Zaterdagavondverhaal - Ole, deel-2

zaterdag 16 mei 2026 · 19:00 uur · Verhaal · Dkn. C.A. Grinwis · 40 minuten

Transcript

0:02Goedenavond luisteraars, welkom op deze zaterdagavond bij deel 2 van het verhaal over Olle.

0:14Enige maanden later bevond de predikant zich s'avonds in de studeerkamer, toen hij driemaal heel duidelijk op de deur geklopt werd.

0:24Binnen, riep de dominee, en een oude man met gebogen rug trad binnen met een kort hoornavond.

0:33Wat zie ik?

0:34Ben jij dat?

0:36Ole Sivertsen?

0:38Ja, zo waar.

0:40De predikant kwam naar hem toe om hem de hand te drukken.

0:44Wat een onverwacht bezoek.

0:46Ga zitten, alsjeblieft.

0:48Nee, niet daar.

0:50Hier heb je een gemakkelijke stoel.

0:53Dank u.

0:54Laat mij hier maar zitten.

0:56Deze stoel past mij beter, antwoordde Ole en zette zich op een rietenstoel dicht bij de deur.

1:05Het verbaast me heus je hier te zien, Olle, begon de predikant.

1:09Ja, zegt u dat wel, antwoordde de oude man langzaam, terwijl hij zijn pet in de hand ronddraaide.

1:17Maar misschien moest ik nu eigenlijk...

1:22Hier hield Olle op, schoof heen en weer, als om de woorden te zoeken die hij nu zeggen moest.

1:31Heb je iets op je hart, vroeg de predikant vriendelijk.

1:35Ja...

1:37Ik wilde u maar zeggen dat ik, dat,

1:42ach,

1:44ik

1:46kan het wel met één woord zeggen, dat

1:50nu toch het touw op het schip terechtgekomen is.

1:54Hollen draaide met alle macht aan zijn pet, terwijl hij met moeite deze enkele zinnetjes uitbracht.

2:01Op het schip terechtgekomen?

2:03vroeg de predikant verbaasd.

2:06Ja, ik bedoel het reddingtouw, zoals u het noemt.

2:12O, nu begrijp ik je.

2:14Maar dat is een wonder te noemen, Ole.

2:17Ja, dat kan wel.

2:20Dat zou wel een soort wonder zijn.

2:22Maar je

2:24hebt me, geloof ik, nog iets anders te zeggen, sprak de predikant toen hij zag hoe Ole aarzelde.

2:32Ik wilde u eigenlijk zeggen dat ik niet weet hoe

2:40ik van het reddingstoestel gebruik moet maken.

2:45slaakte een zucht van verlichting, toen eindelijk zijn bekentenis eruit was.

2:51Nu liet hij zijn pet met rust en keek naar de predikant.

2:55Deze kwam naast zijn bezoeker zitten en zei, je kunt je gerust op het reddingstoestel verlaten, beste Olem.

3:03Van die kant heb je geen gevaar te duchten, maar zeg eens, hoe komt het dat je zo anders gezind bent?

3:12Hoe dat komt?

3:14Dat is niet zo gemakkelijk uit te leggen.

3:17Dat heeft me ineens te pakken gekregen, om zo te zeggen.

3:20Ik heb de laatste tijd over veel dingen ernstig nagedacht.

3:25Men zou soms gezegd hebben dat een boze geest mij achtervolgde.

3:30Ik vloekte en ik raasde, maar toen kwam Maren tussen beiden.

3:36Dat is een verstandige vrouw.

3:39Luister eens, Olle, zei zij op zekere dag.

3:43Gebruik je verstand toch?

3:45Geloof je heus dat de dominee het op je gemunt heeft?

3:49Nee, dat niet, heb ik gezegd.

3:52Het kan wel zijn dat er iets waars is in hetgeen hij zegt, ging zij voort.

3:59Best mogelijk stemde ik toe.

4:02Maar ik kon niet vergeten dat u mij een zoeknaar genoemd hebt.

