Zaterdagavondverhaal - Nergens thuis, deel-2

zaterdag 17 januari 2026 · 19:00 uur · Verhaal · A.J. Nelis · 58 minuten

Transcript

0:02Goedenavond luisteraars.

0:04We hebben de vorige keer Kees, de arme wees uit Ettinghuizen, eenzaam achtergelaten in de grote stad.

0:15U weet nog wel dat hij bij de hardvochtige baas Sanders was weggelopen, omdat hij vals beschuldigd was van peren gestolen te hebben.

0:27Dat had zijn gemene klasgenoot Gerrit Fleming hem gelapt.

0:33En omdat hij bang was dat zijn baas hem aan de veldwachten zou uitleveren, zodat hij in het hok onder de toren gestopt zou worden, was Kees

0:45weggelopen.

0:46Hij hoopte bij nicht Mietje in de stad onderdak te krijgen.

0:52Maar moest tot zijn grote verdriet horen dat zij gestorven was.

0:58Wat nu?

1:01Ja, waar nu heen?

1:04Kees wist het niet.

1:06Hij voelde op het ogenblik niets anders dan dat hij flauw was van de honger.

1:13Maar hij had immers zijn dubbeltje nog in zijn zak.

1:17Hij zou een broodje van vijf cent kopen en de rest bewaren.

1:23De jongen ging een bakkerswinkel binnen en kreeg een vrij groot broodje voor zijn geld.

1:30Want wat kon het hem schelen dat het oud bakken was en zo hard als een steen.

1:38Hij

1:39had honger en goede, stevige tanden.

1:43Zijn dorst leste hij aan de pomp die midden op het pleintje stond.

1:50Nadat hij gegeten en gedronken had, kwam pas de gedachte bij hem op.

1:56Waar moet ik nu heen?

1:58Hij kende niemand in de stad en wist niet goed wat hij beginnen zou, nu nicht gestorven was.

2:07Waar moest hij vannacht slapen?

2:11Hij kon er geen antwoord op geven.

2:15Gelukkig dat het nog lang duurde eer het nacht was.

2:19Hij liep de ene straat na de andere door.

2:24Een paar keer werd hij van een stoep of hek weggejaagd door een politieagent, die zeker dacht dat hij bedelde.

2:34Lange tijd bleef hij staan voor een winkel, waar tal van mooie platen voor het raam waren uitgestald.

2:45Eén plaat trok zijn bijzondere aandacht.

2:49Nergens thuis stond eronder.

2:53En die woorden troffen de jongen, die zelf ook geen thuis had.

2:59Dat jongetje op de plaat, dat daar geleund stond tegen de lantaarnpaal en zo'n gescheurd jasje aan had, was net zo'n jongen als hij.

3:11Alleen...

3:12Op die plaats scheen het avond te zijn, want de lantaarn was aangestoken, zodat het volle licht op het magere, bleke gezichtje van het knaapje

3:25viel.

3:26Ook was de straat of het plein nat en morsig.

3:31Het leek wel of het regende.

3:34Kees was blij dat het in deze stad mooi weer was.

3:39Hij zou niet graag zo lang in de regen staan.

3:43Waarom ging dat kind niet weg?

3:46Omdat hij nergens thuis hoorde.

3:50Toe jongen, ga nog eens opzij, laat ons daar eens even staan, zei een net gekleed dametje die met haar vriendin kwam aanwandelen.

4:01Kees gehoorzaamde terstond en liet de meisjes op zijn plaats gaan.

4:08Wat een treurige voorstelling, zei het ene meisje naar de plaat wijzend.

4:13Daar word je nou akelig van, dat arme schaap.

4:18Kees liep langzaam verder.

4:21Daar hoorde hij opeens het geluid van een draaiorgel.

4:25In een oogwenk stond hij er vlakbij.

4:30Midden onder een troepje kinderen, die op de maat van de muziek stonden te dansen en te springen.

4:40Als hij eens even aan dat ding mocht draaien, hij had vroeger wel eens gezien dat de orgeldraaiers jongens zoals hij bij zich hadden om de centen

4:52op te halen.

4:54Deze man was klaarblijkelijk alleen, want toen hij zijn stuk uitgespeeld had, liet hij het orgel staan en ging zelf met het bakje rond.

5:07Daar viel Kees iets in.

5:10Zou hij het wagen?

5:12Hij ging dicht bij het orgel staan.

5:15En toen de man terugkwam om weg te rijden, zei de kleine jongen heel zacht.

5:23Zeg, orgeldraaier?

5:27Hij kreeg geen antwoord.

5:29Het orgel was zwaar en moeilijk vooruit te krijgen.

5:34Heb je geen jongen nodig om de centen op te halen en je te helpen duwen?

5:41vroeg Kees iets luider.

5:43Ga weg qua jongen, ik heb genoeg van jongens.

5:46Twee zijn er met mijn centen vandoor gegaan, riep de orgeldraaier.

5:51Hij drong Kees ruw opzij en reed door.

5:59Die man heeft me ook alweer niet nodig, dacht Kees, diep teleurgesteld.

6:06Tegen het eind van de middag besteedde hij zijn laatste vijf cent voor een tweede broodje.

6:15Hij knabbelde het langzaam op en dacht ondertussen hoe jammer het was dat hij er nog niet een kopen kon.

6:24Het was nu veel stiller geworden in de straten en er liep bijna niemand op het ruime plein waar Kees vermoeid op een bank was neergevallen.

6:36Hij bleef daar lange tijd zitten.

6:40Dicht bij zijn bankje stonden lantaarn.

