Zaterdagavondverhaal - Nergens thuis, deel-1

zaterdag 10 januari 2026 · 19:00 uur · Verhaal · A.J. Nelis · 54 minuten

Transcript

0:02Goedenavond, luisteraars.

0:05Terwijl u, jullie, wellicht vanavond in een gezellige, verwarmde en sfeervol verlichte kamer zit, gaan we vanavond luisteren naar een verhaal dat

0:17de titel draagt Nergens thuis.

0:21Dat lijkt een grote tegenstelling te zijn.

0:25En dat is het ook.

0:28Het verhaal speelt zich af in de tijd

0:31dat op school nog met een griffel en lei geschreven werd, de straatlantaarns s'avonds nog moesten worden aangestoken en dat in de kerken de orgels

0:44nog alleen konden spelen met behulp van orgeltrappers die de pijpen van het orgel vulden met lucht.

0:52Een oud verhaal dus, maar helaas ook nog actueel.

0:58vanavond het eerste gedeelte van nergens thuis waarom

1:06steek jij je vinger op kees vroeg meester van der woude het was buitengewoon stil in de school de hoofden van de kinderen waren gebogen over hun leien en

1:18men hoorde geen geluid dan het scherp doordringende gekras van hun griffels bij meesters vraag

1:28lieten de ijverige kinderen allemaal hun werk in de steek, en, als bij toverslag, keken ze naar Kees, die daar in een van de voorste banken

1:40zat, en steeds zijn vuil vingertje in de hoogte hield.

1:47Nu al die nieuwsgierige blikken, en vooral meesters strenge ogen op hem gevestigd waren, ontzonk hem de moed.

1:57Het bloed steeg de kleine jongen naar de bleke wangen en de opgeheven vinger zonk langzaam.

2:06Ik, ik wou, stotterde hij, maar verder kwam hij niet.

2:12Nu, wat wilde je?

2:14vroeg de onderwijzer kort af.

2:17Doe dan toch saaie jongen, sul die je bent, zeg dan toch wat, snouwde de naastkees zittende makker hem toe.

2:27en gaf hem tot aanmoediging een geduchte stomp.

2:33Hierdoor nog meer uit het veld geslagen, zei het ventje weer een paar woorden, maar zo onverstaanbaar, dat meester ongeduldig opmerkte, praat toch harder,

2:46en zijn buurman hem de raad gaf, schreef er maar ferm op los, bochel.

2:54Ik dacht zo, wat is dat?

2:58als ze altijd tegen je zeggen, je bent me te veel.

3:04Hoe kom je daar nu aan?

3:07Ik wou het graag weten, hield de jongen vol.

3:11Wel, de mensen bedoelen daarmee, dat ze je niet nodig hebben, dat het hun niet schelen kan of je er bent of niet bent.

3:19In één woord, dat ze je kunnen missen als kiespijn, verzekerde de onderwijzer lachend.

3:27Twee praters op de achterste bank,

3:30trokken zijn aandacht.

3:32Hij zag dus de smekende, droevige uitdrukking niet, die er kwam in de zachte kinderoven.

3:41Evenmin had hij de zucht gehoord, waarmee Kees naar zijn uitleg luisterde.

3:50Toen de kletsers achterin tot zwijgen waren gebracht en meester zich omkeerde, zag hij dat Kees hem nog bleef steeds aankijken.

4:02Wou je me nog wat vragen, Kees?

4:04Dan moet je het liever naar schooltijd doen, hoor, zei hij vriendelijk.

4:09Nee, antwoordde Kees, ik begrijp het nu wel.

4:13Hij boog zich weer over zijn werk en trachtte zijn letters zo mooi mogelijk te maken, net zo recht en gelijk als het voorbeeld dat hij naschrijven

4:26moest.

4:27Men moet niet te veel...

4:32hooi op zijn vork nemen.

4:38Het hele spreekwoord begreep hij niet, toch zou het nooit in hem opgekomen zijn om naar de betekenis van dit vaak gebruikte gezegde te vragen.

4:48Maar die woorden, te veel, waren hem zo bekend voorgekomen, die hoorde hij elke dag, verschillende keren uit de mond van baas Sanders.

5:01En hij had het niet langer kunnen uithouden te vragen wat ze toch eigenlijk betekenden.

5:09Men moet niet te veel bom.

5:15Daar gaf Jan naast hem een duw tegen zijn arm.

5:20Hij leek er plezier in te hebben om Kees te hinderen.

5:25Gerrit, die achter hem zat,

5:28stak de arme jongen van tijd tot tijd met een griffel in zijn hals.

5:32Geen wonder dat het werk niet echt vlotte, want de kleine jongen was steeds beducht van welke kant de aanval komen zou.

5:43Toen meester het werk kwam nazien, zei hij dan ook hoofdschuddend, dat lijkt toch nergens naar Kees, zo slecht heb je het nog nooit gemaakt, en je

5:55kunt anders zo netjes schrijven.

5:58Waarom doe je niet beter je best?

6:00Jij vooral.

6:02Hij drukte sterk op dat woordje jij.

6:06Mocht je tijd wel wat beter gebruiken, denk daar toch om, jongen.

6:12Het zou heel logisch geweest zijn, als Kees aan de meester verteld had, hoe hij in zijn voornemen om zijn best te doen, verhinderd was door de beide qua jongens naast

6:24en achter hem.

6:25Maar hij was vast besloten,

6:28zich nooit meer te beklagen.