4:08En dat ging me te ver.

4:10En toen kwam die nacht, waarin ik bijna verdronken was.

4:14zoals u weet, en dat heeft me zo aangegrepen, dat ik die indruk niet meer te boven kon komen, want ik heb in dat ene ogenblik meer gezien dan ooit tevoren.

4:25Wat heb je dan toch gezien?

4:27vroeg de predikant toen de oude man ophield met spreken.

4:31Ik heb treurige dingen gezien, veel, waaraan ik geen naam kan geven, en die ene seconde heb ik mijn gehele leven naar mij voorbij zien gaan.

4:44Later.

4:45Heb ik dat vergeten?

4:46Nee, laat ik liever zeggen, ik heb het van mij afgeschoven.

4:51Maar bij de begrafenis van de schipbreukelingen werd ik weer in het hart gegrepen en toen kon ik het niet meer van mij afschuiven.

5:01Op zekere morgen legde Maren de Bijbel onder een of ander voorwensel op tafel.

5:07Ik ging zitten, ik bladerde er eens in en zonder dat ik het bemerkte,

5:12was Maren aan de andere kant van de tafel gaan zitten en zei toen,

5:16Lees eens een stukje uit de Bijbel, Ole.

5:20Dat werd dekkelijks gedaan bij de dominee in B, waar ik gediend heb.

5:26Het zou je goed doen, dat geeft troost.

5:29Ik las een hoofdstuk en Maren ging weg.

5:33Maar ik werd er niet door vertroost.

5:35Integendeel, het kwam mij voor dat de Bijbel mij veroordeelde.

5:40En de volgende dag las ik weer iets.

5:43Maar het maakte mij nog meer van streek.

5:46Toen durfde ik de Bijbel niet meer te openen.

5:49Ik bracht mijn dagen in eenzaamheid door, verdiepte mijn gedachten en beschouwingen.

5:55En onder dat alles werd ik hoe langer, hoe ellendiger.

5:59En terlaatst wist ik niet meer wat ik doen moest en ben ik hierheen gekomen.

6:07De Heer Jezus werkte in je hart, mijn vriend, zei de predikant.

6:11En dit is een grote genade.

6:13die je op dit ogenblik nog niet verstaan kunt.

6:17Laten we trachten je toestand beter te begrijpen.

6:20Je erkent dus dat je een ongelovige bent.

6:25Een ongelovige?

6:26viel Oren levend in.

6:28Nee, nee, nee, ik ben geen ongelovige.

6:31Nee, aan mijn geloof ligt het niet.

6:35Maar in mijn leven is iets niet in de haak.

6:37Dat heb ik die nacht in het water begrepen.

6:41Ja, ja, hernam de predikant.

6:44Een bijbel in de hand neemend en dicht naast Ole schuivend?

6:48Laten we dat eens rustig onderzoeken.

6:51Wil je eens lezen wat hier geschreven staat?

6:55Ole nam de bijbel die hem voorgehouden werd en las.

6:59Wie in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven.

7:051 Johannes 3, vers 36 Heb

7:10jij het eeuwige leven, Ole?

7:12vroeg de predikant.

7:13De oude visser keek naar het plafond.

7:16dacht een ogenblik na en antwoordde eindelijk,

7:20nee, ik kan niet zeggen dat ik dat heb.

7:25Wel nu, je ziet dus zelf, dat je niet het geloof bezit, dat de Heer Jezus met die naam aanduidt, want er staat, wie in de Zoon gelooft, die heeft het

7:37eeuwige leven.

7:39Maar laten we nu eens lezen wat hier geschreven is.

7:43Olle las weer.

7:45Wij dan.

7:47gerechtvaardig zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heren Jezus Christus.

7:55Romeinen 5, vers 1 Heb

7:58je vrede met God, Ole?

8:02Dat krijgt men zo makkelijk niet.

8:04Daaraan ontbreekt het mij nu juist.

8:08Zo komt het mij ook voor, Ole.

