0:02Goedenavond luisteraars.
0:03Op deze stille zaterdag willen we het tweede deel voor u voorlezen van het verhaal De Zoon der Duisternis.
0:14En boven het hoofdstuk waar ik vanavond mee wil beginnen staat geschreven Tien jaar later.
0:21Het
0:23was weer paasfeest geworden.
0:25Tien jaar waren verlopen sinds de morgen waarop wij de weduwe van der Lely en haar twee kindertjes mochten ontmoeten.
0:32Moeder
0:33droeg nog altijd het rouwkleed om het aardse verlies van haar man, en dikwijls zuchtte zij, och, dat ik hem nog bezitten mocht.
0:42Maar dan was het weer spoedig.
0:44U weet wat voor ons nuttig en nodig is, o heren.
0:49Uw doen is wijsheid en majesteit.
0:54Betje was al een flinke opgeschoten meid geworden, die voor moeder netjes het huishouden waarnam, terwijl deze druk zat te naaien, en als het huiswerk gedaan was,
1:04Dan nam de nu achttienjarige dochter ook naald en draad ter hand, om moeder zo hard als ze maar kon te helpen.
1:12Jaartje was groot geworden en wist maar niet hoe of waarmee zijn moeder een genoegen kon verschaffen.
1:19En moeder, oh wat hield ze veel van haar dochter, en geen wonder, want niet alleen had ze in haar een grote steun in het huishouden, maar wat wel het voornaamste was, ook...
1:32strekte zij haar tot zeer veel troost, want Betje was niet alleen een lief meisje in de natuur, maar ook in de genade.
1:41Betje, lieve kinderen, had de Heere vroeg op haar knietjes gezocht en de Heere vroeg gevonden.
1:50Betje was, evenals haar moeder, goed door God bekeerd en dat ze dit was, toonde ze in haar leven, want van alles wat maar werelds was,
2:01En naar ijdelheid zweemde, had ze een wallig.
2:04Gods woord te onderzoeken, op te gaan naar Gods huis en, als de gelegenheid veroorloofde, samensprekingen te houden met Godvrezende mensen.
2:14En Willem?
2:15Met Willem was het droevig, zeer droevig gesteld.
2:19Willem had een helder hoofd, kon vlug leren, wist veel, maar oppas?
2:25Nee, dat wilde hij niet.
2:27Willem vond...
2:29Maar dat hij groter werd, dat lezen en vertellen uit de Bijbel erg vervelend.
2:34Hij zat eindelijk als moeder of bedje aan het lezen was, allerlei gekheden te maken met zijn vingers, of te trappen met zijn voeten, of te schudden met zijn hoofd,
2:46of lelijke gezichten te trekken, of ik weet niet wat al meer.
2:51Willem was op schoolhaantje de voorste en wist niet.
2:55wat hij maar kon uitvinden om zijn onderwijzers te plagen en te tergen.
3:01Willem sloeg de ene dag een van zijn schoolkameraden de neus aan bloeden en vocht de andere dag met een ander dat er de lappen, om het eens platweg uit te drukken, bij neerringen.
3:14Willem was de schrik van de buurt waarin hij woonde, smeet nu eens bij de een een tol door de ruiten of
3:23verwonde door het gooien met een steen
3:26een arme gebrekkige stakker, of zette zijn mond op tot schelden en, wat wel het allervervoerlijkste was, ook tot vloeken.
3:40Willem, in een paar woorden gezegd was, toen hij een poos op school was geweest, reed zijn zeer goddeloze jongen, en zijn moeder, die goede, vrome vrouw, men kon het heraan
3:52zien, dat zij onder de goddeloosheid van haar kind geweldig leed.
3:56En zij veel, zeer veel verdriet had.
4:01En toen de tijd daar was, dat Willem de school kon verlaten om een ambacht te gaan leren, toen werd het er niet beter op met hem.
4:11Wat er eigenlijk worden zou, ja, dat wist hij zelf niet.
4:15Eindelijk, ja, daar wist hij het.
4:17Het zou boekbinder zijn.
4:20En Willem kwam op een boekbinderswinkel en daar al zeer spoedig in aanraking met leerjongens,
4:28Van andere winkels en wel met de zulken die van het gemeenste soort waren.
4:34En Willem bleef, als hij een boodschap voor zijn patroon moest doen, uren en uren weg.
4:41En wat of hij dan wel deed?
4:44Dan was hij meestal aan het dobbelen om centen in de ene of andere achterhoek.
4:50En hoe hij aan die centen kwam?
4:52Ja, moeder gaf ze hem niet, althans niet om te verspelen.
4:57maar wel om ze in zijn spaarpot te doen.
4:59En toch had hij ze.