6:43Hij moest onwillekeurig weer denken aan die plaat die hij vanmiddag gezien had.

6:50Daar kwam de lantaarnopsteker aan.

6:53In de ronde waren de lichten bijna alle ontstoken en nu was hij vlak bij Kees.

7:02Hoe aardig dat door die stok de lichtjes gaan branden.

7:07dacht de jongen.

7:08Hij was opgestaan en stond vol aandacht te kijken naar de bewegingen van de man die het deurtje openwipte en de lantaarn ontstak.

7:22Als die man hem eens gebruiken kon om de stok te dragen en hem dat aansteken eens wilde leren.

7:32Ik wou dat ook wel kennen, zei Kees eensklaps.

7:36Is het moeilijk?

7:39Ik zou heel graag met je mee willen gaan om de stok voor je te dragen.

7:46Met mij meegaan?

7:48vroeg de man op een toon of hij zeggen wilde.

7:51Hoe heb ik het nou met je?

7:54Wat ben jij een rare jongen?

7:56Ga maar gauw naar huis naar je vader en moeder.

7:59Wat doe je zo laat op straat?

8:01Je ziet er zo tenger uit, ventje.

8:04Wie ben je?

8:06Ik heb geen vader en moeder.

8:08Ik ben een vagebond.

8:11Zei Kees.

8:12Hij wist niet wat dat woord betekende, maar hoorde het vaak gebruiken door baas Sanders wanneer deze over zijn pleegkind sprak.

8:23Ik weet niet waar ik vannacht slapen moet.

8:26Op dit bankje is het zo koud en ik ben bang dat de politieagent me wegjaagt.

8:33Dat zou hij zeker doen.

8:36Hij zou je meenemen naar het bureau.

8:39Naar het bureau?

8:41Wat is dat?

8:43Het politiebureau, waar ze de gevangenen ook naartoe brengen.

8:48Ik wil niet naar het bureau, zei Kees beslist.

8:54Ik heb negen kinderen en mevrouw zou raar opkijken als ik je meebracht.

9:00Ze zou zeggen, dat is me een beetje te veel hoor.

9:04Waar hoor je thuis?

9:06Je hebt vannacht toch ergens geslapen jongen?

9:10Bij baas Sanders in Ellingshuizen.

9:14Maar ik ben weggelopen, omdat hij me in het hok wou stoppen.

9:18Hij zei dat ik peren gestolen had, en ik heb het werkelijk toch niet gedaan.

9:26Nou, dan raad ik je naar je baas terug te gaan, zei de lantaarnopsteker.

9:32Hier heb je een dubbeltje.

9:34Daarvoor kun je een eind met de tram gaan, of als die niet meer rijdt vanavond, kun je voor dat geld wel ergens een slaapplaats krijgen.

9:43Maar dan morgen naar je baas terug, hoor.

9:46Eigenlijk moest ik me niet met een ondeugende jongen ophouden, die gestolen heeft en weggelopen is, en het was mijn plicht de politie te waarschuwen.

9:56Ik ben veel te goedig, veel te goedig.

10:02Hoofdschuddend ging hij verder, want hij kon zijn tijd toch niet zo staan te verpraten.

10:08Kees sloeg opnieuw de weg naar de stad in.

10:12Nu had hij weer geld.

10:14Als hij het bewaarde, kon hij morgen en overmorgen broodjes kopen.

10:22Oh, als de politie hem niet wegjoeg of naar het bureau bracht en het s'nachts maar niet zo koud was, dan zou hij hier wel of daar een bankje

10:34of stoep kunnen slapen.

10:36Op de toekomst bekommerde hij zich verder niet.

10:40Op dat punt...

10:42was hij net als een ander kind.

10:45Het kwam ook geen ogenblik in hem op om naar Ellingshuizen terug te keren.

10:52Zo ongemerkt was hij bij de grote kerk gekomen.

10:57Er zou die avond om acht uur een zendingsdienst gehouden worden.

11:03Hoewel het nog een kwartier voor de tijd was, gingen al veel mensen het gebouw in.

11:10Kees liep langs de geopende deur

11:13En bleef verrukt staan.

11:15Hij hoorde duidelijk het orgelspel.

11:20Even, heel even, wilde hij daar binnen gaan luisteren.

11:26De muziek trok hem onweerstaanbaar aan.

11:30Hij voegde zich bij een paar burgervrouwtjes die juist de kerk ingingen.

11:36En stond weldra in de buitenste gang.

11:41Kees hoorde hoe de ene vrouw aan de andere vroeg, zeg, is dat je zoontje?

11:48Gelukkig niet, antwoordde de aangesprokene.

11:52Mijn jongen ziet er heel wat steviger uit dan dat ongelukkige bultje.

11:58Arp kind, zei de eerste vrouw medelijdend.

12:02Een ogenblik later riep ze Kees toe, jongen, je gaat de verkeerde trap op, dat is de trap naar Torgel.

12:10De deur aan deze kant gaat naar de galerij.

12:14Hij hoort me niet, zei ze tegen haar buurvrouw.

12:18Nou, hij zal wel gauw merken dat hij verkeerd is gegaan.

12:23Kees dacht er niet aan om terug te keren.

12:26De trap naar het orgel, die moest hij juist hebben.

12:30Hij wilde immers zien wie toch aan dat ding draaide.

12:35In de kerk van Ellingshuizen was geen orgel.

12:39Hij had altijd gedacht dat die alleen maar op de straat waren.

12:43Hoe hoger hij kwam, des te duidelijker en zwaarder klonken de tonen van het instrument hem tegen.