8:11Je kent niet de ware oorzaak van je ziektetoestand, nog de reden waarom Gods woord je veroordeelt,

8:19en je ziel vol onrust is.

8:22Je weet niet wat geloven zeggen wil.

8:26Dat komt omdat het geloof in de Zoon van God iets heel anders is dan je denkt.

8:33Het geloof is een wonderbare, goddelijke kracht, een gelukzalige gemeenschap met de heiland, het eeuwige leven.

8:44Denk niet dat het geen strijd kosten zal.

8:48Het kost je misschien.

8:50Zware strijd, voor

8:53je zover bent, dat je erkent dat wat je altijd gehouden hebt voor geloof, je leven lang, niets was dan een koude en dode geloofsleer, een zaak

9:05van gewoonte.

9:08Orlen dacht lang na, totdat hij ten laatste zei, ik geloof dat u me toch wat al te streng beoordeelt.

9:17Ik begrijp heel goed, Orlen, dat wat ik je zeg.

9:21je onaangenaam in de oren klinkt.

9:24Maar als dit nu de waarheid is, de

9:27goddelijke waarheden schijnen ons dikwijls hard toe.

9:32Ik zou ze wel kunnen verzachten en je met een valse troost geruststellen, maar dan zou ik je bedriegen.

9:40Laat mij je woordelijk de boodschap overbrengen waarmee God mij belast heeft.

9:46Zal ik je zeggen hoe God handelt met de zonda die zich tot hem wendt?

9:52God.

9:53Ontdoet hem van alles waarmee hij zijn schuld bedekt draagt te houden.

9:57Van al de lompen zijn er eigen gerechtigheid totdat een nietswaardig mens van hem overblijft.

10:05God ontneemt de zon daar alle troost die hij meende te vinden in zijn goede werken, in zijn eerbaar leven, in zijn standvastige vroomheid, in zijn

10:18gebeden, zelfs de troost die zijn vroeger geloof hem bood.

10:24Dit werk nu is God in jou begonnen, Olle.

10:28Wil jij je in de goede richting laten leiden?

10:31Olle bleef zitten, voorover gebogen, de ogen naar de grond gericht.

10:39De oude Olle in je antwoord, nee, dat

10:45weet ik, vervolgde de predikant.

10:48Maar in je is een nieuwe Olle ontwaakt, want anders zou je vanavond niet hier zijn.

10:55En deze zegt, ja.

10:58Laat je lijden, houd niet krampachtig vast aan

11:04wat je het vaderlijk geloof noemt, terwijl je in het geheel geen geloof bezit.

11:09Als de geloofsleer ons niet brengt tot waarachtige persoonlijk geloof, wat baat ze ons dan?

11:18Luister naar de raad en je te laten lijden en geef God ten antwoord, ja heren, doe gij met mij wat gij wilt.

11:29volleindig uw werk in mij.

11:32Je zult jezelf dan voor God zien staan, ellendig en naakt, en zonder enige verdiensten van jouw kant.

11:40Dat betekent schipbreuk lijden, oorlen.

11:45Maar goden zij dank, daarmee is het niet uit, want wanneer al dat oude weg gedaan is, wekt God door zijn geest in het hart het ware geloof, en daardoor

11:58wordt de zondaar gered.

12:00Dat nieuwe en levende geloof neemt aan wat God zegt.

12:04En door het geloof staan wij dan voor hem in reine, witte klederen, gewassen in het bloed van de Zoon Gods en tot zijn eer getuigend.

12:14Dat wil zeggen gebruik maken van het reddingstoestel.

12:20Is dan ons oude levend scheepje gestrand.

12:26We hebben de veilige kus bereikt.

12:28We zijn op weg naar de hemel.

12:33Ole staarde pijnzend voor zich uit.

12:36En ter laatste zei hij, als resultaat van zijn lange overdenkingen, Als

12:43het zo gesteld is, geloof ik dat ik er nooit toe zal komen van het reddingstoelstel gebruik te maken.

12:52In eigen kracht kun je dat ook niet, hernam de predikant.