5:02Altijd kwanselde hij dan met het een, dan met het ander, en hoe moeder hem ook smeekte om zich toch als een fatsoenlijk kind te gedragen en zich met die gemene jongens niet
5:14in te laten, en hoe ze hem ook op de dood en eeuwigheid wees, niet hielp.
5:21Het was alles olie in het vuur geworpen.
5:24Willem was...
5:25En bleef een zeer ongehoorzame en wederstrevige zoon.
5:30Het was weer paasfeest geworden, zeiden we.
5:34Bertje was morgens met moeder naar de kerk geweest, maar Willem werd niet gezien.
5:40Hij zou er ook heen gaan, zei hij smorgens, maar wilde eerst nog een straatje omgaan.
5:46Uit de godsdienstoefening thuisgekomen, spraken moeder en dochter nog geruime tijd over hetgeen ze uit de mond van de leraar vernomen hadden.
5:56En beiden mochten getuigen dat ze door Gods genade goed gekerkt hadden.
6:03Dat wil zeggen dat ze zonder verstrooiing van gedachten hadden mogen neerzitten en dat de woorden van de gezandesheren door de werking van de Heilige Geest ingang mochten vinden
6:15in hun ziel.
6:17En dat het hun o zo goed van binnen was toen
6:21ze in de geest geleid werden naar Jozefs Hof,
6:27te zien verrijzen, onderwijl de vijanden ter aarde werden geveild en vluchten.
6:34Die opstanding van de Heere Jezus had ook voor hun plaats gehad.
6:39Dit mochten ze door Gods genade geloven en eenmaal zouden zij, met alle, door het bloed des lands gekochten, opstaan van hun slaapsteden, om niet
6:51meer te sterven, maar te leven tot in eeuwigheid.
6:56Maar terwijl ze zo spraken,
6:58zag moeder op eenmaal voor zich.
7:02Schudde bedenkelijk met het hoofd en bedekte daarna haar gelaat met haar beide handen.
7:08Wat scheelt eraan, lieve moeder?
7:11vroeg de achttienjarige dochter op kinderlijke toon.
7:15Ik denk daar opeens aan Willem, lieve bedje, antwoordde moeder even minzaam.
7:20Het is reeds half twee en nog is hij niet thuis.
7:24Och, waarof hij toch zou zitten!
7:28Dat kind, dat kind!
7:31Voor de honderdste maal, ja, voor de tweehonderdste maal zal het wel zijn, moet ik het zeggen.
7:37Hij is een nagel aan mijn doodskist.
7:40En hier brak de weduwe van de lelie in een luid snikken uit.
7:47Och, moeder, wees toch niet zo bedroefd.
7:50Het is waar, Willem doet u veel verdriet aan.
7:54Maar u hebt immers mij toch?
7:57Ja, lieve bedje, snikte moeder, en viel haar dochter om de hals.
8:01De heren zijn geprezen.
8:04Ik heb u nog.
8:05En was dat zo niet, de wereld was mij te benauwd.
8:11Maar, o, lieve bedje, kon jij het eens gevoelen, wat het moederhart eronder leidt om haar zoon, die haar zo tot steun en troost kon zijn.
8:23Op de brede weg des verderfst is hij voortholen.
8:27O, lieve kind, als het zo met hem blijft voortgaan.
8:31Ik beef over al mijn leden, dan ploft hij neer in de eeuwige verdoemenis, en wie weet hoe spoedig zijn einde daar kan zijn.
8:41De Heere is de machtige, lieve moeder, om ook hem nog te bekeren.
8:49Dat is zo, bedje, maar Willem verhard moet willig zijn hart.
8:53De Heere is de machtige, maar daar mogen wij ons niet altijd maar mee dekken.
9:00De Heere moet de zondaar bekeren.
9:03Maar de mens is verplicht om zich onder de middelen der genade te begeven en te bidden,
9:10dat daar hij zich niet bekeren kan.
9:14En de Heere believen mocht hem te bekeren, want de mens is geen dier, maar heeft een redelijk verstand.
9:21Willem wil echter van dat alles niets weten, maar spot en schimpt en vloekt.
9:27Willem, lieve bedje, vliet van het licht en keert zich tot de duisternis.
9:34O, die zoon, die zoon, die toch mijn zoon, mijn eigen kind is, die zoon, die ik zo getroeteld en gekoesterd heb, mijn kind, een zoon, een
9:47zoon der duisternis.
9:48Nee, lieve bedje, ik kan mijn tranen niet bedwingen.
9:52Och, laat uw moeder door mij uitschrijden, Willem, mijn Willem, och, kon je eens recht beseffen welke verdriet je mij berokkert.
10:01Gewis, je zou van God...