6:30Het was hem al te slecht bekomen toen hij het eens gezegd had dat de jongens hem zo plaagden en ze door zijn schuld een strenge berisping van de onderwijzer hadden gekregen en

6:43een bedreiging met strafwerk als ze het weer zouden doen.

6:48Gerrit en Jan hadden zich niet ingehouden om de klikspaan eens duchtig af te ranselen.

6:56Ze konden dat rustig doen.

6:59want voor de vondeling, partijtrekken, deed men praktisch nooit.

7:06Ja, Kees was een vondeling, uitbesteed door het armbestuur van Ellingshuizen bij de schoenmaker Sanders.

7:15Op een voorjaarsmorgen, heel in de vroegte, had de koster het kind gevonden op de stoep van de kerk, die een eind buiten de kom van het dorp lag.

7:26Het was nu ruim tien jaar geleden.

7:29Het stumpertje had er ellendig, mager en zwak uitgezien en scheen ongeveer een half jaar oud.

7:38De kleertjes die het aan had, waren niet veel bijzonders.

7:43Erop was een papiertje gespeld, waarop in drukletters te lezen stond Zijn ouders zijn dood.

7:51Het is ons teveel, last.

7:55om voor hem te zorgen.

7:58Het hele dorp was in opschudding geweest over deze gebeurtenis.

8:03Waar het kind vandaan gekomen was, wist niemand.

8:08Waarschijnlijk was het knaapje achtergelaten door een rondreizende kermestroep, die zich kort geleden in de ontrek opgehouden had, maar die nu spoorloos verdwenen was.

8:21De vrouw van baas Sanders, die zelf geen kinderen had,

8:26had erop gestaan het verlaten schepseltje bij zich in huis te nemen.

8:31Voor geld natuurlijk, dit eiste haar man.

8:35Het was wel een wonder dat het kind in leven was gebleven.

8:40De mensen redeneerden dat het maar beter zou geweest zijn als hij gestorven was, want wat zou er uit zo'n ongelukkig spullekind groeien?

8:53Hoe had de goede pleegmoeder ervan genoten, dat het kind, al bleef het dan ook misvormd en zwak, toch groeide en gezond werd, en al

9:05nam niemand meer enige notitie van hem, toen het eerste nieuwtje eraf was, en al zei haar man steeds smalend, dat ze zich aftopde met een wurm, waar

9:17de eigen familie niks niemand al om gegeven had, haar hart.

9:22Klopte warm voor het eenzame knaapje.

9:26Zijn enige schoonheid waren zijn verstandige blauwe ogen, die zo'n vragende blik konden werpen op baas Sanders, wanneer deze

9:38tegen zijn vrouw uitvoer over de vage bond, die maar leefde van zijn zuurverdiende geld.

9:48Iedereen dacht dan ook dat Kees...

9:51zoals vrouw Sanders de Jonge noemt, na de dood van zijn pleegmoeder door de schoenmaker bij anderen zou worden uitbesteed, of dat hij er werk van zou maken hem

10:03in een weeshuis te krijgen.

10:06Maar nee, het zij uit een soort van ruwe gevoeligheid ter nagedachtenis van zijn vrouw, het zij uit eigenbelang,

10:16Want de toen negenjarige vondeling was een vrij handig kereltje en goed te gebruiken.

10:23Hij had de jongen bij zich gehouden.

10:26Kees was bitter bedroefd geweest toen moeder stierf.

10:34Hartstochtelijk had hij geschreid toen de zwarte mannen de kist, waarin zij sliep, kwamen weghalen.

10:43Hij had haar zo nodig, ach!

10:46Zo nodig!

10:48Nu was er niemand meer om hem liefde te bewijzen.

10:53En al wist hij dat hij een vondeling was, die nergens thuis hoorde, het eerste had moeder hem gezegd, het tweede had baas Sanders eraan toegevoegd,

11:06toch had hij behoefte niet alleen om liefde te ontvangen, maar ook om iemand liefde te betonen.

11:15In het begin had hij geprobeerd zijn angst opzij te zetten en de knorrige schoenmaker allerlei kleine vriendelijkheden te bewijzen, maar

11:27zijn schuchtere daden of woorden werden met afkeer ontvangen en in de kiem gesmoord.

11:35Zo was hij schuw, angstig en in zichzelf gekeerd geworden.

11:41en zijn hart voelde zich soms zo bitter gestemd.

11:46Het schoolgaan was een ware beproeving voor hem.

11:50Hij wist niet dat zijn pleegmoeder, voor zijn best wil, haar man had laten beloven Kees tot zijn twaalfde jaar naar school te laten gaan.

12:02De jongens hielden niet van de stille, bleke knaap, die liefst alleen in een hoekje zat,

12:10en zich bij niemand durfde aan te sluiten.

12:13Ze lachten hem uit en noemden hem, als meester het niet hoorde, bochel, omdat hij zo ongelukkig vergroeid was.

12:26Hij zou veel plezier en leren gehad kunnen hebben, en hij kon goed leren ook, maar hij was altijd moe en treurig.

12:36Suf, zeiden de mensen, die niet begrepen

12:40hoe meester van der Woude volhouden kon dat Kees toch een goed stel hersens had.

12:46Maar meester moest het wel met hen eens zijn dat er geen leven in die jongen te brengen was.

12:56De school ging uit, de jongens stoven naar alle kanten.

13:01Met gebogen hoofd liep Kees naar de woning van baas Sanders.

13:07Naar gewoonte wachten hem hier allerlei karrewijtjes die hij moest doen.

13:12terwijl zijn schoolkameraden zich vrij mochten vermaken.