12:55Zo je eigen verdorvenheid en eigen opmacht herkent, werkt de Heer Jezus zelf in je dit wonder zijn en genade.

13:05Hij zal het ook in jou volleinden, als je je maar door hem wilt laten redden.

13:12Als jij hem, als je verlossen begeert.

13:16Zeg me eens, Ole, voegde de predikant erin toe, zijn hand op de schouder van de oude man leggend.

13:22Zou je je knieën kunnen buigen?

13:26Mijn knieën buigen?

13:27Ole keek verbaasd op.

13:30Nee, dat is mijn gewoonte niet.

13:34Ik vouw alleen de handen.

13:38Onze uitwendige houding is de hoofdzaak ook niet.

13:42Je begrijpt zonder twijfel wat ik bedoel.

13:45Aan de voeten van de verlosser leren wij ons arm, ellendig en verloren te gevoelen.

13:52En alleen als wij die plaats hebben ingenomen, kunnen we van het reddingstoestel gebruik maken.

14:04Op dit ogenblik werd de predikant gehaald voor een zieke en Oler stond op en groette.

14:13Thuis gekomen maakte hij licht en begon het vertrek op en neer te lopen zoals zijn gewoonte was.

14:20Op deze wijze kon hij het beste een zaak overleggen en deze avond had hij zeer vele gedachten te verwerken.

14:29Dikwijls stond Olle stil, in gedachten verdiept en schoof zijn pet naar achteren tot hij heen en weer begon te lopen.

14:40Eensklaps viel zijn oog op een oude koffer.

14:44Hij opende die en keek de inhoud na.

14:47Eindelijk haalde hij er een klein kussen uit de voorschijn, dat met bloemen bewerkt was, dat hij een ogenblik besluiteloos in de hand hield.

14:57Toen bracht Ole het met langzame schreden naar zijn bed en legde het daar op de vloer.

15:05Hij wierp een onzekere blik op het kussen en begon weer heen en weer te lopen.

15:10Na een ogenblik opende hij de buitendeur en keek rond.

15:15alsof hij de duisternis doorboren wilde.

15:18Toen niets zich bewoog, sloot Ole de deur, vergrendelde haar, blies de lamp uit en naderde eindelijk het bed.

15:30Na een laatste aarzeling nam hij zijn pet af,

15:34legde die op de deken, greep zich aan de rand van het bed vast en

15:41knielde langzaam neer op het kussen.

15:45Voor de eerste maal in zijn leven.

15:48lag de oude visser geknield aan de voeten van de zaligmaker.

15:55En toen Ole eindelijk opstond,

15:57voelde hij zich een ander mens.

16:01Wat een gelukkig man was hij na de kwellingen van de laatste maanden.

16:05Ole was zo verheugd, dat hij in het geheel geen begeerte meer had te gaan slapen.

16:12Dit is ongetwijfeld tevreden waarover de dominee sprak, zei hij bij zichzelf.

16:19Dus dan heb ik nu het ware geloof.

16:22Was de dominee op het ogenblik maar hier, dan kon ik het hem vertellen.

16:26De

16:30volgende morgen was alles buiten somber en grijs.

16:35En vreemd genoeg was ook in Ola's hart grote duisternis.

16:41Hij was wakker geworden door een angstige droom.

16:45Wat kan men toch dwaze dingen dromen, mompelde hij, terwijl hij zich de ogen uitvreef.

16:50Hij trachtte zich de indrukken van de vorige avond binnen te brengen.

16:55Maar dit gelukte hem niet.

16:57Integendeel, telkens opnieuw werd hij aangevallen door gedachten die hem verward en bezwaard maakten.

17:04De predikant had ook gesproken over reinen, witte klederen.

17:09Had hij die nu?

17:11Zo vroeg Oler zich af.

17:13Wat moest hij verstaan onder die witte klederen?

17:17Rechtvaardigheid?

17:18Ja, gerechtvaardigd door het geloof, stond er geschreven.