10:04en je arme moeder op de knieën vallen en aan beiden een vergeving vragen.
10:10Stil, lieve moeder, daar is hij.
10:14Wis uw tranen af en leg het maar voorzichtig met hem aan.
10:19Moeder deed haar best om de raad van haar dochter op te volgen en Willem kwam binnen.
10:24Maar hoe?
10:26Geheel en overwilderd.
10:28Men kon hem aanzien dat hij te veel gedronken had.
10:32Het eerste...
10:35Wat hij met een grote vloek vroeg was, of het eten nog niet klaar was, want dat hij gauw weer de deur uitging.
10:44Maar Willem, zei moeder, is dat nu tekeergaan op Gods lieve dag en het feest van de opstanding van de Heer Jezus?
10:54Voei, kind, je stelt je nog minder aan als een redeloos dier.
10:59Je hebt toch zo goed je verstand, weet je wel.
11:03dat je ieder ogenblik sterven kunt, en dat als je niet bekeerd wordt en je dus geen deel krijgt aan de opstanding van de Heerde Jezus, je verloren blijft en eeuwig in
11:15de hel zal gepeinigd worden?
11:20Wat bekeerd en wat hel, bulderde hij met de grootste vloeken.
11:26Fabeltjes, niets dan fabeltjes en vertelseltjes.
11:30En zo babbelen al die oude wijven en daar verdoen ze hun tijd mee.
11:35Zodat je niks kan vinden als je thuis komt.
11:38Eten, eten zal je me geven, schreeuwde hij op de vervaarlijkste wijs.
11:43En hij sloeg met zijn vuist op de tafel en het was of het gehele huis schudde.
11:49Eten zal je me geven, o ik!
11:52En wat toen uit de mond van de ontaarde zoon kwam, verzwijgen wij.
11:58Och, arme, arme moeder, ze werd zo wit als de gordijnen die voor de glazen hingen.
12:05Een bedje?
12:06Het lieve, zachtzinnige bedje.
12:08Ze viel voor haar broeder op de knieën en smeekte hem met samengevouwen en naar hem opgeheven handen.
12:15Och, lieve broer, bedaar toch, bedaar, heb medelijden, bid ik je met onze arme moeder.
12:23O, wat een tafereel!
12:25Het hardste hart, zou men zo zeggen, had week moeten worden, maar het hart van de goddeloze zoon werd niet vermurkt.
12:35Je eet vandaag maar zonder mij, schreeuwde hij ten slotte.
12:38Hij vloog woedend en als een van de duivel bezeten in de deur weer uit.
12:45Heren, sta maar bij, anders besterf ik het nog, snikte moeder, die zo door de zenuwen overmand werd, dat Betje haar weldraad te bed moest brengen, waaraan
12:57ze verschijnende dagen gekluisterd bleef.
13:00En de liefderijke dochter verzorgde haar moeder getrouw.
13:04Er was steeds in verzuchtingen tot de heren, dat
13:10hij haar weer oprichten en verdere uitkomsten en goede schenken mocht.
13:15Voor Willems bekering kon ze echter niet meer bidden.
13:19Het hart bleef ten deze opzichte geheel en al gesloten.
13:24Wat een onderscheid in de viering van het paasfeest ten huize van de weduw van de lady, nu en tien jaar vroeger, na
13:35hetgeen we vernomen hebben.
13:36Het is geen wonder dat de beklagenswaardige weduwvrouw dikwijls klaagde, mijn ziel is der tegenheden zat, hoewel we zeggen moeten dat ze gelukkig ook ogenblikken kende,
13:48waarin ze zeggen kon, de Heere wil sterkte geven allen die op Hem betrouwen.
13:56En geen kruis is zo zwaar, dat in vergelijking te brengen is met het kruis dat de Heere Jezus droeg, want Hij droeg het kruis met de zonden.
14:06van al degenen die door hem zalig gemaakt werden en nog zalig zullen worden.
14:12Hij, hij de Heere, leed als de rechtvaardige voor onrechtvaardigen, daar wij in alle tegenheden die ons overkomen, het zullen moeten beleiden.
14:24We hebben alles rechtvaardig verdiend.
14:27Ja, het zou rechtvaardig zijn, o God, als u ons van voor uw aangezicht zou wegstoten.
14:34En als de arme vrouw die woorden ontboezemen mocht, dan mocht zij door Gods genade ook de beden ten hemel opheffen.
14:42Niet mijn wil, o heren, maar de uwe geschieden.
14:50Weer tien jaar later.
14:52Het behaagde de heren de verzuchting van Betje te verhoren en haar moeder van het ziekbed op te richten.
14:59Wat meer zegt, een aanvankelijke verlichting van haar kruis te schenken.