13:17Toen hij eindelijk met alles klaar was en binnen kwam om te eten, stopte baas Sanders haastig een brief weg, die hij zojuist ontvangen scheen te hebben.

13:29Zonder een woord te spreken, at de jongen het bord aardappelen leeg, dat de schoenmaker al voor hem had opgeschept.

13:38Je blijft vanmiddag maar rest thuis van school.

13:42zei baas Sanders plotseling.

13:44Ik heb zoveel werk dat je me helpen moet, hoe weinig bruikbaar je ook bent.

13:49Ik geloof dat ik ertoe zal moeten overgaan een knecht te nemen, maar, en hij voelde onwillekeurig naar de brief in zijn zak en sprak meer tot zichzelf dan tot

14:01Kees, mijn neef in huis en die jongen is me een beetje te veel.

14:13Kees, Kees, waar zit je toch?

14:16Zeker weer te suffen daarboven.

14:18Kom er eens dadelijk naar beneden, of moet ik je komen halen?

14:21riep baas Sanders een paar dagen later aan de trap van de vliering.

14:27Hier ben ik, baas, antwoordde een zacht stemmetje en onmiddellijk daarop vertoonde zich Kees' misvormd figuurtje boven aan de trap.

14:38Breng als de wind deze schoenen naar boer Thijssen en haas je wat.

14:43Pas op dat je niet weer te laat thuiskomt.

14:46Hoor je, sprak de schoenmaker verder, toen de jongen naar beneden geklauterd was en geduldig stond te wachten op hetgeen de baas hem gelasten zou.

14:59Voordat ik het vergeet, denk erom dat je morgenochtend zo vroeg mogelijk naar Derksen aan de haasmolen gaat, om zijn laarzen te halen.

15:07Er is haas bij, vervolgde baas Sanders.

15:12Ja, zei Kees.

15:15Hij nam de zware laarzen van boer Thijssen, hing ze over zijn schouders, mondelde hoe'n dag was en ging langzaam de deur uit.

15:26Vooral niet te vlug lopen hoor, riep de schoenmaker hem spottend na.

15:31Het

15:34was een heldere najaarsdag en het liep tegen half zes.

15:38Een stevige wandeling was het naar de boerderij van Thijssen, maar gelukkig wist Kees goed de weg.

15:45Nee, tegen dat eind lopen zag hij niet op.

15:48Hij zou nog veel verder hebben willen gaan.

15:51Maar de boer had een grote hond.

15:54Daar was hij verschrikkelijk bang voor.

15:57Niemand wist wat een angst de gebrekkige jongen uitstond als het dier luidblaffend op hem toekwam.

16:08Hul!

16:09Hij rilde alleen al bij de gedachte daaraan.

16:15Een verdrietige uitdrukking lag op zijn geduldig gezicht, terwijl hij voortsukkelde op de straatweg.

16:23Hij was moe, geen wonder.

16:26Voor dag en douw was hij opgestaan.

16:29Hij had voor baas Sanders gewerkt totdat hij naar school ging.

16:33Toen hij uit school kwam, moest hij de boodschappen doen.

16:36Smiddags had hij zich ter dege ingespannen bij de rekenles.

16:41En juist was hij thuisgekomen, zei hij.

16:45even naar zijn zoldertje gegaan om een ogenblik uit te rusten, toen de baas hem alweer riep.

16:53Ouder gewoonte liep hij weer te dromen.

16:57Waarover, sufte hij, altijd over hetzelfde.

17:02Waarom hij zo anders was dan andere kinderen, zo slecht dat bijna niemand vriendelijk voor hem kon zijn, waarom hij geen vader of moeder had,

17:14die de kwajongens bestrafte en geen enkele vriend met wie hij praten kon, zoals bijvoorbeeld Gerrit met Jan, die twee waren altijd samen, waarom zijn

17:26pleegmoeder was heengegaan en nooit, nooit meer terugkwam.

17:33Daarover pijnste hij en hij zag er zo onnozel en dom en belachelijk uit met zijn bedrukt gezicht, zijn hoge rug.

17:44en de grote laarzen die, aan elke kant één, langs zijn schouders bengelden.

17:52De laatste stralen van de ondergaande zon verlichtten velden en bomen en wierpen een purperen gloed op de hoge ramen van het kerkje, dat, terzijde

18:04van de straatweg, tussen hoge bomen verscholen lag.

18:10Maar Kees zag niets van dit alles.

18:13Zijn ogen stonden zo dof.

18:16Het werd al vrij donker toen hij op de dijk kwam.

18:20Zie zo, nu linksaf het land in, langs een smal voetpad.

18:27Bij een kromming van het weggetje zag hij de lichtjes van de boerderij al.

18:33Nog een paar stappen en hij was bij het hek.

18:37Hij opende het zo stil mogelijk.

18:41Maar de hond had het toch gehoord of geroken.

18:44dat er iemand sinds meesters erf opkwam en sloeg aan.

18:49O, als het die nu maar aan de ketting lag, zoals laatst.

18:55Kees hard klopte bijna hoorbaar, terwijl hij zich vermandde en het hek doorging.

19:02Hij liep de plaats op, de lazen steeds langs zijn schouder slingerende.

19:08Daar kwam een donker gedaante met vlugge sprongen op hem af.

19:13De hond!

19:16In nameloze angst trachtte de jonge dier met de lazer van zich af te houden, maar de hond, die nog jong en geducht speels was,

19:26vond dit een aardig spelletje.