17:23En het geloof?

17:24Bracht vrede?

17:27Gisteravond had hij gemeend die te bezitten, maar nu was het alsof een windvlaag die van hem verdreven had.

17:35Misschien was het nog niet het ware geloof dat hij de vorige avond bezeten had.

17:41Het geloof neemt aan wat God zegt, had de dominee gisteravond gezegd.

17:46En dat

17:48kon van zijn geloof ter nauwe nood gezegd.

17:54Hij had niet.

17:56Hetgeen God zegt, op zichzelf toegepast.

17:59Wat God zegt.

18:01Maar wat is dat eigenlijk?

18:03Ole begreep er niets meer van.

18:05Hij draaide zich om en om in zijn bed, maar zijn gedachten achtervolgden hem.

18:11En hij begon zich hoe langer hoe ongelukkiger te voelen.

18:15Hij was te vergeefs naar de predikant geweest.

18:18Te vergeefs had hij op zijn knieën gelegen.

18:21En had hij gebeden.

18:24Hij had toch...

18:26zijn gehele hart in het gebed uitgestort en gesmeekt, Heren, wees genadig en leid mij naar uw wil.

18:35Geef gij mij het ware en het levende geloof.

18:39En met een zucht stond Orle van zijn bed op en ging naar buiten.

18:45De frisse lucht zou die sombere gedachten wel verdrijven, meende hij.

18:50Maar zijn hoop was ijdel.

18:52De gehele dag dwaalde de oude man her en derwaarts.

18:56Nu eens ging hij boven op zijn bank zitten, of beneden in zijn hut, dan weer doorkruiste hij in alle richtingen de duinen, maar zonder ergens de begeerde rust te vinden.

19:10Tegen de avond daalde hij af naar het strand en wandelde langs de kust.

19:16Door vermoeidheid en door al zijn gepeinst werd zijn hart bezwaard.

19:22Ja, Ole werd verdrietig en vroeg zich ten laatste af,

19:26of niet die verhalen van de reddingspoeien en reddingstoestel en het afleggen van alle eigen gerechtigheid, verbeelding en zinsbedrog zouden zijn.

19:39God zelf zou hem in veilige haven voeren, had de dominee hem verzekerd.

19:45Maar waar en hoe?

19:48Ole stond stil.

19:51Was het mogelijk dat God deze onrust in zijn hart werkte?

19:56Nee, stellig niet.

19:58Dit alles was niets anders dan een ziekelijke zwaarmoedigheid, meende hij.

20:05Tom hoor, die je bent, mopelde hij, een schelp stuk trappend onder zijn klomp.

20:12De gedachte dat hij zwaarmoedig was, was als een verzachtende balsum voor Oles hart en hij slaakte een zucht van verlichting.

20:23Verban dus maar al die dwaze ongerijmdheden uit je hersens, oude Ole, zei hij tot zichzelf.

20:30God bekommert zich even weinig om mij als om deze plank, zei Hardop, terwijl hij een stuk van een bootsplank uit het water opviste en

20:42een eind verder op het zandwierp.

20:46Maar op hetzelfde ogenblik, uit de oren een pijnlijke kreet, een verroeste spijker in de plank, had een stukje vlees van zijn duim losgescheurd.

20:57Zo kan zelfs een oude plank nog iets met een mens uit te staan hebben.

21:03Dit dacht Ola reeds, toen hij op het zand het bloed zag afdruppelen uit zijn wond.

21:10En hij ondervond het, toen hij enkele dagen later het bed moest houden en alle verschijnselen wezen op bloedvergiftiging.

21:19Eerst zwol zijn duim op, toen zijn hand en ter laatste zijn arm.

21:26En hoe dikwijls Maren ook de compressen vernieuwde, de zwelling nam steeds toe.

21:32En ten laatste scheen de toestand hun ernstig genoeg toe om de hulp van een dokter in te roepen.

21:40Gelooft u dat er gevaar bij is?