12:54Eerst waagde hij het niet helemaal naar boven te klimmen.

12:57Midden op de trap bleef hij zitten en luisterde met zijn hele ziel.

13:06Zoiets heerlijks had hij nooit gedacht dat er bestond.

13:11Nu eens was de muziek zacht en liefelijk, dan weer langzaam aanzwellend tot de krachtige tonen het hele kerkgebouw

13:23schenen te vervullen.

13:26Eensklaps hield de muziek op.

13:30Kees bleef nog steeds zitten.

13:32Het was hier warmer dan op straat.

13:36En niemand joeg hem weg.

13:39Zou dat mooie leven, zoals hij de orgelmuziek noemde, niet weer opnieuw beginnen?

13:45Hoor, daar speelde het orgel weer.

13:48En nu werd er bij gezongen ook door vele stemmen.

13:53Zeker die mensen van beneden die in de kerk zaten.

13:58Hij was in het dorp wel eens met moeder Sanders in de kerk geweest.

14:04Toen er feest was.

14:06Welk feest wist hij niet meer.

14:08Het was Kees niet mogelijk langer rustig te blijven zitten.

14:14Hij moest zien wat daarboven gebeurde.

14:19Heel zacht klom hij de trap op en kwam in een gangetje waar een enkel gaspetje brandde.

14:29Wat hij opzij van het gangetje zag, kwam hem heel vreemd voor.

14:35Drie mannen stonden ieder op een soort van balk en gingen telkens een eindje de grond in, waarna ze weer boven kwamen.

14:45Kees had nog nooit van orgeldrappers gehoord.

14:49Hij wist dus niet dat door het gestadige op- en neergaan van de balken de pijpen van het orgel met lucht gevuld werden,

15:00zodat het instrument geluid kan geven.

15:04Nee, het leek hem al heel raar toe.

15:07Hij werd eigenlijk een beetje bang.

15:10Dicht langs de muur gedrongen ging hij de mannen voorbij.

15:16Ze zagen hem niet.

15:18Een paar stappen verder stond hij voor een deurtje dat aanstond.

15:24Hij stootte het voorzichtig open.

15:28Daar

15:30zat de orgeldraaier.

15:33Vol verbazing bleef Kees staan.

15:37De organist, die nog steeds bezig was het gezang van de gemeente te begeleiden, keek niet minder verwonderd bij de onverwachte verschijning van de knaap, die

15:49hem met open mond vol bewondering stond aan te kijken.

15:56Wat een knoppen, wat een knoppen, dacht Kees.

16:02En hij draait nergens aan zoals andere orgeldraaiers.

16:06Hij slaat maar met zijn vingers op al die witte dingetjes boven en onder elkaar.

16:11En trekt nu eens aan het ene knopje, dan weer aan het paar tegelijk.

16:17Tja, Kees boog zich voorover om goed te kunnen zien.

16:22Met zijn voeten zit hij ook te trappen.

16:25Daarom gaat het zeker zo hard.

16:28Maar die onderste dingen zijn veel groter dan die waar hij met zijn vingers op slaat en ze zijn ook niet wit.

16:35De

16:37jongen was vlak naast de organist gaan staan.

16:41Ademloos van verrukking luisterde hij toe.

16:45Toen de stemmen beneden zwegen en een zacht zangerig naspel volgde, stonden Kees' ogen vol tranen.

17:00Daar keerde de speler zich om.

17:02Hij wilde de kleine jongen kortaf bevelen weg te gaan.

17:07Maar toen hij dat bleke, ontroerde gezichtje zag, was het hem onmogelijk zich boos te houden.

17:17De heer van Bossen, zo heette de organist, was een vriendelijke oude man.

17:23Hij hield veel van kinderen en alle kinderen hielden van hem.

17:30Hoe kom je hier?

17:32Je moet gauw weggaan, ventje, zei hij zacht.

17:37Ga je nog meer op die dingen slaan?

17:40vroeg Kees even fluisterend.

17:43Och, laat me alsjeblieft hier blijven, ik zal heel stil zijn.

17:50En met een zucht, het was zo mooi, de

17:56organist bedacht zich.

17:58Wat kon het hem eigenlijk schelen of het jongetje naar hem luisterde?

18:02Er was wel eens meer een blond jongetje bij hem op het orgel geweest.

18:07Lang, lang geleden.

18:11Dit kind was zeker de verkeerde trap opgegaan en zo op deze galerij gekomen.

18:18Het ventje scheen van muziek te houden.

18:21Wat schitterden zijn ogen, net als die van...

18:29Arm bleek, kereltje.

18:31Nou, ga dan maar in dat hoekje zitten.

18:34Maar geen woord spreken, hoor.

18:36En eerbiedig zijn.

18:38De dominee begint juist te bidden.

18:42In één gedoken bleef Kees op het aangewezen plekje zitten.

18:47De organist ging vlak bij het hek van de galerij zitten.

18:52Dat hek was helemaal in het rond met gordijntjes afgeschoten, zodat men niet in de kerk kon kijken.

19:00Hij liet het hoofd in de hand rusten en luisterde eerbiedig.

19:05De drie mannen uit het gangetje kwamen ook op de galerij en gingen aan de andere kant van het hek zitten.

19:13Ze konden Kees niet zien, maar hij hen wel.

19:18De jongen kon zijn ogen niet van de heer van Bossen afhouden.

19:23Die zat juist onder een gaspit.

19:26Wat zag hij er vriendelijk uit, die oude man met zijn grijze haren.