19:28Hij sprong tegen Kees op en zette zijn scherpe tanden in diens versleten jasje.

19:35Hij gaf een doordringende gil.

19:39Die scheen daar binnen gehoord te zijn, want direct daarop werd de deur van het huis geopend,

19:46En de stem van de boer riep, heida, koestkastor, hier!

19:53Onmiddellijk liet de hond het naapje los en liep kwispelstatend naar zijn meester toe.

19:59Wie is er nog zo laat?

20:01vroeg deze.

20:03Hier zijn de lazen van baas Sanders, stotterde Kees.

20:10Hij haalde diep adem toen hij zag dat de boer het vreselijke dier aan de ketting legde.

20:17Stuurt hij je nog zo laat het eind?

20:19Het is een schande, mompelde boer Thijssen bij zichzelf.

20:23En hardop ging hij verder.

20:26Heeft de hond je jasje stukgedrokken, arme jongen?

20:29Ja?

20:30Kom even binnen, dan zal de vrouw het wel naaien.

20:34Het spijt me geducht voor je, maar je moet niet zo bang zijn voor Kastor.

20:39Het dier doet niets, dat we zeggen, hij bijt niet uit kwaadheid.

20:45Hij is alleen maar speels.

20:47Ga mee, Kees, er is binnen wel een kopje warme koffie en een boterham voor je.

20:52Kom!

20:53De ogen van de jongen begonnen te schitteren.

20:57Maar nee, hij durfde niet meegaan.

21:00Het was toch al later geworden dan hij dacht.

21:03En baas Sanders had hem zo gewaarschuwd.

21:07Nee, het kon niet.

21:09Dank u, zei hij zacht.

21:12Ik zou wel graag willen, maar ik moet dadelijk naar het dorp terug.

21:17Kom, vader!

21:19riep een vrolijke kinderstem van binnen.

21:21Wat blijf je lang weg?

21:23Vertel ons nou verder van de zeven geitjes toe.

21:27Ja, geertje, dadelijk, riep de boer terug.

21:32Daar, beste jongen, dat is voor je boodschap.

21:35Hij stopte Kees een dubbeltje in de hand.

21:39Een ogenblik later zat boer Thijssen weer in de gezellige keuken, waar moeder juist de lamp had aangestoken.

21:48en toonde hij de nieuwe laarzen aan zijn vrouw en aan zijn verrukte kinderen.

21:53De hond lag rustig te slapen in zijn hok, en

21:59de kleine vondeling liep bevend, als gevolg van de doorgestaande angst, op de half donkere dijk.

22:09Wat zou baas Sanders wel zeggen van zijn gescheurde jasje?

22:13Kon hij maar ongemerkt naar boven komen om het te naaien?

22:18Hij had immers wel een naald en draad.

22:22Bij de straatweg gekomen, sloeg hij een andere weg in dan daarstraks.

22:27Dit pad was wel ongemakkelijker, maar veel nader.

22:32Het liep langs de grote boomgaard van boer Hendricks.

22:36Telkens als hij die kant uitging, had Kees begerig gekeken naar die appels en peren, die daar zo verleidelijk laag bij de grond hingen, sommige zo

22:48laag,

22:49dat het al heel makkelijk zou geweest zijn met een stok ze eraf te slaan.

22:55En dit gebeurde ook wel, dat wist Kees.

22:59Daar spraken de jongens op school wel over.

23:02Juist gisteravond had boer Hendricks aan zijn baas Sanders zitten klagen dat

23:09die ellendige kwajongens, die appel- en perendieven, zoveel wegstalen.

23:15Ze klommen zelfs in de bomen.

23:17Hij had de veldwachter gewaarschuwd.

23:20Deze zou ze in het hok onder de toren laten opsluiten, als hij ze betrapte, en het volgend jaar zou het niet weer gebeuren, dan zou hij er eerder bij zijn.

23:34Of het de vrees voor het akelige donkere hok was, die Kees terughield zich de vruchten toe te eigenen, of dat een inwendige stem hem zei, dat het slecht

23:46was, het bezit van anderen te nemen, zou moeilijk uit te maken zijn.

23:52Kees was bang voor dat hok onder de toren.

23:55Hij had het eens geopend gezien, verleden jaar, toen een dronken landloper die gevochten had in het dorp werd opgepakt.

24:06Het was een zeldzaam geval in Ellingshuizen, dus de hele dorpsjeugd liep erachter.

24:13De deur van het hok werd opengedaan, de man, al tegenspartelende, erin geduwd.

24:21de zware grendel ervoor geschoven.

24:25Nooit zou Kees dat ogenblik vergeten.

24:29Hij had die nacht niet kunnen slapen, als hij er nog aan dacht.

24:33Het was hem een pak van zijn hart geweest te horen, dat men de man naar de stad had gebracht.

24:43Een geritsel stoorde hem in zijn gepeins.

24:48Wat zou dat zijn?

24:50Het liefst had hij het op een lopen gezet.

24:53Maar het was of de schrik zijn benen verlamde.

24:58Daar hoorde hij duidelijk een stem.

25:00Hij keek naar alle kanten.

25:03O, het is de bochelmaar.

25:07Nu, die zal zijn mond wel houden, want als hij ons verklikt, zullen we het hem wel inpeperen.

25:15Het werd fluisterend gezegd, maar Kees had een bijzonder scherp gehoor en goede ogen ook.

25:22De stem kwam uit een van de bomen.

25:26Hij tuurde en tuurde en zag duidelijk een gedaante zitten in de grote perenboom die het dichtst bij de muur stond.