21:42vroeg Ole, niet zonder ongerustheid, en hij keek onderzoekend naar het gelaat van de man der wetenschap.

21:49Hoe meen je gevaar?

21:51vroeg de dokter.

21:53Nu, ik wil maar zeggen, is er reden te denken dat dit mij de dood zal aandoen.

22:02Oh, we zullen maar moed houden.

22:04En doen wat we kunnen, antwoordde de dokter op geruststellende toon.

22:09En nadat de dokter de wond verbonden en de medicijn voorgeschreven had, gaf hij Maren nog enkele aanwijzingen.

22:19Zou ik hier wel eens aan kunnen sterven?

22:21herhaalde Orlen nogmaals bij zichzelf.

22:24En hij dacht weer aan de losse plank en de woorden die hij op het strand uitgesproken had.

22:31Ja, die plank, ik

22:36had dat niet moeten zeggen.

22:37Dat was grootspraak.

22:39We zullen maar hopen dat het niet verkeerd zal uitkomen en dat alles spoedig achter de rug is.

22:46Ole kon zich niet verhelen dat hij angstig geworden was en hoe hij moeite deed zichzelf zoveel mogelijk gerust te stellen.

22:55Voelde hij zijn angst toenemen naarmate zijn ziekteverschijnselen aanhielden.

23:00Hij vroeg zich af waarvoor hij eigenlijk bang was.

23:05Voor de dood?

23:07Hoe dik was wat hij de dood in het aangezicht gezien, zonder dat hij gebeefd had.

23:13Maar ditmaal moest hij zichzelf wel bekennen dat hij angst had voor de dood.

23:18Maar waarom angst?

23:21Wat is de dood?

23:23Deze vraag drong zich met kracht aan Olle op en hij had tijd genoeg om erover na te denken.

23:31Enkele jaren tevoren, bij de begrafenis van een oude kamerad, had de toenmalige predikant de dood genoemd.

23:39Een trouwe vriend.

23:40En deze woorden kwamen Ole nu weer in de gedachten.

23:45Hm, een vriend dus.

23:47Ole trachtte zichzelf van de waarheid hiervan te overtuigen, maar hoeveel moeite hij ook deed, hoe hij zich alle mooie woorden te binnenbracht, die over dat onderwerp

24:00gesproken waren, Ole kon de dood niet voorstellen als een vriend.

24:06In een andere toespraak

24:08die alle jaren tevoren gehoord had, had de spreker verklaard dat de dood was de overgang naar een beter leven.

24:17Hm, een beter leven, moppelde de oude man.

24:22Maar waar?

24:24Bij God, had de dominee in de tijd gezegd.

24:29En dit woord deed de schellen vallen van zijn ogen.

24:32En nu begreep hij van waar zijn angst voor de dood kwam.

24:38Na de dood kwam God.

24:41En Ole was bang voor God.

24:43Hij zou niet bang zijn, meende hij, de duivel te ontmoeten.

24:48Maar de gedachte zich straks van aangezicht tot aangezicht voor God te bevinden, vervulde hem met een vreselijke angst.

24:56Hij liet zijn gehele leven aan zich voorbij gaan, in de hoop iets te vinden dat hem gerust kon stellen.

25:04Maar hij vond niets.

25:06Hij doorliep in zijn gedachten al zijn deugden.

25:09zoals hij die eenmaal aan Maren opgezomd had.

25:12Maar terwijl deze opzomming hem toen enigszins goed gedaan had, vandaag ontviel hem elke steun en bracht niets hem enige troost.

25:24S'avonds was Maren een uurtje naar huis geweest en bij haar terugkomst richtte Ole zich in zijn bed op en vroeg hij haar,

25:34Maren, heb

25:36jij gebruik gemaakt van het reddingstoestel?

25:40Van het reddingstoestel?

25:42Wat bedoel je?

25:43Ga toch liggen en hou je rustig.

25:46Maren meende dat Ole eilde.

25:50Ik heb nog geen plaats erop genomen, weet je, verzekerde Ole.