19:32Hij was zeker al heel, heel oud.

19:35Wel zeventig, dacht Kees.

19:39Zijn ogen stonden zo ernstig en er lag een uitdrukking op zijn gezicht of hij aan heerlijke dingen dacht en aan droevige tegelijk.

19:51Blijkbaar kon hij alles verstaan wat de dominee zei.

19:55Kees probeerde ook iets op te vangen van de preek, maar al hoorde hij sommige woorden, van de betekenis begreep hij niets.

20:07Toen de organist opstond en weer naar het orgel ging, slaakte het kind een zucht van genot.

20:15De oude man scheen vergeten te zijn dat het jongetje daar zat.

20:20Maar toen hij die diepe zucht hoorde, lachte hij Kees vriendelijk toe.

20:27Hij zette zich voor het instrument neer.

20:30De drie mannen waren verdwenen.

20:33Dat vond Kees alweer onbegrijpelijk.

20:36Waarom bleven ze niet naar het orgel luisteren?

20:39Dat was toch heel wat prettiger dan daar in de grond te zakken?

20:45Wel luidend en liefelijk, statig en krachtig, ruisten de heerlijke melodieën door de gewelven van het gebouw.

20:56Weer viel de gemeente in met haar lied.

21:00Na een kort naspel stond de heer van Bossen op en ging dicht bij het hek staan.

21:08Hij boog het hoofd, sloot de ogen en vouwde de handen.

21:14Hij bad.

21:15Wat bidden was, wist Kees wel, al had hij het sinds vrouw Sanders dood was nooit meer gedaan.

21:25Onwillekeurig sloot hij ook de ogen, vouwde de handen en fluisterde een paar woorden van het gebedje dat moeder Sanders hem nog geleerd had.

21:37Almachtige God, bewaar mij deze nacht en doe mij...

21:45Verder wist hij het niet meer.

21:47Hoe was het ook alweer?

21:49Een duidelijk amen werd van beneden gehoord, dus kees hij ook gauw amen.

21:57Want zo eindigde zijn gebedje immers ook.

22:02De oude man bleef nog even staan met eerbiedig gebogen hoofd.

22:07Toen ging hij nogmaals voor het orgel zitten om te spelen.

22:11En terwijl hij speelde, gingen de mensen de kerk uit.

22:16Kees merkte dat aan het geschuifel van veel voeten.

22:21Eindelijk schoof zijn nieuwe vriend de knopjes dicht en stond op.

22:27Kom ventje, nu moet je naar huis gaan.

22:30Zo dadelijk gaan de lichten uit, zei hij vriendelijk en legde zijn hand op de schouder van Kees.

22:37Vond je het zo mooi?

22:39ging hij goedig verder.

22:42Kees knikte van ja.

22:44Hij gehoorzaamde werktuigelijk en ging terstond het deurtje uit en het gangetje door, waar de orgeltrappers hem verwonderd vroegen.

22:54Hoe kwam jij op het orgel, jongen?

22:57Kees gaf geen antwoord.

22:59Hij liep haastig de trap af en stond weldra op straat.

23:06Waar waar nu heen?

23:09Zijn plan was gemaakt.

23:11Hij zou hierheen en weer blijven lopen.

23:15Totdat die meneer van daarnet kwam.

23:17Hem zou Kees vragen waar hij vannacht slapen moest.

23:21Die vriendelijke man zou zeker wel een plaatsje voor hem weten.

23:27Lang hoefde hij niet te wachten.

23:29Al heel gauw kwam meneer van Bossen naar buiten.

23:33Hij sloeg diep in gedachten de weg naar zijn woning in.

23:40Eensklaps voelde hij dat iemand hem aan zijn jas trok.

23:44Hij draaide zich vlug om en zag bij het licht van de lantaarn dat zijn jeugdige bewonderaar van vanavond naast hem stond.

23:54Wel jongen, ben je daar nog?

23:57vroeg de heer van Bosche verbaasd.

24:00Ga toch naar huis, waar woon je?

24:04Ik heb geen huis, ze willen me nergens hebben, verzekerde Kees.

24:10Weet u niet?

24:11Waar ik vannacht slapen kan, zou ik niet met u kunnen meegaan?

24:15Ik zal er u een dubbeltje voor geven, kijk!

24:19Hij frommelde in de zak van zijn jasje om het geldstukje daaruit te vol schijn te halen en het de organisten laten zien.

24:29Heb je geen huis?

24:31Maar je hoort toch bij iemand, jongen?

24:34Nee, herhaalde het knaapje, ze willen me nergens hebben en me in het hok.

24:41Of in het bureau stoppen.

24:43Ik ben niet dronken en de peren heb ik ook niet gestolen.

24:48O meneer, laat me alsjeblieft met je meegaan.

24:52Morgenochtend ga ik wel weer verder.

24:56Maak die jongen het u lastig, meneer, klonk opeens de barse stem van een politieagent, die met grote stappen dichterbij kwam.

25:07Als een schuwvogeltje dat door een roofvogel vervolgd wordt, dronk Kees zich tegen de oude man aan.

25:16Deze voelde hoe het koude handje beefde en hem krampachtig vasthield.

25:24Wonderlijk, het kind dacht er geen ogenblik aan om weg te lopen.

25:29In de grootste spanning wachtte hij het antwoord van zijn beschermer af.

25:36Nee, agent, hij hindert me niet en hij bedelt ook niet, zei de organist langzaam.

25:44Als het bedacht hij zich.

25:47Ik moet hem even spreken.

25:49Ik ken dat ventje wel.