25:36Ja, het was Gerrit Vleemers, zijn grootste kwelgeest.

25:42Een kreet van verbazing ontsnapte hem.

25:47Hou je stil, bochel, riep de jongen uit de boom.

25:51Als je me verraadt, zit er wat voor je op, hoor.

25:55Maar als je je mond houdt...

25:57Hij fluisterde met iemand die onder de boom scheen te staan en Kees hoorde een onderdrukt gelach.

26:05Daar, pak aan!

26:07Gerrit Vleemers had Kees vier grote peren toegegooid en waarschuwde.

26:14Wees nou voorzichtig en vertel niets aan je baas.

26:17Denk erom dat ik je wel drie dubbel aankan.

26:22Kees raakte de vruchten op.

26:25en bleef besluiteloos staan.

26:27Ze voelden al zo heerlijk rijp, en hij had ze immers gekregen.

26:33Hij zou Gerrit stellig niet verraden, want die zou hem zeker doodslaan, als hij het deed.

26:39En dan was het niet zo, wat hielp het Kees dan nog, of hij het ging vertellen?

26:45Niemand zou hem immers geloven.

26:49Hij kon zijn verlangen om de peren te proeven niet langer bedwingen.

26:55In een oogwenk had hij er een opgegeten.

26:58De drie anderen stak hij in zijn zak.

27:02Juist wilde hij doorlopen toen hij voetstappen achter zich hoorde.

27:08De veldwachter, hoorde hij Gerrit Vleemers zeggen.

27:12Op hetzelfde ogenblik was de knaap uit de boom gegleden.

27:17Kees begreep niet waar de jongens zo gauw gebleven waren.

27:21Zeker hadden ze zich in de boomgaard verscholen, terwijl de veldwachter de ronde deed.

27:29De voetstappen kwamen nader en nader.

27:33Kees wist wel dat hij niet ontkomen kon, maar hij behoefde immers niet bang te wezen, hij had niets kwaads gedaan.

27:43Wie is daar?

27:45Wacht er eens even, riep de veldwachter hem uit de verte toe.

27:50Ik, Kees van Baas Sanders.

27:53riep de jongen terug.

27:55Wat doe jij hier zo laat op de weg, hè?

27:58klonk het dreigend, terwijl de man dichterbij kwam.

28:02Schoenen weggebracht naar baas Thijssen.

28:05Zo, bromde de veldwachter.

28:09Kan ik daarop aan?

28:11Ik dacht dat ik iemand in de boom zag.

28:14Heb je niemand gezien?

28:16Nee, loog Kees.

28:19Zijn lippen beefden.

28:20Als de man eens vroeg om zijn zak te onderzoeken,

28:24En de perenvond?

28:27Nou, loop jij dan maar door.

28:29Je bent eigenlijk ook te klein en te miserabel om in een boom te klauteren.

28:34Hoewel, ik zou blij zijn als die peren en appelen geplukt zijn.

28:41Het is me een pretje om hier de hele avond rond te lopen.

28:45Dan de boom gaat in en dan de weg weer op.

28:50Gerustgesteld liep Kees verder.

28:53Het was al vrij laat toen hij eindelijk het huisje van de schoenmaker bereikte.

28:58Vlak bij het straatje waar deze woonde, kwam hij tot zijn grote verbazing Gerrit Vleemers tegen, die langs de muur sluipend ongemerkt

29:10probeerde weg te komen.

29:14Je bent weer geducht laat, ontving hem baas Sanders.

29:18Je hebt zeker weer je tijd staan te verbeuzelen.

29:22Met een aparte uitdrukking op zijn gezicht nam hij zijn pleegkind van het hoofd tot de voeten op.

29:30Daar viel zijn oog op het gescheurde jasje.

29:35Zeg, ging hij voort, kees ruw bij de schouder grijpend.

29:40Hoe is dat gekomen?

29:42De hond van baas Thijssen heeft het gedaan.

29:46Ik zal dadelijk dichtnaaien, antwoordde de jongen angstig.

29:50Hm, zo.

29:53bronde de man.

29:55Hij wierp een dreigende blik op Kees en scheen zich met moeite in te houden.

30:01Ik zal je leren beter op je kleren te passen, leegloper die je bent, barstte hij los.

30:08Weet je wel dat je van honger en gebrek zou moeten omkomen als ik niet zo goed gunstig was je te onderhouden?

30:15Weet je wel dat je bij niemand hoort en mij eigenlijk ook te veel bent, hè?

30:23Ja, Kees wist het wel en hij begreep nu ook wat die laatste woorden te veel betekenden.

30:33Vooruit naar je bed, ging baas Sanders voort, terwijl hij hem de trap opduwde.

30:39Zonder eten ga je naar boven en pas op, morgen ga je.

30:42Hij had er nog iets bij willen voeren, maar hield zich bij tijds in.

30:47Met een driftige ruk trok hij de deur van de zoldertrap achter zich dicht.

30:55Versuft door die ruwe behandeling en uitgeput van vermoeidheid, wierp Kees zich op zijn stroommatras neer.

31:04Hij huilde niet, zoals een ander kind zeker zou gedaan hebben.

31:09Toch veegde hij werktuigelijk telkens met zijn hand zijn ogen af.

31:14Ze brandden ook zo.

31:16Hij trok de deken over zich heen en lag heel stil.

31:22Kees sloot zijn ogen niet.

31:24maar staarde door het kleine venster vlak boven zijn bed naar buiten.

31:30Daar stond weer die vriendelijke maan.