15:04Haar goddeloze zoon.
15:07Toch kreeg ze in het hoofd om de stad te verlaten en elders te gaan werken.
15:11Een vanzelfsheid is het, dat moeder nog altijd vol van gedachten over haar kind bleef.
15:17Maar toch had ze nu vrede in haar woning en dikwijls mocht ze met bedje uit de volheid van haar ziel getuigen.
15:25Waarlijk, de Heer is aan deze plaats.
15:29Weken, maanden en jaren snelden voorbij.
15:33Slechts zeer zelden was het...
15:35dat moeder en dochter iets van Willem vernamen.
15:37En wat was, dat was dan nog in een enkele brief van een regel of wat.
15:43En hij schreef, ben gezond en maak het goed.
15:47Ja, hij maakt het goed om de duivel te behagen, want zo goddeloos konden de werelddienaars het niet aanleggen of Willem was van de partij.
15:56En om aan alles mee te doen en bij de godonterende zaken het eerst in de gelederen te staan,
16:04Daartoe vond hij allerlei slechte en gevaarlijke praktijken uit.
16:08Willem werd om kort te gaan een dief, een oplichter, en kwam eindelijk met de justitie in aanraking.
16:16Willem was echter de heren van het gerecht en begint slim af.
16:21Hij wist het een en andermaal met zijn helder hoofd en rappe tong zo ver te brengen, dat men geen vat op hem krijgen kon, en dus genoodzet was hem onschuldig te verklaren.
16:32Hoe slim hij het echter wist aan te leggen, op zekere tijd kwam de rat in de val.
16:38Willem, die voor alles bij de hand nam, wat hij maar dacht dat hem enig profijt kon opleveren, wist onder meer, met behulp van
16:50een een of ander gemeen suïet, één en hetzelfde boek op bedriegelijke wijze aan tien mensen ieder afzonderlijk te verkopen.
17:01en van de meesten het geld vooruit te bekomen.
17:04De bewijzen lagen voor de hand, en de zoon van de weduwel van de Lely werd, zeker ook wel met het oog erop, dat hij meermalen met justitie in aanraking was geweest, maar
17:17toch telkenmalen haar wist te verschalken, tot een celstraf van enige maanden veroordeeld.
17:26En daar zat hij dan opgesloten, tussen vier enge gevangenismuren.
17:31Daar zat hij.
17:32En had zo ooit nu althans ruimschoots gelegenheid tot zichzelf in te keren en zijn zonden te beleiden en te betreuren.
17:41Maar nee, Willems hart bleef even verhard als het altijd geweest was.
17:48En wat zeggen we?
17:50O gruwel aller gruwelen!
17:52In de gevangenis pijnste en pijnste hij telkens er weer op, om wanneer hij in vrijheid gesteld was.
18:00langs nieuwe slinkse wegen zich een bestaan te verzekeren.
18:04Maar laat ons van Willem even het oog afwenden en tot zijn arme moeder terugkeren.
18:10Wat is ze verouderd, die arme weduw, wat is ze mager en wat loopt ze zachtjes en voorovergebogen.
18:18Geen wonder, alweer zijn er tien jaar verlopen en in die jaren is er heel wat gebeurd.
18:25We zoeken met onze blikken naar bedje en wachten en wachten nog wat.
18:30Of we ook met haar nog niet eens kennis kunnen maken.
18:34Maar ze komt maar niet.
18:37Zou ze wellicht uit de stad zijn?
18:39Ja, Bertje is uit de stad en ze zal er nooit meer in komen.
18:44Het lieve, bemiddelijke meisje heeft geen tehuis meer bij haar moeder, waar ze het zo goed had.
18:50Ze heeft een nog veel beter thuis.
18:52Een thuis bij koning Jezus in de hemel.
18:56Vijf jaar.
18:58Nadat ze voor haar broer in de namiddag van de paaszondag op de knieën lag, verwisselde zij het tijdelijke met het eeuwige, en wel ten gevolge van dezelfde ziekte, waaraan haar vader gestorven
19:10was.
19:11Ze ging heen, met de glans der heerlijkheid op haar gelaat, roemende en juichende in en over het grote goed, dat haar uit genade was weggelegd, en haar laatste
19:23woorden waren, Amen.
19:25Kom, Heer Jezus!
19:27Ja, kom haastiglijk.
19:31Tien jaar geleden gingen moeder en dochter op het paasfeest zoals wij zagen op naar het bedenhuis.
19:38En nu moet de weduwe van de Lely haar plaats leeg laten staan in de kerk, want ze is te zwak om de deur uit te komen.
19:47Ze is zwak, vermagerd en krom vanwege al de wederwaardigheden des levens.