25:52O, dat is iets anders.

25:55Goedenavond, meneer.

25:56De agent tikte aan zijn helm en ging weg.

26:01Ga maar met me mee, jongen.

26:03Als je dan nergens thuis hoort...

26:06Mijn vrouw zal wel een stukje brood voor je hebben en een plaatsje waar je vannacht kunt slapen.

26:12Je moet me nu eens precies vertellen wie je bent en waar je vandaan komt, want zo begrijp ik er niemand al van.

26:22Maar de waarheid spreken hoor.

26:25Ja, zei Kees.

26:27Hij jokte bijna nooit, want baas Sanders kon dadelijk aan zijn gezicht zien of hij ergens omheen wilde draaien.

26:36Hij zou niet hebben durven liegen.

26:39Al voortlopende vertelde Kees een hele geschiedenis.

26:45De oude man luisterde bewogen.

26:50Zoiets wonderlijks was hem van zijn leven nog niet overkomen, dat hij daar met een vreemd kind thuis kwam, letterlijk van de straat opgenomen.

27:02Maar eigenlijk was het heel gewoon ook en lag het voor de hand dat hij zich over dat verlaten knaapje ontfermde.

27:11De jongen zag er waarlijk niet uit of hij hem een kunstig verzonnen verhaal op de mouw spelde.

27:18Die ogen plogen niet, onmogelijk.

27:25Hier is mijn huis, ventje, zei de organist eindelijk, terwijl hij voor een nette kleine woning stilhield.

27:33Hij stak de sleutel in het slot en duwde Kees voor zich uit de gang in.

27:40Zo, ga nu maar mee.

27:42De heer van Bossen opende de deur van de voorkamer.

27:47Wat zag het daar binnen gezellig uit?

27:50Aan een ronde tafel met een donkerrood kleed zat een vrouw van middelbare leeftijd.

27:56Het licht van de petroleumlamp viel op haar zacht, vriendelijk gezicht.

28:03Voor haar stond een blad met twee kopjes en een ouderwetse koffiekan pruttelde op een rood koperen comfortje.

28:13Toen de deur openging en de twee binnentraden, legde ze haar naaiwerk neer en keek verwonderd naar het jongetje.

28:24Ik breng je een kleine zwerveren, vrouwtje, zei haar man vrolijk.

28:29Hij trad op haar toe en fluisterde.

28:33Straks vertel ik je alles.

28:35Kijk het schaap eens aan.

28:37Kunnen we hem zo de straat opsturen?

28:40Hij hoort nergens thuis.

28:43Nee, zei zijn vrouw dadelijk.

28:46Ze nam de jongen bij de hand, zette hem in haar eigen leuningstoel, waarin hij bijna wegzonk, sneed hem een paar dikke boterhammen en schonk hem een

28:58glas warme melk in.

29:00En toen het jongetje...

29:02Dat nergens thuis hoorde, gretig het glas melk leegdronk en er langzamerhand een flauw blosje op zijn wangen en een beetje glans

29:15in zijn lieve zachte ogen kwam, ging vrouw van Bossen dicht bij haar man staan en zei zacht, hij is me van harte welkom hoor, onze

29:27heiland zegt.

29:29Zo wie zodanig een kinderke ontvangen zal, in mijn naam, die ontvangt mij.

29:38Haar ogen stonden vol tranen en ze draaide zich haastig om.

29:44Ik ga een bed voor hem klaarmaken, op het kleine kamertje, naast ons.

29:50Straks wil ik graag horen hoe je aan hem gekomen bent.

29:54Ze bleef lang boven, heel lang.

30:00Al het beddengoed moest van de zolder gehaald worden.

30:05Twaalf jaar geleden was ze daar zorgvuldig opgeborgen, want toen was hun enig zoontje gestorven.

30:17Eindelijk kwam ze beneden.

30:19Haar man had zijn pijpje aangestoken en zat gemakkelijk in zijn grote stoel.

30:26En ja, op zijn knie zat Kees.

30:30het hoofdje tegen hem aangeleund, vast in slaap.

30:36Hij was zo moe, zei de oude man, terwijl hij het kind voorzichtig aan zijn vrouw overreikte, die hem in haar armen naar boven droeg.

30:48Kees werd wakker toen ze hem uitkleden.

30:52Hij wreef zich verschrikte ogen uit.

30:56De hond heeft mijn jasje gescheurd.

30:58Ik heb er spelden aangestoken, stamelde hij.

31:04Verrukt keek hij rond zich.

31:06Mag ik hier slapen?

31:08Zo mooi!

31:10Ik heb maar één dubbeltje.

31:12Morgen ga ik weer weg.

31:15Zijn ogen vielen weer dicht.

31:18en zijn vriendelijke verzorgster legde hem in het zachte bed dat zij zo lang op de grond gespreid had en dekte hem toe.

31:29Toen wilde ze weggaan, maar bij de deur gekomen keerde ze zich om en ging nog eens naar het slapende kind.

31:39Ze zag vol medelijden naar dat tere,

31:44bleke gezichtje dat daar in de witte kussens rustte.

31:50Was het een droom?

31:52Lag haar eigen lieve kleine jongen daar weer?

31:58Ze knielde bij het bedje neer, zoals ze dat jaren geleden gewend was te doen, en fluisterend bad zij, Heere

32:11Jezus, neem hem in uw hoede.

32:15Hij is eenzaam en verlaten, maar gij kunt hem aannemen.

32:21Waak gij over hem, geef dat geen kwaad hem genaken.

32:27Amen.

32:29Kees hoorde er niets van, hij bleef doorslapen.