31:33Ze bescheen met haar heldere, zilveren stralen het verlaten kind op zijn stroodbeger, alsof hij een koningskind was, dat op donzen kussens

31:46rustte.

31:47Vol verlangen keek de jongen naar de heldere lucht, naar de schitterende sterren.

31:53Waarom?

31:54Dat wist hij niet, maar van beneden kwamen immers altijd ruwe woorden, onvriendelijkheden, slagen, bespotting en hoon.

32:06Is het wonder dat hij zo graag opkeek naar boven, waar alles hem zo rein en heerlijk toescheen?

32:14Hij wist het niet, arm ouderloos kind, dat toch het oog van een genade God...

32:23in de hemel op hem neerzag.

32:26Want niemand had hem geleerd, die heren, die uit vrije liefde zijn enige geboren zoon naar deze aarde had gezonden, om verloren zondaren

32:39zalig te maken, om die te zoeken.

32:43Men had hem wel verteld van een God, die hem straffen zou, als hij ondeugend was.

32:52Het was niets ongewoons dat baas Sanders hem voor het minste verzuim of verdacht verzuim zonder eten naar bed zond, maar zo diep als vanavond had Kees zich die ruwe

33:04behandeling nog nooit aangetrokken.

33:08Wat was die boer Thijssen toch vriendelijk voor hem geweest, en wat waren zijn kinderen toch gelukkig!

33:16Hoe heerlijk, als iemand tegen je sprak,

33:20zonder dat hij dadelijk kwaad werd of je uitlachte.

33:24Moeder Sanders had dat altijd gedaan, en ja, de oude nicht in de stad ook, en de meester op school soms.

33:35Anders niemand, niemand.

33:39Nu kwamen er zowaar echte waterlanders tevoorschijn.

33:43Hij begreep niet waarom.

33:45Raar dat hij huilde.

33:47Hij had immers nergens pijn.

33:50En geen mens zei nu toch iets tegen hem.

33:54Kees dacht er niet aan te gaan slapen.

33:56Het leek wel dat hij meer en meer wakker werd.

34:02Eindelijk dommelde hij even in.

34:05Tenminste, hij ontwaakte met een schrik.

34:08Wat was dat voor een gestommel op de trap?

34:12Er kwam iemand naar boven.

34:15Kees hield zijn adem in en luisterde.

34:19Hij was diep onder zijn deken gekropen.

34:22maar zag door een van de grote gaten dat de bezoeker niemand anders was dan baas Sanders, die een klein lantaarnetje in de hand hield.

34:34Wat kwam hij doen?

34:36Hem nog meer beknorren?

34:38Kees besloot er stond zich slapende te houden.

34:44Langzaam naderde de schoenmaker het armoedige bed en liet het licht van zijn lantaarnetje op de kleine jongen vallen.

34:52die zijn ogen stijf gesloten had.

34:57Hij slaapt, mompelde Sanders tevreden, terwijl hij de deken die hij weggetrokken had losliet.

35:05Hij had de eigenaardige gewoonte bijna altijd hardop in zichzelf te praten.

35:12Nou, ik zal hem laten slapen.

35:15Hij zal raar opkijken als de veldwachter hem morgenochtend komt halen, zo'n perendief.

35:22Ik heb het altijd wel gedacht,

35:25dat hij het achter de elle boven heeft, die jongen met zijn schijnheilig gezicht.

35:30Ik kan hem nu gerust wegjagen, dat is zeker.

35:33Ik heb mijn vrouw beloofd hem altijd bij me te houden, maar een dief kan ik niet in huis hebben.

35:40Dus ik ben met ere van de jongen af, en mijn neef kan knecht bij me worden.

35:45Van die zal ik stellig meer plezier en gemak hebben.

35:50Gerrit Vleemers zei dat ik maar even in zijn jasje moest voelen.

35:55Daar zou ik de peren nog wel in vinden, als die ze tenminste niet verstopt had.

36:01Hij ging naar de kreupelen stoel, waarover het jasje hing, en doorzocht de zakken.

36:08Natuurlijk vond hij de drie peren, die Kees bewaard had.

36:12Zie je wel, mompelde baas Sanders met een triomfantelijke glimlach, ik heb het meer dan eens aan mevrouw gezegd, die jongen is niet te vertrouwen, maar ze wou me nooit geloven.

36:25Gekheid van die hond!

36:26Die scheur kwam er natuurlijk in door het klimmen in de boom.

36:30Zo'n huigelaar!

36:32Goed dat Gerrit hem juist gesnapt heeft.

36:35We zullen Keesje morgen in het hok laten sluiten, en dan moet de burgemeester maar zien waar hij verder met hem blijft.

36:42Ik trek mijn handen van hem af.

36:44De brief aan mijn neef kan ik gerust wegsturen.

36:49Morgenochtend waarschuw ik de veldwachter.

36:54Nog in zichzelf brommend trok de schoenmaker langzaam af.

36:59De peren had hij als een overtuigend bewijs van Kees' schuld in zijn zak gestoken.

37:05Hij liet zijn pleegkind in de grootste spanning achter.

37:11Kees wist niet zeker of hij waakte of droomde, en richtte zich half overeind.

37:17Nee, hij was klaar wakker.

37:19Daar op de grond lag zijn jasje.

37:22En hij hoorde beneden nog geruime tijd gestommel.

37:26Toen werd het rustig en stil in de kleine woning.

37:32Wat moet ik doen?

37:34Hij denkt dat ik de peren gestolen heb, snikte de jongen met het mager gezichtje stijf in de deken gedrukt, opdat de baas hem niet horen zou.

