw.

26:29Ze wordt steeds met dezelfde nauwkeurigheid verteld en met dezelfde belangstelling aangehoord.

26:36Alle kleinigheden waarop men anders niet zou letten worden dan belangrijke bijzonderheden.

26:43De moeder vroeg wenend of Pieter niets gezegd had waaruit men zou kunnen besluiten dat hij al een bang voorgevoel van zijn smartelijk lot had gehad.

26:56Natuurlijk moest de vader nu getuigen hoeveel moeite hij gedaan had om wat hij toen kinderlijke vrees noemde bij zijn zoon te onderdrukken.

27:07En de schipper herinnerde aan de wanhopige ogenblikken bij Kramer toen deze zich aan boord van de City of London in zee wilde werpen om naar het wrak te zwemmen.

27:19Hoeveel moeite had het niet gekost om hem van dat plan terug te houden.

27:24De vrouw sloeg haar handen van angst op de borst, alsof ze gevoelde aan de ene kant een mogelijke redding van haar Pieter, maar aan de andere kant het verlies van haar

27:36geliefde man en met hem het gemis van haar bescheiden dagelijks brood.

27:45Er werd op de deur geklopt.

27:48Verschrikt gaat de moeder naar buiten om te zien wie daar is.

27:53Het is te begrijpen dat haar moederlijk hart in elke voetstap die van haar zoon meent te herkennen.

28:00Ze hoopt hem te zien, maar ze wordt teleurgesteld.

28:04Het is de reden van het schip.

28:07Zo moedertje, ik kom je eens even opzoeken.

28:11Is je man thuis en is de schipper ook binnen?

28:14Ja meneer, kom binnen, maar kijk niet naar de rommel hoor.

28:18Alles ligt door onze droefheid nog overhoop.

28:22De reeder stopt de kamer binnen.

28:24Weldra is hij natuurlijk met onze beide zeelieden in een druk gesprek gewikkeld.

28:31Eindelijk doet hij de schipper de vraag.

28:34Zeg schipper, zou je denken dat de logger spoedig na de aanvaring gezonken zou zijn?

28:41De verschansing is, zeg je, er in splinters afgevlogen.

28:46Maar zou er ook een god in het onderschip gevaren zijn?

28:51Ja, meneer, nauwkeurig kan ik dat niet zeggen.

28:55De aanvaring in die storm, vergezeld met een bulderend en krakend geluid, deed ons niet anders denken dan dat de Johan Cornelis dadelijk in de diepte

29:07zou verzinken.

29:08Toch dreef hij verder.

29:10Tot hoe lang?

29:12Ik weet het niet.

29:14Maar zou je dan niet geloven dat hij nog geschikt was enige tijd te blijven drijven?

29:20Nou, ik ben bang van niet, meneer.

29:23Er is, zegt men, in Calais een logger komen aandrijven.

29:29Een Hollandse, meneer?

29:32Ja, schipper, een Hollandse.

29:34Het zou evengoed een andere kunnen zijn, maar toch, dacht ik zo, zou het ook het wrak van de Johan Cornelis kunnen wezen.

29:43Bij deze woorden van de reeder bloost de schipper van schaamte.

29:50Kramer en zijn vrouw hebben elk woord nauwlettend opgevangen.

29:53De laatste vooral kijkt de reeder met een scherpe blik aan, alsof ze wil doordringen in de geheimen die hij, naar ze dacht, stellig bezat.

30:05Ze ziet al uitkomst, een logger, en dan nog wel een Hollandse logger, in Calais, in Frankrijk, zo heel ver hier niet vandaan.

30:14O, als het het eens was!

30:17Ze pinkt een traan weg met haar schort.

30:20Ze kijkt nog eens goed naar de reeder.

30:23Ze bemerkt de glimlach, een bode van haar geluk, om zijn lippen spelen, maar die hij tracht te onderdrukken.

30:33Heb u het niet gehoord of gelezen, meneer?

30:36Op losse praatjes bouw ik niet veel, zegt de schipper.

30:41Nu, zo denk ik er ook over, schipper, en omdat je het zo vraagt, wil ik het je wel zeggen.

30:48Ik heb het zelf gelezen.

30:51Vrouw Kramer kan haar ongeluld nu niet langer meer bedwingen.

30:55Ze moet spreken.

30:57Ze wil de waarheid weten.

30:59Meneer, stond er niets bij?

31:01Och, mocht ik hem nog eens zien, mijn Pieter.

31:05U brengt nieuws.

31:06Maar wat ik u bidden mag, vlij me met geen ijdele hoop.

31:10Weet u de naam van de logger?

31:12Was er nog iemand op?

31:14Zeg het, meneer.

31:15Zwijg niet langer.

31:16Mochten de heren behagen een arme moeder te verblijden met de goede boodschap, uw zoon leeft.

31:24Nu, boedertje, ik zal spreken.

31:28Tot vanmorgen geloofde ik stellig dat de logger gezonken was en uw zoon zijn graf in de golven gevonden had.

31:36Maar zie, toen ik daar straks in mijn kamer zat, werd mij een telegram gebracht dat hij een blijde tijding bevatte.

31:47Langzaam en ernstig wordt nu de portefeuille voor de dag gehaald en geopend.

31:53Het telegram lag weldra op tafel.

31:57De moeder staarde het aan, alsof het woorden waren door Pieter zelf geschreven.

32:04Ze kon het helaas niet lezen.

32:07Alleen de naam van haar kind en van het schip overtuigden haar van de werkelijkheid.

32:14De Johan Cornelis de Calais geland.

32:19Pieter Kramer behouden aangekomen.