32:33Toen vrouw van Bossen in de huiskamer kwam, zag haar man direct dat ze diep ontroerd was.

32:42Hij zelf was niet minder aangedaan, maar hij zei niets en zij zei ook niets.

32:48Ze wisten het van elkaar, waar ze aan dachten.

32:53Een poosje later op de avond vertelde hij haar alles.

32:57Hoe Kees bij hem op het orgel gekomen was en naar zijn spel geluisterd had.

33:04Hoe het kind hem op straat gevolgd was en gevraagd had met hem mee te mogen gaan.

33:11De heer Van Bossen had niet goed geweten wat hij moest doen, totdat hij de angst van het knaapje gezien of liever gevoeld had bij de vraag van de politieagent.

33:24Op dat ogenblik had hij besloten hem mee te nemen.

33:30En nu ben ik van plan zo gauw als ik kan naar Ellingshuizen te gaan om bij de burgemeester navraag naar het kind te doen, besloot de organist zijn verhaal.

33:43We zouden er misschien werk van kunnen maken om hem in het weeshuis te krijgen.

33:48Het is in ieder geval een beklagenswaardig stumpertje.

33:52Met dat al, vrouwtje, zou ik helemaal vergeten je te zeggen hoe het me spijt dat je vanavond niet in de kerk kon zijn.

34:03Dominee sprak zo eenvoudig en waar.

34:07[GEZANG]

34:32Zijn tekst was, Zo wat uw hand vindt om te doen,

34:37Doe dat met uw macht.

34:40Die woorden willen mij maar niet uit het hoofd.

34:44Telkens breng ik ze in verband met het ontmoeten van dat arme verlaten jongetje.

34:52Aardig, aardig zoals hij naar de muziek stond te luisteren.

34:57Zijn ogen doen me denken aan mij

35:02ook, zei zijn vrouw zacht.

35:09Ruim een maand is voorbij gegaan.

35:13Kees is niet in Ellingshuizen bij Bas Sanders en ook niet in het Weeshuis, maar nog altijd bij de heer van Bossen en zijn vrouw.

35:23Ze denken er niet meer aan hem weg te zenden.

35:27Ze zijn niet al aan de kleine vondeling gehecht.

35:32Ze hebben dan ook wat met hem afgetopt.

35:35Daar weet de oude dokter van mee te praten.

35:39In de eerste nacht die Kees in hun woning doorbracht,

35:44was de jongen tegen de morgen met een hevige koorts wakker geworden.

35:51Hij eilde en klaagde dat hij overal pijn had.

35:56De dokter die zo spoedig mogelijk gehaald werd, keek vreemd op toen hij het patiëntje zag.

36:04en zijn geschiedenis hoorde.

36:06Hij raadde aan het knaapje zo gauw mogelijk naar het kinderziekenhuis te laten brengen.

36:14Ze zouden hem daar stellig wel opnemen, desnoods konden de verplegingskosten immers voor hem betaald worden.

36:22Maar man en vrouw, beiden, hadden gezegd dat het zeker niet toevallig was dat het kind juist bij hem gekomen.

36:33En ziek geworden was.

36:35Het was hun niet te veel voor hem te zorgen en ze behoefden het gelukkig nergens om te laten.

36:42De dokter zei ronduit dat zij mensen waren zoals er weinig gevonden werden.

36:49Hij begreep niet hoe zij zich zo'n last op de hals haalden.

36:55Maar de heren van Bossen en zijn vrouw antwoorden dat er niets bijzonders in stak.

37:03om zo'n hulpeloos kind vriendelijk te behandelen.

37:06En waarom zij het deden?

37:08Wel, om Jezus wil.

37:11Uit gehoorzaamheid aan zijn woord, wijt mijn lammeren.

37:18Toen de dokter weer in zijn koetsje zat, mombelde hij, ik denk er op het punt van godsdienst volstrekt niet zo over als jullie, maar mijn uiterste best zal ik voor hem doen, of

37:30het mijn eigen kind was.

37:33Wat de dokter zijn eigen kind noemde, was zijn enig kleindochtertje, zijn oogappeltje.

37:41Zolang Kees tussen leven en dood zweefde, hadden zijn pleegouders hun tijd en hun gedachten uitsluitend gewijd aan zijn verpleging.

37:53Van een gaan of schrijven naar Ellingshuizen was nog niets gekomen, maar zodra de jongen aan de betere hand was,

38:02verwittigde de heer van Bossen de burgemeester van Erlingshuizen van zijn komst.

38:08Hij kreeg spoedig antwoord dat men hem zou ontvangen om de zaak te regelen voor de vondeling Kees van Dorp, vroeger uitbesteed bij baas

38:20Sanders en nu zonder dienstvoorkennis te zijden huizen vertoevende.

38:26Hoe

38:29is het vrouwtje?

38:30vroeg de organist op een middag, toen hij zich gereed maakte naar Ellingshuizen te gaan, willen we de jongen bij ons houden?

38:38Zal ik dat aan de burgemeester zeggen, of willen we nog werk maken van het weeshuis?

38:46We zullen het hem zelf vragen, zei ze glimlachend.

38:50Wel Kees, jongen, wil je altijd, altijd bij ons blijven, of?

38:58Nee.

38:59Ze kon die glans van blijdschap die op Kees gezicht kwam niet verduisteren door te zeggen, of terug naar Ellingshuizen.

39:09Of de jongen er ooit aan gedacht had dat hij niet voorgoed bij hen blijven zou?