25:55En als men dat niet doet, is men verloren.

25:59Maren ging naast het bed zitten zonder iets te zeggen en keek de zieke medelijdend aan.

26:05Ole bleef een ogenblik rustig liggen, keek strak voor zich uit en hernam toen.

26:12De predikant had toch gelijk, Maren.

26:15Ik ben een zondaar.

26:18Zeker, Ole, zoals wij allemaal zondaars zijn.

26:23Nee, in die zin bedoel ik het niet.

26:28Ik ben een zondaar.

26:31Ik persoonlijk, Maren, en wel omdat ik veel kwaad gedaan heb.

26:36Ik heb dat begrepen die nacht in het water.

26:39God heeft het mij doen zien.

26:42Bezwaar je toch niet telkens met die dingen, zei Maren.

26:45op een moedigende toon.

26:46Het

26:47kan wel zijn dat je dikwijls dingen gedaan hebt die je niet doen moest, maar je bent toch altijd een best mens geweest en je hebt toch altijd in onze lieve Heer geloofd.

26:58Vergeet dat niet.

26:59Nee, nee, Maren, dat helpt me niets, viel Ole heftig uit.

27:04Dat alles heeft in het geheel geen waarde.

27:07Als ik maar niet, zeg,

27:11Maren,

27:12herinner je je die Engelse dame?

27:15die in de tijd op dat wrak omgekomen is.

27:19Ja, als

27:21ik maar niet omkom, in

27:24de diepte, weet je?

27:27Maar

27:28Ole, dat zul je stellig niet.

27:30Hoe kom je ertoe, zulke vreselijke dingen in je hoofd te halen?

27:35Onze lieve heer is zo goed, dat weet je toch wel?

27:39Ja, dat is wel zo, zei de grijzer zachtjes, alsof hij liever tot zichzelf sprak.

27:45En hij liet zijn hoofd weer op het kussen rusten, maar...

27:49Maar hij is ook heilig, Maren, vervolgde hij.

27:53Je begrijpt me niet.

27:55Nee, je begrijpt er niets van.

27:59Ole zweeg en lag onbewegelijk naar de zolder te staren.

28:03En van tijd tot tijd trok een smartelijke trek over zijn gezicht.

28:08Eensklaps richtte hij zich op en riep.

28:11Ga de dominee halen, Maren.

28:14Ik ga al, riep ze en vertrok.

28:17Kort daarop zat de predikant aan het bed.

28:22Wel.

28:23Olle, hoe ver zijn we gekomen?

28:27Dominee, sprak de oude man, terwijl hij zijn hand vatte.

28:32Ik leid schipreuk.

28:36Dan is nu het ogenblik gekomen dat je op het reddingstoestel moet plaatsnemen.

28:42Ik kan het niet, dominee.

28:43Ik weet niet waaraan ik mij moet vastgrijpen.

28:47Alles is me ontvallen.

28:48Alles.

28:51Dat gaat zo goed, Olle.

28:53We moeten eerst ontdaan worden van alles wat van onszelf is.

28:59Je moet alleen steunen op het heerlijke verlossingswerk van onze Zaligmaker.

29:06Voor al je zonden stortte de Heerde Jezus zijn bloed.

29:10Hij heeft alles voor je voorbracht.

29:14Het hangt er alleen vanaf of jij je tot de heiland wenden wil en je door Hem wilt laten verzoenen met God.

29:23In dat geval zal er tussen God en jou niets meer bestaan, Ole.

29:28Wil je gaan?

29:31Olle antwoordde niet, maar de tranen die een voor een langs zijn rimpelige wangen vloeiden, drukten beter dan woorden het vurige verlangen uit dat in zijn hart leefde.

29:43En daarop knielde de predikant neer met de woorden, willen wij nog samen bidden, voor we afscheid nemen, Olle?

29:52En hij bad, kort, maar van ganser harte.

29:57Hij bad voor de oude man en vroeg aan God.