19:53Ze zet zich voor de tafel en neemt een oude schrijver ter hand om een paasspreekje te lezen.
20:00Maar nauwelijks is ze begonnen of er wordt gebeld.
20:03Het is de brievenbesteller.
20:05Ze schrikt op.
20:07Zeker een brief van Willem, spreekt ze zichzelf.
20:10En haar voorgevoel wordt bewaarheid.
20:13Het is een brief van haar zoon, die zeker in geen rond jaar aan haar geschreven heeft.
20:20Het is een brief van Willem uit.
20:23Uit.
20:26De arme vrouw kan haar ogen niet geloven.
20:29En toch is het zo.
20:32Uit.
20:33Een bedelaarsgesticht en daarbij?
20:36Willem was ziek.
20:38Zou dat dan het einde zijn van mijn kind?
20:41roept de tedere moeder schrijnend uit.
20:43Zou hij dan in een bedelaarsgesticht de laatste adem moeten uitblazen?
20:48Ja, arme moeder, dat zou het einde zijn.
20:52En dat einde was niet ver meer af.
20:56Vier weken later kwam de doodstijding.
20:59Willem stierf, zoals hij geleefd had.
21:02Tot aan zijn laatste ademsnik bleef zijn hart verstokt, maar zijn doodstrijd was bang.
21:08Daar lag hij, op zijn sterven sponden.
21:11Die zoon, waarvoor zoveel gebeden, ook in zijn bijzijn, door zijn hem zo liefhebbende moeder waren opgezonden,
21:24door de troon van Gods genade.
21:26Die zoon, die zo aanhoudend en liefderijk door haar was vermaand geworden, zou hij...
21:33nu zijn einde nadert, aan zijn moeder niet meer gedenken?
21:37Ja, hij denkt aan haar.
21:39Zie, daar openen zijn stervende lippen.
21:43Hoor wat eruit komt.
21:45Moeder,
21:46moeder, kom hier.
21:50Nee, weg, weg, te laat, voor eeuwig.
21:56En toen, toen volgde er een vervaarlijke gil en het klamme doodzweet brak hem aan alle kanten uit.
22:05en parelde in grote droppels op zijn reeds loodgekleurde wangen.
22:11Benauwd,
22:12benauwd, erg
22:15benauwd, was, was hem, en men snelde met water toe en wies hem.
22:23Ja, nu, kinderen, kon hij nog enige laaf miskrijgen, maar eer er een uur verstreken was, nooit meer, want weldra rekte hij zich uit.
22:37gaf nog eenmaal een diepe zucht en toen, toen
22:42was het hier met hem gedaan.
22:44En waar de engelen bij vaders een bedje sterfbed gereed stonden, om hun ziel over te voeren in de hemelse vreugde,
22:54daar stonden de engelen aan zijn sterven sponden, om
23:01hem voor eeuwig weg te werpen in de eeuwige duisternis, waar wening is en knessing der tanden.
23:12Van Willem kon getuigd worden, dat zijn lamp werd uitgeblust in zwarte duisternis.
23:21God is rechtvaardig, stamelde moeder van de lelie, toen de doodsbericht van haar zoon tot haar kwam.
23:29Toen viel ze op haar knieën en bad.
23:33Och, heren, geef mij maar uit genade en uw vrijmacht te berusten, en neem mij, als het in uw lieve raad bestaan kan, nu maar spoedig bij u.
23:45En bij mijn man, en bij mijn lieve bedje in de hemel.
23:50En dat gebed, niet vele maanden duurde het meer, of de heren verhoorden het.
23:57Haar krachten namen van dag tot dag merkelijk af, en eindelijk was, naar haar vurige wens, ook hier het laatste uur voor haar geslagen.
24:07Ze strekte haar voeten rechtuit op haar bed, ze hief haar gevouwen handen smeken omhoog, en lispelde zachtjes.
24:16Het heigend hert der jacht ontkomen, schreeuw niet sterker naar het genot van de frisse waterstromen, dan mijn ziel verlangt naar God.
24:29En verder kon ze niet, maar het was ook genoeg.
24:33Zij verlangde, ja, zij verlangde zeer, en de Heere gebood zijn engelen ook voor haar neer te dalen, en haar ziel, die gereed stond, het lichaam te verlaten, over
24:45te brengen.
24:46In Abraham's schoot.
24:48Zie, daar geeft zij een paar kleine snikken.
24:53Haar handen vallen neer op het dek.
24:55Het is gedaan met haar lijden, gedaan met haar strijden.
24:59Ze is alles te boven en heeft nu op volmaakte wijze met haar man en haar bedje en met al de vrijgekochten en verlosten door het bloed van het onbevlekte land.