32:23Dat is de zakelijke inhoud van wat ik hier voor mij heb liggen, zegt de reeder.

32:30Kan het waar zijn, meneer?

32:32O God, wat bent u goed.

32:35Mijn jongen, mijn Pieter, wat zal ik blij zijn jou te zien.

32:39Ik kan het haast niet geloven.

32:43De schipper en kramer keken elkaar aan.

32:46Deze tijding was vooral voor de schipper, het hoofd van het schip, een beschuldiging dat hij door vrees overmand was bij het verlaten van zijn vaartuig.

32:57De reeder en hij wisselden dan ook een veel betekenende blik.

33:03Het oog is dan werkelijk de spiegel van de ziel.

33:09Bij het weggaan bedankten Kramer en zijn vrouw de vriendelijke reeder hartelijk voor de overgebrachte tijding.

33:17Aan de deur liet deze een goudstuk glijden in de hand van Kramers vrouw en verwijderde zich voor zij een woord van dank kon stamelen.

33:29God zegene u, hoorde hij nog toen hij enkele stappen gedaan had.

33:37Zo was de droefheid veranderd in blijdschap.

33:40Wie weet of ze Pieter niet binnen enkele uren in hun woning zouden zien.

33:46Nog een poosje geduld en dan ontving ze hem als uit de dood terug.

33:53Vrouw Kramer gevoelde nieuw medelijden met haar kind toen ze over hem begon na te denken.

34:00Het lot van de rest van de bemanning was hem natuurlijk onbekend.

34:05Zo wist hij niets van de redding van de anderen en vroeg hij daar ginds in de vreemde, leeft mijn vader nog?

34:13Groot was de belangstelling die ze van klein en groot, van arm en rijk ondervonden, nu de behouden aankomst van Pieter de Calais bekend werd.

34:25De jeugdtoon van Psalm 103, loof, loofden heren mijn ziel met alle krachten,

34:32kwam hij nu niet alleen van de lippen, maar ook uit het hart.

34:39Weer thuis.

34:41Toen in Calais het uur van vertrek aanbrak, zag men Pieter met de pastoor en de burgemeester aan het station van Calais op en neer wandelen.

34:53Tot Rotterdam was zijn reis al betaald en daarboven was zijn beurs vrij goed gevuld.

35:01Hij verheugde zich in het vooruitzicht weldra thuis te zijn.

35:05In zijn nieuwe kleren zag hij er vlot en netjes uit.

35:10Daar komt de trein aan rollen.

35:13Pieter kan geen woorden vinden om te bedanken.

35:17Een warme handdruk en een traan in het oog verrieden evenwel wat er in zijn hart omging.

35:25Hij beloofde de pastoor spoedig te zullen schrijven hoe het met zijn vader en de andere matrozen was afgelopen.

35:33Nu mijn jongen, het gaat je goed.

35:36Blijf God steeds dankbaar voor je redding, zei de pastoor hem nog.

35:42De trein rolt weg.

35:44Nog hoort hij enkele woorden van de burgemeester.

35:48Hij verstaat ze niet, maar hij voelt wel iets van hun betekenis.

35:53De mensen die bij hem zaten in de wagon wilden wel met hem praten, maar ze konden elkaar niet verstaan.

36:00Ze moesten dus zwijgen.

36:02Het deed hem na enige uren goed op vaderlandse bodem met Nederlanders te kunnen reizen, aan wie hij zijn lotgevallen in het kort meedeelde.

36:15Eindelijk klonk het Rotterdam, beurs, uitstappen!

36:21Het klonk hem als schone muziek in de oren, nog een kleine wandeling en hij bevond zich op de stoomboot die hem naar zijn ouderlijke woning zou voeren.

36:33De ontmoeting met zijn ouders was hartverwarmend.

36:38Zijn vader kon niet spreken toen hij zijn zoon, die hij nooit meer meende te zullen zien, gezond en wel voor zich zag staan.

36:48Zijn moeder viel hem om zijn hals en dankte de heren voor zijn bescherming aan haar man en zoon verleend.

36:57Pieter, ver van moeder, ontrukt aan het vaderhart in de vreemde overladen met weldaden en nu weer opgenomen in de huiselijke kring,

37:09zwijgt van aandoening en vreugde.

37:14Inderdaad.

37:15wonderlijk zijns heren wegen.

37:18Het schip, de Johan Cornelis, werd spoedig door de reeder voor een behoorlijke prijs uit de handen van de strandvonders losgekocht.

37:28Een sleeboot uit Maassluis bracht het weldra uit Calais naar de plaats van bestemming, waar het zo goed mogelijk hersteld werd.

37:41En hiermee, luisteraars, eindigt het ontroerende verhaal

37:46Alleen op een wrak.

37:49Dank voor uw aandacht en nog een goede voortzetting van deze avond en voor morgen een gezegende zondag toegewenst.

37:58Er zal nog voor u gezongen worden, wat ook in het huisje van Kramer gezongen werd, namelijk Psalm 103, de versen 1 en 2.

38:09Psalm 103 vers 1

38:12Loof, loof, den Heere mijn ziel met alle krachten, verhef zijn naam zo groot, zo heilig te achten.

38:21En vers 2, loof hem, die u, al wat gij hebt misdreven, hoeveel het zij, genadig wil vergeven, uw krank heen kent,

38:33en liefderijk geneest, die van het verderf uw leven wil verschonen.

38:40Met goedheid en barmhartig heen uw kronen, die in de nood uw redder is geweest.

38:48Het zijn de versen 1 en 2 van Psalm 103.

38:52[GEZANG]