30:02Hem voor te lichten, met het licht van zijn heilige geest, op dat oorlen zien zou, hoe de genadige hand van zijn heiland naar hem uitgestrekt was, en

30:14hij deze hand slechts aan te grijpen had.

30:17Daarop vertrok de predikant, met de belofte de volgende dag terug te komen.

30:24Maar voor het aanbreken van de dag, moest de dokter haastig geroepen worden.

30:29Toen deze de zieke zag, schudde hij het hoofd.

30:33Ga ik sterven?

30:35vroeg de grijzaard op besliste toon, toen de dokter hem de pols voelde.

30:40Laten we nog hoop hebben.

30:42Maar ik sta erop, te weten hoe het met me gesteld is, riep Orle, en greep de hand van de dokter.

30:49Zeg mij de waarheid.

30:51Wel nu dan, hernam deze, ik

30:55kan niets meer voor je doen.

30:58Dank u, zei Orle zachtjes, en draaide zich naar de muur.

31:03Orle had reeds de gehele nacht door gebeden.

31:08Maar van dit ogenblik af werd zijn gebed een dringende smeekbede, een roepen om hulp.

31:15Ole moest nu verhoord worden, meende hij.

31:18Hij had geen tijd meer te verliezen.

31:21En Ole werd verhoord.

31:23Hij doorleefde het heerlijke ogenblik dat met geen pen te beschrijven is en dat alleen verstaan kan worden door de ziel die hetzelfde ervaren heeft.

31:36Ole nam de Heer Jezus aan als zijn heiland.

31:42En vanaf dat ogenblik was

31:46Ole voor eeuwig met zijn verlosser verbonden.

31:50Maar het was ook hoog tijd.

31:52Het schip zonk reeds.

31:54Op

31:56het allerlaatste ogenblik kwam de predikant binnen.

31:59En toen deze de drempel overstapte, keerde Ole het gelaat naar hem toe.

32:06En zei met zwakke stem, nu

32:09ben ik er.

32:11Ik heb plaatsgenomen om het reddingstoestel.

32:16En de predikant kon het zien.

32:19Ole was gered.

32:22Hij had het niet behoeven te zeggen.

32:24Een weerschijn van de hemelse heerlijkheid straalde af van zijn gezicht.

32:30God, zei geloofd Ole, riep de predikant.

32:34Je bent geland.

32:36Het goddelijke reddingstoestel stelt nooit teleur, als men het maar aangrijpt.

32:43Ja, God,

32:45zei geloofd,

32:46zei Ole met zwakke stem.

32:49Het is alles.

32:53Toen zweeg hij een ogenblik.

32:56Opeens trachtte hij zich op te richten en zei, ik

33:01zie ze.

33:02En toen, met een zonderlinge blik naar omhoog wijzend, zei hij nogmaals, ik zie ze.

33:09En even later, de engelen.

33:14Daar, ziet gij ze niet?

33:16Ze trekken mij, ze heffen mij op, over de branding heen, naar omhoog.

33:22En zo bereikte de oude visser.

33:26De hemelse kust.

33:29Dwars door de grote branding heen.

33:37Hiermee eindigt het verhaal van Ole.

33:42Een oproep voor ons allen.

33:45Wacht niet om het reddingstoestel aan te grijpen.

33:49Om het te zoeken.

33:51Wacht niet totdat het bijna te laat is.

33:55Morgen mogen we er weer van horen.

33:58Van Gods genade.

34:00De heren willen het nog doen verkondigen in zijn huis.

34:03We wensen u dan voor morgen ook een gezegende zondag.

34:06Voor straks een goede nachtrust.

34:10En we willen eindigen met het luisteren naar Psalm 116, de eerste drie versen.

34:16God heb ik lief, want die getrouwe Heer, hoort mijn stem, mijn smekingen, mijn klagen.

34:24Het tweede, ik lag gekneld in banden van de dood.

34:30En ook het derde, och Heer.

34:33O gewiert mijn ziel door uw gered.

34:37Hartelijk dank voor het luisteren.

34:40[GEZANG]