25:11De vreugdepsalmen reed ze aan, ter ere van hem.
25:15Die was en die is en die zijn zal tot in der eeuwen eeuwigheid ter ere van Hem.
25:24Die is de enige en de drie enige getrouwe en onveranderlijke verbondsgod van allen die Hem door genade hier hebben liefgehaald.
25:36Van Hem die nooit iemand van zich stoot, die zich in waarheid tot Hem wenden zal.
25:47Besluit,
25:49onze geschiedenis is ten einde.
25:52Wat we u meedeelden, is geheel en al om waarheid gegrond.
25:58Lieve kinderen, maar
26:01uiteraard ook de volwassenen, de heren geven het u, dat jullie ze in de zin uw gedachten mag
26:11opsluiten.
26:12En bovenal, heilige hei, omzend zelfs wel, dit
26:18boekje, dit verhaal.
26:21aan uw ontsterfelijke ziel.
26:23Dat doe hij ook bij
26:26u, ouderen en jongeren, of meer, gevorderden in jaren die er lust in gevoelden, om er ook eens kennis mee te maken.
26:37Wie u ook zijn mag, och, dat u zo dit tot heden niet gedaan hebt, toch mocht leren bedenken wat tot uw eeuwige vrede dient.
26:48Na deze tijd, de engels woer het, staande,
26:53met zijn ene voet op de aarde en zijn andere voet op de zee, zal er geen tijd meer zijn, dat dan het heden der genade, door
27:03u en jullie, te baat mag worden genomen, om de Heren te voet te vallen, opdat, om Christus wil, uw zonden vergeven
27:16mogen worden, en dat uw levenslamp niet is, als die van die gode vijandige Willem.
27:24dat die in de zwarte duisternis worden uitgeblust.
27:27Maar u, als u eenmaal de dood Jordaan doormoet,
27:32duidelijker gezegd, als ook u sterven moet, u zo gemakkelijk mocht kunnen sterven als vader en moeder en bedje, en dan, even als zij en
27:44al Gods lieve kinderen, vanuit dit aardse jammerdal te worden opgenomen, in heerlijkheid en daarvoor eeuwig te wandelen in het licht,
27:53van de zon der gerechtigheid.
27:56Dat zou wat groot zijn, maar niet te groot om door de Heren u te kunnen geschonken worden.
28:03Dat weten zij, die hier door genade zo nu en dan eens een voorsmaakje van die heerlijkheid genieten mogen.
28:11Zou het naar zulken ook onder de lezers en lezeressen van deze geschiedenis zijn?
28:17Ja, in dat vertrouwen leven wij.
28:21Nu, de Heren geven u dan de genade om onder
28:25Al de bekommenissen van dit leven, waar stil en onderworpen te zijn, daar hij het is, die kracht, dat kruis geeft, en eenmaal gewisselijk al de tranen
28:38van de ogen zal afwissen.
28:40Ja, daar, we kunnen nog niet eindigen, daar in het Jeruzalem, dat boven is, daar in het Sion Gods, in de stad des grote konings, daar, kinderen,
28:52daar zal geen...
28:54enkele traan ooit meer worden geschreid.
28:56Daar zal het eeuwig jubelen, eeuwig paasfeest, eeuwig lente zijn.
29:03Tans mag u door Gods ongehouden goedheid aan deze zijde van het graf het paasfeest nog beleven.
29:14Zult u dit ook het volgend jaar nog mogen doen?
29:17Wij weten het niet.
29:19God, in wiens hand ons leven is en bij wie...
29:24al onze paden zijn, hij weet het.
29:28Ik ben de opstanding en het leven, zei de Heer Jezus.
29:33Onderzoek uzelf, of hij dat ook voor u is, weet het.
29:37Zo uw hart nog naar de wereld uitgaat, is dat nog niet het geval.
29:43En geen deel aan Jezus opstanding te hebben, met andere woorden, hem niet lief te hebben, dat is toch verschrikkelijk, want kinderen,
29:54En grote mensen die Jezus niet lief hebben en hem tegen alle waarschuwingen en raadgevingen in versmalen, komen niet bij vader, moeder en bedje van
30:06de lady in de hemel, maar bij de goddeloze Willem.
30:13En als we het eens gaan vragen, waar gaat u liever naartoe?
30:18Naar de eerste of naar de laatste plaats?
30:22Het leidt geen twijfel.
30:24Of alle zullen zeggen, wel naar de eerste plaats, naar de hemel.
30:28Nu, dat willen we wel geloven, want, nog eens herhalen wij, daar is het recht goed en heerlijk.
30:36Ja, niets, niets ter wereld, hoe schoon, hoe prachtig ook, is met die plaats van eeuwige gelukzaligheid, met die stad des lichts en des vredes te vergelijken.