39:16Zoals hij daar zat in een gemakkelijke ziekenstoel, omringd van boeken en platen, scheen het een vanzelfsheid dat hij bij hen bleef.

39:28Hij is onze jongen, nietwaar Keesje?

39:31Zei vrouw van Bossen en streek hem over zijn blond hoofdje.

39:36Weet je wat hij me vanmorgen vroeg, man?

39:40Of je hem leren wilde op die witte dingen te slaan, waar zo'n mooi leven uit kwam, en of we in huis ook niet zo'n draaiorgel hadden.

39:50Wat zag de oude man er trots en gelukkig uit toen hij antwoordde, ja, we zullen het hem wel leren, he Kees, en hij zal spelen zo mooi als,

40:02als u, zei Kees, of als die draaiorgelman op straat.

40:09Toen de heer van bossen vertrokken was, zei Kees met een zucht, ik hou zo veel van hem.

40:20Alles werd naar wens geregeld.

40:23Kees was door zijn nieuwe pleegouders als kind aangenomen.

40:27De schoenmaker Sanders haalde de schouders op toen hij het hoorde.

40:33Hij was echt in zijn schik met zijn nieuwe knecht en zei, ik begrijp niet eerst, nu eerst.

40:42Ik begrijp het niet.

40:43Eerst was mijn vrouw zo dol op dat lelijke kind met zijn bochel en nu die mensen weer.

40:49Afijn.

40:50Ik ben van hem af.

40:52Gestolen heeft hij niet, schijnt het.

40:54Boer Thijssen heeft me verteld dat het waar was van die hond.

40:59Er was één jongen in het dorp die na het bezoek van de heer van Bossen rustiger sliep dan in weken het geval was geweest.

41:09Kees leefde nog.

41:11Hij had geen ongeluk gekregen en hij was bij goede mensen in huis.

41:16Wat was Jan blij dat alles zo goed afgelopen was, zou Gerrit er ook zo over denken.

41:24Zeg Gerrit, zei Jan de volgende dag tot zijn gewezen kamerad, vind je het niet heerlijk dat Kees geen ongeluk gekregen heeft door ons toedoen, omdat we hem vals beschuldigd

41:36hebben?

41:38Och joh, antwoordde Gerrit, wat gaat mij die bochel aan, ik begrijp niet wat je toch hebt tegenwoordig.

41:46Je bent zeker aan het klikken geweest, want baas Sanders zei laatst, ik begin er nou achter te komen dat jullie zelf die peren en appels gestolen hebben.

41:55Pas op dat je het niet weer doet.

41:58Nee, met zo'n klikspaan wil ik niets meer te maken hebben.

42:02Zo hield de vriendschap tussen Gerrit en Jan op.

42:07Jan werd een flinke jongen, van wie zijn ouders veel plezier hadden, maar Gerrit deed zijn vader en moeder...

42:15Veel verdriet.

42:19Enige jaren zijn voorbij gegaan.

42:22Het is hervormingsdag.

42:24Een stroom van kerkgangers verdringt zich die avond in de straten van de stad waar Kees woont.

42:31Allen gaan naar de grote kerk om de herdenking van het wonder van de reformatie bij te wonen.

42:38Een knaap van ongeveer zestien jaar met een ineengedrongen gestalte, een hoge rug.

42:46Loopt naast een net geklede vrouw en draagt haar kerkboek.

42:51Aan de kerkdeur gekomen neemt ze afscheid.

42:54Nu mijn jongen, de heren helpen je.

42:58Ik zal al door voor je bidden.

43:00Heb moed en vertrouw op God.

43:03Ja moeder, antwoordde de knaap.

43:07Hij geeft haar het boek over en gaat de trap naar het orgel op.

43:12Ze begeeft zich naar haar gewone zitplaats.

43:17Mijn vader is vandaag verhinderd te spelen.

43:20Ik zal het voor hem doen, zegt de knaap bovengekomen tot de orgeltrappers.

43:26Kees, want hij is het, heeft al meer op het orgel gespeeld, maar nog nooit op een avond als deze, voor zoveel mensen.

43:37Thuis heeft hij er erg tegenop gezien om het te doen, maar hij heeft niet durven weigeren toen de heer Van Bossen hem voorstelde,

43:47Jongen, speel jij vanavond voor me?

43:50Ik durf niet door dit scherpe weer te gaan met mijn hoest.

43:54Nu de knaap zich voor het instrument zet, beeft hij geen ogenblik.

43:59Hij voelt zich gedragen door het gebed van die oude man thuis en van die lieve vrouw daar beneden in de kerk.

44:07Hij is trots en gelukkig dat hij spelen kan voor zijn goede pleegvader

44:17Tot eer en verheerlijking van de heren in de hemel.

44:21Luister!

44:23Daar klinken schoon door elkander gewerkt allerlei melodieën van welbekende en geliefde liederen.

44:32De mensen horen er niet veel van.

44:35Het is me een drukte om een plaats te krijgen.

44:39De hulpkostens lopen heigend af en aan.

44:42Het is een drukte van belang.

44:47Heeft hij toch, misschien nog wel meer.

44:50Maar straks onder de voorzang, onder het middengezang vooral, luistert men met aandacht naar het orgel.

44:59Reeds onder het voorspel is het doodstil.

45:06Heerlijk, fluistert de een.

45:08Zo mooi als vanavond speelde hij nog nooit, zegt een ander.

45:15Hij kan het nog, die oude baas.

45:18Meent een derde.

45:19Het vrouwtje in de voorste bank heeft de handen gevouwen.

45:25Ze bidt niet, ze dankt.