37:45Dat heeft Gerrit hem verteld.

37:47Hij was vast bang dat de veldwachter hem gezien heeft.

37:51Als ze me in het hok sluiten...

37:53Dan ga ik dood en dan stoppen ze me in de grond, net als moeder.

37:58Wat moet ik doen?

38:01Het zweet parelde hem op het voorhoofd.

38:04Arme jongen, hij dacht er niet aan dat men hem zou geloven, wanneer hij de ware toedracht van de zaak vertelde.

38:12Eén ding was hem duidelijk.

38:15Morgen ging hij het hok in.

38:18Was er dan nergens redding?

38:21Het woelde en kookte in zijn arme hoofd.

38:25Totdat ten laatste deze gedachte bij hem opkwam.

38:30Baas Sanders wilde hem weg hebben en hem in het hok stoppen.

38:34Wel nu, hij zou uit zichzelf weggaan.

38:38Morgenochtend heel vroeg, als de baas nog sliep, zou hij het huis verlaten en nooit meer terugkomen.

38:46Hij zou naar de oude nicht in de stad gaan en haar vragen of hij bij haar mocht blijven.

38:52Hij kon immers voor haar werken om zijn kosten betalen.

38:57Kees durfde niet meer te gaan slapen, bang dat hij te laat wakker zou worden.

39:03Zo zat hij daar de hele nacht met het hoofd in de handen, terwijl baas Sanders en Gerrit Vleemers rustig sliepen.

39:14De schoenmaker sliep die morgen zelfs langer dan gewoonlijk.

39:19Hij was ook zo laat naar bed gegaan, die brief aan zijn neef,

39:24had hem grote inspanning gekost.

39:27Hij was het schrijven niet meer gewend.

39:30Waar die drommelse jongen toch zit, bromde Sanders toen hij zag dat het vuur niet was aangemaakt en het water voor de koffie niet was opgezet.

39:40Het is waar ook, herinnerde hij zich eenklaps.

39:44Ik heb hem gistermiddag gezegd die schoenen aan de haasmolen te gaan halen.

39:49Wat zal hij op zijn neus kijken als hij thuiskomt?

39:52Ik ga straks de veldwachter alles vertellen.

39:56Daar viel zijn oog op een stukje papier dat op de tafel lag.

40:02Hij nam het op en zag hoe er met potlood iets opgeschreven was.

40:08Baas Sander zette zijn bril op.

40:10Met heel veel moeite woord voor woord ontschrijfde hij het briefje, door Kees voor hem achtergelaten.

40:19Met hanepoten van letters had de jongen geschreven,

40:25Baas, ik ga heen en kom niet meer terug.

40:29Ik heb alles gehoord wat je gezegd hebt en ik ben vreselijk bang voor het hok en ik heb ook niet gestolen, want ze hebben me de peren

40:41gegeven en de hond heeft mijn jasje gescheurd.

40:46En je wil graag dat ik weg ben, dus ga ik maar uit mijn eigen.

40:52Kees.

40:54De schoenmaker las het briefje met een spottende lach.

40:58Zo, zo, weggelopen, mompelde hij.

41:02Nou, het kan me niet schelen.

41:04Ik ben zo nog makkelijker van hem af.

41:07Ik zal hem niet achterna lopen, hoor.

41:10Mevrouw zou het zeker gedaan hebben, maar ik geef niet dat om dat wurm.

41:15Wil de burgemeester hem terughalen?

41:17Mij best.

41:18Ik ga het hem zeggen.

41:20Maar het heeft eigenlijk geen haast.

41:24Binnen een paar uur wist het hele dorp dat Kees, om zo te zeggen, met de noorderzon vertrokken was.

41:32De mensen spraken er dagenlang over, toen alle nasporingen, eerst in de buurt van de Haasmolen, op aanwijzing van baas Sanders, en verder in

41:44de omliggende plaatsen, vergeefs bleken.

41:47En zij verdiepten zich in allerlei gissingen over wat er toch wel met...

41:53van de vondeling zou geworden zijn.

41:55Baas Sanders had aan niemand het briefje van Kees laten lezen, dus schudden de mensen het hoofd over de verdorvenheid van de jeugdige perendief, en ze zagen

42:07in zijn vlucht een bevestiging van zijn schuld.

42:13Kees was al gauw zo volkomen vergeten of hij nooit in het dorp geweest was.

42:21Arme kleine Kees!

42:24Nooit had hij zich verlatener en toch ook nooit vrijer en gelukkiger gevoeld dan toen hij daar in die vroege morgen op de bosweg liep, die naar de stad voerde.

42:37Onopgemerkt was hij door allerlei binnenpaadjes in het bos gekomen.

42:42Het was ook nog zo vroeg en zo donker, toch liep hij vlug door en keek telkens om of er ook iemand achter hem aankwam.

42:52De scheuren in zijn jasje had hij met een paar grote spelden vastgestoken, en meer dan eens voelde hij naar het dubbeltje dat boer Thijssen hem gegeven had, en dat

43:04gisteravond gelukkig tussen de voering van de binnenzak was blijven zitten.

43:10Het was niet de eerste keer dat hij deze kant uitging.

43:14Toen zijn pleegmoeder nog leefde, was hij vaak met haar naar een oude nicht van vrouw Sanders geweest,

43:22die in de stad op een paar kamertjes woonde.

43:25Het was altijd een waar feest voor Kees geweest, met moeder Sanders naar die vriendelijke oude vrouw te gaan.