30:48Hoor, hoe de reeds lang voor de troon juichende vader groene wegen,
30:54Onder andere ervan zingt.
30:57Heerlijk is die stad gebouwd.
31:01Al de straten zijn van goud.
31:03En versierd aan alle kanten.
31:06Alles blinkt er als het ligt.
31:08Ze is gans op diamanten op het heerlijkst gesticht.
31:13De allerkostelijkste steen, jaspes, is er gans gemeen.
31:19Al wat ogen aanschouwen kan.
31:22Ja, de poorten al te saam.
31:25Zijn uit parelen gehouden, tot de lof van Skonings naam.
31:30Het
31:32lage aardse zondig stof wordt veracht in het hemelshof.
31:39Waarom hier in stof te vroeten?
31:42Boven in uw vaders land treedt men het hemelgoud met voeten en mij wandelt hand aan hand.
31:50Het zonnelicht, de blanke maan, zal daar aan geen hemel staan.
31:58Want die stad behoeft geen zonne, het licht van het lieflijk aanschijn, alle licht en levensbronnen van het opperwezen zal daar zijn.
32:10Ja, geen ogen zouden thans iets verdragen van die glans, van dat schitteren, van die stralen, van de hemelsheerlijkheid, in die hoge hemelzalen,
32:23van die pracht en majesteit.
32:27Daar...
32:28Geen hete zonnestraal op de hoven in Nederdaal.
32:32Daar geen gure onweervlagen.
32:36Eeuwig vrij van alle smart.
32:39Eeuwig vrij van de vijandsplagen die de stille ziel verward.
32:44Al het zuchten en geween, al het kermen en gesteen, is
32:52dan eeuwig weggevlogen.
32:54Jezus bruid en echte vrouw.
32:59Alle tranen zal hij drogen, is daar eeuwig vrij van rouw.
33:04Zoet gezelschap, dat de saam, Gods geduchte grote naam, eeuwig prijst met lofgezangen, met een hemelsoet geluid.
33:14Wie zou daar niet naar verlangen?
33:17Gaal mens heren deugden uit.
33:20O, dat wandelen voor Gods droom.
33:23Prijken met als hemels kroon.
33:27Palmtakken eeuwig dragen.
33:29Overwinnaars van de dood, zonder nachten, zonder dagen, zaligheid, oneindig groot.
33:39Ja, met recht, zegt vader Groenewegen, oneindig grote zaligheid.
33:46Want dat zeggen is gegrond op Gods eeuwig blijvend getuigenis, gegrond op het gezegde van de grote apostel Paulus.
33:57nadat hij in de geest was opgetrokken geweest tot in de derde hemel en al daar dingen mocht zien en horen, die hier geen oog ooit heeft gezien, geen oor gehoord, ja, die
34:10in een mensenhart nooit zijn opgeklommen.
34:15Oneindig grote zaligheid!
34:18Maar daartegenover staat, wie zou niet zitteren en beven bij het vernemen van zulke woord?
34:25Eindeloze grote rampzaligheid!
34:28Zaligheid voor de Godlovers, rapzaligheid voor de Godverachters.
34:34Och, dat er dan bij een iegelijk die dit leest en hoort en nog van God vervreemd is, toch worden mogen.
34:44Heren, maak mij tot een kind van u,
34:48maak mij tot een Godlover.
34:52Geef, och geef mij uit genade, deel aan de opstanding van uw lieve Zoon.
34:59De Heere Jezus Christus, opdat ik niet komen bij de verdoemden in de hel, maar bij de door de Heere Jezus verlosten en gekochten in de hemel.
35:10Ja, daar moet het met u heen, zal het wel met u zijn, gij, kinderen, die de Heere nog niet in waarheid dient.
35:18De Heere weet het, met welke gedachten u op dit paasfeest bezield bent.
35:24Nog eens komen we erop terug, niemand weet de dag sinds doods.
35:28Het kon dus wel het laatste paasfeest zijn dat u viert, en hier beneden geen paasfeest in waarheid hebben gevierd, heeft er gevolgen dat men het dan ook niet in de
35:40hemel zal doen.
35:42O kinderen,
35:44mocht u toch eens een recht gezicht inkrijgen, hoe zalig, hoe onuitsprekelijk zalig is het, en welke vrede is het voor het hart om.
35:57afgezonderd van het gejoel en gewoel van hun wereld, die in het boze en verdorven ligt met hen, die de Heerde Jezus lief hebben over zijn opstanding te mogen spreken, zich erover te mogen
36:09verblijden en zijn lof te bezingen.