45:28Ze ziet een toneel uit vroeger jaren.

45:32Een bleek, teer knaapje dat nergens thuis hoorde.

45:37Een kleine woning waar het een thuis vond.

45:41En ze fluistert.

45:42Het is mijn jongen, dank u heren.

45:47Haar jongen en toch niet haar kind.

45:50Het had evengoed hun eigen zoon kunnen wezen die daar speelde.

45:55O, als dat eens had mogen zijn.

45:59Maar terstond denkt ze eraan hoe hij daarboven bewaard is voor zonde en dood, kommer en zorgen, lijden en strijden, veilig en geborgen

46:11bij zijn heren.

46:13Hij zal tot haar niet wederkeren, maar zij zal tot hem gaan.

46:20Bij het uitgaan van de kerk wacht juffrouw van Bossen haar pleegzoon op.

46:25Ze kan niet veel zeggen.

46:26Haar hart is te vol.

46:28Ze drukt zijn hand telkens en telkens en fluistert alleen.

46:33Het was goed, mijn jongen.

46:37Vader wacht hen thuis.

46:38De dienstbode doet hen open en weldra treden ze de huiskamer binnen.

46:44Je leerling heeft je eer aangedaan, man, zegt juffrouw Van Bossen, als de eerste begroetingen zijn afgelopen.

46:52Je kon het aan de mensen zien dat ze het mooi vonden.

46:55Ik geloof zelfs, ging ze schetsend voort, dat ze dachten, het kan de oude baas niet wezen.

47:04Meteen streek ze hem liefkozend over het witte haar, alsof ze zeggen wilde, voor mij speelt niemand mooier dan jij.

47:14Ik wil het graag geloven, zegt de pleegvader in volle ernst.

47:18De jongen is mij ver vooruit.

47:21Hij zal het verder brengen dan ik het ooit gebracht heb, dat is zeker.

47:25En, vrouwtje, vervolgt hij zachter, ik ben zo blij dat het juist vanavond trof, dat ik niet spelen kon en hij het voor mij kon doen.

47:37Ik had van het jaar weer mijn uiterste best willen doen om te spelen, tot eer en verheerlijking van onze heren en koning, en nu heeft mijn jongen het beter gedaan dan ik

47:50het ooit zou hebben kunnen doen.

47:51Dat geloof ik vast.

47:53Ik niet, zegt zijn vrouw beslist.

47:58Kees zou stellig gezegd hebben, ook ik niet.

48:03Maar hij had zojuist de kamer verlaten.

48:06Hij gevoelde zich zo onuitsprekelijk gelukkig en dankbaar.

48:11Zijn hele ziel was ontroerd en bewogen.

48:15Hij moest een ogenblik alleen zijn.

48:18Met God.

48:20Na het koffiedrinken stond Kees op en ging even naar zijn kamertje.

48:26Hij kwam vrij snel terug met twee platen.

48:30De ene gaf hij aan vader.

48:33De andere aan moeder.

48:36Ik heb ze betaald met het geld van mijn eerste les, zei hij met een gelukkig lachje.

48:43Vader was geheel en al verdiept in de bestudering van zijn geschenk.

48:49Nergens thuis stond eronder.

48:52Het was een kopie van de plaat die Kees jaren geleden zo bekeken en nooit vergeten had.

49:00Aan de achterkant stond met duidelijke letters geschreven.

49:05Ik ben hongerig geweest en gij hebt mij te eten gegeven.

49:11Ik ben dorstig geweest en gij hebt mij te drinken gegeven.

49:16Ik was een vreemdeling en gij hebt mij geherbergd.

49:21Ik was naakt en gij hebt mij gekleed.

49:24Voor zoveel gij dit aan een van deze mijn minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat mij gedaan.

49:35Moeder lachte en schrijde tegelijk, terwijl ze haar plaat bekeek, een voorstelling van de heiland die de kinderen zegende.

49:46Voor haar had Kees aan de achterkant deze woorden nageschreven.

49:52Zo wie zodanig een kinderke ontvangen zal in mijn naam, die ontvangt mij.

50:02Zo, luisteraars, eindigt het verhaal van de kleine verschoppeling, die eerst nergens thuis hoorde, maar door Gods goedheid en opzoekende zondaarsliefde

50:15hem een thuis bezorgde, waar de Heere in oprechtheid gediend werd, wat hem tot grote zegen geworden was.

50:24Hier werd ondervonden wat de dichter van Psalm 146 verwoordt in de versen 5, 7 en 8 die straks nog voor u gezongen worden.

50:36Wij wensen u een goede voortzetting van deze zaterdagavond en voor morgen een gezegende zondag.

50:45Zoals gezegd kunt u nu nog luisteren naar de samenzang uit onze eigen gemeente van Psalm 146, de versen 5, 7 en 8.

50:56Vers 5, het is de Heer die het recht der armen, der verdrukten gelden doet, die uit liefderijk erbarmen.

51:07Hongerigen mildelijk voedt, die gevangenen vrijheid schenkt en aan hun ellende denkt.

51:13En vers 7, het is de Heer die vreemdelingen met een wakend oog beschouwt.

51:19Weeuw en wees in het twist gedingen en in kommer staande houdt.

51:24Maar zijn arm der vromen hoop sluit de bozen in hun loop.

51:30En verzacht, het is de Heere van alle Heeren, Sions God geducht in macht, die voor eeuwig zal regeren, van geslachten tot geslacht.

51:41Sion, zing uw God ter eer, prijst zijn grootheid, loof den Heer.

51:48[GEZANG]