43:34Nadat vrouw Sanders gestorven was, had hij niets meer van nicht gehoord, want het oude mens kwam nooit in het dorp.

43:45Kees was vreselijk moe, toen hij eindelijk de eerste huizen van de stad voor zich zag.

43:52Hij had ruim drie uur achter elkaar gelopen, want slechts een paar keer had hij het gewaagd even op de grond te gaan zitten rusten.

44:02Wat was het druk en woelig in die grote koopstad.

44:05De mensen letten niet op de kleine jongen, en zo ging hij ongestoord zijn weg.

44:13Het sloeg tien uur van de hoge klokkentoren, toen hij in de buurt kwam waar nicht woonde.

44:20Waar de stoomtram naar Amsterdam ophield, moest hij een zijstraat inslaan en aan het eind van die straat stond een standbeeld.

44:29Dat herinnerde hij zich nog.

44:31En vlakbij het standbeeld was een groot gebouw.

44:35De kerk, had zijn pleegmoeder gezegd.

44:38Als men die kerk voorbij was, moest men nog een paar straatjes door om in het steegje van licht te komen.

44:46Daar was het beeld al, en de kerk ook.

44:49Nu zou hij de weg verder ook wel vinden.

44:52Na lang zoeken en heen en weer lopen, stond hij eindelijk, eindelijk voor het huisje, waarin nicht Mietje woonde.

45:01De deur stond open.

45:03Hij ging binnen en wilde de trap opgaan.

45:07—Hé jongen, wat moet jij daar?

45:09riep een schelle vrouwenstem uit het achterhuis.

45:13—Ik kon naar nicht Mietje kijken, zei Kees, terwijl hij verschrikt bleef staan.

45:20—Nichtmietje, wie bedoel je?

45:22vroeg de vrouw, die met opgestroopte mouwen naar voren kwam.

45:26Ze droogde haar handen af aan haar schort, want ze stond juist aan de wasstoppen, toen ze Kees in het oog kreeg.

45:35—Nichtmietje van vrouw Sanders, legde hij uit.

45:39Ik ben Kees, die bij haar was als ze hier kwam, en nu is ze dood.

45:45—Is ze nu dood?

45:47En je zegt dat je naar haar kon kijken.

45:49Nee, vrouw Sanders is dood, zei Kees.

45:53Nichtmietje woont hierboven.

45:56Nou, ik verzeker je, schaap, dat er geen nichtmietje in het hele huis te vinden is.

46:01Ik woon hier al een half jaar en ik ken al de bewoners op mijn duim.

46:05Ik heb zelfs nog nooit van een nichtmietje gehoord.

46:08Laat er eens zien.

46:09Heel boven woont een timmerman.

46:12Zijn vrouw is dood.

46:14En op het kamertje is een verdieping lager de weduwe Schelles, de naaster.

46:20Die heet geen Mietje, maar Kay, en de dochter heet Jans.

46:24Wacht, ik zal het haar eens vragen of ze won, ze woont hier langer dan ik.

46:29Kay!

46:30Vrouw Schellers, vrouw Schellers!

46:33Nou, wat is er trui?

46:35riep een stem van boven, en de deur van een van de kamertjes werd half open gedaan.

46:41Wat moet je?

46:43Heb jij al gehoord van een oude vrouw die Mietje heette, en hier in huis woonde op de kamertjes die jij nu hebt?

46:49Hier is een jongetje dat nader vraagt.

46:52O, dat oude mens is al lang dood.

46:55Al meer dan een jaar klonk het onverschillig.

46:59Ik heb haar niet gekend, maar de zuchter van mijn mans moeder, daar was ze een kennis van.

47:04Ik wil niet langer van mijn naaiwerk af.

47:06Dag!

47:08Plof!

47:09De deur ging dicht.

47:11Hoor je het nou, jongen?

47:13Ze is dood.

47:14Hebben ze je dat niet eens verteld?

47:15Waar kom je toch vandaan, stumper?

47:18Heb je ver gelopen?

47:20Je ziet zo bleek.

47:23Teleurgesteld had Kees zich omgedraaid.

47:25Hij hoorde de nieuwsgierig of misschien belangstellende vragen van de vrouw niet en ging verdrietig weg.

47:34Wel had ik van mijn leven, wat een sukkel, zei de vrouw bij zichzelf.

47:40Die bedankt je niet eens voor je moeite.

47:42Ze ging weer naar de wasstolpen terug en stampte zo krachtig dat het zeepsop haar in het gezicht spatte.

47:52Waar nu heen?

47:55Kees wist het niet.

47:59En wij weten het ook niet, luisteraars.

48:02Nog niet, want onze leestijd is om.

48:05Maar we hopen volgende week bij Leven en Welzijn te horen hoe het met Kees verder ging.

48:12Voor deze keer bedankt voor uw aandacht en alvast een gezegende zondag toegewenst.

48:18Er zal nog voor u gezongen worden van Psalm 14.

48:23De versen 2, 3 en 7.

48:27Psalm 14, vers 2.

48:29De grote God, die het recht verdedigt, sloeg van hemels stroom zijn ogen naar beneden, op Adams kroost, doorzocht hun

48:41hart en zeden.

48:42Hij zag of zich geen mens verstandig droeg en naar hem vroeg.

48:49Vers 3.

48:50Hij zocht al om.

48:52Maar ach, hij vond er geen, en vers 7, och, daalt het heil uit Sion spoedig neer.

49:01Het zijn de versen 2, 3 en 7 van Psalm 14.

49:06[GEZANG]