36:12Gewis, lieve kinderen, als je dat beseft, dan zou je het vader van Alphen kunnen nazeggen.
36:19Weg wereld, weg schatten, gij kunt niet bevatten, hoe rijk dat ik ben.
36:27En het ook met diezelfde dichter uitroepen.
36:29Ach, was Jezus nog op aarde?
36:33Aanstonds vloog ik naar hem heen.
36:37Och bedenk, bedenk toch, het gaat met ons allen op de eeuwigheid aan.
36:41Het zal voor een ieder van ons zijn, eeuwig wel of eeuwig we.
36:47Eeuwig we, verschrikkelijke gedachten.
36:50Zie, daar zien we in de geest de jongste dag, de gerichtsdag aangebroken.
36:57Daar stijgen aan de vier hoeken van de wereld de vuurvlammen op.
37:02Daar wordt het schelle bazaanige schouw gehoord en daar, daar op de wolken des hemels, verschijnt de zoon des mensen, de emau, voor zondaren aan het hout,
37:14de vervloeking genagelde en gestorvene.
37:17Maar ten derde dag uit het graf werd heerlijk verrezen en daarna, met majesteit, er luistert een hemel gevaren, middelaar en heiland.
37:28Hoor, daar gaat het machtwoord uit zijn mond.
37:31Sta op, gij doden, en kom ten oordeel.
37:35En nu, o welke gezicht!
37:38Daar komt het stof weer tot stof.
37:40Daar komt elk been weer tot zijn been.
37:43Daar geven de graven, daar geeft ook de zee haar doden op.
37:47Zie, daar verrijzen ze.
37:49En nu?
37:50Nu wordt de vierschaar gespannen.
37:53Nu plaatst de rechter zich op zijn troon en worden allen door hem in orde geplaatst.
37:59Deze aan zijn rechter en geen aan zijn linkerhand.
38:02Die aan de rechterhand staan, de glans der godzaligheid straalt van hun aangezicht.
38:09Maar die aan de linkerhand staan, nee, hun aangezichten blinken niet.
38:16Hun blik is somber, droevig, pijnlijk, wanhopend, geen wonder.
38:23Die aan de rechterhand staan, zijn de godlovers en aan de linkerhand de godverachters.
38:30En onder die laatste, o wat een aanblik, merken we ook Willem op, met wie wij in dit boekje kennis hebben gemaakt.
38:39Hij beeft, hij siddert over al zijn leden.
38:43We horen hem klagen in onze geest.
38:46Och had ik, och had ik, maar dat och had ik geldt niet.
38:54In de dag aller dagen.
38:56Dan wordt het vonnis geveld.
38:58En dat vonnis is rechtvaardig.
39:00Dan is het.
39:01Ga in.
39:02In de vreugde uw heren.
39:04Of ga weg van mij.
39:06Ik heb u nooit gekend.
39:08De heren, lieve kinderen.
39:11Is ons gebed voor u.
39:13Binde uit genade u de ernst der zaak op het hart.
39:17En verhoede het.
39:19Kan het in zijn aanbiddelijke raad bestaan dat.
39:22Wanneer de jongste dag zal zijn aangebroken, dit ons woord, dit verhaal, niet tegen u, maar ook tegen mij, moet
39:35getuigen.
39:36Maar gij, door zijn genade er winst mee doen mag, zijn grote en driemaal heilige naam tot eer en uw ziel tot zaligheid, en waar
39:49wij die beden voor u opzenden.
39:51Kinderen, daar doen we het in het bewustzijn.
39:55dat de Heere, de Schepper van de einden der aarde, niet moede of mat wordt, om wel te doen, en dat Hij de Machtige is, om het hardste hart
40:07nog in een vleeshart te herscheppen.
40:10En daarom ten slotte, op de knieën, kinderen, op de knieën voor de Heere, vrediger weg, kunnen wij u niet aanwijzen.
40:27Ja, luisteraars.
40:29Zo is er een einde gekomen aan het verhaal De Zoon der Duisternis.
40:34Maar er mocht ook doorklinken de liefderijke trekking van de Zoon des Levens, de Heer Jezus Christus.
40:45En we willen dit verhaal dan gaan besluiten met het luisteren naar Psalm 89, het eerste vers.
40:53Ik zal eeuwig zingen van Gods goede tieren heen, maar ook...
40:59Het zevende vers.
41:00En wat zou het groot zijn als dat ons alle deel wordt.
41:05Hoe zalig is het volk dat naar uw klanken hoort.
41:09Zij wandelen, heren, in het licht van het goddelijk aanschijn voort.
41:15We danken u allen hartelijk voor het luisteren en wensen u voor morgen en overmorgen gezegende paasdagen toe.
41:25[GEZANG]